header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Soedan

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 

 

Soedan (Djoemhoerijat al-Soedan al-Demokratija), republiek in het noordoosten van Afrika, 2.505.813 km2, met (schatting) 27,4 miljoen inw. (11 inw. per km2); hoofdstad: Khartoem. Munteenheid is de Soedanese dinar (SD), goed voor 10 Soedanese pond (S £), onderverdeeld in 100 piaster. Nationale feestdag is 1 jan., onafhankelijkheidsdag.
 

1. Fysische geografie
Click to enlargeHet noordelijk deel van Soedan bestaat vnl. uit rotswoestijn (uitlopers van de Sahara), slechts onderbroken door het ca. 500 m hoge heuvellandschap van Kordofan en het ruim 3000 m hoge massief van Djebel Marra. Ten oosten van de Nijl zet het landschap zich voort in de Nubische Woestijn, die naar het oosten wordt afgesloten door een kustgebergte (Djebel Oda en de Djebel Erba, ruim 2200 m hoog). Het zuidelijk deel van het land bestaat overwegend uit een steppe- en savannegebied, door de rivier de Bahr el-Djebel verdeeld in een westelijk deel, bestaande uit een hoogvlakte, die naar het noordwesten sterk afhelt, en een oostelijk deel, dat wordt gevormd door massieve bergruggen, plaatselijk 3000 m hoog (o.a. de Kinyeti). Tussen de bergen ligt een gemiddeld 800 m hoog plateau.
Hydrografie. De levensader van Soedan is de Nijl, die hier plaatselijk Bahr el-Djebel heet, met als belangrijkste zijrivieren de Bahr el-Ghazal en de Sobat. In Noord-Soedan komen, behalve de Nijl en de zijrivier Atbara, alleen wadi's voor, die slechts na regenval met water zijn gevuld.
Klimaat. In de Nubische Woestijn waaien het gehele jaar droge noordelijke winden, die slechts in de winter (eind november-midden maart; temperaturen beneden 20 įC) neerslag brengen, maar veel vaker hevige zandstormen veroorzaken; de zomer is zeer warm. Het klimaat ten zuiden van de 19de breedtegraad wordt bepaald door de overgang van de droge noordelijke winden naar de vochtige zuidelijke luchtstromingen. In de kuststreek valt meer neerslag dan in het binnenland, met oktober, november en december als regenrijkste maanden. De regenval varieert van vrijwel nihil in het noorden tot ca. 100 mm per jaar in de omgeving van Khartoem en tot bijna 1600 mm per jaar in het uiterste zuidwesten.
De plantengroei van de Soedan is grotendeels die van de woestijn, half-woestijn en steppe. Langs de Nijl en verder in dit stroomgebied vindt men uitgestrekte moerassen, de 'Sudd'. Alleen in het zuiden vindt men vormen van galerijbos.
De dierenwereld is die van half-woestijn en steppe (groot wild: olifant, buffel, talrijke antilopen, leeuwen, enz.); in de moerassen vindt men speciaal aan deze omstandigheden aangepaste antilopen (waterbokken en verwanten) en broedt o.a. de schoenbekooievaar, die zich o.a. met longvissen voedt. Hoewel er enige nationale parken en andere natuurreservaten bestaan, zijn deze als gevolg van politieke onrust in de praktijk van geen betekenis: het grote wild in de Soedan wordt met uitroeiing bedreigd.

2. Bevolking
De bevolking bestaat uit Arabieren en halfbloeden (40%), Zuidsoedanezen (30%), Westafrikanen (10 ŗ 15%), NubiŽrs (ca. 10%) ten westen van de Witte Nijl en Hamieten (5%) in het noordoostelijke woestijngebied. Een belangrijke (semi-negroÔde) bevolkingsgroep in Zuid-Soedan is die van de Niloten (Dinka, Sjiloek); een afzonderlijke Nilotische groep in Zuid-Soedan, waarin het Hamitische element enigszins overheerst, wordt aangeduid als Nilo-Hamieten. Tussen de bevolking van het noorden en zuiden bestaan grote sociale, religieuze en economische verschillen; het overgrote deel van de Zuidsoedanese bevolking leeft nog in zeer primitieve omstandigheden. Door de burgeroorlog in het zuiden en grote vluchtelingenstromen uit de buurlanden EthiopiŽ, Tsjaad, ZaÔre en Oeganda onderging de bevolkingssamenstelling van Zuid-Soedan eind jaren zeventig en gedurende de jaren tachtig veranderingen. De bevolkingstoename bedraagt jaarlijks 2,7%. De grootste steden zijn: Khartoem, Omdoerman, Khartoem-Bahri, Port Soedan, Wadi Medani, Kassala, el-Obeid (samen geschat op 4 miljoen inw., waaronder 2 miljoen vluchtelingen). De officiŽle taal is het Arabisch; Engels is de handelstaal en wordt nog wel in het zuiden gesproken. In het noorden is de islam overheersend, een vijfde is aanhanger van natuurgodsdiensten. De zuidelijke, negroÔde bevolking is in hoofdzaak christelijk en wordt vervolgd door het regeringsleger. Naar opgaven van het VN Comitť voor de Vluchtelingen zijn tussen 1987 en 1993 3,5 miljoen zuiderlingen verdreven en 1,3 miljoen gedood.

      Click to enlarge             Click to enlarge             Click to enlarge

3. Bestuur en samenleving
Soedan is een republiek met een presidentieel stelsel. Sinds de staatsgreep van juni 1989 berust alle macht officieel bij de Revolutionaire Commandoraad onder voorzitterschap van luitenant-generaal Omar Hassan Ahmed al-Basjir, maar de werkelijke macht berust bij een geheim genootschap van 40 leden gedomineerd door de Moslimbroeders. De man achter de troon is Hassan al-Turabi, leider van het voormalige Nationaal Islamitisch Front (NIF). Het parlement is na de staatsgreep ontbonden, evenals alle politieke partijen en vakbonden. Weliswaar is ook het NIF verboden, maar leden van die partij bezetten strategische posities in de regering.
Soedan is begin 1991 administratief ingedeeld in negen bondstaten met samen 66 provincies met aan het hoofd van elk een gouverneur. Voor de zuidelijke regio is sinds 1987 weer een Council of Southern Sudan verantwoordelijk.
Soedan is lid van de Verenigde Naties en zijn suborganisaties, de Arabische Liga en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE).

4. Economie
Soedan is een agrarisch land: tweederde van zijn inkomsten is afkomstig van de export van landbouwproducten en het merendeel van de bevolking vindt er werk. De economische situatie is zorgwekkend. Het land wordt geteisterd door droogte, burgeroorlogen en overstromingen. De buitenlandse schulden zijn zeer hoog ($ 18 miljard in 1995), de economische groei is gering en het inkomen per hoofd van de bevolking laag (in 1996 $ 200). Volgens de lange-termijnplannen zal de landbouw voorlopig de belangrijkste sector van de economie blijven, maar er wordt wel naar gestreefd het aandeel van deze sector aan het Bruto Nationaal Product (33%; 57% van de arbeidskrachten) terug te brengen ten gunste van de industrie.
Voor grote delen van het landbouwareaal is bevloeiing noodzakelijk, waarvoor vier grote stuwdammen zorgen: de Sennardam in de Blauwe Nijl, de Auliadam in de Witte Nijl, de Er-Roseiresdam in de Blauwe Nijl en de Kash-el-Girbadam in de Atbara. De landbouw wordt zowel op traditionele (kleine familiebedrijven) als op grote, moderne, coŲperatief opgezette ondernemingen bedreven.
Voornaamste producten van de landbouw zijn: katoen, sorghum, grondnoten (tweede producent ter wereld), cassave, bonen en suiker. De voornaamste weidegebieden liggen in het noorden. Naast zeboes worden schapen, runderen en kamelen gehouden. De visserij, zowel op de binnenwateren als op zee, is bescheiden. De bosbouw is economisch alleen van belang in het bosrijke zuiden en dan alleen nog in de buurt van de rivieren. Sinds de burgeroorlog is deze inkomstenbron weggevallen. Van groot belang is de winning van Arabische gom in de savannegebieden van de provincies Kordofan en Dafoer. Daar komt 80% van de wereldgomproductie vandaan. De aanwezigheid van delfstoffen als mangaan-, chroom, goud-, koper- en ijzererts is aangetoond, maar de exploitatie is nauwelijks op gang gekomen. Op drie plaatsen voor de kust in de Rode Zee is aardgas gevonden en in het zuidwesten bevinden zich grote aardolievoorraden.
De industrie is nog bescheiden en beperkt zich vnl. tot de bewerking van landbouwproducten (suiker, textiel). De energiebehoefte wordt voor 1% gedekt door hydro-elektrische installaties in de Blauwe en voor 80% Witte Nijl en door brandhout. Voornaamste uitvoerproducten zijn katoen, grondnoten, sesam en Arabische gom. Afnemers zijn: de EU-landen, Saoedi-ArabiŽ en Japan. Ingevoerd worden machines en technische installaties, chemische producten, voedings- en genotmiddelen, aardolie en aardolieproducten. Voornaamste leveranciers zijn de EU-landen, LibiŽ, Japan en Saoedi-ArabiŽ. Ook het bankwezen is inmiddels geÔslamiseerd. Rente is verboden. Nationale bank is de Bank of Sudan.
Een groot deel van het vervoer wordt door de spoorwegen, die in handen van de staat zijn, verzorgd. Het net is met 4725 km het op twee na langste van Afrika. Het wegennet is met 16!000 km weliswaar uitgebreid, maar voor het moderne verkeer nauwelijks geschikt. Van groot belang is het binnenscheepvaartverkeer, dat deels in handen is van de River Transport Corp. De belangrijkste zeehaven is Port Soedan, dat bijna al het inkomende en uitgaande vrachtvervoer verwerkt. Sudan Shipping Lines is de staatsscheepvaartonderneming. Nationale luchtvaartmaatschappij is Sudan Airways; Khartoem heeft een internationale luchthaven. Daarnaast zijn er kleinere vliegvelden. Het zuiden van het land is door de burgeroorlog nauwelijks meer te bereiken.

5. Geschiedenis
In het noorden van Soedan bestonden reeds in de oudheid machtige staten. In de 6de eeuw ging men daar tot het christendom over en werden de staten Dongola en Aloa gesticht, die tot in de 14de eeuw bleven bestaan. In de 8ste eeuw staken de Arabieren de Rode Zee over en vestigden zich ten zuiden van Aloa aan de Blauwe Nijl. Zij vermengden zich met de aanwezige bevolking, die geheel geÔslamiseerd werd. In de 15de eeuw vormden zij de Tungrijken, waarvan de sultanaten van Sennaar en Darfoer het bekendst zijn geworden. In 1820 en 1822 werd Soedan veroverd door de Egyptenaren onder Mohammed Ali. Het bestuur werd opgedragen aan gouverneurs, die onbeperkte macht hadden. De Egyptenaren zogen de bevolking uit en onderdrukten haar. De Engelsman generaal Gordon, door de Egyptische regering tot gouverneur benoemd, bracht geheel Soedan onder Egyptisch gezag. Hij voerde tevens een rechtvaardiger regime in, dat echter toch zeer streng bleef. In 1881 begon de opstand van de mahdi. In de periode tussen 1896 en 1898 werd Soedan veroverd door Egyptische en Britse troepen onder generaal Kitchener, die ook de opstand van de mahdi dempte.
5.1 Brits bestuur
Het Anglo-Egyptische Verdrag van 1899 legde de basis voor het nieuwe regime in Soedan, dat nominaal Anglo-Egyptisch, maar in werkelijkheid een Britse kolonie was. Tot het einde van de Eerste Wereldoorlog bleef het verzet tegen het nieuwe regime voortduren en vonden er ieder jaar opstanden plaats. Alleen het zuiden werd niet geheel onder Britse controle gebracht. Na de moord in CaÔro in nov. 1924 op Sir Lee Stack, de gouverneur-generaal van Soedan, werden de Egyptische troepen uit Soedan teruggetrokken, waardoor het regime een nog duidelijker Brits karakter kreeg. De verhouding tussen de Soedanese regering en het meer ontwikkelde deel van de bevolking verslechterde snel. Na de opstand van 1924 werd ook een nieuw beleid voor Zuid-Soedan ingevoerd, dat ten doel had de opkomst van het nationalisme aldaar te verhinderen en de drie zuidelijke provincies van de rest van Soedan af te scheiden om deze ten slotte toe te voegen aan de naburige Britse gebieden. Het beleid van de regering in het zuiden was bijzonder impopulair bij de Soedanese nationalisten, die in de jaren dertig hun oppositieactiviteiten hervat hadden. In 1943 werd er een Adviserende Raad voor Noord-Soedan ingesteld, die in 1948 vervangen werd door een Wetgevende Vergadering voor heel Soedan. Beide instellingen bezaten echter vrijwel geen macht. Het Congres zelf raakte verdeeld in twee groepen, waarvan de ene streefde naar een onafhankelijk 'Soedan voor de Soedanezen' en haar belichaming vond in de Ummah Partij, gesteund door de mahdisten, terwijl de andere groep, gesteund door de religieuze broederschap Khatmiyah, streefde naar samenwerking met Egypte en een 'eenheid van de Nijlvallei onder de Egyptische Kroon'. Na de staatsgreep van 23 juli 1952 in Egypte door Nasser werd door de nieuwe Egyptische machthebbers verklaard dat zij bereid waren Soedan zelfbeschikkingsrecht te geven. Op basis van deze verklaring werd in 1953 het Anglo-Egyptische Verdrag getekend dat voorzag in de evacuatie van alle Britse en Egyptische troepen uit Soedan en dat zelfbeschikkingsrecht beloofde binnen een periode van drie jaar. IsmaĘil al-Azhari, de leider van de Nationale Unionistische Partij, werd in jan. 1954 Soedans eerste premier. Hij maakte een begin met het uitvoeren van het Anglo-Egyptische Verdrag en streefde naar een onafhankelijk Soedan. Zuid-Soedan, dat grotendeels tijdens het Britse bestuur was geschapen, bleef echter een ernstige bedreiging vormen voor de eenheid van het land.
5.2 Onafhankelijkheid
Op 19 dec. 1955 werd Soedan door het parlement tot een onafhankelijke republiek verklaard. Op 1 jan. 1956 werd de inmiddels door Groot-BrittanniŽ en Egypte erkende onafhankelijkheid officieel gevierd. Weliswaar werkten mahdisten en de Khatmiyah in een nieuwe regering samen, maar de oude tegenstellingen tussen hen betreffende het te voeren beleid tegenover Egypte, bleven bestaan. Op 17 nov. 1958 vond een militaire staatsgreep plaats onder leiding van generaal I. Abboed, die de parlementaire regering verving door een militair bewind, alle politieke partijen verbood en de grondwet buiten werking stelde. Abboed zocht een militaire oplossing voor het probleem 'Zuid-Soedan'. In febr. 1964 werden missionarissen het land uitgezet, o.a. omdat zij verantwoordelijk werden geacht voor het uitvoeren van de 'zuidelijke politiek' van de Britten. De militaire acties tegen de zuidelijke opstandige beweging, de Anya Nya, en tegen de plattelandsbevolking die haar hulp verschafte, dwongen velen te vluchten naar aangrenzende landen. In okt. 1964 brak er een revolutie uit, die een eind maakte aan Abboeds bewind.
Sedert de Juni-oorlog van 1967 mengde Soedan zich intensief in de politiek in het Midden-Oosten. De eerste Arabische topconferentie na de Juni-oorlog werd in aug. 1967 in Khartoem gehouden. De betrekkingen met het Westen verslechterden en de diplomatieke banden met Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten werden na de Juni-oorlog verbroken. De betrekkingen met het Oostblok werden nauwer aangehaald.
5.3 Staatsgreep door Numeiry
Op 25 mei 1969 vond opnieuw een militaire staatsgreep plaats, nu onder leiding van kolonel Ja'far al-Numeiry, waarna alle macht kwam te liggen bij de Nationale Revolutionaire Raad. De naam van de staat werd omgedoopt tot Democratische Republiek van Soedan. De Communistische Partij van Soedan (SCP) weigerde zich echter te ontbinden en deel te nemen aan een Soedanees nationaal front. Numeiry ging nu over tot het zuiveren van leden van de SCP en hun sympathisanten uit de Nationale Revolutionaire Raad, de regering en het leger. Ten slotte werd in juli 1971 een procommunistische militaire staatsgreep gepleegd onder leiding van majoor Hashim al-ĘAta. Drie dagen later echter zag Numeiry kans om met zijn aanhangers een tegencoup uit te voeren, waarbij het nieuwe regime bloedig ten val werd gebracht; de communisten werden vervolgd. Op 10 okt. 1971 werd Numeiry per referendum officieel gekozen tot president van Soedan en werd de Nationale Revolutionaire Raad opgeheven.
In febr. 1972 kwamen vertegenwoordigers van de Soedanese regering en de opstandige bewegingen uit Zuid-Soedan na een conferentie in Addis Abeba tot een overeenkomst waarbij aan Zuid-Soedan regionale autonomie werd toegezegd. In 1976 werden de betrekkingen met LibiŽ verbroken, nadat Numeiry ternauwernood aan een aanslag was ontsnapt, die met steun van dat land zou zijn georganiseerd.
Vanaf het midden van de jaren zeventig richtte Soedan zich in zijn buitenlandse contacten nog meer op de Arabische wereld en met name op Egypte, Saoedi-ArabiŽ en de Verenigde Arabische Emiraten (in 1977 werd een militair samenwerkingsverdrag met Egypte gesloten). Numeiry steunde onvoorwaardelijk Sadats initiatief voor een vredesregeling met IsraŽl; tevens trad hij bemiddelend op bij een aantal conflicten zoals tussen EthiopiŽ en SomaliŽ, in Tsjaad en tussen Tanzania en Oeganda. De betrekkingen met de Sovjet-Unie verslechterden snel en in 1977 werden Russische diplomaten en militaire adviseurs uitgewezen. Irak verbrak in 1979 de diplomatieke betrekkingen wegens de steun aan Sadats vredespolitiek. De betrekkingen met de westerse landen, de Verenigde Staten voorop, werden aangehaald en Soedan kreeg aanzienlijke militaire hulp. Met Frankrijk en Duitsland werden economische samenwerkingsakkoorden gesloten.
Binnenslands wist Numeiry zijn positie aanvankelijk te stabiliseren, maar het door het IMF gevraagde bezuinigingsbeleid leidde sinds het eind van de jaren zeventig tot sociale onrust. Onrust in het zuiden, de economische achteruitgang alsmede vluchtelingenstromen uit buurlanden droegen tot verdere destabilisering bij.
5.4 Islamisering
Het streven van de invloedrijke leider van de Moslim Broederschap, Hassan al-Toerabi, de islamitische wet (de sjari'a) in te voeren stuitte op fel verzet, niet alleen van de christelijke en animistische zuiderlingen, maar ook van noordelijke politici. Toen Numeiry in 1983 de sjari'a tot wet verhief en lijfstraffen invoerde, leidde dat tot grote onrust, een breuk tussen Numeiry en veel traditionele politici en het uitroepen van de noodtoestand in april 1984.
5.5 Opstand in het zuiden
Inmiddels was de opstand in het zuiden weer opgelaaid, omdat de autonomie teruggedraaid werd. De overwegend uit Dinka's bestaande SPLM (de Soedanese Volksbevrijdings Beweging) van John Garang streefde niet alleen naar autonomie maar ook naar omverwerping van de regering in Khartoem. De gewapende tak van de SPLM, het SPLA (Volksbevrijdingsleger), slaagde erin grote delen van het zuidelijke platteland te veroveren. De zuidelijke opstandelingen kregen steun van o.a. LibiŽ en EthiopiŽ, waardoor de relaties met deze landen uiterst gespannen raakten. Soedan gaf op zijn beurt steun aan opstandelingen in Eritrea en elders in EthiopiŽ.
Begin 1985 distantieerde Numeiry zich van het fundamentalistische INF (lslamitisch Nationaal Front) van Toerabi, tot dan zijn laatste bondgenoot. Op 6 april 1985 pleegde het leger onder generaal Abdulrachman Suwar al-Dahab een staatsgreep. Numeiry werd afgezet en ontkwam naar Egypte. In het kader van de door Dahab aangekondigde democratisering werden in april 1986 vrije verkiezingen gehouden, die door de Umma-partij van Sadik al-Mahdi werden gewonnen. Al-Mahdi vormde met de rivaliserende Democratische Unionistische Partij (DUP) een wankel coalitiekabinet, waarvan hijzelf premier werd. DUP-leider Ahmed Ali al-Mirghani werd als chef van de Opperste Raad staatshoofd. Maar voor de grote problemen van het land (de oorlog in het zuiden, de hongersnood, de schuldenlast en het vraagstuk van de islamitische wetgeving) kon de intern verdeelde regering-al-Mahdi geen bevredigende oplossing vinden. Met de (intern verdeelde) zuidelijke opstandelingen werd beurtelings onderhandeld en slag geleverd. Conflicten tussen de grote politieke partijen en veelvuldige kabinetscrises droegen bij tot een instabiel politiek klimaat.
Op 30 juni 1989 greep generaal Omar Hassan al-Basjir de macht. Hij ontbond alle politieke partijen en nam de leiding op zich van een Revolutionaire Commandoraad. Al snel bleek dat het nieuwe militaire bewind de arabisering en islamisering van Soedan krachtig ter hand wilde nemen, hetgeen de opstand in het zuiden verder aanwakkerde. Het repressieve beleid van het regime, het blokkeren van internationale humanitaire hulp aan het noodlijdende zuiden alsmede de pro-Iraakse opstelling in de Tweede Golfoorlog (1991) brachten Soedan in een internationaal politiek isolement.
Terwijl de burgeroorlog in het zuiden voortwoedde, voerde de regering in 1993 onderhandelingen met de elkaar bestrijdende SPLA-facties van Garang en Machar. De factiestrijd weerspiegelde niet alleen etnische tegenstellingen tussen de Dinka (Garang) en de Nuer (Machar), maar ook politieke geschillen. Garang streeft democratisering van geheel Soedan na, terwijl het Machar om afscheiding van het zuiden ging. In okt. kreeg de Nationale Overgangsraad (het door de junta ingestelde parlement) meer bevoegdheden. Ziekten en hongersnood (vooral in het zuiden) en schaarste aan brandstof en voedsel leidden tot sociale onrust in Khartoem en demonstraties tegen de machtspositie van de fundamentalisten van het Nationaal Islamitisch Front (NIF).
Ondanks pogingen van buurlanden een oplossing te vinden voor de burgeroorlog in het zuiden, ging de strijd voort, waarbij tienduizenden mensen op de vlucht sloegen. In de zomer van 1994 werden ruim 50.000 burgers, voor het merendeel uit het zuiden afkomstige christelijke vluchtelingen, in het kader van 'etnische herstructurering van de hoofdstad', uit Khartoem verwijderd door zgn. Volksdefensiekrachten, een aan de regering gelieerde militie.
Het internationaal isolement van het regime duurde onverminderd voort. De VS en enkele Arabische landen beschuldigden Soedan van het steunen van islamitisch terrorisme. Het buurland Eritrea verbrak de betrekkingen met Soedan na beschuldigingen aan het adres van Khartoem dat het Eritrese moslimfundamentalisten steunde. In aug. 1994 leverde Soedan de jarenlang gezochte terrorist Carlos (Illich Ramirez Sanchez) aan Frankrijk uit.
In jan. 1995 mislukte een offensief van het SPLA in de grensgebieden met Oeganda en Kenia, maar in okt. opende het met succes een nieuw offensief, waardoor grote delen van West- en Oost-Equatoria onder zijn gezag kwamen. In de loop van het jaar was er sprake van aanhoudende en massale schendingen van de mensenrechten en wreedheden tegen zuiderlingen, maar ook tegen christenen in het noorden en tegen de goeddeels uit hun woonplaatsen verdreven NubiŽrs.
De spanningen met Egypte liepen hoog op, nadat CaÔro Soedan ervan had beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de mislukte moordaanslag op president Mubarak in juni in de Eritrese hoofdstad Addis Abeba. LibiŽ beschuldigde Soedan van het sturen van fundamentalistische infiltranten en zette in het najaar bijna een half miljoen Soedanese werknemers het land uit. In febr. kwam daar nog de Oegandese beschuldiging bij van grensschendingen.
In maart 1996 werden voor het eerst sinds de staatsgreep van 1989 parlements- en presidentsverkiezingen gehouden. President al-Bashir werd met ruime meerderheid gekozen. De parlementsverkiezingen werden door de oppositie geboycot, waardoor het Nationaal Islamitisch Front een verwachte overwinning boekte en NIF-leider Hassan al-Turabi parlementsvoorzitter werd. In jan. hadden de VS hun diplomaten teruggetrokken na beschuldigingen dat Khartoem het internationaal terrorisme steunde. De VN-Veiligheidsraad eiste de uitlevering van drie daders van de mislukte moordaanslag op de Egyptische president Mubarak in 1995 en trof sancties toen Khartoem niet aan die eis voldeed.

Telefoongids Soedan
Postcodes Soedan

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009