|
1. Fysische geografie
Het
noorden van Slovenië is bergachtig (Karawanken, Julische Alpen; tot 2863
m). Ten oosten van de Karawanken liggen de dichtbeboste uitlopers van de
Oostenrijkse Norische Alpen (tot 1542 m); tussen Ljubljana en de Golf
van Triëst ligt het kalkplateau Karst. De kern wordt ingenomen door
heuvelgebied langs de Sava. De belangrijkste rivieren zijn de Sava en de
Drava. Behalve aan de Adriatische kust kent Slovenië een
Midden-Europees, zwak continentaal klimaat. Gemiddelde jaarlijkse
neerslag is 1200-1400 mm, gemiddelde januaritemperatuur is -2 °C.
2. Bevolking
De bevolking bestaat vnl. uit Slovenen (90, 5%); daarnaast zijn er
Kroaten (ca. 3%), Serviërs (2,3%) en voor het overige o.m. Hongaren,
Italianen en Macedoniërs. De grootste steden zijn Ljubljana (271.900 inw.)
en Maribor (103.100). De officiële taal is de Sloveense taal. De
bevolking is van oudsher grotendeels rooms-katholiek.
3. Bestuur en samenleving
Na het op 23 dec. 1990 gehouden referendum over de onafhankelijkheid van
Slovenië, werd de grondwet gewijzigd. De onafhankelijkheid en
soevereiniteit zijn erin vastgelegd. De wetgevende macht ligt bij het
parlement (90 zetels) en bij de Staatsraad (40 zetels). Staatshoofd is
de president. Het parlement beschikt sinds de soevereiniteitsverklaring
(2 juli 1990) over de controle op het militaire apparaat. Het land is
opgedeeld in 58 gemeenten. De belangrijkste politieke partijen zijn de
Liberaaldemocraten, de Christendemocraten, de Verenigde Lijst, de
Sloveense Nationale Partij, de Sloveense Volkspartij, de Democratische
Partij, de Groenen en de Sociaaldemocraten. Daarnaast bestaan er kleine
Italiaanse en Hongaarse partijen, met elk één zetel. Verkiezingen om de
vier jaar, voor het staatshoofd eens in de vijf jaar. Slovenië is lid
van de Verenigde Naties, de Raad van Europa, is waarnemend lid van de
WEU, aangesloten bij het NAVO-Partnerschap voor Vrede en geassocieerd
lid van de EU.
4. Economie
4.1 Algemeen
Slovenië
heeft een relatief modern ontwikkelde industrie, een goed functionerende
agrarische sector en rijke bodemschatten. Het bnp bedroeg in 1994 US $
7140 per hoofd van de bevolking, twee maal zoveel als in de rest van
Joegoslavië. De burgeroorlog in Joegoslavië (1991-1992), gepaard met een
tijdelijke boycot door het buitenland, bracht veel schade toe aan het
land, maar in vergelijking met de overige republieken kon Slovenië
eerder aan de opbouw ervan beginnen.
Belangrijk zijn bos- en landbouw (o.m. teelt van graan en fruit;
wijnbouw; veeteelt). Na de Tweede Wereldoorlog is op grote schaal
geïndustrialiseerd, waarbij bedrijven o.m. werden gebaseerd op de
mijnbouw (winning van o.m. kwikzilver, looderts, bruinkool, aardolie).
De industrie is m.n. gevestigd in de grote steden (Ljubljana, Maribor,
Koper, Kranj); goed ontwikkeld is de houtindustrie. Het toerisme, o.m.
gericht op het hooggebergte (wintersport, alpinisme), is van toenemend
belang.
4.2 Land- en bosbouw
Gezien de klimatologische en bodemkundige omstandigheden is het
exploitabele oppervlak van het land vooral met grasland bedekt. Slechts
245.000 ha is geschikt voor akkerbouw, en daarop worden tarwe, maïs en
aardappelen verbouwd. Circa 21!000 ha wordt gebruikt voor de wijnbouw.
45% van het land is bebost, maar wordt niet geëxploiteerd, anders dan
voor de jacht. Er komen herten, reeën en gemzen voor, en er zijn zelfs
nog enkele beren.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw speelt maar een geringe rol. Er zijn beperkte voorraden
ijzer, lood, zink en kopererts, bruinkool, kwikzilver en aardolie. De
belangrijkste energieleverancier is de kerncentrale van Krsko, die
ondanks het voornemen nog niet is stilgelegd. De overige energie wordt
geleverd door warmtekrachtcentrales op kolen, aardgas en olie.
4.4 Industrie
Op beperkte schaal wordt machinebouw gepleegd, evenals metaalproductie
en -bewerking. Er zijn voorts textielfabrieken en fabrieken voor
elektronische en huishoudelijke apparaten. Er is een chemische industrie
en er is houtverwerking. In 1994 kreeg de toeristenindustrie 627!283
buitenlandse gasten over de vloer, die voor $ 900 miljoen aan inkomsten
zorgden.
4.5 Handel
De handel is beperkt: $ 945 miljoen import en $ 628 export. De landen
van de EU zijn de voornaamste handelspartners, gevolgd door Kroatië en
Servië.
4.6 Bankwezen
De nieuw gevestigde Nationale Bank houdt het toezicht op het bankwezen.
4.7 Verkeer
Als doorgangsland is Slovenië vanouds goed ontsloten. Er zijn zelfs nog
meer autosnelwegen in aanleg, met name naar Oostenrijk. Het spoornet
heeft eveneens vooral een transitofunctie naar Zagreb en Belgrado, al
verbindt het tevens binnenslands de belangrijkste steden. Ljubljana
heeft een internationale luchthaven.
5. Geschiedenis
In de 1ste eeuw werd het gebied door de Romeinen op de Illyriërs
veroverd. De Slovenen waren afkomstig uit de Oostelijke Alpen en
vestigden zich in de 6de eeuw in het gebied. Zij onderhielden in de 7de
en 8ste eeuw ten gevolge van de opdringende Avaren nauwe contacten met
het hertogdom Beieren. Slovenië kwam in 788 aan de Franken onder
Karel de Grote. Het werd in de 9de eeuw gekerstend en met de
missionarissen uit Salzburg arriveerden ook vele Duitse kolonisten.
Sinds 1282 maakte Slovenië onder Habsburgs gezag deel uit van de
hertogdommen en latere kroonlanden Krain, Karinthië en Stiermarken. Na
de Eerste Wereldoorlog sloot Slovenië zich aan bij het Koninkrijk van de
Serviërs, Kroaten en Slovenen (1918), het latere Joegoslavië (1929). In
1941 werd Slovenië verdeeld tussen Duitsland, Italië, Hongarije en
Kroatië (1941). Na de Tweede Wereldoorlog werd Slovenië een van de
deelrepublieken van Joegoslavië. Als zodanig verwierf het een deel van
Istrië, maar niet de begeerde hoofdstad Triëst, terwijl ook aanspraken
op Oostenrijks gebied niet werden gehonoreerd.
Met
het besluit van de Joegoslavische regering tot doorvoering van
hervormingen, kregen ook Sloveense nationalisten de kans zich in het
openbaar te uiten. O.m. uit onvrede over het feit dat Slovenië, als een
van de meest welvarende Joegoslavische deelrepublieken, in feite de
relatief arme zuidelijke republieken 'onderhield', en uit angst voor een
militair ingrijpen door het federale parlement ontstond een sterk
streven naar afscheiding van Joegoslavië. Vrije verkiezingen (dec. 1989)
brachten de overwinning aan de nationalistische Democratische Unie van
Slovenië (DEMOS); als president werd Milan Kucan, leider van de
Sloveense Communistische Partij, gekozen (22 apr. 1990; herkozen 6 dec.
1992), die de republiek in juli soeverein verklaarde. Bij het referendum
van 23 dec. sprak 88,2% van de bevolking zich uit vóór de
onafhankelijkheid, op 25 juni 1991 gevolgd door de
onafhankelijkheidsverklaring. Op 23 dec. 1991 werd Slovenië door
Duitsland, op 15 jan. 1992 door de rest van de Europese Gemeenschap, als
onafhankelijke staat erkend. In febr. 1992 viel DEMOS, een coalitie van
zes burgerlijke partijen, uiteen. Een deel van deze partijen trok zijn
steun aan de regering van premier L. Peterle (christen-democraat) in. In
april 1992 trad Peterle af, nadat het parlement een motie van wantrouwen
had aangenomen. Hij werd opgevolgd door de liberaal Janez Drnovsek, die
een centrum-linkse regering vormde. Met het buurland Kroatië bestonden
conflicten over het verloop van de grens, de geringe opvang van
Joegoslavische vluchtelingen door Slovenië, enz.
De hoogste prioriteit van de regering in 1993 was het uitvoeren van de
zgn. eigendom-transformatiewet. Doel ervan was dat medio 1994 het
grootste deel van de economie zou zijn geprivatiseerd. Tussen minister
van Defensie Jansa en president Kucan ontstond begin 1994 een
machtsstrijd, die leidde tot het ontslag van Jansa. Als gevolg hiervan
trok zijn partij, de Sociaal-Democratische Partij van Slovenië, zich uit
de coalitieregering terug. Om een regeringscrisis te voorkomen
bewerkstelligde premier Drnovšek, tevens leider van de grootste
coalitiepartij, de Liberaal-Democratische Partij, een fusie met drie
kleinere partijen, waarna in maart 1994 de Liberale Democratie van
Slovenië (LSD) ontstond. De nieuwe partij was echter wel aangewezen op
samenwerking met de Christen-Democratische Partij.
De betrekkingen met Italië verslechterden als gevolg van het in 1975
gesloten Osim-verdrag, waarin de grenzen van het toenmalige Joegoslavië
en Italië waren vastgelegd. Italië eiste echter, bijna twintig jaar
later, een compensatie voor de confiscatie van Italiaanse eigendommen na
de Tweede Wereldoorlog. In 1995 liet Italië zijn veto vallen dat de
Sloveense toenadering tot de EU in de weg stond. Eind nov. kondigde
Slovenië aan diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de Federale
Republiek Joegoslavië, waarmee sinds de desintegratie van Joegoslavië
geen formele contacten waren onderhouden.
In jan. 1996 kwam het tot een breuk in de coalitieregering toen vier
sociaal-democratische ministers ontslag namen, waarop president Kucan
vervroegde verkiezingen aankondigde. De centrum-linkse
Liberaal-Democraten werden bij die verkiezingen in nov. de grootste
partij. Haar leider, premier Drnovšek, kreeg de opdracht weer een
regering te vormen.
Telefoongids Slovenië
Postcodes
Slovenië
|