header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Spanje

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

Spanje (officieel: Reino de EspaŮa, = Koninkrijk Spanje), koninkrijk in Zuidwest-Europa, op het Iberisch Schiereiland, 493.515 km2 (inclusief de Balearen, de Pityusen en de Canarische Eilanden 505.954 km2), met (schatting) 39,5 miljoen inw. (78 inw. per km2); hoofdstad: Madrid. Tot Spanje behoren behalve de genoemde eilandengroepen tevens de zgn. Plazas de SoberanŪa en el Norte de Africa, omvattende de Plazas mayores: Ceuta en Melilla, en de Plazas menores: PeŮon de los Vťlez, PeŮon de Alhucemas en de Islas Chafarinas.

Munteenheid is de peseta, onderverdeeld in 100 cťntimos. Nationale feestdag is 24 juni, naamdag van koning Juan Carlos I, en 12 oktober.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Kernlandschap is de Meseta, een zeer uitgestrekte hoogvlakte, zwak naar het zuidwesten hellend, een schiervlakte van Tertiaire ouderdom, die door het granietrijke Castiliaans Scheidingsgebergte in twee delen wordt gesplitst. De hoogste top hiervan wordt aangetroffen in de Sierra de Gredos (2592 m). Het noordelijk deel van de Meseta (hoofdzakelijk Oud-CastiliŽ omvattend) ligt op een hoogte van 800-900 m, het zuidelijk deel (hoofdzakelijk Nieuw-CastiliŽ en Estremadura omvattend) op een hoogte van 600-700 m. De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de Sierra Morena, de noordoostelijke door het jongere Iberisch Randgebergte met een noordwest-zuidoostrichting, dat het jonge dalingsgebied van de Ebro begrenst. De Ebro breekt in de benedenloop door het langs de kust gelegen Catalaans Gebergte. De PyreneeŽn, met kristallijne kern en toppen boven de 3000 m (hoogste top Pic d'Aneto, 3404 m), bereiken in het oosten een aanzienlijke breedte en worden naar het westen smal. Hierop sluit aan het Asturisch-Cantabrisch Gebergte met het Galicisch massief. In het zuidoosten ligt het Andalusisch Gebergte, ook wel Betische Cordillera genoemd, zich uitstrekkend van Gibraltar en te vervolgen tot op de Balearen. Het hoogste gedeelte van dit jonge gebergte wordt gevormd door de Sierra Nevada (Mulhacťn, 3481 m).
1.2 Rivieren
De grote rivieren Duero, Tajo (Taag) en Guadiana volgen de afhelling van de Meseta en stromen, evenals de in het noordoostelijk deel van het Andalusisch Gebergte ontspringende Guadalquivir, in westelijke tot zuidwestelijke richting; de enige grote naar de Middellandse Zee stromende rivier is de in het Cantabrisch Gebergte ontspringende en in zuidoostelijke richting stromende Ebro. In het algemeen hebben de Spaanse rivieren een onregelmatig waterregime met een minimaal zomerpeil en zijn daardoor voor de scheepvaart van weinig betekenis; wel worden ze benut voor irrigatie (het Ebro- en het Guadalquivir-bekken) en voor energieopwekking (Tajo). Door de sterke bodemerosie vervoeren de rivieren in het algemeen veel sediment, hetgeen o.a. bij de Ebro en de Guadalquivir de vorming van delta's tot gevolg heeft. In GaliciŽ in het uiterste noordoosten bezitten de rivieren brede mondingen, aangeduid als rŪa's.
1.3 Klimaat
Het klimaat vertoont veel sterkere continentale trekken dan in de overige mediterrane gebieden het geval is. Dit blijkt bijv. uit de grote temperatuurverschillen in het binnenland; de zomertemperaturen bedragen er gemiddeld 24 įC, maar kunnen boven 38 įC komen, terwijl de wintertemperaturen er gemiddeld 2 tot 4 įC bedragen, met veel nachtvorst. Ook de dagelijkse gang van de temperatuur is in het binnenland groot: in juli gemiddeld 16 ŗ 17 įC. Het binnenland heeft hete, stoffige zomers; op de hoogvlakte zijn 's winters perioden van enkele dagen met -10 įC niet ongewoon.
De neerslag is op sommige plaatsen zo gering dat van een steppeklimaat moet worden gesproken. Het continentale karakter komt voorts tot uiting in de jaarlijkse gang van de windrichting aan de oostkust met de koude norte in de winter en de hete, droge en stoffige solano of leveche in de zomer. De gehele oostkust heeft hete en zonrijke zomers met naar het zuiden iets toenemende temperaturen (juli: Barcelona 23,3 įC; Cartagena 23,9 įC). De winters zijn aan de Middellandse-Zeekust zacht (10-12 įC) en er is 's winters weinig regenval. De noordkust is 's zomers koeler (18-22 įC) dan het binnenland; de winters zijn er zacht (7-10 įC). De noordkust heeft een gematigd regenklimaat. De gemiddelde jaarsom van de neerslag bedraagt te Santiago de Compostela in het noordwesten 1600 mm tegen bijv. niet meer dan 540 mm te Barcelona en 420 mm te Madrid.
1.4 Plantengroei
De plantengroei is zeer rijk door de grote variatie in klimaat, hoogte en bodemgesteldheid. Het aantal endemische soorten is groot als gevolg van de geÔsoleerde ligging; de PyreneeŽn vormen een barriŤre voor migratie van soorten. Over verreweg het grootste deel van het oppervlak overheerst de mediterrane flora. De typische bosformatie met steeneik is grotendeels vernietigd en veelal vervangen door maquis (zie macchia). Deze bestaat uit heesters met o.a. Cistus, Spartium, Genista, heidebrem en rozemarijn. Zomergroene loofbossen komen vooral in Noord-Spanje voor. Karakteristiek is de donzige eik op plaatsen met een neerslag van ten minste 800 mm per jaar, ook in de PyreneeŽn, het bergland van CastiliŽ en de Sierra Nevada. Bossen met eik, beuk, berk, es en kastanje in Noord-Spanje vertonen overeenkomst met Midden-Europese bossen. In de naaldbossen van het hooggebergte komen lariks en arve voor. Grote delen van de hoogvlakte bestaan uit steppeachtige vegetaties, in het zuidoosten met Stipa tenacissima, elders met zoutminnende soorten van melde en loogkruid op zoute bodem. In het Atlantische noordwestelijke deel komen op de berghellingen uitgestrekte heidevelden voor met struikheide, dopheidesoorten, zoals rode dopheide, en gaspeldoornsoorten.
1.5 Dierenwereld
Spanje (16) Zebrabrasem (Diplodus cervinus)De dierenwereld is Zuid-Europees-mediterraan van karakter met een aantal Afrikaanse elementen (kameleon, genetkat, mangoeste e.a.), die noordwaarts doordringen. Het voorkomen van een aap (de magot) op de rots van Gibraltar is vermoedelijk secundair van aard (oorspronkelijk door de mens ingevoerd?). Van de grote zoogdieren komen o.a. nog voor bruine beer, wolf, lynx, wilde kat, wild zwijn, damhert, edelhert, ree, Spaanse steenbok en gems, hoewel een aantal van deze (zeer) zeldzaam is geworden; aan de bescherming van enkele van deze soorten wordt thans echter veel aandacht geschonken. Aan de kust van de Middellandse Zee komt nog zeer zeldzaam de monniksrob voor. De vogelwereld is rijk; de ooievaar en een aantal soorten grote roofvogels zijn hier en daar nog betrekkelijk algemeen. Een van de opvallendste vogelsoorten is de blauwe ekster, die in Midden- en Zuid-Spanje voorkomt en (naast Portugal) verder slechts in China wordt aangetroffen. Wat reptielen betreft behoort Spanje tot de rijkste landen van Europa. Aan de kusten van de Middellandse Zee wordt o.a. op tonijn gevist.
De natuurbescherming begint goed van de grond te komen; hierbij blijkt een voordeel te zijn dat door de plaatselijke concentratie van de bevolking grote gebieden nauwelijks bewoond zijn, waardoor de natuur hier en daar nog weinig verstoord is. Van de nationale parken zijn te noemen: MontaŮa de Covadonga in het Cantabrisch Gebergte met bruine beer, wolf en gems; Valle de Ordesa in de PyreneeŽn met bruine beer, lynx, gems, steenbok, lammergier, steenarend, aasgier en vale gier; in het zuiden het wereldberoemde nationale park Cota DoŮana in de delta van de Guadalquivir. Dit laatste is vooral bekend wegens de roofvogels (grootste concentratie van soorten in Europa, o.a. drie soorten gieren, keizerarend en slangenarend als broedvogels), maar ook om de kust-, water- en moerasvogels, terwijl het eveneens van immens belang is voor de vogeltrek. Aan zoogdieren huisvest de Cota DoŮana o.a. lynx, wilde kat, otter, mangoeste en genetkat en misschien soms nog zwervende wolven. Dit reservaat behoort tot de belangrijkste in Europa; de toekomst is ten dele wellicht niet zo zeker als wel gewenst zou zijn.

2. Bevolking

2.1 Samenstelling en spreiding
De samenstelling van de bevolking heeft een tamelijk heterogene achtergrond. Vanaf de prehistorische tijd tot en met de Reconquista (1492) hebben belangrijke bevolkingsverplaatsingen en -samensmeltingen plaatsgevonden tussen veroveraars en overwonnenen (LiguriŽrs, IberiŽrs, Kelten, FeniciŽrs, Romeinen, Sueven, Vandalen, Alanen, Visigoten en Berbers). Het mediterrane type is het meest voorkomende in Spanje, met uitzondering van de Baskische provincies (zie Basken) en het oostelijk deel van AsturiŽ, waar het alpine type domineert. Rond de noordoostgrens met Portugal komen kenmerken van een Noord-Europees type voor.
Het geboortecijfer bedroeg in 1993 10Č. De bevolkingsspreiding wordt gekenmerkt door grote extremen in de dichtheid. Het dichtst bevolkt zijn de kustprovincies; alleen Madrid, als duidelijk politiek centrum, toont een grote bevolkingsconcentratie in het centrum van het land. De meeste provincies in West-, Centraal- en Zuid-Spanje worden gekenmerkt door een geringe bevolkingstoename, een lage bevolkingsconcentratie en een ontvolking van het platteland. De provinciehoofdplaatsen groeien ten koste van hun eigen plattelandsbevolking. De ontvolking van het platteland heeft de nodige problemen geschapen wat betreft huisvesting in de grote steden.
2.2 Taal
Het Castiliaans (zie Spaanse taal) is de officiŽle landstaal. In de Baskische provincies is het Baskisch de tweede officiŽle taal. In CataloniŽ is het Catalaans de eerste officiŽle taal.
2.3 Religie
De bevolking is voor ca. 85% rooms-katholiek. De Rooms-Katholieke Kerk in Spanje heeft zich in de Burgeroorlog principieel achter de door Franco geleide opstandelingen gesteld en verkreeg na het eind daarvan een officiŽle status in het landsbestuur. Deze geprivilegieerde status werd vastgelegd in het Concordaat dat in 1953 tussen de Spaanse regering en het Vaticaan werd gesloten. Ten gevolge van het Tweede Vaticaans Concilie werd in de Spaanse kerk het bewustzijn levend dat het samengaan met de staatsmacht afbreuk doet aan de evangelische verkondiging. De resoluties van het concilie hadden tot gevolg dat godsdienstvrijheid door de regering werd aanvaard en wettelijk werd erkend in de 'Ley de libertad religiosa' (28 juni 1967). Volgens art. 16 van de grondwet van 1978 heeft geen enkele godsdienst het karakter van een staatsgodsdienst. In jan. 1979 werd het Concordaat opgeheven; er werden vier akkoorden door Spanje en het Vaticaan ondertekend waarin de positie van de Rooms-Katholieke Kerk in Spanje op vier terreinen (juridisch, cultureel, economisch en militair) tot in detail is geregeld. Vůůr en ondanks deze ontwikkelingen heeft Opus Dei sinds haar oprichting in 1928 steeds getracht het realiseren van geloofsidealen te doen samengaan met het verwerven van (staatkundige) machtsposities.
De territoriale indeling van de Rooms-Katholieke Kerk omvat in totaal 63 aartsbisdommen en bisdommen die tezamen elf kerkprovincies vormen. De aartsbisdommen Madrid-AlcalŠ en Barcelona hebben geen suffragaanbisdommen en vallen rechtstreeks onder de H. Stoel. Primaat van Spanje is de aartsbisschop van Toledo. Protestanten, moslims en joden vormen zeer kleine minderheden (minder dan 1% van de bevolking).

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Sinds 22 nov. 1975 is Spanje weer een monarchie. De staatsinrichting is gebaseerd op de grondwet die op 6 dec. 1978 bij referendum werd goedgekeurd. De verschillende volken en regio's hebben zelfbestuur.
Het parlement, de Cortes Generales, bestaat uit twee kamers: het Congres van Afgevaardigden en de Senaat, die door de koning bijeengeroepen en ontbonden kunnen worden. Het Congres bestaat uit 350 leden, die voor vier jaar worden gekozen. De provincies fungeren als kiesdistricten. In de grondwet is bepaald dat de steden Ceuta en Melilla in Noord-Afrika door een afgevaardigde vertegenwoordigd worden. Het kiessysteem is een mengvorm van een districtenstelsel en van evenredige vertegenwoordiging. Kiesrecht hebben alle Spanjaarden van achttien jaar en ouder. De Senaat (302 leden) is een kamer van regionale afgevaardigden met een zittingsduur van vier jaar. In het algemeen heeft iedere provincie het recht vier senatoren te benoemen. Leden van de Cortes zijn onschendbaar voor wat betreft hun uitspraken in het parlement.
De minister-president wordt gekozen door het Congres op basis van een ontwerp-regeringsprogram. De koning benoemt en ontslaat de andere leden van de regering op voorstel van de minister-president.
Spanje kent het referendum, met een consultatief karakter, dat wordt uitgeschreven door de koning op voorstel van de minister-president, die daarvoor de toestemming van het Congres van Afgevaardigden nodig heeft.
3.2 Administratieve indeling
De ontwikkeling van een sterk gecentraliseerde staatsvorm onder Franco naar een gedecentraliseerde, semi-federatieve structuur na 1978 is opmerkelijk. Spanje is thans administratief ingedeeld in 17 autonome regio's (comunidades autůnomas) met ieder hun eigen president, parlement, uitvoerende macht en hooggerechtshof. Daarnaast bestaan er 52 provincies, inclusief de enclaves Ceuta en Melilla in Marokko, die bestuurd worden door provinciale raden (diputaciones), terwijl de gemeenten bestuurd worden door burgemeesters en raadsleden. De raadsleden worden gekozen door de inwoners van de gemeenten, de burgemeesters door de raadsleden.
De Baskische provincies en CataloniŽ waren de eerste regio's die, op 18 december 1979, een zekere mate van zelfbestuur kregen. Een Baskische Nationale Raad, gekozen door de bevolking, heeft verstrekkende verordenende bevoegdheden op het gebied van landbouw, industrie, handel en stadsplanning. De Raad kiest een premier die een regering vormt, welke o.a. zelf belastingen kan heffen. Er is een Baskische politiemacht, maar daarnaast blijft de uit Madrid geleide politiemacht functioneren.
Het autonomiestatuut voor CataloniŽ voorziet in een gekozen parlement, dat uit zijn midden een president (premier) en een regering kiest. Parlement, president en regering tezamen dragen de historische naam 'Generalitat' (Generaliteit). Deze heeft verordenende bevoegdheden op het gebied van onderwijs, ruimtelijke ordening, toerisme, energievoorziening, krediet-, bank- en verzekeringswezen en de media. De Generaliteit kan zelf belastingen heffen en er is een Catalaanse politiemacht.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Spanje is lid van de Verenigde Naties en van een aantal van zijn suborganisaties. Daarnaast is het lid van de OESO, de Raad van Europa, de NAVO, de EU en de WEU.
3.4 Politieke partijen en vakbonden
Er zijn vier belangrijke, landelijke politieke partijen. De Spaanse Socialistische Arbeiderspartij (Partido Socialista Obrero EspaŮol, PSOE), opgericht in 1879, in 1978 gefuseerd met de Socialistische Volkspartij, was oorspronkelijk een marxistisch-proletarische klassepartij, maar is sinds het partijcongres van 1979 een 'democratische federalistische klasse- en massapartij'. In de praktijk betekent dit dat de partij is opgeschoven naar het politieke midden, en haar aanhang vindt onder de geschoolde arbeiders, de middenklasse en intellectuelen. Nadat de PSOE de absolute meerderheid in het parlement verkreeg, eind 1982, en tot 1996 de regering heeft gevormd, is de partij en haar programma in toenemende mate ondergeschikt gemaakt aan het pragmatische regeringsbeleid. Technocraten binnen de PSOE hebben de partij-ideologen op de achtergrond geplaatst. In economisch opzicht is de partij voorstander van het vrije-marktprincipe, maar wel wordt de overheid een regulerende taak toebedeeld. Voorts wordt het lidmaatschap van de EG gezien als het vehikel van sociale en economische modernisering.
De Volkspartij (Partido Popular, PP), opgericht in 1976 als Volksalliantie (Alianza Popular), was oorspronkelijk een toevluchtsoord van leidinggevende figuren uit de Franco-tijd. Sinds de oprichter en leider Manuel Fraga (oud-minister onder Franco) is teruggetreden, probeert de partij zich een meer liberaal imago aan te meten. Zij is o.a. voorstander van privatisering van staatsbedrijven, verkleining van het ambtenarenapparaat, belastingverlaging en meer politie. Sinds 1996 levert de partij de premier.
Verenigd Links (Izquierda Unida, IU) is een in 1986 ontstane verkiezingscoalitie, oorspronkelijk als samenwerkingsverband van een aantal linkse partijen en groeperingen waarvan de Spaanse Communistische Partij (Partido Communista EspaŮol, PCE; opgericht 1922) de belangrijkste was. IU wil betere uitkeringen, verhoging van de vermogensbelasting, verkorting van de arbeidstijd, verhoging van het minimumloon en uittreding van Spanje uit de NATO. Tot de vorming van ťťn progressieve volkspartij is het echter nog niet gekomen, mede omdat de PCE het 'revolutionair marxisme' als basisprincipe niet wilde opgeven.
Naast deze landelijke partijen is er een aantal regionale partijen, waarvan er enkele door hun aanhang ook landelijke betekenis hebben. De voornaamste daarvan zijn: de Baskische Nationalistische Partij (Partido Nacionalista Vasco), de oudste Baskische partij, richt zich naar de katholieke geloofsleer en streeft naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor de Baskische provincies; de Convergentie en Unie (ConvergŤncia i Uniů), opgericht in 1979, is de centrum-rechtse coalitie van kleinere Catalaanse nationalistische partijen; Herri Batasuna, opgericht in 1978, is de politieke arm van de Baskische afscheidingsorganisatie ETA, en streeft naar de vestiging van een onafhankelijke socialistische Baskische staat; de Andalusische Nationalistische Partij (Partido Andalucista), opgericht in 1973 als Andalusische Socialistische Alliantie, profileert zichzelf als een radicaal socialistische en regionalistische partij.
De vakbondsvrijheid wordt in de grondwet gegarandeerd. De belangrijkste vakbonden zijn: de socialistische Uniůn General de Trabajadores de EspaŮa (UGT) en de communistische Confederaciůn Sindical de Comisiones Obreras (CCOO). Door de verrechtsing van de socialistische partij PSOE als regeringspartij en de dramatische neergang van de Spaanse communistische partij PCE in de jaren tachtig zijn de traditioneel nauwe banden met respectievelijk de UGT en de CCOO formeel verbroken.

4. Economie
4.1 Algemeen
In vergelijking met de andere Europese landen is Spanje lang een agrarisch land geweest. Eind jaren vijftig werd begonnen aan de opbouw van een industrie, die al spoedig de belangrijkste economische sector werd. Ook op internationaal vlak is de Spaanse industrie een belangrijke plaats gaan innemen en werd het land de vijfde industriŽle natie van Europa. De staal-, de auto- en de chemische industrie in het bijzonder maakten een grote groei door.
Na het midden van de jaren zeventig namen de Spaanse scheepswerven de derde plaats in de wereldproductie in. Deze ontwikkeling was enerzijds gebaseerd op de grote beschikbaarheid van arbeidskrachten en anderzijds op een belangrijke binnenlandse besparing, waarbij zich de overmakingen van geŽmigreerde werknemers en de inkomsten uit het toerisme voegden. Als gevolg van deze ontwikkelingen maakte het land een zeer snelle economische groei door, die verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de Spaanse samenleving. Zo is de structuur van de beroepsbevolking ingrijpend gewijzigd. In 1950 werkte de helft van de beroepsbevolking in de landbouw; in 1993 was dit nog slechts 10%, terwijl toen 31% in de industrie werkzaam was. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg tussen 1960 en 1990 van $ 500 tot $ 13.280.
De late industriŽle ontwikkeling was een van de oorzaken van het snel teruglopen van de economische groei in de jaren zeventig. Onder andere door het ontbreken van technisch goed geschoold personeel had de industrie zich toegelegd op de fabricage van goedkope consumptie-artikelen (o.a. textiel en schoenen) die goedkoper door Afrikaanse en Aziatische landen kunnen worden vervaardigd, waardoor de uitvoer snel terugliep. Ook de ijzer-, staal- en scheepsbouwsectoren ondervonden afzetmoeilijkheden. Als gevolg van de teruggang van de economie gaf de werkloosheid een sterke stijging te zien, mede door de terugkeer van duizenden werknemers uit de West-Europese landen. Aanvankelijk werd de Spaanse overheid geconfronteerd met het samenvallen van de democratisering en de economische crisis. In de jaren tachtig speelde de toetreding tot de EG een belangrijke rol in de bepaling van het overheidsbeleid. De interne noodzaak van sociale en politieke stabiliteit na 1975 maakte in de jaren tachtig plaats voor de externe noodzaak de Spaanse economie aan te passen aan het volledige lidmaatschap van de EG en de totstandkoming van de interne markt eind 1992. Een expansieve begrotingspolitiek (ter verbetering van de infrastructuur en verdere ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel) werd vanaf 1982 gecombineerd met een restrictieve monetaire politiek, ter beteugeling van de inflatie, en een industriebeleid gericht op sanering van de bedrijven in de publieke sector. Sedert begin jaren negentig voert de overheid een beleid om de talrijke staatsbedrijven te privatiseren.
4.2 Akkerbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Het aandeel van de landbouw aan het Bruto Nationaal Product (bnp) is, ondanks hogere oogstopbrengsten als gevolg van rationalisering en mechanisatie, sedert 1950 geleidelijk teruggelopen en bedroeg in 1994 4%. Ongeveer driekwart van de landbouwbedrijven is kleiner dan 10 ha. In Midden- en Zuid-Spanje komt nog veel grootgrondbezit voor, waar duizenden dagloners onregelmatig werk hebben. In Noord-Spanje, m.n. in de kuststreken, komen op Noord-Europese leest geschoeide agrarische bedrijven voor. Steeds meer grond wordt geÔrrigeerd, wat tevens betekent dat oude cultures als kurkeiken, olijf- en amandelbomen teruggedrongen worden.
In de noordelijke kuststreken worden aardappelen verbouwd; rogge en gerst in de noordelijke provincies en in CastiliŽ. Verbouw van tarwe komt in het gehele land voor. Van betekenis, m.n. voor de uitvoer, is de wijnbouw. Spanje is na Frankrijk en ItaliŽ de derde wijnproducent van Europa (zie voorts Spaanse wijnen). Spanje is sedert 1950, ook op Europees niveau, een belangrijke producent van suikerbieten, suikerriet, vlas, maÔs, katoen en tabak. Het bekendste Spaanse tuinbouwproduct is de citrusvrucht, waarvan het de eerste producent in Europa is. De verbouw vindt plaats aan de Middellandse-Zeekust, AndalusiŽ en de streek om Valencia. Een van de voornaamste bosbouwproducten is kurk, afkomstig van de kurkeiken uit de uitgestrekte eikenbossen in Estremadura.
De veehouderij is sedert 1950, mede door de grotere vraag naar vlees als gevolg van de gestegen welvaart, steeds belangrijker geworden en vormt 40% van de totale landbouwproductie. In het regenrijke GaliciŽ wordt m.n. rundveehouderij bedreven. In de omgeving van Madrid, Sevilla, Cůrdoba en Salamanca worden stieren voor de stierengevechten gefokt. Vis is in Spanje van oudsher een belangrijk onderdeel van het menu en de visserij wordt zowel op de Atlantische Oceaan als op de Middellandse Zee bedreven. In GaliciŽ vormt zij een belangrijke bron van inkomsten. Gevangen worden: tonijn, kabeljauw en sardines.
4.3 Industrie
De industrie draagt voor ca. 31% bij aan het bnp. De belangrijkste industriegebieden zijn de provincies Barcelona, Madrid, Valencia, Vizcaya, AsturiŽ, Alicante en Zaragoza. Traditionele sectoren zoals de textielindustrie rond Barcelona en de zware industrie in de Baskische provincies hebben de laatste vijftien jaar aan belang ingeboet ten gunste van sectoren als transportmiddelen, aardolieraffinage en chemie, en elektrische machines. Ten aanzien van technologisch hoogwaardige industriŽle productie heeft de Spaanse economie een aanzienlijke achterstand ten opzichte van de landen in het noordwesten van Europa. Via het Instituto Nacional de Industria (INI) heeft de overheid een belangrijk aandeel in de industrie. In de tweede helft van de jaren tachtig heeft deze staatsholding na jarenlange verliezen een positief resultaat geboekt, vooral als resultaat van een effectieve herstructurering door de Spaanse regering. Via het Instituto Nacional de Hidrocarburos zijn alle participaties van de overheid in de aardoliesector gebundeld.
4.4 Mijnbouw en energie
Spanje is betrekkelijk rijk aan delfstoffen. In AsturiŽ wordt op grote schaal steenkool gewonnen, in CataloniŽ bruinkool. IJzererts wordt bij Leůn, Granada en Bilbao gedolven. Zinkerts komt voor in de Sierra Morena en bij Linares lood. Andere voorkomende delfstoffen zijn: uranium, mercuur, wolfraam en potas. Aan de monding van de Ebro wordt aardolie gewonnen.
De voornaamste elektrische energiebronnen zijn de hydro- en thermische elektriciteit. Daarnaast wordt kernenergie gebruikt. Er staan kerncentrales in o.a. Zorita, Burgos, CŠceres, Almaraz en Tarragona. Het aandeel van kernenergie in de totale elektriciteitsvoorziening bedroeg in 1993 al 36%. De gasbehoefte wordt gedeeltelijk gedekt door de aanvoer van vloeibaar aardgas uit Algerije.
4.5 Handel
Belangrijkste uitvoergoederen zijn landbouwproducten (wijn en zuidvruchten), industrieproducten als auto's en machines, ertsen en textiel. De belangrijkste handelspartners zijn: de Verenigde Staten, Frankrijk, Portugal, Duitsland, Groot-BrittanniŽ en ItaliŽ. Ingevoerd worden aardolie en aardolieproducten, voedingsmiddelen, machinerieŽn, chemische producten en transportmiddelen. Voornaamste leveranciers zijn de EG-landen (vnl. Duitsland en Frankrijk).
4.6 Toerisme
De toeristenindustrie is een belangrijke pijler van de economie: zij is een grote deviezenbron en geeft veel werkgelegenheid. Door het bevorderen van de overwinteringsmogelijkheden heeft men geprobeerd de seizoengevoeligheid van het toerisme te beperken. In 1995 bezochten 63 miljoen gasten het land.
4.7 Bankwezen
Centrale bank is de Banco de EspaŮa. Daarnaast is er een groot aantal handelsbanken. De zeven grootste banken ('los siete grandes') hebben een zeer grote invloed op de economie, niet in de laatste plaats vanwege hun deelnames in de belangrijkste industriŽle ondernemingen. Onder invloed van de toetreding tot de EG vindt een sterke concentratie van het bankwezen plaats.
4.8 Verkeer
Het spoorwegnet wordt geŽxploiteerd door de staatsondernemingen RENFE en beslaat in totaal 13!000 km. Het wegennet heeft een lengte van meer dan 337!139 km. De belangrijkste havens zijn Barcelona, Valencia, Bilbao, Gijůn, Tenerife en Las Palmas. Er zijn dertig internationale luchthavens, o.a. in Madrid, Barcelona, Palma de Mallorca, Las Palmas, Malaga, Tenerife en Ibiza. De nationale luchtvaartmaatschappij is Iberia.

5. Geschiedenis
5.1 De oudheid
Spanje is rijk aan vindplaatsen uit het midden- en laat-paleolithicum (bijv. Neanderthaler-schedel gevonden in Gibraltar, grotschilderingen te Altamira). Tijdens de overgang van laat-paleolithicum naar mesolithicum ontwikkelde zich langs de oostkust van Spanje een geheel eigen vorm van grotschilderkunst, bestaande uit levendig weergegeven jachttaferelen (Cueva Remigia, Velez Blanco, Almeria). Uit het begin van het neolithicum komen aan de oostkust van Spanje talrijke vindplaatsen van zgn. Impreso-waar voor. Dit met eenvoudige indruksels versierde aardewerk wordt tevens langs vrijwel de gehele Middellandse-Zeekust gevonden.
AndalusiŽ en Murcia zijn aan het begin van het 3de millennium v.C. het voornaamste verspreidingsgebied van de Almeriacultuur, gekenmerkt door gemeenschappelijke megalithische graven en de vervaardiging van vlakke, aan het oostmediterrane cultuurgebied herinnerende idolen (cultusbeeldjes). Tijdens de Los Millares-cultuur (ca. 3000 v.C.) werd het gebruik en de bewerking van koper geÔntroduceerd. Men woonde in kleine, ommuurde en zelfstandige nederzettingen, die een geregeld contact onderhielden met gemeenschappen in Noordwest-Afrika, ItaliŽ en Zuid-Frankrijk.
Omstreeks het begin van de zestiende eeuw v.C. stond het zuidoosten van Spanje onder invloed van een cultuurgroep die El Argar genoemd wordt. Dit volk woonde in ommuurde nederzettingen op berghellingen en kleine plateaus en fabriceerde prestigieuze wapens en sieraden van koper en zilver. In graven gevonden voorwerpen uit Egypte wijzen op langeafstandscontacten, vermoedelijk in verband te brengen met de (ruil)handel in koper en tin. Aan het begin van de late bronstijd (ca. 1200 v.C.) brak de El Argar-cultuur abrupt af en ging de gespecialiseerde kennis van de metaalbewerking grotendeels verloren.
Omstreeks 1000 v.C. ontstonden de eerste Fenicische handelsnederzettingen langs de zuidkust (CŠdiz), een paar eeuwen later gevolgd door Griekse kolonies langs de oostkust. Het noorden en westen van het Iberisch Schiereiland stonden toen onder invloed van de Keltische cultuur. Uit een vermenging van deze drie culturele invloeden zijn eigen Iberische cultuurvormen ontstaan (zie ook IberiŽrs), waarin evenwel de oorspronkelijke mediterrane karaktertrekken behouden bleven (La Dame d'Elche).
Sinds de 7de eeuw v.C. dreven de Grieken en de FeniciŽrs handel met de Keltiberische stadstaat Tartessus. De Carthaagse FeniciŽrs sloten omstreeks die tijd de Straat van Gibraltar voor Griekse zeevaarders. Kort daarna moet Tartessus te gronde zijn gegaan. Gades (CŠdiz) werd ca. 1100 v.C. door de Fenicische bewoners van Tyrus gesticht, die tegen het einde van de 5de eeuw v.C. Spanje gedeeltelijk hebben veroverd. Zij noemden de zuidkust I-sjephan-im, d.i. konijnenkust; uit deze naam ontstond Hispania; Sp.: EspaŮa.
Carthago breidde zijn macht over het grootste deel van Spanje uit (Hannibal vertrok vanuit Sagunto voor zijn tocht over de Alpen), maar verloor deze veroveringen in de Punische Oorlogen. De fanatieke Iberische tegenstand tegen de daarop volgende Romeinse overheersing is spreekwoordelijk geworden, o.a. door het beleg van Numantia (133 v.C.). In de tijd van de burgeroorlogen handhaafde Sertorius zich bijna tien jaar tegen de Romeinen. Caesar was er in 61 praetor en onderwierp grote gebieden. Ten tijde van Augustus werd het Iberisch Schiereiland in drie provincies verdeeld: Tarraconensis, Baetica en Lusitania, en weldra werden dit welvarende gebieden (door de mijnbouw). De romanisering was er zeer intensief door de vele kolonies van veteranen die er gesticht werden. Vele grote schrijvers uit de periode na Augustus stammen uit Spanje, bijv. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus. De keizers Trajanus en Hadrianus werden hier geboren. In de 3de eeuw n.C. gingen welvaart en cultuur sterk achteruit, wat men deels wijt aan de confiscaties onder Septimius Severus en de invallen van barbaren.
5.2 Het Visigotische Rijk (415-711)
Aan het begin van de 5de eeuw, toen het Romeinse Rijk verzwakt was, drongen Germaanse veroveraars (Alanen, Vandalen en Sueven) Spanje binnen en vestigden zich in LusitaniŽ, AndalusiŽ (d.i. het land van de Vandalen) en GaliciŽ. In 415 trok de Visigotische koning Athaulf de PyreneeŽn over en veroverde het latere CataloniŽ. Hij werd gevolgd door andere Gotische veroveraars, die in de volgende halve eeuw het gehele schiereiland overmeesterden. Alleen de Sueven bleven onafhankelijk.
De Romeinse grootgrondbezitters werd een aanzienlijk deel van hun bezit ontnomen, maar overigens bleef veel bij het oude: in de steden behield men de Romeinse organisatie en de kerk behield haar bisschoppen, die de katholieke cultus handhaafden, terwijl de Gotische veroveraars de ariaanse leer huldigden. Door de nederlaag van Alarik II bij Vouillť (507) kreeg het Visigotische Rijk als noordgrens de PyreneeŽn. Zijn opvolgers onderwierpen de Sueven en verdreven de Byzantijnen die sinds de ondergang van het Vandalenrijk de macht in het zuidoosten hadden bezeten. Reccared I van de Visigoten (586-601) ging tot het katholicisme over, wat de laatste scheiding tussen indringers en bewoners wegnam. De bisschoppen met hun jaarlijkse concilies, die als Rijksvergaderingen wetgevende macht bezaten, waren machtig en onverdraagzaam. Geestelijkheid en edelen buitten de boeren uit.
5.3 Het Moorse Spanje, de Reconquista en de katholieke koningen (711-1504)
Door onderlinge conflicten bij de Visigoten werd in 711 de Moorse veldheer Tarik te hulp geroepen. De Moren maakten zich binnen tien jaar meester van het gehele schiereiland, met uitzondering van AsturiŽ. Hun heerschappij bracht verbetering voor de toestand van de lagere volksgroepen. Onder de Omajjaden (756-1031) die met Abd al-Rahman I aan de macht kwamen, ontwikkelde zich een grootse Moors-Spaanse beschaving met Cůrdoba als centrum. Islamieten, christenen en joden leefden in verdraagzaamheid samen. Het land kwam tot grote welvaart; literatuur, kunsten en wetenschappen, nijverheid (vooral ambachtelijk) en handel bloeiden. Het behoud van de Griekse filosofie en de klassieken van de oudheid is deels aan deze cultuur te danken. Onder Abd al-Hahman III (912-961), die in 929 de titel van kalief aannam en diens zoon, de dichter en geleerde Hakam II (961-976), bereikte het Moorse Spanje, dat 20 miljoen inw. had, zijn grootste luister. Het was vooral een stedelijke beschaving: Cůrdoba bijv. telde 1 miljoen inw.
Vanuit het noorden werd het Moorse rijk bedreigd door kleine christelijke staatjes die zich hadden kunnen handhaven of opnieuw gevormd waren en een agrarisch-militair karakter hadden: Navarra, Aragůn (met CataloniŽ) en Leůn, later CastiliŽ. Tussen deze staatjes en het Moorse gebied lag een dunbevolkt niemandsland. Al-Mansoer, veldheer van Hasjim II (976-1013), had de christenen nog ver kunnen terugdringen, verwoestte Santiago en veroverde FŤs in Marokko. Na de dood van Al-Mansoer in 1002 keerde het tij. Het rijk der Omajjaden viel uiteen in 'taifas' (vorstendommen).
De Reconquista (herovering) van het Moorse door het christelijke Spanje had aanvankelijk meer een politiek dan een religieus karakter. In 1085 veroverde Alfons VI van CastiliŽ de cruciale stad Toledo. Een jaar later werd hij verslagen door de Almoraviden onder Ali ibn Joesoef, die vanuit Noord-Afrika de Moren te hulp snelden. De Almoraviden vestigden hun eigen heerschappij in Spanje en herstelden de eenheid. De Almohaden, eveneens Berbers uit Afrika, volgden ca. 1150 de Almoraviden op en wisten als laatsten de christenen terug te dringen. De Slag bij Navas de Tolosa in 1212 betekende echter de beslissende ommekeer.
Zuid-Spanje werd door CastiliŽ, dat in 1230 met Leůn verenigd was, veroverd, met uitzondering van het Moorse koninkrijk Granada. Jerez de la Frontera werd in 1250 veroverd. Hoewel CastiliŽ een traditie had van strijdend ridderschap (hidalgo's) en religieus-militaire orden, bleef de Moorse cultuur nog lang doorwerken. Moren en joden behielden hun rechten en vrijheden en de christelijke beschaving kwam tot grote bloei.
Door het huwelijk in 1469 van de 'katholieke koningen', Ferdinand van Aragůn (1479-1516) en Isabella van CastiliŽ (1474-1504), werd Spanje verenigd, wat vooral in hun gemeenschappelijke politieke doelstellingen tot uiting kwam (beide landen behielden hun eigen politieke structuur). Koningschap en Kerk hadden sedert die tijd een nauw politiek verbond tot onderdrukking van alle afwijkingen op kerkelijk en politiek gebied.
De Hermandad en de Inquisitie, die ook als staatkundige instelling diende, werden versterkt. Navarra en Napels kwamen aan CastiliŽ. In 1492 werd Granada veroverd en werden naar schatting tussen 120!000-150!000 joden, die zich weigerden tot het christendom te bekeren, uit Spanje verdreven. In hetzelfde jaar ontdekte Columbus, in dienst van Spanje, Amerika. Ondanks de toenemende religieuze intolerantie beleefde de Spaanse cultuur tot diep in de 17de eeuw een grote bloei.
5.4 Onder de Habsburgers (1504-1700)
De erfenis van de 'katholieke koningen' viel na hun dood toe aan Karel I van Habsburg, met voorbijgaan van zijn moeder Johanna de Waanzinnige. Van zijn vaders kant had hij de Bourgondische landen geŽrfd en in 1519 werd hij, als Karel V, keizer van het Duitse rijk. Spanje werd het centrum van het eerste wereldrijk (incl. een deel van Amerika) 'waarin de zon niet onderging' en raakte betrokken in een strijd om de hegemonie in Europa, met name met Frankrijk, die twee eeuwen zou duren. Voorts werd het land betrokken in de godsdienstoorlogen die volgden op de Reformatie. Spanje zelf werd niet sterk beroerd door de hervorming, maar ontwikkelde zich wel tot de grote politieke en geestelijke (jezuÔetenorde) kampioen van de Contrareformatie in Europa. Door zijn Italiaanse bezittingen beheerste Spanje de Middellandse Zee en verdedigde deze tegen de Turken. Tegen de niet-Spaanse politiek en adviseurs en tegen de toenemende centrale macht rees verzet onder de adel en de steden. De opstand der Comuneros (1520-1521) werd onderdrukt.
In Amerika werd een immens koloniaal rijk opgebouwd. De handel hiermee werd gemonopoliseerd (in Sevilla), de goud- en zilverstroom vloeide eveneens rechtstreeks in de staatskas, waardoor Spanje achterbleef in de ontwikkeling van een vrije handel en industrie, waardoor het ontstaan van een moderne bourgeoisie afgeremd werd.
Het langzame verval van Spanje als politieke macht begon tijdens de regering van Filips II (1556-1598). Wel veroverde deze Portugal (1580), waarop hij door zijn moeder aanspraak kon maken, maar het verloop van de strijd in de Nederlanden verzwakte zijn prestige. In de oorlogen tegen de opstandige Nederlandse gewesten, de Turken en tegen Engeland liet Filips zich hoofdzakelijk door zijn geloofsijver leiden (Slag bij Lepanto, 1571; Armada, 1588). In Spanje zelf werd elke ketterij uitgeroeid, elke vorm van tolerantie verdacht. Verbeten werd elk overblijfsel van de islam tegengegaan; ook de Marranen ( 'bekeerde' joden) en de Morisco's ( 'christelijke' moslims) werd het leven onmogelijk gemaakt. De vele oorlogen brachten Spanje aan de rand van de financiŽle afgrond, ondanks de rijkdommen uit Amerika en inkomsten uit de zware belastingen.
In 1609, tijdens de regering van Filips III (1598-1621) werden, op aandrang van de geestelijken, alle zich nog in Spanje bevindende Morisco's, naar schatting 800.000 mensen, uit het land verdreven, wat aan de landbouw, de nijverheid en de welvaart nieuwe schade toebracht. Onder Filips IV (1621-1665) - wiens gunsteling, de hertog van Olivarez, jarenlang de feitelijke regeerder was - verslechterde de situatie van het land verder, evenals tijdens Karel II (1655-1700). Oorlogen in Duitsland, ItaliŽ, de Nederlanden en tegen Frankrijk teerden Spanje verder uit en leidden tot zware uitbuiting in eigen land. Opstanden waren het antwoord; in CataloniŽ (1640-1652), AndalusiŽ en (in ItaliŽ) Napels, dat sinds 1504 Spaans bezit was. Portugal maakte zich in 1640 los van de Spaanse kroon. De onafhankelijkheid van de Noordelijke Nederlanden werd definitief erkend (1648) en bij de Vrede van de PyreneeŽn moest Roussillon aan Frankrijk worden afgestaan; later werden de Franche-Comtť en een deel van de Zuidelijke Nederlanden afgestaan. Hof, kerk en adel heersten over een verarmd en onderworpen volk. Spanje had afgedaan als grootmacht.
5.5 Onder de Bourbons (1700-1868)
Na de dood van Karel II werd Filips V van Bourbon koning; zijn rechten op de troon werden na de Spaanse Successieoorlog algemeen erkend. Spanje verloor echter de Zuidelijke Nederlanden, de Italiaanse bezittingen en Gibraltar. Door Filips' echtgenote, Elisabeth van Parma, verkreeg het weer aanspraken op Parma en Napels-SiciliŽ. Mťt de Bourbons kwam het Franse absolutisme en centralisme naar Spanje. Een Catalaanse opstand (1702-1714) werd onderdrukt en in 1713 resp. 1714 werden de Cortes (parlement) van CastiliŽ en Aragůn voor het laatst bijeengeroepen; alleen de Basken en Navarra behielden nog enkele vrijheden. Onder Karel III (1759-1788) werd, onder invloed van de ideeŽn van het verlichte despotisme, de centrale macht ten voordele van het volk aangewend. De welvaart herleefde enigszins, corruptie en nepotisme verminderden, de jezuÔeten werden verbannen. Spanje bleef verbonden met de Franse Bourbons (Familieverdrag van 1761) en voerde oorlogen met Engeland (o.m. de Zevenjarige Oorlog en de Amerikaanse Vrijheidsoorlog), waardoor verbeteringen en hervormingen teloor gingen. Onder Karel IV (1788-1808) en diens minister Godoy keerden de oude misstanden volledig terug.
Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich eerst aan de zijde van Oostenrijk en Engeland (1793-1795), maar verbond zich in 1796 met het Franse Directoire en kwam in oorlog met Engeland, die slechts door de Vrede van Amiens kortstondig onderbroken werd (1802-1803). De Britten vernietigden de Spaanse vloten bij Finistere en Trafalgar in 1805. In mei 1808, nadat Franse troepen het land waren binnengetrokken, deden de koning en zijn zoon, onder druk van Napoleon afstand van de troon ( 'Komedie van Bayonne'). In Madrid ontstond een volksopstand die door Murat bloedig werd onderdrukt; Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd. Hierop brak een algemene opstand uit, waarin nationale trots, vreemdelingenhaat, vrijheidszin en religieus-feodaal fanatisme samengingen. Zo werd van 1808 tot 1813 een uiterst wrede en grillig verlopende oorlog uitgevochten waarvan Goya in zijn Desastres de la guerra getuigt. De Spaanse guerrilla (het woord ontstond toen), die de bezetters grote verliezen toebracht, werd gesteund door een Brits expeditieleger onder Wellington, opererend vanuit Portugal. Op vele plaatsen waren junta's (zie junta) ontstaan, in Sevilla een centrale junta. Deze werd opgevolgd door de 'Cortes' die heel Spanje vertegenwoordigde en in 1812 in CŠdiz een grondwet uitvaardigde naar het model van de Franse constitutie van 1791. Wellington had de Fransen in 1809 een zware nederlaag bezorgd bij Talavera maar moest zich daarna op Portugal terugtrekken. In mei 1813 verliet Jozef Madrid en op 21 juni behaalde Wellington een laatste beslissende overwinning bij Vitoria. De Cortes trok in januari 1814 triomferend Madrid binnen en plaatste Ferdinand VIII op de troon nadat hij de grondwet erkend had. De koning verbrak zijn belofte snel en heerste als absoluut monarch. In Spaans-Amerika ontstonden onafhankelijkheidsbewegingen waar het moederland machteloos tegenover stond. Van het grote koloniale rijk bleven uiteindelijk alleen Cuba, Puerto Rico en de Filippijnen behouden.
Het absolutisme van Ferdinand leidde tot een 'pronunciamiento' (staatsgreep van het leger) van generaal Riego in 1820, waarna de constitutie van 1812 weer van kracht werd. De Heilige Alliantie stuurde vervolgens een Frans leger van 100.000 'zonen van Sint Lodewijk' (1822-1823) naar Spanje dat het absolutisme herstelde. Een harde repressie volgde, maar de idealen van de liberalen (het woord ontstond in Riego's tijd) werden levend gehouden. De gehele 19de eeuw zouden enerzijds reactionaire en klerikale, anderzijds liberale krachten het politieke spanningsveld bepalen. Tussen beide in stonden de 'moderados' (gematigden) die als gevolg van de tegenstellingen het politieke toneel veelal wisten te beheersen. Gedurende deze periode speelden zich een groot aantal 'pronunciamiento's', opstanden en burgeroorlogen af.
Ferdinand had kort voor zijn dood in 1833 de erfopvolging veranderd, waardoor zijn dochtertje Isabella (II) onder voogdij van haar moeder Maria Christina de troon kon bestijgen. Don Carlos, Ferdinands reactionaire broer, begon de Eerste Carlistenoorlog die tot 1839 in Noord-Spanje woedde. Als reactie hierop vormde Maria Christina een links tegenwicht tegen de Carlisten, die o.a. de steun van het Vaticaan genoten. In 1836 werd het kerkelijk grootgrondbezit verkocht door Mendizabel. De 'moderados' en het hof ontwikkelden zich na de Carlistenoorlog in rechtse en klerikale richting, wat slechts onderbroken werd tijdens een liberaal tussenspel van 1854 tot 1856, na een geslaagde 'pronunciamiento' van O'Donnell.
De ontwikkeling van mijnbouw en industrie verliep langzaam en - evenals de spoorwegen - dikwijls dankzij buitenlands kapitaal.
5.6 Revolutie en restauratie (1868-1923)
In 1868 werd Isabella, die zich ook moreel gecompromitteerd had, verdreven. Generaal Prim was korte tijd de sterke man. De Cortes stelde een vrijzinnige grondwet op en koos Amadeus van Aosta, uit het Italiaanse koningshuis, tot koning (1870). Deze, geplaagd door partijtwisten (Prim was vermoord), trad in 1873 af, waarna de republiek werd uitgeroepen. De Eerste Republiek (11 febr. 1873-29 dec. 1874) kreeg een federale grondwet en een democratische structuur. Zij werd echter geconfronteerd met een Tweede Carlistenoorlog en een kantonnale opstand met Cartagena als centrum. De arbeidersbeweging, die al vanaf de jaren veertig met stakingen van zich had doen spreken, kreeg aansluiting bij de Eerste Internationale. Vooral de anarchistische stroming zou in Spanje grote invloed krijgen. Bolwerken werden het agrarische AndalusiŽ, met zijn grootgrondbezit en het industriŽle CataloniŽ.
Een 'pronunciamiento' van generaal MartŪnez Campos maakte een einde aan de republiek. De zoon van Isabella, Alfonso XII (1874-1885), werd tot koning uitgeroepen. De periode 1874-1923 staat als de 'restauratie' bekend en wordt gekenmerkt door een betrekkelijk liberale grondwet (1876) van Antonio CŠnovas del Castillo en door diens politiek van een wisselend evenwicht, de zgn. turno pacŪfico, dwz. een 'vreedzaam beurtelings regeren'. Reactionaire en liberale regeringen wisselden elkaar af, maar in feite ging het om een machtsstrijd tussen elites en politieke clubs, waarbij CŠnovas en de politiek van de 'moderados' het regeringsbeleid grotendeels bepaalden. Het systeem van caciquismo, waarbij plaatselijke en regionale politieke en sociaal-economische machthebbers het in hun gebied voor het zeggen hadden en met elkaar verbonden waren tot op nationaal niveau, sloot elke werkelijke volksinvloed uit. De kerk verrijkte zich en vergrootte haar politieke macht, maar verloor invloed onder het volk.
De moord op CŠnovas in 1897 en meer nog de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse Oorlog, waarbij Spanje zijn laatste koloniŽn in Amerika en AziŽ verloor leidden tot een situatie van permanente crisis. De 'Generatie van 98' streefde naar een politiek en cultureel reveil, naar een modern Spanje. Nationale bewegingen in CataloniŽ en het Baskenland, aanvankelijk cultureel, kregen een politieke dimensie. Met de opkomende industrie in deze gebieden werd de arbeidersbeweging sterker en ontwikkelde zich in revolutionaire richting. Liberale kabinetten brachten democratische maatregelen (Spanje had al in 1890 algemeen stemrecht), zoals het burgerlijk huwelijk, de vrijheid van vakbeweging en een bescheiden sociale wetgeving. In de praktijk bleven het veelal papieren maatregelen. Spanningen en polarisatie bedreigden het CŠnovas-systeem. Internationale aandacht en protesten kregen martelingen van gevangenen in 1896 (Montjuich bij Barcelona) en de terechtstelling in 1909 van Francisco Ferrer Guardia, na een - vooral antiklerikale - volksuitbarsting in Barcelona die door het leger werd onderdrukt; Ferrer, voorman van de rationele 'moderne school' was bij de geestelijkheid zeer gehaat. Elke verandering werd van deze zijde als een aantasting van Spaanse en katholieke waarden gezien en men bepleitte vaak despotische maatregelen. AndalusiŽ en CataloniŽ waren verscheidene malen het toneel van heftige en soms bloedige sociale conflicten. Naast de socialistische vakbeweging (Uniůn General de Trabajadores, UGT) ontstond een revolutionaire vakorganisatie met een anarcho-syndicalistisch karakter (Confereraciůn Nacional del Trabajo, CNT, 1911).
Spanje bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Rechts, in het bijzonder de kerk, was fel anti-Frans; links sympathiseerde met de geallieerden. Het land profiteerde van oorlogsleveranties, maar zeer ongelijkmatig. De sociaal-revolutionaire vloedgolf na de wereldoorlog bereikte ook Spanje. In 1919 werd een algemene staking met geweld onderdrukt en socialistische voormannen verdwenen in de gevangenis. In Barcelona werden in de jaren daarna bekende leden van de CNT door agenten van de politie en van de ondernemers gedood, wat tot represailles van anarchistische kant leidde. Republikeinse en afscheidingsbewegingen wonnen veld, bij de verkiezingen in 1923 wonnen de socialisten terrein. In hetzelfde jaar leed het leger, dat een steunpilaar van rechts was geworden, een verpletterende nederlaag in Marokko, welke ook koning Alfons XII, die tot 1902 onder het regentschap van zijn moeder koning was geweest, dreigde te compromitteren. Met zijn instemming pleegde generaal Primo de Rivera een staatsgreep (13 sept. 1923).
5.7 Dictatuur, Tweede Republiek en burgeroorlog (1923-1939)
Spanje werd een dictatuur, enigszins naar het voorbeeld van het fascistische ItaliŽ. Pogingen om een massapartij van de grond te krijgen mislukten en het bewind van Primo bleef een tijdelijk karakter behouden. De Cortes was ontbonden, persvrijheid en andere burgerlijke vrijheden werden opgeheven, de arbeidersbeweging werd zeggenschap ontnomen, het bestuur gecentraliseerd, CataloniŽ ook cultureel onderdrukt. De infrastructuur van Spanje werd verbeterd. In Afrika werd in samenwerking met Frankrijk Marokko volledig onderworpen.
De oppositie tegen het regime nam vanaf 1929 van alle kanten toe en had een gemeenschappelijke republikeinse noemer. In jan. 1930 trad de dictator af. Hij werd vervangen door generaal Berenguer. Na gemeenteraadsverkiezingen in april 1931, waarin alle grote steden republikeins stemden, verliet Alfons XIII het land. Zonder bloedvergieten was Spanje een republiek geworden.
De Tweede Spaanse Republiek (1931-1939) kreeg een progressief democratische grondwet. De behoudende AlcalŠ Zamora werd president en Manuel AzaŮa, leider van de Acciůn Republicana, premier. Hij zou de belangrijkste politicus van de republiek worden. Frankrijk was in veel opzichten het voorbeeld voor de republikeinen. Een anti-klerikaal programma, met lekenonderwijs en scheiding van Kerk en Staat, kwam snel tot stand. Een statuut dat CataloniŽ autonomie met een eigen regering gaf, werd in 1932 door de Cortes aanvaard. In 1936 volgde een Baskisch statuut. Een agrarische wetgeving en politiek die het grootgrondbezit moest opheffen verliepen traag, een legerhervorming was halfslachtig en de sociale kwestie bleef bestaan. De arbeidersbewegingen van socialisten en anarcho-syndicalisten, die sterk herleefden na de val van de dictatuur, vervreemdden spoedig van de republiek: stakingsacties en anarchistische revoltes werden bloedig onderdrukt.
Bij de verkiezingen in nov. 1933 won een rechts blok van een verdeeld en verzwakt links. De vrouwen hadden voor het eerst gestemd, de anarchisten stemden niet. Tijdens de hierop volgende Bieno Negro (de twee zwarte jaren) voerden rechtse regeringen een reactionair beleid. In 1934 kwam het in AsturiŽ tot een confrontatie, die een voorbode van de burgeroorlog zou zijn. De arbeidersorganisaties verdedigden zich dagenlang tegen de regeringstroepen, waarvan ook het Vreemdelingenlegioen en Moorse eenheden deel uitmaakten. Tienduizenden verdwenen in de gevangenis; CataloniŽ, waar de onafhankelijkheid was uitgeroepen, verloor zijn autonomie. Amnestie werd de leus die de (heterogene) republikeinse en linkse partijen verenigde in een verkiezingspact. Dit zgn. Volksfront won de parlementsverkiezingen in febr. 1936. AzaŮa werd president. De regering stond zeer zwak, mede doordat de onderling verdeelde socialisten regeringsdeelname weigerden. Terwijl sociale spanningen, stakingen en politiek straatgeweld (met name van de Falange, een kleine, maar groeiende fascistische beweging) toenamen, bereidde rechts zich voor op een staatsgreep. Deze ging uit van het leger, begon op 17 juli 1936 vanuit Spaans Marokko en werd door de arbeiders, die zich verzetten tegen de coup, beantwoord met een sociale revolutie. De Spaanse Burgeroorlog begon. Deze kreeg ook internationale dimensies (non-interventie, internationale brigades) en eindigde pas op 1 april 1939 met de overwinning van de 'nationalisten' van generaal Franco, die in 1936 als caudillo (leider) naar voren was gekomen te midden van de rebellerende generaals. Honderdduizenden republikeinen verlieten het land, honderdduizenden anderen werden gevangen gezet, mishandeld of gedood.
5.8 Het franquistische Spanje (1939-1975)
Tot zijn dood regeerde Franco als alleenheerser over Spanje, gesteund door de enige politieke beweging, de Falange, waarin hij tijdens de burgeroorlog alle rechtse krachten had samengebracht en onder zijn leiding had gesteld. Het leger en de kerk, die het onderwijs en de cultuur in het algemeen beheerste, waren twee andere steunpilaren. Het franquistisch ideaal was gericht op herleving van het katholieke Spanje en zijn oude glorie. Een Spanje 'Eťn, groot, vrij', waarbij vrij betekende: ontdaan van alle invloeden en krachten - hervorming, Verlichting, Franse Revolutie, socialisme en democratie - welke in de ogen van Franco en de zijnen van buitenaf en met behulp van binnenlandse vijanden Spanjes oude glorie ondermijnd hadden. Repressie bleef dan ook een wezenlijk kenmerk van het regime en trof o.a. de arbeidersbewegingen, Basken en Catalanen en de cultuuruitingen.
Het sociaal-economisch leven werd beheerst door verticaal georganiseerde syndicaten, naar fascistisch-corporatief model. Het dagelijks leven werd lange tijd gekenmerkt door armoede, honger, corruptie (zwarte markt), economische stagnatie en cynisme. Pas na 1956 bereikte Spanje weer het economisch peil van 1936. Illegale organisaties - aanvankelijk ook guerrillero's - waren lang actief maar konden, evenmin als de ballingen, het regime serieus bedreigen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde Franco de verwante, maar niet identieke, regimes van Hitler en Mussolini, aan wie hij zijn overwinning in de burgeroorlog mede te danken had. Hij bleef echter buiten de oorlog; wel werd Tanger in 1940 bezet en nam een vrijwilligersleger van 47!000 man (de Blauwe divisie) deel aan de strijd tegen de Sovjet-Unie.
Na 1945 kwam Spanje in een isolement. Het bewind werd door de Verenigde Naties veroordeeld, maar profiteerde van de Koude Oorlog. Franco had reeds in 1943 zijn pro-fascistische zwager Serrano SuŮer als minister van Buitenlandse Zaken vervangen door de monarchist Jordana en hij herstelde in 1947 formeel de monarchie, zonder overigens direct een koning te benoemen. Pas in 1969 werd Juan Carlos de Bourbon, een kleinzoon van Alfons XIII en opgevoed onder toezicht van Franco, met voorbijgaan van zijn vader, de pretendent Don Juan, door Franco tot zijn opvolger aangewezen.
Militaire en economische verdragen met de Verenigde Staten in 1953 haalden het bewind uit het economische dal. Spanje werd in 1955 aanvaard als lid van de Verenigde Naties en trad in 1959 toe tot de OEES, de Organisatie van Europese Economische Samenwerking. Franco bleef echter het stigma van de Spaanse Burgeroorlog en het fascisme behouden en werd nooit volledig aanvaard in Europa. Spanje gaf, niet zonder pijn maar wel zonder veel strijd, zijn koloniŽn op: Marokko in 1956, Spaans Guinea in 1968 en de Spaanse Sahara in 1975.
In de jaren zestig kwam een moderniseringsproces op gang dat de Spaanse samenleving grondig veranderde en het regime ondermijnde. Buitenlands kapitaal, toerisme en Spaanse gastarbeiders brachten een snelle economische ontwikkeling. Industrialisatie en urbanisatie namen sterk toe. De Falange (nu Beweging genoemd) en het systeem van de verticale syndicaten werden volledig uitgehold. Met de 'consumptiemaatschappij' drongen Amerikaanse en Europese waarden en normen het land binnen.
Binnen het regime werd deze ontwikkeling gesteund en gedragen door een jonge en technocratisch ingestelde generatie, waartoe Fraga Iribarne en Lopez Bravo behoorden, die naar liberalisering binnen het kader van het bestaande streefden. Leden van de rooms-katholieke lekenorganisatie Opus Dei die deze modernisering van het autoritaire regime steunden, bezetten de belangrijkste economische regeringsposten. Nieuwe oppositiebewegingen kwamen op, o.a. de Comisiones Obreros (arbeiderscommissies), die in het schemergebied van legaal en illegaal opereerde en na Franco's dood naast de socialistische UGT de belangrijkste vakbeweging zou worden. Het Catalaanse nationalisme herleefde en in het Baskenland ontstond een nieuwe bevrijdingsbeweging, de ETA. Tegen de ETA en andere terreurgroepen trad het regime zeer hard op. In 1973 werd premier L. Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij een aanslag van de ETA. Op 20 nov. 1975 overleed Franco.
5.9 Naar een parlementaire democratie
Koning Juan Carlos, op 22 nov. 1975 beŽdigd, opende geheel tegen de verwachting in de weg naar een parlementaire democratie, die via een aantal referenda langs wettelijke weg en zonder juridische breuk met het verleden gerealiseerd werd. In 1976 werd Franco's laatste premier, Arias Navarro, opgevolgd door de jonge A. Suarez. Met hem begon de periode van 'transiciůn' (overgang). Vrijheid van organisatie en van meningsuiting werden, evenals partijvorming, stap voor stap verwezenlijkt. Bannelingen keerden terug. De socialistische partij (PSOE) en de communistische partij (PCE) werden in resp. 1976 en 1977 gelegaliseerd. De verkiezingen van 1977 waren de eerste vrije parlementsverkiezingen sinds 1936. Zij leverden een grote overwinning op voor de UcdD(32)(Unie van het Democratisch Centrum) die onder leiding stond van premier Suarez. De PSOE, onder leiding van de jonge Felipe Gonzalez, werd de tweede partij. Voor de PCE, onder leiding van de voormalige leider-in-ballingschap Carillo, en voor de rechtse Volks Alliantie van Fraga Iribarne was de uitslag teleurstellend.
In 1978 kreeg Spanje een nieuwe grondwet die van Spanje een parlementaire monarchie en een democratie maakte. De verkiezingen die in 1979 werden gehouden, bevestigden de uitslag van 1977. In 1980 werden de autonomie van CataloniŽ, met zijn eigen regering, de zgn. Generaliteit, en van Baskenland hersteld. In de volgende jaren werd de autonomie uitgebreid tot alle regio's. De ETA bleef de strijd voortzetten, wat tot spanningen in het Baskenland leidde. Uiterst rechtse krachten hadden vergeefs getracht met aanslagen het democratiseringsproces te stoppen tijdens de 'transiciůn'. Ook in het leger accepteerden velen de democratie niet. Een poging tot een staatsgreep van een kolonel van de Guardia Civil, Tejero, die op 23 febr. 1981 de regering en het parlement gijzelde, mislukte doordat de koning, tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten, zich er scherp tegen verzette. De samenzwering bleek vele vertakkingen in het leger te hebben.
5.10 Tijdperk Gonzalez
L. Calvo Sotelo was, pal voor de coup, Suarez opgevolgd, maar volgde diens koers. In 1982 werd de UDC, die vooral een partij rond Suarez was, verslagen bij de parlementsverkiezingen, terwijl de PSOE als overwinnaar naar voren kwam. De rechtse Alliantie werd nu de belangrijkste oppositiepartij, de communistische partij raakte geheel op de achtergrond. Felipe Gonzalez werd premier en hij wist zich te handhaven bij de verkiezingen in 1986 en - ondanks corruptieschandalen - in 1990. Zijn politiek bracht echter allerminst de verwachte vernieuwing en faalde met name in het terugdringen van de grote werkloosheid van de jaren tachtig. Na een referendum trad Spanje in 1982 toe tot de NATO en, in 1986, tot de Europese Gemeenschap. In 1992, 500 jaar na Columbus' ontdekking van Amerika, presenteerde Spanje zich met grote manifestaties aan de wereld: Olympische Spelen in Barcelona, Wereldtentoonstelling in Sevilla, culturele evenementen in Madrid. De Baskische afscheidingsbeweging ETA slaagde er niet in deze evenementen te verstoren; het succesvolle optreden van de Franse politie, die in 1992 vier belangrijke ETA-leiders arresteerde, was hieraan mede debet. Ook in 1993 werden ETA-kopstukken gearresteerd, zowel in Frankrijk als in Spanje.
De regering van Felipe GonzŠlez, die steeds meer aanhang verloor, o.a. door talloze corruptieschandalen, kon zich alleen nog staande houden met de steun van Catalaanse en Baskische nationalisten. In ruil daarvoor eisten deze partijen grotere autonomie voor hun provincies. Ook in 1995 werd de positie van de regering-GonzŠlez verder ondermijnd door nieuwe politieke en financiŽle schandalen.
De Baskische bevolking keerde zich steeds meer af van de ETA en de regering boekte enkele successen in haar strijd tegen het terrorisme. Bij de in okt. 1994 in Baskenland gehouden verkiezingen behield de Baskische Nationalistische Partij (PNV) 22 van de 75 zetels.
Spaanse vissers kwamen in aug. in conflict met hun Franse en Britse collega's, die zich niet zouden houden aan de door de EU opgelegde vangstmethoden.
Bij de gemeentelijke en provinciale verkiezingen van mei 1995 viel de PSOE verder terug, terwijl de rechtse Volkspartij (PP) van oppositieleider Josť MarŪa Aznar in tien van de zeventien provincies de grootste partij werd. In okt. besloot de Senaat een parlementaire enquÍte in te stellen naar de GAL-affaire. De contraterreurgroep GAL zou in de jaren 1983 tot 1987 verantwoordelijk zijn geweest voor de dood van 27 ETA-leden, waaraan de overheid medeplichtig zou zijn. Intussen zette de ETA haar terroristische acties binnen en buiten Baskenland voort. In dec. werd de minister van Buitenlandse Zaken, Javier Solana, benoemd tot secretaris-generaal van de NAVO.
Begin maart 1996 vonden vervroegde verkiezingen plaats voor beide kamers van de Cortes, het Congres van Afgevaardigden en de Senaat. De centrum-rechtse Volkspartij (PP) van Aznar behaalde in de verkiezingen voor het Congres een nipte overwinning op de PSOE die echter niet genoeg was voor een meerderheid. In de Senaat lukte dat de PP wel. Na moeizame onderhandelingen bereikten de PP en de Catalaanse nationalisten (CiU) een akkoord en begin mei werd de minderheidsregering van Aznar beŽdigd.
De ETA greep de verkiezingsstrijd aan om haar terreurcampagne te intensiveren. In een reactie tegen het geweld van de ETA namen in febr. in Madrid een miljoen mensen deel aan een vreedzame demonstratie.
De zeer strenge begroting voor 1997 van de regering-Aznar was voor een belangrijk deel gericht op de grotere financiŽle zelfstandigheid van Baskenland en CataloniŽ. De lichte economische opleving van de beide voorgaande jaren liep in 1996 een deuk op en de werkloosheid bleef met 22% onverminderd hoog.


Telefoongids Spanje
Postcodes Spanje

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009