|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap en plantengroei
Het landschap bezit weinig reliëf en ligt bijna geheel beneden de 100 m;
alleen in het zuidoosten rijzen uitlopers van het Fouta-Djalongebergte
tot boven de 400 m hoogte. Vier grote rivieren doorsnijden het land: de
Senegal, de Saloum, de Casamance en, vnl. in Gambia, de Gambia. Men kan
in Senegal de volgende grote natuurlijke landschappen onderscheiden: a.
Het dal van de Senegal, 800 km lang. Het hoofddal heeft een breedte van
15-20 km en bevat vaak verscheidene stromen met tussenliggende eilanden.
Ten westen van Dagana splitst de Senegal zich in een groot aantal, deels
verlaten, rivierarmen die samen de moerassige delta vormen. b. Het
Cayorkustgebied ten noorden van Gambia. Achter de vlakke kust strekken
zich deels begroeide duinenrijen uit, die zich tot 20 km landinwaarts
voortzetten. Tussen de duinen bevinden zich moerassige depressies en
meertjes. Het schiereiland Cap Vert (Kaap Verde) is ontstaan door
tertiaire vulkanische activiteiten die met name ten zuiden van het
schiereiland eilandjes langs de kust deden ontstaan, welke zich later
verbonden met het vasteland. c. De centrale vlakte strekt zich achter
het Cayorgebied uit ten oosten van de spoorlijn Saint-Louis-Dakar en ten
noorden van Gambia. Deze zandige laagvlakte kent in het noorden een
spaarzame steppevegetatie, die in het zuiden overgaat in een meer
savanneachtige begroeiing. Naar het oosten toe wordt het landschap
droger. d. De Casamance, het gebied tussen Gambia en Guinee-Bissau, is
min of meer van de rest van het land gescheiden. De neerslag is groter
en de vegetatie daardoor rijker, vooral bij de monding van de Casamance.
1.2 Dierenwereld
De dierenwereld van Senegal bestaat voornamelijk uit savannefauna;
dieren als olifanten en giraffen bereiken hier hun noord- en westgrens
(zebra's komen al niet meer zo ver westelijk voor). Van de buffel is
hier alleen de kleine roodbruine bosvorm bekend. Het Niokolo-Koba
nationale park met aansluitende wildreservaten is een centrum van
wetenschappelijk onderzoek en huisvest o.a. nog olifanten, giraffen
(zeldzaam) en talrijke antilopen waaronder de westelijkste vorm van de
paardantilope en de zeldzame reuzenelandantilope; aan roofdieren komen
hier o.a. voor leeuw, panter, gevlekte en gestreepte hyena. Het Djovol
nationale park omvat de delta van de Senegalrivier. Dit is een
belangrijk waterwildreservaat; aan zoogdieren is er o.a. het
wrattenzwijn algemeen aan te treffen.
1.3 Klimaat
Senegal heeft een regenseizoen van juli tot oktober en een droog seizoen
van december tot maart. De gemiddelde jaarlijkse neerslag neemt toe van
noord naar zuid en van het binnenland naar de kust. De kuststreek wordt
gekenmerkt door relatief lage en gelijkmatige temperaturen onder invloed
van de Canarische Stroom en de noordoostpassaat in de winter. De
luchtvochtigheid aan de kust is er echter hoog (60-85%). Landinwaarts
neemt de gemiddelde temperatuur toe, terwijl ook het verschil tussen
dag- en nachttemperatuur groter wordt. De temperaturen en de gemiddelde
neerslag per jaar zijn in Dakar aan de kust 18-28 °C (droge seizoen),
22-23 °C (natte seizoen), resp. 578 mm (vnl. aug.-sept.) en in Matam in
het binnenland 20-33 °C (droge seizoen), 24-38 °C (natte seizoen), resp.
530 mm; Ziguinchor in het zuiden ontvangt jaarlijks gemiddeld 1550 mm
neerslag.
    
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
In Senegal wonen verschillende bevolkingsgroepen, waarvan de
belangrijkste zijn: Wolof in Centraal-Senegal (44% van de totale
bevolking), Sérer in het zuidelijke Sine-Saloum (15%), Toucouleur in het
stroomgebied van de Senegal (11%), Fulani of Fulbe (nomaden; ca. 12%),
Diola en Mandingo, beide in de Casamance (elk ca. 4%). Er zijn ca.
350.000 buitenlanders: Syriërs, Mauritaniërs, Fransen, Libanezen en
Kaapverdianen. Ongeveer 200.000 Senegalezen leven in het buitenland,
vnl. in Frankrijk. De spreiding is zeer onregelmatig: het oosten van het
land is dun bevolkt; het westen, m.n. het schiereiland Cap Vert, is
dicht bevolkt. De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt 2,7%. In 1990
was 45% jonger dan 15 jaar.
2.2 Taal
Frans is de officiële taal; het wordt door ca. 15% van de bevolking
gesproken. Er worden talrijke stamtalen gesproken, waarvan Wolof het
meest algemeen is.
2.3 Religie
Ongeveer 91% van de bevolking is islamiet; de drie belangrijkste
islamitische groeperingen zijn de Tijaniya, de Quadiriya en de Moeriden.
De laatsten hebben een moskee (de grootste van Afrika) in Touba, die
veel door pelgrims bezocht wordt. De Senegalese islamitische orden
hebben een grote invloed op de samenleving. Zij vervullen traditioneel
een bemiddelende rol tussen overheid en de plattelandsbevolking. Ca. 3%
is animist en ca. 6% christen, hoofdzakelijk rooms-katholiek.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
Volgens de grondwet van 1963, die verschillende malen geamendeerd is,
heeft Senegal een presidentiële regeringsvorm. De president wordt
gekozen voor een periode van zeven jaar en is herkiesbaar. Hij heeft
vérstrekkende bevoegdheden, zoals het afkondigen van de noodtoestand en
het uitschrijven van een referendum; hij benoemt en ontslaat de
minister-president (tussen 1983 en 1991 - evenals tussen 1963 en 1970 -
een afgeschaft ambt), die aan hem verantwoording schuldig is. Het
parlement bestaat uit één kamer en telt 120 leden, die bij algemeen
kiesrecht voor de periode van vijf jaar worden gekozen.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in tien regio's met een gouverneur aan het hoofd,
die onderverdeeld zijn in 28 departementen en 89 arrondissementen.
Daarnaast zijn er 34 gemeenten met een hoge mate van zelfbestuur.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Senegal is lid van o.m. de Verenigde Naties, de Franse Gemeenschap en de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en is geassocieerd met de EU.
3.4 Partijwezen en vakbond
In 1981 werd een meerpartijenstelsel toegestaan. Tot dat jaar was de
Parti Socialiste Sénégalais (PSS) de regeringspartij en (sedert 1974) de
Parti Démocratique Sénégalais (PDS) de officiële oppositiepartij. Veel
politieke partijen maakten gebruik van de versoepeling van het politieke
stelsel. De PSS hield echter het monopolie op gebruik van de media en
oppositiepartijen bleven kwetsbaar voor presidentiële willekeur. Bij
parlementsverkiezingen in 1993 won de PSS 56, 5% van de stemmen, de PDS
30,2%. Verzet van de oppositie tegen de voorrechten van de PS bracht
president Diouf ertoe de kieswet te wijzigen en de oppositiepartijen
meer toegang tot de media te geven.
De Confédération Nationale des Travailleurs Sénégalais (CNTS) is de
officiële vakbond. Zij is nauw gelieerd met de PSS. De Union des
Travailleurs libres du Sénégal (UTLS) heeft nauwe banden met de
oppositie.
4. Economie
4.1 Algemeen
De Senegalese economie wordt in sterke mate gedomineerd door drie
exportproducten: grondnoten, vis en fosfaat, en is daarmee sterk
afhankelijk van klimaatschommelingen en prijzen op de wereldmarkt. De
regering streeft naar diversificatie van de landbouw. Ongeveer een kwart
van de benodigde voedingsmiddelen moet worden ingevoerd. Toerisme vormt
een steeds belangrijkere factor in de economie. Het Bruto Nationaal
Product (bnp) per hoofd van de bevolking was in 1994 US $ 610
(jaarlijkse stijging van gemiddeld 0%, maar in 1995 +4,7%).
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw
In de landbouw is het grootste deel van de beroepsbevolking werkzaam.
Het aandeel van de landbouw aan het bnp was in 1994 17%. Naast
grondnoten (Senegal is Afrika's grootste producent van deze vrucht)
worden voor de handel verbouwd: katoen, rijst, suiker, groenten en
fruit; als voedselgewassen: gierst, cassave, rijst, maïs en aardappelen.
Het streven is om tegen 2000 in de eigen voedselbehoefte te kunnen
voorzien. De verbouw van groenten en fruit concentreert zich in het
gewest Cap Vert, waar voldoende afzetmogelijkheden zijn. Toch nemen
levensmiddelen 29% van de import in beslag.
Het grootste deel van de veestapel bevindt zich in het noorden. Gemengd
bedrijf komt voor in de zuidwestelijke gewesten Sine-Saloum en Casamance
en in Oost-Senegal. De melk- en vleesopbrengst is relatief gering en
wordt voor eigen consumptie gebruikt. Er wordt vlees ingevoerd.
De visserij draagt 4% bij aan het bnp. De kust is zeer visrijk, er wordt
hoofdzakelijk sardine, tonijn en schaaldieren gevangen. Dakar heeft een
vissershaven. De binnenvisserij is minder belangrijk. Het grootste deel
van de vis is voor eigen consumptie, maar er wordt ook vis (en
visproducten) uitgevoerd. In 1993 droeg de visserij voor 26% aan de
export bij.
Ongeveer een derde van het land is bedekt met bos. De bossen hebben
echter hoofdzakelijk savannevegetatie, welke voor houtexploitatie weinig
waardevol is. De bosbouw levert wat brandhout en houtskool en voorziet
in de helft van de behoefte aan timmerhout. Uitgevoerd wordt arabicagom.
4.3 Mijnbouw
Het land is betrekkelijk arm aan delfstoffen. Hoewel het aandeel in het
bnp slechts 2% is, draagt de mijnbouw voor een belangrijk deel bij aan
de export. Bij Taiba (in het westen) wordt calciumfosfaat gewonnen. De
reserve wordt geschat op 100 miljoen ton. Ca. 85% van de productie wordt
uitgevoerd. Bij Thiès (eveneens in het westen) wordt aluminiumfosfaat
gewonnen; de reserve wordt ook geschat op 100 miljoen ton. De fosfaten
worden geëxploiteerd door semi-overheidsondernemingen. Andere
fosfaatreserves zijn gevonden bij Tobène, ten zuiden van Thiès. Lage
prijzen voor fosfaten op de wereldmarkt vormen een belemmering voor de
ontwikkeling van de mijnbouw. Sinds 1984 delft een Frans-Senegalese
joint venture op kleine schaal goud. Zout wordt vooral gewonnen in het
gewest Sine-Saloum. Verder komen kalksteen en ijzererts voor. De
exploitatie wordt belemmerd door elektriciteits- en
transportmoeilijkheden. Aardolie is gevonden aan de kust bij Casamance.
4.4 Energievoorziening
Opwekking van elektriciteit gebeurt met ingevoerde fossiele
brandstoffen. In samenwerking met Mali bouwt Senegal in de Senegalrivier
waterkrachtcentrales.
4.5 Industrie
Industrie werd grootscheeps opgezet door de Fransen om de
Frans-West-Afrikaanse markt te voorzien. Na de dekolonisatie viel de
afzetmarkt weg en ontstond gebrek aan kapitaal en aan geschoold
personeel, waardoor de industriële ontwikkeling beperkt bleef. Industrie
en ambacht leveren ca. 20% van het bnp en zijn geconcentreerd in Cap
Vert. De belangrijkste tak is de voedings- en genotmiddelenindustrie.
Verder is er textiel- en chemische industrie. Een vrijhandelszone bij
Dakar bracht niet de verwachte buitenlandse investeringen. Daarom werd
de nadruk verlegd naar de verwerking van inheemse grondstoffen voor de
binnenlandse markt. Tegelijkertijd probeerde de regering het aandeel van
nationale ondernemers te vergroten.
4.6 Handel
De handelsbalans is structureel negatief. De invoer van
transportmiddelen, machines, elektrische apparaten en aardolie neemt
toe. De toegenomen uitvoer van fosfaten en visconserven wordt
genivelleerd door de daling van de grondnotenopbrengst. Belangrijke
uitvoerproducten zijn: grondnoten en grondnootproducten, fosfaten,
visconserven en textiel. Belangrijkste handelspartner is Frankrijk,
daarnaast andere EG-landen, Nigeria, Ivoorkust, Spanje, Japan en de
Verenigde Staten. Voor de 'informele handel' spelen Gambia en Mali een
belangrijke rol.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking en planning
Het ontwikkelingsplan 1994-1997 beoogt marktkrachten een grote rol in de
economie te geven. Daarnaast moest het handelstekort verminderen door
vergroting van de export. Voor de export van vis en chemische producten
werd een sterke groei voorzien. Om particulier bezit van
productiemiddelen te vergroten maakte de regering plannen om
staatsbedrijven te verkopen. Verbetering van de infrastructuur, het
school- en gezondheidswezen, de watervoorziening en belangrijke
economische sectoren is het voornemen binnen het beleidsplan 1995-2000.
Financiële hulp komt m.n. van Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland,
de EU en de Wereldbank.
4.8 Bankwezen
Belangrijkste bank is de Banque Centrale des États de l'Afrique de
l'Ouest (BCEAO), met hoofdkantoor in Dakar. Senegal is lid van de
West-Afrikaanse monetaire overeenkomst, de Union Monétaire Ouest
Africaine (UMOA).
4.9 Verkeer
Het wegennet is uitgebreid (14!500 km) en goed onderhouden. Het
spoorwegnet (904 km) wordt geëxploiteerd door de Société Nationale des
Chemins de Fer du Sénégal en heeft verbindingen met Mali en Mauritanië.
De binnenscheepvaart is beperkt. Dakar is de grootste en modernste
zeehaven in West-Afrika. Dakar-Yoff heeft een internationale luchthaven,
daarnaast zijn er vliegvelden in Saint-Louis, Ziguinchor en Tambacounda.
De binnenlandse vluchten worden onderhouden door Air Sénégal. Air
Afrique onderhoudt verbindingen met West-Afrikaanse landen, African West
Air vliegt vooral op Europa en Brazilië.
5. Geschiedenis
5.1 Van de oudheid tot de 18de eeuw
De kust van Senegal werd waarschijnlijk reeds in de oudheid door
zeevaarders bezocht. In het binnenland veroverde in de 9de eeuw een van
de bevolkingsgroepen, de Toucouleur, de hegemonie, waarschijnlijk met
steun van de Fulani in Centraal-Senegal. De omvang en de betekenis van
het Toucouleur-rijk wisselden in de daarna volgende eeuwen sterk; van
tijd tot tijd was het een vazal van het Ghana-rijk (zie Ghana
[geschiedenis]). In de 11de eeuw verbonden de Toucouleur zich met de
Almoraviden (islamitische Toeareg) en hielpen dezen met de vernietiging
van het Ghanese rijk. In het begin van de 14de eeuw was het
Toucouleur-rijk horig aan het Mali-rijk (zie Mali [geschiedenis]).
Vervolgens trok een heersersgeslacht van de Wolof de macht aan zich. De
Wolof werden in 1520 verslagen door de Fulani onder leiding van Koli
Galadjo, die als leenman van het rijk van de Songhai in opstand was
gekomen en het Fouta Toro-rijk stichtte. Dit rijk wist zich te handhaven
tot 1776, toen de heersende dynastie verdrongen werd door islamitische
Toucouleur.
Intussen hadden de Portugezen in 1444-1445 Cap Vert bereikt en de
monding van de rivier de Senegal verkend. In de 17de eeuw werd het
kustgebied inzet van strijd tussen de Europese machten. In 1637 en 1638
vestigden resp. Fransen en Hollanders hier handelscompagnieën. Met name
werd veel strijd geleverd om Gorée (Goeree!), een eiland voor Cap Vert,
dat uitermate geschikt was als 'entrepot' voor de slavenhandel op
Amerika en als verversingsstation voor de zeereis rond Afrika. In 1659
stichtte de Franse handelaar Cavallier de stad St.-Louis aan de monding
van de rivier de Senegal. Via de rivier had men toegang tot het
binnenland, vanwaar men handelswaar als Arabische gom en slaven betrok.
In St.-Louis begon een Frans koloniaal experiment: assimilatie van
Afrikanen aan de Franse cultuur.
5.2 Van 1753 tot de onafhankelijkheid
Van 1753 tot 1783 en van 1809 tot 1817 behoorde het Franse gebied aan
Groot-Brittannië. Nadat de Fransen het weer in bezit hadden genomen,
bleef het tot de jaren vijftig van de 19de eeuw alleen van belang voor
de handel in Arabische gom. Deze handel werd overigens voortdurend
bedreigd door de Moren op de noordelijke oever. In 1850 stelde een
Franse commissie vast dat in het aride binnenland uitstekende
mogelijkheden lagen voor de exploitatie van grondnoten. In 1854 werd
daarom een gouverneur benoemd: generaal Louis Faidherbe. Deze begon met
het onderwerpen van de Moren en vestigde vervolgens met hulp van de
befaamde 'tirailleurs sénégalais', Afrikaanse soldaten onder Franse
officieren, een Frans protectoraat dat het grootste deel van het
binnenland besloeg. Met deze acties doorkruiste hij de ambities van de
islamitische heerser El Hadj Omar, een Toucouleur en stichter van het
rijk van Ségou, die zijn rijk tot aan de kust wilde uitbreiden, maar
hier door de tegenstand van Faidherbe van afzag en zich oostwaarts
richtte. Vanuit Senegal veroverden de Fransen een groot deel van hun
West-Afrikaanse koloniale rijk.
In 1895 werd een gouverneur-generaal aangesteld voor Frans West-Afrika,
die zetelde in Senegal. Als resultaat van de vroege assimilatiepolitiek
- een beleid dat de Fransen in de 20ste eeuw op grond van de inheemse
tegenstand en de financiële kosten matigden door een meer indirect
bestuur via de plaatselijke hoofden - nam Senegal een aparte en leidende
plaats in binnen Frans West-Afrika: sedert 1848 stuurde het
afgevaardigden, gekozen door de burgers van een viertal steden, naar het
parlement te Parijs. In 1914 werd voor het eerst een Afrikaan
afgevaardigd, die, hoewel gekozen op een radicaal program, zich al snel
liet inpalmen door de Franse regering. Tijdens de Tweede Wereldoorlog
stond het land de eerste twee jaar onder een pro-Vichy-bewind, daarna
was het een steunpunt voor de geallieerden. Na de conferentie van
Brazzaville (jan. 1944) raakten de politieke ontwikkelingen in Senegal
in een stroomversnelling. De Franse grondwet van 1946, in welker
totstandkoming de Senegalese parlementsleden Lamine Guèye en Senghor een
werkzaam aandeel hadden, verleende staatsburgerschap aan alle Afrikanen,
de Kaderwet van 1956 schonk beperkte autonomie. In 1958 werd een
autonoom Senegal lid van de Franse Gemeenschap. Intussen was door
Senghor vorm gegeven aan een nationaal politiek systeem.
5.3 Van 1960 tot Senghors aftreden
Tegelijk met Frans Soedan, met welk land het in jan. 1959 was
samengegaan in de Mali Federatie, kreeg Senegal op 4 april 1960 zijn
onafhankelijkheid. De tegenstelling tussen het autoritair geregeerde,
onderontwikkelde, radicale Frans Soedan (later Mali) en het
democratischer, meer ontwikkelde en Fransgezinde Senegal leidde reeds op
19 aug. 1960 tot het uiteenvallen van de federatie, waarna beide delen
onafhankelijke republieken werden, met in Senegal Senghor als president.
De belangrijkste partij van het land, de Union Progressiste Sénégalaise
(UPS), bracht in 1962 de toenmalige premier, Mamadou Dia, in het
parlement ten val, waarna deze een staatsgreep ondernam, die door
Senghor met hulp van het leger werd onderdrukt. Senghor nam nu alle
macht in handen en liet in 1963, na een referendum, een presidentieel
systeem invoeren dat hem als president en regeringsleider dictatoriale
macht verschafte. De enig toegelaten oppositiepartij, de Parti de
Regroupement Africain, werd in 1966 met de UPS samengesmolten. In dec.
1969 kwam het tot een wijziging van de grondwet, waarbij de functie van
premier opnieuw werd ingesteld, en in 1970 werd Abdou Diouf de eerste
premier.
Sedert 1966 was er in toenemende mate sprake van onrust in het land;
betogingen, verzet en stakingen van de zijde van het onderwijzend
personeel, studenten en arbeiders werden gevolgd door talloze
arrestaties. De oorzaken van deze onrust lagen in de toenemende
onvrijheid, bureaucratie en corruptie in het land, alsmede in het
herhaalde malen mislukken van de grondnotenoogst.
In de buitenlandse politiek volgde Senegal een gematigde koers. Van 1961
tot 1974, het jaar waarin Portugal Guinee-Bissau als onafhankelijke
staat erkende, waren de betrekkingen met Portugal verbroken. Ten aanzien
van de Republiek van Zuid-Afrika betoonde Senegal zich aanvankelijk
voorstander van een dialoog met de Zuid-Afrikaanse leiders.
Bij de verkiezingen van 1978 werd Senghor herkozen en de regerende Parti
Socialiste Sénégalais (PSS), sedert 1976 de voortzetting van de UPS,
kwam als overwinnaar uit de bus. De vorming van nieuwe politieke
partijen werd in 1974 in beperkte mate, in 1981 volledig toegestaan.
Eind dec. 1980 maakte Senghor onverwachts zijn aftreden bekend. Abdou
Diouf volgde hem op.
5.4 Van 1980 tot heden
In dec. 1981 richtten Senegal en buurland Gambia de confederatie
Senegambia op, die echter in 1989 weer door Senegal werd opgeheven.
President Abdou Diouf, die in 1981 tussentijds het presidentschap van
Senghor had overgenomen, werd in 1983, 1988 en 1993 herkozen. In 1989
maakte de PSS onder leiding van Diouf een begin met een reeks
hervormingen, waaronder een soepeler kieswet, de toelating van
meer
oppositiepartijen, een vrijere pers. In het parlement werd een
'Nationale Democratische Charta' aangenomen. In april 1991 werd Habib
Thiam minister-president van een regering waarvan ook de voormalige
oppositieleider Abdoulaye Wade -zie foto- deel uit maakte.
In de zuidelijke provincie Casamance vecht de afscheidingsbeweging MFDC
voor afscheiding van Senegal. De staakt-het-vurens die in 1991 en 1993
werden overeengekomen, worden regelmatig geschonden door de MFDC (Movement
of Democratic Forces of Casamance).
In febr. 1994 braken in Dakar gewelddadige demonstraties uit,
georganiseerd door een coalitie van vijf oppositiepartijen. De protesten
richtten zich tegen de gestegen prijzen als gevolg van de devaluatie van
de CFA-frank. In de loop van febr. werden tientallen oppositionele
krachten gearresteerd. Bij een kabinetswijziging in maart 1995 nam
president Abdou Diouf de belangrijkste oppositieleider, Abdoulaye Wade,
in zijn regering op, waardoor drie van de vier belangrijkste
oppositiegroepen deel uitmaakten van de regering.
De onderhandelingen tussen de regering en de separatistische
afscheidingsbeweging MFDC werden in 1995 bemoeilijkt door een scheuring
in de beweging: de militaire leiders erkenden het gezag van de
secretaris-generaal van MFDC, Diamacoune Senghor, niet meer. Na het
vastlopen van de toenadering tussen de overheid en de MFDC werden in
1996 weer incidenten met dodelijke afloop gemeld in de zuidelijke
provincie Casamance.
Telefoongids Senegal
Postcodes
Senegal
|