header sterren

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Space shuttle

 
   
Space Shuttle (Eng., = ruimteveer), een ruimtetransportsysteem dat vele malen kan worden gebruikt. Hiermee kunnen ruimtevoertuigen (kunstmanen, ruimtestations e.d.) in de ruimte worden gebracht, waarbij ze eventueel ook weer kunnen worden teruggehaald. De Space Shuttle is ontworpen om ‘wegwerp’-lanceerraketten te vervangen en bestaat uit drie hoofdonderdelen, nl. de Orbiter (het vliegtuigachtige ruimtevoertuig), een grote stuwstoftank en twee vaste-stuwstofraketten.

1. Orbiter
An image showing the Shuttle launchingDe Orbiter, het bemande vliegtuigachtige ruimtevoertuig, is 37,2 m lang, heeft een spanwijdte van 24 m en een massa van ca. 68!000 kg. De grootte is te vergelijken met die van een DC-9 vliegtuig. De Orbiter kan een nuttige lading van maximaal ca. 29!500 kg in een lage baan brengen bij een lancering in oostelijke richting vanaf Cape Canaveral (28° inclinatie en 300 km hoogte), terwijl de nuttige lading voor polaire banen (250 km circulair) maximaal 18.000 kg bedraagt. Ongeveer 14!500 kg (bijv. het ruimtelaboratorium Spacelab) kan door de Orbiter naar de aarde worden teruggebracht. De Orbiter gaat tot een hoogte van maximaal 1100 km, zodat voor hogere banen zgn. upper stages worden gebruikt, die de satellieten in hun uiteindelijke baan brengen.
De belangrijkste delen van de Orbiter zijn het voorste rompdeel met de bemande drukcabines, het middelste rompdeel met het grote vrachtruim en het achterste deel met de drie hoofdmotoren. Het voorste gedeelte bevat de cockpit, ruimten waarin de bemanning werkt en slaapt en compartimenten voor apparatuur. In het vrachtruim, met een lengte van 18,3 m en een breedte van 5,2 m, kan een grote verscheidenheid aan nuttige ladingen worden aangebracht, zoals Spacelab, een grote telescoop (Hubble Space Telescope) en enkele kleinere satellieten. Met een 15, 2 m lange manipulatorarm kunnen satellieten overboord worden gezet en teruggehaald.
De hoofdmotoren (stuwkracht 6, 5 MN) kunnen ruim vijftig maal opnieuw worden gebruikt en de stuwkracht is regelbaar over een groot gebied, nl. van 65 tot 109% van de ontwerpstuwkracht.
De twee baanregelmotoren bevinden zich achterin de Orbiter. Dit systeem brengt de Orbiter in de uiteindelijke baan na separatie van de grote tank, wanneer ook de hoofdmotoren zijn uitgeschakeld. Deze kleinere motoren worden ook gebruikt voor het afremmen bij de terugkeer.
Het standregelsysteem bestaat uit 38 hoofdstraalpijpen en zes fijnregelstraalpijpen, die zorg dragen voor de juiste stand van de Orbiter, teneinde o.m. de instrumenten op een bepaald object te richten.
Het hittewerend systeem van de Orbiter bestaat uit verschillende delen, die in de vorm van dekens en tegeltjes tegen de huid zijn aangebracht. De bekendste zijn de ca. 30.000 zwarte tegeltjes die vooral aan de onderzijde van de Orbiter zijn aangebracht en die bestand zijn tegen temperaturen tot 1260 °C. Ze bestaan uit een keramisch materiaal op siliciumbasis.
Het elektrische vermogen voor de gehele missieduur (7 kW continu vermogen gedurende maximaal 10 dagen) wordt geleverd door drie waterstof-zuurstof-brandstofceleenheden.
In principe kan de vlucht van lancering tot landing geheel automatisch verlopen. Daarom voeren vier van de vijf computers simultaan hetzelfde programma uit, terwijl de vijfde nog eens de andere controleert.

2. Stuwstoftank
Het tweede hoofdelement van de Shuttle is de grote stuwstoftank met een lengte van 47 m en een diameter van 8, 4 m. Deze tank bevat de stuwstoffen voor de drie hoofdmotoren, nl. 600 ton vloeibare zuurstof en 100 ton vloeibare waterstof.

3. Vaste-stuwstofraketten
Het derde element wordt gevormd door de twee vaste-stuwstofraketten. De raketten zijn 45, 5 m lang, 3,7 m in diameter en hebben elk een massa van 580 ton. De raketten bevatten een composietstuwstof bestaande uit een mengsel van ammoniumperchloraat, aluminiumpoeder, kunststoffen en andere toevoegingen. De stuwstofraketten leveren de voornaamste stuwkracht tijdens de lancering. Na ca. 2 minuten zijn de raketten uitgewerkt, worden ze afgestoten en maken ze een zachte landing met parachutes in de Atlantische Oceaan, ongeveer 260 km van de lanceerbasis. Ze kunnen ten minste 20 maal opnieuw worden gebruikt.
De eerste lancering vond plaats op 12 april 1981. De bemanning van de Orbiter Columbia bestond uit de astronauten Young en Crippen. Drie kwartier na de lancering was de Orbiter in een cirkelvormige baan op een hoogte van 240 km gekomen. Na ongeveer twee dagen en zes uur landde de Orbiter op de luchtmachtbasis Edwards in Californië.

4. Vluchten
Tot 1986 vonden 24 vluchten plaats van de Orbiters Columbia, Discovery, Atlantis en Challenger. Door een lek in een van de stuwraketten op vaste brandstof ontplofte op 28 jan. 1986 de Challenger. Daarbij kwamen de astronauten Scobee, Smith, Resnik, Onizuka, McNair, Jarvis en McAuliffe om het leven. Christa McAuliffe, een onderwijzeres, was de eerste ‘passagier’ bij een Shuttlevlucht. Na een periode, waarin enkele honderden wijzigingen werden aangebracht, werd het Shuttleprogramma in sept. 1988 hervat met de lancering van de Space Shuttle Discovery.
 
   

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009