| |
De
sijs of carduelis spinus
Een nieuwe bezoeker van de tuin, de laatste dertig jaar, is de
sijs. Het is een kleine vink met de acrobatische eigenschappen
van een pimpelmees. Hij zoekt voedsel aan het eind van dunne
takjes, waar hij ondersteboven hangt, terwijl hij de zaden uit
de berken en elzenproppen peutert (het favoriete voedsel van de
sijs). De sijs werd destijds misschien naar de tuinen gelokt
doordat er sierbomen zoals de cypres, geplant werden. Hij is nu
een regelmatige wintergast en komt pas naar het wintervoer als
de natuurlijke zaadoogst is uitgeput. Drinken uit de vijver
gebeurt vaak groepsgewijs.
Kenmerken
Het vrouwtje is groengeel, met donkere strepen aan de onderkant.
Het mannetje heeft een zwarte kop en bef, is minder gestreept en
meestal helderder gekleurd. Lengte : 12 cm.
Voedsel
Sijsjes halen de zaden uit spar- en dennenappels en zoeken
voedsel in elzen, berken, iepen en distels. Aan de opgroeiende
jongen worden insecten gevoerd.
Wintervoedering
Pinda's, vet en een verscheidenheid aan zaden.
Nest
Het vrouwtje bouwt het stevige, compacte nest van kleine,
bemoste takjes en voert het met wortels, haar en veertjes. Het
zit meestal aan het eind van een tak. Door de aanplant van veel
naaldhout in Europa is de soort behoorlijk toegenomen.
Broedgegevens
Maanden mei tot augustus - twee legsels - drie tot vijf
roodgestreepte, lichtblauwe eieren - broedtijd : 12 dagen, door
het vrouwtje - vliegvlug : na vijftien dagen; tijd tot
zelfstandigheid is niet bekend. |
|
|
|
|
|
|