De sauropoden hadden een olifantachtig lichaam met vier
dikke, stevige poten, een lange nek en een lange staart. Ze waren de grootste landdieren
die ooit geleefd hebben. Toch hadden ze in verhouding een heel kleine schedel. Dat is niet
zo verwonderlijk als je bedenkt dat een grote, zware schedel vóóraan een lange nek erg
onhandig zou zijn. De schedel en de nek waren beide heel licht gebouwd. Gewichtsbesparing
is immers heel belangrijk als je nek acht meter lang is. De naam Sauropoda komt uit het
Grieks en betekent zoveel als 'hagedispoot'.
De poten waren veel zwaarder gebouwd dan de nek. Vier
grote, pilaarachtige olifantspoten, met dikke, massieve botten hielden de soms meer dan 80
ton wegende sauropoden overeind. De poten waren niet gebouwd voor snelheidsrecords: met
lange dijbenen en korte scheenbenen is het prima wandelen, maar rennen lukt niet met dat
model poot. Vergelijk de achterpoot van een sauropode maar eens met die van een theropode.
De verschillen zijn overduidelijk.
Wat doet een dino met zo'n lange nek? Net als de giraf aan
de hoogste blaadjes knabbelen, de blaadjes waar andere dieren niet bij kunnen. Maar je
kunt er nog meer mee. In plaats van steeds van de ene naar de andere plant te lopen, kun
je als je een lange nek hebt rustig stil blijven staan, en alleen je nek heen en weer
bewegen om een flink gebied kaal te grazen. Dat is minder vermoeiend en het scheelt een
hoop energie.
In de kleine, lichtgebouwde schedel van de sauropoden was
geen ruimte voor zware kaakspieren. Goed kauwen of flink doorbijten konden ze dus niet.
Bij sauropoden komen we twee soorten tanden tegen: lepelvormige (zoals bij Camarasaurus
en Brachiosaurus) en potloodvormige (bij Diplodocus en Titanosaurussen
zoals Argentinosaurus). Het waren overduidelijk planteneters, want vlees krijg je
niet weg met die kleine, botte tandjes. Bij de sauropoden stonden onder andere
(boom)varens, palmen en coniferen op het menu: subtropische planten die je nu vooral in
tuincentra tegenkomt, maar in de Jura (210 - 140 miljoen jaar geleden) stonden ze overal.
Het enige wat sauropoden met hun bek deden, was bladeren afhappen en doorslikken. Het
fijnmalen gebeurde pas in hun maag. De stenen die ze zo nu en dan doorslikten, hielpen
daarbij. De gespierde maag kneedde de plantenbrij fijn met hulp van de gastrolieten (zo
noemen dinologen die maagstenen). Sauropoden waren erg succesvol. Hun resten worden
wereldwijd gevonden, in allerlei soorten gesteenten: gesteenten die gevormd zijn aan de
kust, door rivieren en bij meren. Ze leefden dus in allerlei verschillende leefomgevingen.
Sauropoden leefden waarschijnlijk in kuddes. Het moet een
ramp geweest zijn voor de plantengroei als zo'n kudde langskwam, want twintig sauropoden
zullen nog wel meer gevreten hebben dan honderd olifanten. Omdat sauropoden voortdurend
moesten eten om hun grote lichaam in leven te houden, zullen ze voortdurend op stap
geweest zijn. Want als ze op één plaats bleven hangen, waren de bomen snel helemaal op.
Bepaalde sauropoden zijn waarschijnlijk met de seizoenen meegetrokken. Dat is aannemelijk
omdat er voorbeelden bekend zijn van gebieden met duidelijk droge en natte seizoenen. In
het natte seizoen kwamen de sauropoden langs om te eten, in het droge seizoen trokken ze
naar andere gebieden waar wél eten te halen was. Dat sauropoden in kuddes leefden, weten we uit hun
voetsporen. Uit die sporen weten we ook dat sauropoden hun poten dicht naast elkaar, recht
onder hun lichaam neerzetten. Ze liepen dus niet wijdbeens. Staartsleepsporen worden bijna
nooit gevonden, hun staart hielden ze dus meestal boven de grond. |
|
|
|
|
|
|
|