1.
Fysische geografie
Het
noordelijk deel van Soedan bestaat vnl. uit rotswoestijn (uitlopers
van de Sahara), slechts onderbroken door het ca. 500 m hoge
heuvellandschap van Kordofan en het ruim 3000 m hoge massief van
Djebel Marra. Ten oosten van de Nijl zet het landschap zich voort in
de Nubische Woestijn, die naar het oosten wordt afgesloten door een
kustgebergte (Djebel Oda en de Djebel Erba, ruim 2200 m hoog). Het
zuidelijk deel van het land bestaat overwegend uit een steppe- en
savannegebied, door de rivier de Bahr el-Djebel verdeeld in een
westelijk deel, bestaande uit een hoogvlakte, die naar het
noordwesten sterk afhelt, en een oostelijk deel, dat wordt gevormd
door massieve bergruggen, plaatselijk 3000 m hoog (o.a. de Kinyeti).
Tussen de bergen ligt een gemiddeld 800 m hoog plateau.
Hydrografie. De levensader van Soedan is de Nijl, die hier
plaatselijk Bahr el-Djebel heet, met als belangrijkste zijrivieren
de Bahr el-Ghazal en de Sobat. In Noord-Soedan komen, behalve de
Nijl en de zijrivier Atbara, alleen wadi's voor, die slechts na
regenval met water zijn gevuld.
Klimaat. In de Nubische Woestijn waaien het gehele jaar droge
noordelijke winden, die slechts in de winter (eind november-midden
maart; temperaturen beneden 20 °C) neerslag brengen, maar veel vaker
hevige zandstormen veroorzaken; de zomer is zeer warm. Het klimaat
ten zuiden van de 19de breedtegraad wordt bepaald door de overgang
van de droge noordelijke winden naar de vochtige zuidelijke
luchtstromingen. In de kuststreek valt meer neerslag dan in het
binnenland, met oktober, november en december als regenrijkste
maanden. De regenval varieert van vrijwel nihil in het noorden tot
ca. 100 mm per jaar in de omgeving van Khartoem en tot bijna 1600 mm
per jaar in het uiterste zuidwesten.
De plantengroei van de Soedan is grotendeels die van de woestijn,
half-woestijn en steppe. Langs de Nijl en verder in dit stroomgebied
vindt men uitgestrekte moerassen, de 'Sudd'. Alleen in het zuiden
vindt men vormen van galerijbos.
De dierenwereld is die van half-woestijn en steppe (groot wild:
olifant, buffel, talrijke antilopen, leeuwen, enz.); in de moerassen
vindt men speciaal aan deze omstandigheden aangepaste antilopen
(waterbokken en verwanten) en broedt o.a. de schoenbekooievaar, die
zich o.a. met longvissen voedt. Hoewel er enige nationale parken en
andere natuurreservaten bestaan, zijn deze als gevolg van politieke
onrust in de praktijk van geen betekenis: het grote wild in de
Soedan wordt met uitroeiing bedreigd.
2. Bevolking
De bevolking bestaat uit Arabieren en halfbloeden (40%),
Zuidsoedanezen (30%), Westafrikanen (10 à 15%), Nubiërs (ca. 10%)
ten westen van de Witte Nijl en Hamieten (5%) in het noordoostelijke
woestijngebied. Een belangrijke (semi-negroïde) bevolkingsgroep in
Zuid-Soedan is die van de Niloten (Dinka, Sjiloek); een
afzonderlijke Nilotische groep in Zuid-Soedan, waarin het Hamitische
element enigszins overheerst, wordt aangeduid als Nilo-Hamieten.
Tussen de bevolking van het noorden en zuiden bestaan grote sociale,
religieuze en economische verschillen; het overgrote deel van de
Zuidsoedanese bevolking leeft nog in zeer primitieve omstandigheden.
Door de burgeroorlog in het zuiden en grote vluchtelingenstromen uit
de buurlanden Ethiopië, Tsjaad, Zaïre en Oeganda onderging de
bevolkingssamenstelling van Zuid-Soedan eind jaren zeventig en
gedurende de jaren tachtig veranderingen. De bevolkingstoename
bedraagt jaarlijks 2,7%. De grootste steden zijn: Khartoem,
Omdoerman, Khartoem-Bahri, Port Soedan, Wadi Medani, Kassala,
el-Obeid (samen geschat op 4 miljoen inw., waaronder 2 miljoen
vluchtelingen). De officiële taal is het Arabisch; Engels is de
handelstaal en wordt nog wel in het zuiden gesproken. In het noorden
is de islam overheersend, een vijfde is aanhanger van
natuurgodsdiensten. De zuidelijke, negroïde bevolking is in
hoofdzaak christelijk en wordt vervolgd door het regeringsleger.
Naar opgaven van het VN Comité voor de Vluchtelingen zijn tussen
1987 en 1993 3,5 miljoen zuiderlingen verdreven en 1,3 miljoen
gedood.

3. Bestuur en
samenleving
Soedan is een republiek met een presidentieel stelsel. Sinds de
staatsgreep van juni 1989 berust alle macht officieel bij de
Revolutionaire Commandoraad onder voorzitterschap van
luitenant-generaal Omar Hassan Ahmed al-Basjir, maar de werkelijke
macht berust bij een geheim genootschap van 40 leden gedomineerd
door de Moslimbroeders. De man achter de troon is Hassan al-Turabi,
leider van het voormalige Nationaal Islamitisch Front (NIF). Het
parlement is na de staatsgreep ontbonden, evenals alle politieke
partijen en vakbonden. Weliswaar is ook het NIF verboden, maar leden
van die partij bezetten strategische posities in de regering.
Soedan is begin 1991 administratief ingedeeld in negen bondstaten
met samen 66 provincies met aan het hoofd van elk een gouverneur.
Voor de zuidelijke regio is sinds 1987 weer een Council of Southern
Sudan verantwoordelijk.
Soedan is lid van de Verenigde Naties en zijn suborganisaties, de
Arabische Liga en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE).
4. Economie
Soedan is een agrarisch land: tweederde van zijn inkomsten is
afkomstig van de export van landbouwproducten en het merendeel van
de bevolking vindt er werk. De economische situatie is zorgwekkend.
Het land wordt geteisterd door droogte, burgeroorlogen en
overstromingen. De buitenlandse schulden zijn zeer hoog ($ 18
miljard in 1995), de economische groei is gering en het inkomen per
hoofd van de bevolking laag (in 1996 $ 200). Volgens de
lange-termijnplannen zal de landbouw voorlopig de belangrijkste
sector van de economie blijven, maar er wordt wel naar gestreefd het
aandeel van deze sector aan het Bruto Nationaal Product (33%; 57%
van de arbeidskrachten) terug te brengen ten gunste van de
industrie.
Voor grote delen van het landbouwareaal is bevloeiing noodzakelijk,
waarvoor vier grote stuwdammen zorgen: de Sennardam in de Blauwe
Nijl, de Auliadam in de Witte Nijl, de Er-Roseiresdam in de Blauwe
Nijl en de Kash-el-Girbadam in de Atbara. De landbouw wordt zowel op
traditionele (kleine familiebedrijven) als op grote, moderne,
coöperatief opgezette ondernemingen bedreven.
Voornaamste producten van de landbouw zijn: katoen, sorghum,
grondnoten (tweede producent ter wereld), cassave, bonen en suiker.
De voornaamste weidegebieden liggen in het noorden. Naast zeboes
worden schapen, runderen en kamelen gehouden. De visserij, zowel op
de binnenwateren als op zee, is bescheiden. De bosbouw is economisch
alleen van belang in het bosrijke zuiden en dan alleen nog in de
buurt van de rivieren. Sinds de burgeroorlog is deze inkomstenbron
weggevallen. Van groot belang is de winning van Arabische gom in de
savannegebieden van de provincies Kordofan en Dafoer. Daar komt 80%
van de wereldgomproductie vandaan. De aanwezigheid van delfstoffen
als mangaan-, chroom, goud-, koper- en ijzererts is aangetoond, maar
de exploitatie is nauwelijks op gang gekomen. Op drie plaatsen voor
de kust in de Rode Zee is aardgas gevonden en in het zuidwesten
bevinden zich grote aardolievoorraden.
De industrie is nog bescheiden en beperkt zich vnl. tot de bewerking
van landbouwproducten (suiker, textiel). De energiebehoefte wordt
voor 1% gedekt door hydro-elektrische installaties in de Blauwe en
voor 80% Witte Nijl en door brandhout. Voornaamste uitvoerproducten
zijn katoen, grondnoten, sesam en Arabische gom. Afnemers zijn: de
EU-landen, Saoedi-Arabië en Japan. Ingevoerd worden machines en
technische installaties, chemische producten, voedings- en
genotmiddelen, aardolie en aardolieproducten. Voornaamste
leveranciers zijn de EU-landen, Libië, Japan en Saoedi-Arabië. Ook
het bankwezen is inmiddels geïslamiseerd. Rente is verboden.
Nationale bank is de Bank of Sudan.
Een groot deel van het vervoer wordt door de spoorwegen, die in
handen van de staat zijn, verzorgd. Het net is met 4725 km het op
twee na langste van Afrika. Het wegennet is met 16!000 km weliswaar
uitgebreid, maar voor het moderne verkeer nauwelijks geschikt. Van
groot belang is het binnenscheepvaartverkeer, dat deels in handen is
van de River Transport Corp. De belangrijkste zeehaven is Port
Soedan, dat bijna al het inkomende en uitgaande vrachtvervoer
verwerkt. Sudan Shipping Lines is de staatsscheepvaartonderneming.
Nationale luchtvaartmaatschappij is Sudan Airways; Khartoem heeft
een internationale luchthaven. Daarnaast zijn er kleinere
vliegvelden. Het zuiden van het land is door de burgeroorlog
nauwelijks meer te bereiken.
5.
Geschiedenis
In
het noorden van Soedan bestonden reeds in de oudheid machtige
staten. In de 6de eeuw ging men daar tot het christendom over en
werden de staten Dongola en Aloa gesticht, die tot in de 14de eeuw
bleven bestaan. In de 8ste eeuw staken de Arabieren de Rode Zee over
en vestigden zich ten zuiden van Aloa aan de Blauwe Nijl. Zij
vermengden zich met de aanwezige bevolking, die geheel geïslamiseerd
werd. In de 15de eeuw vormden zij de Tungrijken, waarvan de
sultanaten van Sennaar en Darfoer het bekendst zijn geworden. In
1820 en 1822 werd Soedan veroverd door de Egyptenaren onder Mohammed
Ali. Het bestuur werd opgedragen aan gouverneurs, die onbeperkte
macht hadden. De Egyptenaren zogen de bevolking uit en onderdrukten
haar. De Engelsman generaal Gordon, door de Egyptische regering tot
gouverneur benoemd, bracht geheel Soedan onder Egyptisch gezag. Hij
voerde tevens een rechtvaardiger regime in, dat echter toch zeer
streng bleef. In 1881 begon de opstand van de mahdi. In de periode
tussen 1896 en 1898 werd Soedan veroverd door Egyptische en Britse
troepen onder generaal Kitchener, die ook de opstand van de mahdi
dempte.
5.1 Brits bestuur
Het Anglo-Egyptische Verdrag van 1899 legde de basis voor het nieuwe
regime in Soedan, dat nominaal Anglo-Egyptisch, maar in
werkelijkheid een Britse kolonie was. Tot het einde van de Eerste
Wereldoorlog bleef het verzet tegen het nieuwe regime voortduren en
vonden er ieder jaar opstanden plaats. Alleen het zuiden werd niet
geheel onder Britse controle gebracht. Na de moord in Caïro in nov.
1924 op Sir Lee Stack, de gouverneur-generaal van Soedan, werden de
Egyptische troepen uit Soedan teruggetrokken, waardoor het regime
een nog duidelijker Brits karakter kreeg. De verhouding tussen de
Soedanese regering en het meer ontwikkelde deel van de bevolking
verslechterde snel. Na de opstand van 1924 werd ook een nieuw beleid
voor Zuid-Soedan ingevoerd, dat ten doel had de opkomst van het
nationalisme aldaar te verhinderen en de drie zuidelijke provincies
van de rest van Soedan af te scheiden om deze ten slotte toe te
voegen aan de naburige Britse gebieden. Het beleid van de regering
in het zuiden was bijzonder impopulair bij de Soedanese
nationalisten, die in de jaren dertig hun oppositieactiviteiten
hervat hadden. In 1943 werd er een Adviserende Raad voor
Noord-Soedan ingesteld, die in 1948 vervangen werd door een
Wetgevende Vergadering voor heel Soedan. Beide instellingen bezaten
echter vrijwel geen macht. Het Congres zelf raakte verdeeld in twee
groepen, waarvan de ene streefde naar een onafhankelijk 'Soedan voor
de Soedanezen' en haar belichaming vond in de Ummah Partij, gesteund
door de mahdisten, terwijl de andere groep, gesteund door de
religieuze broederschap Khatmiyah, streefde naar samenwerking met
Egypte en een 'eenheid van de Nijlvallei onder de Egyptische Kroon'.
Na de staatsgreep van 23 juli 1952 in Egypte door Nasser werd door
de nieuwe Egyptische machthebbers verklaard dat zij bereid waren
Soedan zelfbeschikkingsrecht te geven. Op basis van deze verklaring
werd in 1953 het Anglo-Egyptische Verdrag getekend dat voorzag in de
evacuatie van alle Britse en Egyptische troepen uit Soedan en dat
zelfbeschikkingsrecht beloofde binnen een periode van drie jaar.
Isma¢il al-Azhari, de leider van de Nationale Unionistische Partij,
werd in jan. 1954 Soedans eerste premier. Hij maakte een begin met
het uitvoeren van het Anglo-Egyptische Verdrag en streefde naar een
onafhankelijk Soedan. Zuid-Soedan, dat grotendeels tijdens het
Britse bestuur was geschapen, bleef echter een ernstige bedreiging
vormen voor de eenheid van het land.
5.2 Onafhankelijkheid
Op 19 dec. 1955 werd Soedan door het parlement tot een
onafhankelijke republiek verklaard. Op 1 jan. 1956 werd de inmiddels
door Groot-Brittannië en Egypte erkende onafhankelijkheid officieel
gevierd. Weliswaar werkten mahdisten en de Khatmiyah in een nieuwe
regering samen, maar de oude tegenstellingen tussen hen betreffende
het te voeren beleid tegenover Egypte, bleven bestaan. Op 17 nov.
1958 vond een militaire staatsgreep plaats onder leiding van
generaal I. Abboed, die de parlementaire regering verving door een
militair bewind, alle politieke partijen verbood en de grondwet
buiten werking stelde. Abboed zocht een militaire oplossing voor het
probleem 'Zuid-Soedan'. In febr. 1964 werden missionarissen het land
uitgezet, o.a. omdat zij verantwoordelijk werden geacht voor het
uitvoeren van de 'zuidelijke politiek' van de Britten. De militaire
acties tegen de zuidelijke opstandige beweging, de Anya Nya, en
tegen de plattelandsbevolking die haar hulp verschafte, dwongen
velen te vluchten naar aangrenzende landen. In okt. 1964 brak er een
revolutie uit, die een eind maakte aan Abboeds bewind.
Sedert de Juni-oorlog van 1967 mengde Soedan zich intensief in de
politiek in het Midden-Oosten. De eerste Arabische topconferentie na
de Juni-oorlog werd in aug. 1967 in Khartoem gehouden. De
betrekkingen met het Westen verslechterden en de diplomatieke banden
met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten werden na de Juni-oorlog
verbroken. De betrekkingen met het Oostblok werden nauwer
aangehaald.
5.3 Staatsgreep door Numeiry
Op 25 mei 1969 vond opnieuw een militaire staatsgreep plaats, nu
onder leiding van kolonel Ja'far al-Numeiry, waarna alle macht kwam
te liggen bij de Nationale Revolutionaire Raad. De naam van de staat
werd omgedoopt tot Democratische Republiek van Soedan. De
Communistische Partij van Soedan (SCP) weigerde zich echter te
ontbinden en deel te nemen aan een Soedanees nationaal front.
Numeiry ging nu over tot het zuiveren van leden van de SCP en hun
sympathisanten uit de Nationale Revolutionaire Raad, de regering en
het leger. Ten slotte werd in juli 1971 een procommunistische
militaire staatsgreep gepleegd onder leiding van majoor Hashim al-¢Ata.
Drie dagen later echter zag Numeiry kans om met zijn aanhangers een
tegencoup uit te voeren, waarbij het nieuwe regime bloedig ten val
werd gebracht; de communisten werden vervolgd. Op 10 okt. 1971 werd
Numeiry per referendum officieel gekozen tot president van Soedan en
werd de Nationale Revolutionaire Raad opgeheven.
In febr. 1972 kwamen vertegenwoordigers van de Soedanese regering en
de opstandige bewegingen uit Zuid-Soedan na een conferentie in Addis
Abeba tot een overeenkomst waarbij aan Zuid-Soedan regionale
autonomie werd toegezegd. In 1976 werden de betrekkingen met Libië
verbroken, nadat Numeiry ternauwernood aan een aanslag was ontsnapt,
die met steun van dat land zou zijn georganiseerd.
Vanaf het midden van de jaren zeventig richtte Soedan zich in zijn
buitenlandse contacten nog meer op de Arabische wereld en met name
op Egypte, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (in 1977
werd een militair samenwerkingsverdrag met Egypte gesloten). Numeiry
steunde onvoorwaardelijk Sadats initiatief voor een vredesregeling
met Israël; tevens trad hij bemiddelend op bij een aantal conflicten
zoals tussen Ethiopië en Somalië, in Tsjaad en tussen Tanzania en
Oeganda. De betrekkingen met de Sovjet-Unie verslechterden snel en
in 1977 werden Russische diplomaten en militaire adviseurs
uitgewezen. Irak verbrak in 1979 de diplomatieke betrekkingen wegens
de steun aan Sadats vredespolitiek. De betrekkingen met de westerse
landen, de Verenigde Staten voorop, werden aangehaald en Soedan
kreeg aanzienlijke militaire hulp. Met Frankrijk en Duitsland werden
economische samenwerkingsakkoorden gesloten.
Binnenslands wist Numeiry zijn positie aanvankelijk te stabiliseren,
maar het door het IMF gevraagde bezuinigingsbeleid leidde sinds het
eind van de jaren zeventig tot sociale onrust. Onrust in het zuiden,
de economische achteruitgang alsmede vluchtelingenstromen uit
buurlanden droegen tot verdere destabilisering bij.
5.4 Islamisering
Het streven van de invloedrijke leider van de Moslim Broederschap,
Hassan al-Toerabi, de islamitische wet (de sjari'a) in te voeren
stuitte op fel verzet, niet alleen van de christelijke en
animistische zuiderlingen, maar ook van noordelijke politici. Toen
Numeiry in 1983 de sjari'a tot wet verhief en lijfstraffen invoerde,
leidde dat tot grote onrust, een breuk tussen Numeiry en veel
traditionele politici en het uitroepen van de noodtoestand in april
1984.
5.5 Opstand in het zuiden
Inmiddels was de opstand in het zuiden weer opgelaaid, omdat de
autonomie teruggedraaid werd. De overwegend uit Dinka's bestaande
SPLM (de Soedanese Volksbevrijdings Beweging) van John Garang
streefde niet alleen naar autonomie maar ook naar omverwerping van
de regering in Khartoem. De gewapende tak van de SPLM, het SPLA
(Volksbevrijdingsleger), slaagde erin grote delen van het zuidelijke
platteland te veroveren. De zuidelijke opstandelingen kregen steun
van o.a. Libië en Ethiopië, waardoor de relaties met deze landen
uiterst gespannen raakten. Soedan gaf op zijn beurt steun aan
opstandelingen in Eritrea en elders in Ethiopië.
Begin 1985 distantieerde Numeiry zich van het fundamentalistische
INF (lslamitisch Nationaal Front) van Toerabi, tot dan zijn laatste
bondgenoot. Op 6 april 1985 pleegde het leger onder generaal
Abdulrachman Suwar al-Dahab een staatsgreep. Numeiry werd afgezet en
ontkwam naar Egypte. In het kader van de door Dahab aangekondigde
democratisering werden in april 1986 vrije verkiezingen gehouden,
die door de Umma-partij van Sadik al-Mahdi werden gewonnen. Al-Mahdi
vormde met de rivaliserende Democratische Unionistische Partij (DUP)
een wankel coalitiekabinet, waarvan hijzelf premier werd. DUP-leider
Ahmed Ali al-Mirghani werd als chef van de Opperste Raad
staatshoofd. Maar voor de grote problemen van het land (de oorlog in
het zuiden, de hongersnood, de schuldenlast en het vraagstuk van de
islamitische wetgeving) kon de intern verdeelde regering-al-Mahdi
geen bevredigende oplossing vinden. Met de (intern verdeelde)
zuidelijke opstandelingen werd beurtelings onderhandeld en slag
geleverd. Conflicten tussen de grote politieke partijen en
veelvuldige kabinetscrises droegen bij tot een instabiel politiek
klimaat.
Op 30 juni 1989 greep generaal Omar Hassan al-Basjir de macht. Hij
ontbond alle politieke partijen en nam de leiding op zich van een
Revolutionaire Commandoraad. Al snel bleek dat het nieuwe militaire
bewind de arabisering en islamisering van Soedan krachtig ter hand
wilde nemen, hetgeen de opstand in het zuiden verder aanwakkerde.
Het repressieve beleid van het regime, het blokkeren van
internationale humanitaire hulp aan het noodlijdende zuiden alsmede
de pro-Iraakse opstelling in de Tweede Golfoorlog (1991) brachten
Soedan in een internationaal politiek isolement.
Terwijl de burgeroorlog in het zuiden voortwoedde, voerde de
regering in 1993 onderhandelingen met de elkaar bestrijdende
SPLA-facties van Garang en Machar. De factiestrijd weerspiegelde
niet alleen etnische tegenstellingen tussen de Dinka (Garang) en de
Nuer (Machar), maar ook politieke geschillen. Garang streeft
democratisering van geheel Soedan na, terwijl het Machar om
afscheiding van het zuiden ging. In okt. kreeg de Nationale
Overgangsraad (het door de junta ingestelde parlement) meer
bevoegdheden. Ziekten en hongersnood (vooral in het zuiden) en
schaarste aan brandstof en voedsel leidden tot sociale onrust in
Khartoem en demonstraties tegen de machtspositie van de
fundamentalisten van het Nationaal Islamitisch Front (NIF).
Ondanks pogingen van buurlanden een oplossing te vinden voor de
burgeroorlog in het zuiden, ging de strijd voort, waarbij
tienduizenden mensen op de vlucht sloegen. In de zomer van 1994
werden ruim 50.000 burgers, voor het merendeel uit het zuiden
afkomstige christelijke vluchtelingen, in het kader van 'etnische
herstructurering van de hoofdstad', uit Khartoem verwijderd door
zgn. Volksdefensiekrachten, een aan de regering gelieerde militie.
Het internationaal isolement van het regime duurde onverminderd
voort. De VS en enkele Arabische landen beschuldigden Soedan van het
steunen van islamitisch terrorisme. Het buurland Eritrea verbrak de
betrekkingen met Soedan na beschuldigingen aan het adres van
Khartoem dat het Eritrese moslimfundamentalisten steunde. In aug.
1994 leverde Soedan de jarenlang gezochte terrorist Carlos (Illich
Ramirez Sanchez) aan Frankrijk uit.
In jan. 1995 mislukte een offensief van het SPLA in de grensgebieden
met Oeganda en Kenia, maar in okt. opende het met succes een nieuw
offensief, waardoor grote delen van West- en Oost-Equatoria onder
zijn gezag kwamen. In de loop van het jaar was er sprake van
aanhoudende en massale schendingen van de mensenrechten en
wreedheden tegen zuiderlingen, maar ook tegen christenen in het
noorden en tegen de goeddeels uit hun woonplaatsen verdreven Nubiërs.
De spanningen met Egypte liepen hoog op, nadat Caïro Soedan ervan
had beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de mislukte
moordaanslag op president Mubarak in juni in de Eritrese hoofdstad
Addis Abeba. Libië beschuldigde Soedan van het sturen van
fundamentalistische infiltranten en zette in het najaar bijna een
half miljoen Soedanese werknemers het land uit. In febr. kwam daar
nog de Oegandese beschuldiging bij van grensschendingen.
In maart 1996 werden voor het eerst sinds de staatsgreep van 1989
parlements- en presidentsverkiezingen gehouden. President al-Bashir
werd met ruime meerderheid gekozen. De parlementsverkiezingen werden
door de oppositie geboycot, waardoor het Nationaal Islamitisch Front
een verwachte overwinning boekte en NIF-leider Hassan al-Turabi
parlementsvoorzitter werd. In jan. hadden de VS hun diplomaten
teruggetrokken na beschuldigingen dat Khartoem het internationaal
terrorisme steunde. De VN-Veiligheidsraad eiste de uitlevering van
drie daders van de mislukte moordaanslag op de Egyptische president
Mubarak in 1995 en trof sancties toen Khartoem niet aan die eis
voldeed.
Telefoongids Soedan
Postcodes
Soedan |