header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

SloveniŽ

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

SloveniŽ (Slov.: Slovenija), republiek op de Balkan, 20.255 km2, met 1.995.000 inw. (98 inw. per km2); hoofdstad: Ljubljana. Munteenheid is de tolar (lett.: daalder) = 100 stotin. Nationale feestdagen zijn 25 juni en 26 december.

1. Fysische geografie
Het noorden van SloveniŽ is bergachtig (Karawanken, Julische Alpen; tot 2863 m). Ten oosten van de Karawanken liggen de dichtbeboste uitlopers van de Oostenrijkse Norische Alpen (tot 1542 m); tussen Ljubljana en de Golf van TriŽst ligt het kalkplateau Karst. De kern wordt ingenomen door heuvelgebied langs de Sava. De belangrijkste rivieren zijn de Sava en de Drava. Behalve aan de Adriatische kust kent SloveniŽ een Midden-Europees, zwak continentaal klimaat. Gemiddelde jaarlijkse neerslag is 1200-1400 mm, gemiddelde januaritemperatuur is -2 įC.

2. Bevolking
De bevolking bestaat vnl. uit Slovenen (90, 5%); daarnaast zijn er Kroaten (ca. 3%), ServiŽrs (2,3%) en voor het overige o.m. Hongaren, Italianen en MacedoniŽrs. De grootste steden zijn Ljubljana (271.900 inw.) en Maribor (103.100). De officiŽle taal is de Sloveense taal. De bevolking is van oudsher grotendeels rooms-katholiek.

3. Bestuur en samenleving
Na het op 23 dec. 1990 gehouden referendum over de onafhankelijkheid van SloveniŽ, werd de grondwet gewijzigd. De onafhankelijkheid en soevereiniteit zijn erin vastgelegd. De wetgevende macht ligt bij het parlement (90 zetels) en bij de Staatsraad (40 zetels). Staatshoofd is de president. Het parlement beschikt sinds de soevereiniteitsverklaring (2 juli 1990) over de controle op het militaire apparaat. Het land is opgedeeld in 58 gemeenten. De belangrijkste politieke partijen zijn de Liberaaldemocraten, de Christendemocraten, de Verenigde Lijst, de Sloveense Nationale Partij, de Sloveense Volkspartij, de Democratische Partij, de Groenen en de Sociaaldemocraten. Daarnaast bestaan er kleine Italiaanse en Hongaarse partijen, met elk ťťn zetel. Verkiezingen om de vier jaar, voor het staatshoofd eens in de vijf jaar. SloveniŽ is lid van de Verenigde Naties, de Raad van Europa, is waarnemend lid van de WEU, aangesloten bij het NAVO-Partnerschap voor Vrede en geassocieerd lid van de EU.

4. Economie
4.1 Algemeen
SloveniŽ heeft een relatief modern ontwikkelde industrie, een goed functionerende agrarische sector en rijke bodemschatten. Het bnp bedroeg in 1994 US $ 7140 per hoofd van de bevolking, twee maal zoveel als in de rest van JoegoslaviŽ. De burgeroorlog in JoegoslaviŽ (1991-1992), gepaard met een tijdelijke boycot door het buitenland, bracht veel schade toe aan het land, maar in vergelijking met de overige republieken kon SloveniŽ eerder aan de opbouw ervan beginnen.
Belangrijk zijn bos- en landbouw (o.m. teelt van graan en fruit; wijnbouw; veeteelt). Na de Tweede Wereldoorlog is op grote schaal geÔndustrialiseerd, waarbij bedrijven o.m. werden gebaseerd op de mijnbouw (winning van o.m. kwikzilver, looderts, bruinkool, aardolie). De industrie is m.n. gevestigd in de grote steden (Ljubljana, Maribor, Koper, Kranj); goed ontwikkeld is de houtindustrie. Het toerisme, o.m. gericht op het hooggebergte (wintersport, alpinisme), is van toenemend belang.
4.2 Land- en bosbouw
Gezien de klimatologische en bodemkundige omstandigheden is het exploitabele oppervlak van het land vooral met grasland bedekt. Slechts 245.000 ha is geschikt voor akkerbouw, en daarop worden tarwe, maÔs en aardappelen verbouwd. Circa 21!000 ha wordt gebruikt voor de wijnbouw. 45% van het land is bebost, maar wordt niet geŽxploiteerd, anders dan voor de jacht. Er komen herten, reeŽn en gemzen voor, en er zijn zelfs nog enkele beren.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw speelt maar een geringe rol. Er zijn beperkte voorraden ijzer, lood, zink en kopererts, bruinkool, kwikzilver en aardolie. De belangrijkste energieleverancier is de kerncentrale van Krsko, die ondanks het voornemen nog niet is stilgelegd. De overige energie wordt geleverd door warmtekrachtcentrales op kolen, aardgas en olie.
4.4 Industrie
Op beperkte schaal wordt machinebouw gepleegd, evenals metaalproductie en -bewerking. Er zijn voorts textielfabrieken en fabrieken voor elektronische en huishoudelijke apparaten. Er is een chemische industrie en er is houtverwerking. In 1994 kreeg de toeristenindustrie 627!283 buitenlandse gasten over de vloer, die voor $ 900 miljoen aan inkomsten zorgden.
4.5 Handel
De handel is beperkt: $ 945 miljoen import en $ 628 export. De landen van de EU zijn de voornaamste handelspartners, gevolgd door KroatiŽ en ServiŽ.
4.6 Bankwezen
De nieuw gevestigde Nationale Bank houdt het toezicht op het bankwezen.
4.7 Verkeer
Als doorgangsland is SloveniŽ vanouds goed ontsloten. Er zijn zelfs nog meer autosnelwegen in aanleg, met name naar Oostenrijk. Het spoornet heeft eveneens vooral een transitofunctie naar Zagreb en Belgrado, al verbindt het tevens binnenslands de belangrijkste steden. Ljubljana heeft een internationale luchthaven.

5. Geschiedenis
In de 1ste eeuw werd het gebied door de Romeinen op de IllyriŽrs veroverd. De Slovenen waren afkomstig uit de Oostelijke Alpen en vestigden zich in de 6de eeuw in het gebied. Zij onderhielden in de 7de en 8ste eeuw ten gevolge van de opdringende Avaren nauwe contacten met het hertogdom Beieren. SloveniŽ kwam in 788 aan de Franken onder Karel de Grote. Het werd in de 9de eeuw gekerstend en met de missionarissen uit Salzburg arriveerden ook vele Duitse kolonisten. Sinds 1282 maakte SloveniŽ onder Habsburgs gezag deel uit van de hertogdommen en latere kroonlanden Krain, KarinthiŽ en Stiermarken. Na de Eerste Wereldoorlog sloot SloveniŽ zich aan bij het Koninkrijk van de ServiŽrs, Kroaten en Slovenen (1918), het latere JoegoslaviŽ (1929). In 1941 werd SloveniŽ verdeeld tussen Duitsland, ItaliŽ, Hongarije en KroatiŽ (1941). Na de Tweede Wereldoorlog werd SloveniŽ een van de deelrepublieken van JoegoslaviŽ. Als zodanig verwierf het een deel van IstriŽ, maar niet de begeerde hoofdstad TriŽst, terwijl ook aanspraken op Oostenrijks gebied niet werden gehonoreerd.
Met het besluit van de Joegoslavische regering tot doorvoering van hervormingen, kregen ook Sloveense nationalisten de kans zich in het openbaar te uiten. O.m. uit onvrede over het feit dat SloveniŽ, als een van de meest welvarende Joegoslavische deelrepublieken, in feite de relatief arme zuidelijke republieken 'onderhield', en uit angst voor een militair ingrijpen door het federale parlement ontstond een sterk streven naar afscheiding van JoegoslaviŽ. Vrije verkiezingen (dec. 1989) brachten de overwinning aan de nationalistische Democratische Unie van SloveniŽ (DEMOS); als president werd Milan Kucan, leider van de Sloveense Communistische Partij, gekozen (22 apr. 1990; herkozen 6 dec. 1992), die de republiek in juli soeverein verklaarde. Bij het referendum van 23 dec. sprak 88,2% van de bevolking zich uit vůůr de onafhankelijkheid, op 25 juni 1991 gevolgd door de onafhankelijkheidsverklaring. Op 23 dec. 1991 werd SloveniŽ door Duitsland, op 15 jan. 1992 door de rest van de Europese Gemeenschap, als onafhankelijke staat erkend. In febr. 1992 viel DEMOS, een coalitie van zes burgerlijke partijen, uiteen. Een deel van deze partijen trok zijn steun aan de regering van premier L. Peterle (christen-democraat) in. In april 1992 trad Peterle af, nadat het parlement een motie van wantrouwen had aangenomen. Hij werd opgevolgd door de liberaal Janez Drnovsek, die een centrum-linkse regering vormde. Met het buurland KroatiŽ bestonden conflicten over het verloop van de grens, de geringe opvang van Joegoslavische vluchtelingen door SloveniŽ, enz.
De hoogste prioriteit van de regering in 1993 was het uitvoeren van de zgn. eigendom-transformatiewet. Doel ervan was dat medio 1994 het grootste deel van de economie zou zijn geprivatiseerd. Tussen minister van Defensie Jansa en president Kucan ontstond begin 1994 een machtsstrijd, die leidde tot het ontslag van Jansa. Als gevolg hiervan trok zijn partij, de Sociaal-Democratische Partij van SloveniŽ, zich uit de coalitieregering terug. Om een regeringscrisis te voorkomen bewerkstelligde premier Drnovöek, tevens leider van de grootste coalitiepartij, de Liberaal-Democratische Partij, een fusie met drie kleinere partijen, waarna in maart 1994 de Liberale Democratie van SloveniŽ (LSD) ontstond. De nieuwe partij was echter wel aangewezen op samenwerking met de Christen-Democratische Partij.
De betrekkingen met ItaliŽ verslechterden als gevolg van het in 1975 gesloten Osim-verdrag, waarin de grenzen van het toenmalige JoegoslaviŽ en ItaliŽ waren vastgelegd. ItaliŽ eiste echter, bijna twintig jaar later, een compensatie voor de confiscatie van Italiaanse eigendommen na de Tweede Wereldoorlog. In 1995 liet ItaliŽ zijn veto vallen dat de Sloveense toenadering tot de EU in de weg stond. Eind nov. kondigde SloveniŽ aan diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de Federale Republiek JoegoslaviŽ, waarmee sinds de desintegratie van JoegoslaviŽ geen formele contacten waren onderhouden.
In jan. 1996 kwam het tot een breuk in de coalitieregering toen vier sociaal-democratische ministers ontslag namen, waarop president Kucan vervroegde verkiezingen aankondigde. De centrum-linkse Liberaal-Democraten werden bij die verkiezingen in nov. de grootste partij. Haar leider, premier Drnovöek, kreeg de opdracht weer een regering te vormen.


Telefoongids SloveniŽ
Postcodes SloveniŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009