| |
De
scholekster, waarvan nog enkele ondersoorten bestaan, behoort
tot de steltlopers. Men treft hem aan in kustgebieden en in de
waddengebieden van Europa, daarnaast komen ze ook in Azië en
Nieuw-Zeeland voor.
Hij is ongeveer 45 cm groot. Het verenkleed is zwart-wit, de
snavel en de poten zijn rood. Met zijn lange, afgeplatte snavel
kan de scholekster de mosselen van de rotsen los wrikken en deze
vervolgens kraken. Daarnaast eet de scholekster ook insecten en
wormen.
Vooral in het begin van de broedtijd vormen de scholeksters
grote groepen. Ze cirkelen dan om elkaar heen in de lucht en ze
lopen elkaar ook op de grond achterna.
Ze graven een ondiep kuiltje op het strand of ze maken een nest
tussen de planten op het strand. Het nest wordt soms bekleed met
mos of iets dergelijks. Het vrouwtje legt 2-4 eieren. De eieren
worden 24-28 dagen door beide ouders bebroed. |
|
|
|
|
|
|