|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Kernlandschap
is de Meseta, een zeer uitgestrekte hoogvlakte, zwak naar het zuidwesten
hellend, een schiervlakte van Tertiaire ouderdom, die door het
granietrijke Castiliaans Scheidingsgebergte in twee delen wordt
gesplitst. De hoogste top hiervan wordt aangetroffen in de Sierra de
Gredos (2592 m). Het noordelijk deel van de Meseta (hoofdzakelijk
Oud-Castilië omvattend) ligt op een hoogte van 800-900 m, het zuidelijk
deel (hoofdzakelijk Nieuw-Castilië en Estremadura omvattend) op een
hoogte van 600-700 m. De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de
Sierra Morena, de noordoostelijke door het jongere Iberisch Randgebergte
met een noordwest-zuidoostrichting, dat het jonge dalingsgebied van de
Ebro begrenst. De Ebro breekt in de benedenloop door het langs de kust
gelegen Catalaans Gebergte. De Pyreneeën, met kristallijne kern en
toppen boven de 3000 m (hoogste top Pic d'Aneto, 3404 m), bereiken in
het oosten een aanzienlijke breedte en worden naar het westen smal.
Hierop sluit aan het Asturisch-Cantabrisch Gebergte met het Galicisch
massief. In het zuidoosten ligt het Andalusisch Gebergte, ook wel
Betische Cordillera genoemd, zich uitstrekkend van Gibraltar en te
vervolgen tot op de Balearen. Het hoogste gedeelte van dit jonge
gebergte wordt gevormd door de Sierra Nevada (Mulhacén, 3481 m).
1.2 Rivieren
De grote rivieren Duero, Tajo (Taag) en Guadiana volgen de afhelling van
de Meseta en stromen, evenals de in het noordoostelijk deel van het
Andalusisch Gebergte ontspringende Guadalquivir, in westelijke tot
zuidwestelijke richting; de enige grote naar de Middellandse Zee
stromende rivier is de in het Cantabrisch Gebergte ontspringende en in
zuidoostelijke richting stromende Ebro. In het algemeen hebben de
Spaanse rivieren een onregelmatig waterregime met een minimaal zomerpeil
en zijn daardoor voor de scheepvaart van weinig betekenis; wel worden ze
benut voor irrigatie (het Ebro- en het Guadalquivir-bekken) en voor
energieopwekking (Tajo). Door de sterke bodemerosie vervoeren de
rivieren in het algemeen veel sediment, hetgeen o.a. bij de Ebro en de
Guadalquivir de vorming van delta's tot gevolg heeft. In Galicië in het
uiterste noordoosten bezitten de rivieren brede mondingen, aangeduid als
ría's.
1.3 Klimaat
Het klimaat vertoont veel sterkere continentale trekken dan in de
overige mediterrane gebieden het geval is. Dit blijkt bijv. uit de grote
temperatuurverschillen in het binnenland; de zomertemperaturen bedragen
er gemiddeld 24 °C, maar kunnen boven 38 °C komen, terwijl de
wintertemperaturen er gemiddeld 2 tot 4 °C bedragen, met veel
nachtvorst. Ook de dagelijkse gang van de temperatuur is in het
binnenland groot: in juli gemiddeld 16 à 17 °C. Het binnenland heeft
hete, stoffige zomers; op de hoogvlakte zijn 's winters perioden van
enkele dagen met -10 °C niet ongewoon.
De neerslag is op sommige plaatsen zo gering dat van een steppeklimaat
moet worden gesproken. Het continentale karakter komt voorts tot uiting
in de jaarlijkse gang van de windrichting aan de oostkust met de koude
norte in de winter en de hete, droge en stoffige solano of leveche in de
zomer. De gehele oostkust heeft hete en zonrijke zomers met naar het
zuiden iets toenemende temperaturen (juli: Barcelona 23,3 °C; Cartagena
23,9 °C). De winters zijn aan de Middellandse-Zeekust zacht (10-12 °C)
en er is 's winters weinig regenval. De noordkust is 's zomers koeler
(18-22 °C) dan het binnenland; de winters zijn er zacht (7-10 °C). De
noordkust heeft een gematigd regenklimaat. De gemiddelde jaarsom van de
neerslag bedraagt te Santiago de Compostela in het noordwesten 1600 mm
tegen bijv. niet meer dan 540 mm te Barcelona en 420 mm te Madrid.
1.4 Plantengroei
De plantengroei is zeer rijk door de grote variatie in klimaat, hoogte
en bodemgesteldheid. Het aantal endemische soorten is groot als gevolg
van de geïsoleerde ligging; de Pyreneeën vormen een barrière voor
migratie van soorten. Over verreweg het grootste deel van het oppervlak
overheerst de mediterrane flora. De typische bosformatie met steeneik is
grotendeels vernietigd en veelal vervangen door maquis (zie macchia).
Deze bestaat uit heesters met o.a. Cistus, Spartium, Genista, heidebrem
en rozemarijn. Zomergroene loofbossen komen vooral in Noord-Spanje voor.
Karakteristiek is de donzige eik op plaatsen met een neerslag van ten
minste 800 mm per jaar, ook in de Pyreneeën, het bergland van Castilië
en de Sierra Nevada. Bossen met eik, beuk, berk, es en kastanje in
Noord-Spanje vertonen overeenkomst met Midden-Europese bossen. In de
naaldbossen van het hooggebergte komen lariks en arve voor. Grote delen
van de hoogvlakte bestaan uit steppeachtige vegetaties, in het
zuidoosten met Stipa tenacissima, elders met zoutminnende soorten van
melde en loogkruid op zoute bodem. In het Atlantische noordwestelijke
deel komen op de berghellingen uitgestrekte heidevelden voor met
struikheide, dopheidesoorten, zoals rode dopheide, en
gaspeldoornsoorten.
1.5 Dierenwereld
De
dierenwereld is Zuid-Europees-mediterraan van karakter met een aantal
Afrikaanse elementen (kameleon, genetkat, mangoeste e.a.), die
noordwaarts doordringen. Het voorkomen van een aap (de magot) op de rots
van Gibraltar is vermoedelijk secundair van aard (oorspronkelijk door de
mens ingevoerd?). Van de grote zoogdieren komen o.a. nog voor bruine
beer, wolf, lynx, wilde kat, wild zwijn, damhert, edelhert, ree, Spaanse
steenbok en gems, hoewel een aantal van deze (zeer) zeldzaam is
geworden; aan de bescherming van enkele van deze soorten wordt thans
echter veel aandacht geschonken. Aan de kust van de Middellandse Zee
komt nog zeer zeldzaam de monniksrob voor. De vogelwereld is rijk; de
ooievaar en een aantal soorten grote roofvogels zijn hier en daar nog
betrekkelijk algemeen. Een van de opvallendste vogelsoorten is de blauwe
ekster, die in Midden- en Zuid-Spanje voorkomt en (naast Portugal)
verder slechts in China wordt aangetroffen. Wat reptielen betreft
behoort Spanje tot de rijkste landen van Europa. Aan de kusten van de
Middellandse Zee wordt o.a. op tonijn gevist.
De natuurbescherming begint goed van de grond te komen; hierbij blijkt
een voordeel te zijn dat door de plaatselijke concentratie van de
bevolking grote gebieden nauwelijks bewoond zijn, waardoor de natuur
hier en daar nog weinig verstoord is. Van de nationale parken zijn te
noemen: Montaña de Covadonga in het Cantabrisch Gebergte met bruine
beer, wolf en gems; Valle de Ordesa in de Pyreneeën met bruine beer,
lynx, gems, steenbok, lammergier, steenarend, aasgier en vale gier; in
het zuiden het wereldberoemde nationale park Cota Doñana in de delta van
de Guadalquivir. Dit laatste is vooral bekend wegens de roofvogels
(grootste concentratie van soorten in Europa, o.a. drie soorten gieren,
keizerarend en slangenarend als broedvogels), maar ook om de kust-,
water- en moerasvogels, terwijl het eveneens van immens belang is voor
de vogeltrek. Aan zoogdieren huisvest de Cota Doñana o.a. lynx, wilde
kat, otter, mangoeste en genetkat en misschien soms nog zwervende
wolven. Dit reservaat behoort tot de belangrijkste in Europa; de
toekomst is ten dele wellicht niet zo zeker als wel gewenst zou zijn.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
samenstelling van de bevolking heeft een tamelijk heterogene
achtergrond. Vanaf de prehistorische tijd tot en met de Reconquista
(1492) hebben belangrijke bevolkingsverplaatsingen en -samensmeltingen
plaatsgevonden tussen veroveraars en overwonnenen (Liguriërs, Iberiërs,
Kelten, Feniciërs, Romeinen, Sueven, Vandalen, Alanen, Visigoten en
Berbers). Het mediterrane type is het meest voorkomende in Spanje, met
uitzondering van de Baskische provincies (zie Basken) en het oostelijk
deel van Asturië, waar het alpine type domineert. Rond de noordoostgrens
met Portugal komen kenmerken van een Noord-Europees type voor.
Het geboortecijfer bedroeg in 1993 10‰. De bevolkingsspreiding wordt
gekenmerkt door grote extremen in de dichtheid. Het dichtst bevolkt zijn
de kustprovincies; alleen Madrid, als duidelijk politiek centrum, toont
een grote bevolkingsconcentratie in het centrum van het land. De meeste
provincies in West-, Centraal- en Zuid-Spanje worden gekenmerkt door een
geringe bevolkingstoename, een lage bevolkingsconcentratie en een
ontvolking van het platteland. De provinciehoofdplaatsen groeien ten
koste van hun eigen plattelandsbevolking. De ontvolking van het
platteland heeft de nodige problemen geschapen wat betreft huisvesting
in de grote steden.
2.2 Taal
Het Castiliaans (zie Spaanse taal) is de officiële landstaal. In de
Baskische provincies is het Baskisch de tweede officiële taal. In
Catalonië is het Catalaans de eerste officiële taal.
2.3 Religie
De bevolking is voor ca. 85% rooms-katholiek. De Rooms-Katholieke Kerk
in Spanje heeft zich in de Burgeroorlog principieel achter de door
Franco geleide opstandelingen gesteld en verkreeg na het eind daarvan
een officiële status in het landsbestuur. Deze geprivilegieerde status
werd vastgelegd in het Concordaat dat in 1953 tussen de Spaanse regering
en het Vaticaan werd gesloten. Ten gevolge van het Tweede Vaticaans
Concilie werd in de Spaanse kerk het bewustzijn levend dat het samengaan
met de staatsmacht afbreuk doet aan de evangelische verkondiging. De
resoluties van het concilie hadden tot gevolg dat godsdienstvrijheid
door de regering werd aanvaard en wettelijk werd erkend in de 'Ley de
libertad religiosa' (28 juni 1967). Volgens art. 16 van de grondwet van
1978 heeft geen enkele godsdienst het karakter van een staatsgodsdienst.
In jan. 1979 werd het Concordaat opgeheven; er werden vier akkoorden
door Spanje en het Vaticaan ondertekend waarin de positie van de
Rooms-Katholieke Kerk in Spanje op vier terreinen (juridisch, cultureel,
economisch en militair) tot in detail is geregeld. Vóór en ondanks deze
ontwikkelingen heeft Opus Dei sinds haar oprichting in 1928 steeds
getracht het realiseren van geloofsidealen te doen samengaan met het
verwerven van (staatkundige) machtsposities.
De territoriale indeling van de Rooms-Katholieke Kerk omvat in totaal 63
aartsbisdommen en bisdommen die tezamen elf kerkprovincies vormen. De
aartsbisdommen Madrid-Alcalá en Barcelona hebben geen
suffragaanbisdommen en vallen rechtstreeks onder de H. Stoel. Primaat
van Spanje is de aartsbisschop van Toledo. Protestanten, moslims en
joden vormen zeer kleine minderheden (minder dan 1% van de bevolking).
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Sinds 22 nov. 1975 is Spanje weer een monarchie. De staatsinrichting is
gebaseerd op de grondwet die op 6 dec. 1978 bij referendum werd
goedgekeurd. De verschillende volken en regio's hebben zelfbestuur.
Het parlement, de Cortes Generales, bestaat uit twee kamers: het Congres
van Afgevaardigden en de Senaat, die door de koning bijeengeroepen en
ontbonden kunnen worden. Het Congres bestaat uit 350 leden, die voor
vier jaar worden gekozen. De provincies fungeren als kiesdistricten. In
de grondwet is bepaald dat de steden Ceuta en Melilla in Noord-Afrika
door een afgevaardigde vertegenwoordigd worden. Het kiessysteem is een
mengvorm van een districtenstelsel en van evenredige vertegenwoordiging.
Kiesrecht hebben alle Spanjaarden van achttien jaar en ouder. De Senaat
(302 leden) is een kamer van regionale afgevaardigden met een
zittingsduur van vier jaar. In het algemeen heeft iedere provincie het
recht vier senatoren te benoemen. Leden van de Cortes zijn onschendbaar
voor wat betreft hun uitspraken in het parlement.
De minister-president wordt gekozen door het Congres op basis van een
ontwerp-regeringsprogram. De koning benoemt en ontslaat de andere leden
van de regering op voorstel van de minister-president.
Spanje kent het referendum, met een consultatief karakter, dat wordt
uitgeschreven door de koning op voorstel van de minister-president, die
daarvoor de toestemming van het Congres van Afgevaardigden nodig heeft.
3.2 Administratieve indeling
De ontwikkeling van een sterk gecentraliseerde staatsvorm onder Franco
naar een gedecentraliseerde, semi-federatieve structuur na 1978 is
opmerkelijk. Spanje is thans administratief ingedeeld in 17 autonome
regio's (comunidades autónomas) met ieder hun eigen president,
parlement, uitvoerende macht en hooggerechtshof. Daarnaast bestaan er 52
provincies, inclusief de enclaves Ceuta en Melilla in Marokko, die
bestuurd worden door provinciale raden (diputaciones), terwijl de
gemeenten bestuurd worden door burgemeesters en raadsleden. De
raadsleden worden gekozen door de inwoners van de gemeenten, de
burgemeesters door de raadsleden.
De Baskische provincies en Catalonië waren de eerste regio's die, op 18
december 1979, een zekere mate van zelfbestuur kregen. Een Baskische
Nationale Raad, gekozen door de bevolking, heeft verstrekkende
verordenende bevoegdheden op het gebied van landbouw, industrie, handel
en stadsplanning. De Raad kiest een premier die een regering vormt,
welke o.a. zelf belastingen kan heffen. Er is een Baskische
politiemacht, maar daarnaast blijft de uit Madrid geleide politiemacht
functioneren.
Het autonomiestatuut voor Catalonië voorziet in een gekozen parlement,
dat uit zijn midden een president (premier) en een regering kiest.
Parlement, president en regering tezamen dragen de historische naam 'Generalitat'
(Generaliteit). Deze heeft verordenende bevoegdheden op het gebied van
onderwijs, ruimtelijke ordening, toerisme, energievoorziening, krediet-,
bank- en verzekeringswezen en de media. De Generaliteit kan zelf
belastingen heffen en er is een Catalaanse politiemacht.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Spanje is lid van de Verenigde Naties en van een aantal van zijn
suborganisaties. Daarnaast is het lid van de OESO, de Raad van Europa,
de NAVO, de EU en de WEU.
3.4 Politieke partijen en vakbonden
Er zijn vier belangrijke, landelijke politieke partijen. De Spaanse
Socialistische Arbeiderspartij (Partido Socialista Obrero Español, PSOE),
opgericht in 1879, in 1978 gefuseerd met de Socialistische Volkspartij,
was oorspronkelijk een marxistisch-proletarische klassepartij, maar is
sinds het partijcongres van 1979 een 'democratische federalistische
klasse- en massapartij'. In de praktijk betekent dit dat de partij is
opgeschoven naar het politieke midden, en haar aanhang vindt onder de
geschoolde arbeiders, de middenklasse en intellectuelen. Nadat de PSOE
de absolute meerderheid in het parlement verkreeg, eind 1982, en tot
1996 de regering heeft gevormd, is de partij en haar programma in
toenemende mate ondergeschikt gemaakt aan het pragmatische
regeringsbeleid. Technocraten binnen de PSOE hebben de partij-ideologen
op de achtergrond geplaatst. In economisch opzicht is de partij
voorstander van het vrije-marktprincipe, maar wel wordt de overheid een
regulerende taak toebedeeld. Voorts wordt het lidmaatschap van de EG
gezien als het vehikel van sociale en economische modernisering.
De Volkspartij (Partido Popular, PP), opgericht in 1976 als
Volksalliantie (Alianza Popular), was oorspronkelijk een toevluchtsoord
van leidinggevende figuren uit de Franco-tijd. Sinds de oprichter en
leider Manuel Fraga (oud-minister onder Franco) is teruggetreden,
probeert de partij zich een meer liberaal imago aan te meten. Zij is
o.a. voorstander van privatisering van staatsbedrijven, verkleining van
het ambtenarenapparaat, belastingverlaging en meer politie. Sinds 1996
levert de partij de premier.
Verenigd Links (Izquierda Unida, IU) is een in 1986 ontstane
verkiezingscoalitie, oorspronkelijk als samenwerkingsverband van een
aantal linkse partijen en groeperingen waarvan de Spaanse Communistische
Partij (Partido Communista Español, PCE; opgericht 1922) de
belangrijkste was. IU wil betere uitkeringen, verhoging van de
vermogensbelasting, verkorting van de arbeidstijd, verhoging van het
minimumloon en uittreding van Spanje uit de NATO. Tot de vorming van één
progressieve volkspartij is het echter nog niet gekomen, mede omdat de
PCE het 'revolutionair marxisme' als basisprincipe niet wilde opgeven.
Naast deze landelijke partijen is er een aantal regionale partijen,
waarvan er enkele door hun aanhang ook landelijke betekenis hebben. De
voornaamste daarvan zijn: de Baskische Nationalistische Partij (Partido
Nacionalista Vasco), de oudste Baskische partij, richt zich naar de
katholieke geloofsleer en streeft naar een zo groot mogelijke
zelfstandigheid voor de Baskische provincies; de Convergentie en Unie (Convergència
i Unió), opgericht in 1979, is de centrum-rechtse coalitie van kleinere
Catalaanse nationalistische partijen; Herri Batasuna, opgericht in 1978,
is de politieke arm van de Baskische afscheidingsorganisatie ETA, en
streeft naar de vestiging van een onafhankelijke socialistische
Baskische staat; de Andalusische Nationalistische Partij (Partido
Andalucista), opgericht in 1973 als Andalusische Socialistische
Alliantie, profileert zichzelf als een radicaal socialistische en
regionalistische partij.
De vakbondsvrijheid wordt in de grondwet gegarandeerd. De belangrijkste
vakbonden zijn: de socialistische Unión General de Trabajadores de
España (UGT) en de communistische Confederación Sindical de Comisiones
Obreras (CCOO). Door de verrechtsing van de socialistische partij PSOE
als regeringspartij en de dramatische neergang van de Spaanse
communistische partij PCE in de jaren tachtig zijn de traditioneel nauwe
banden met respectievelijk de UGT en de CCOO formeel verbroken.
4. Economie
4.1 Algemeen
In vergelijking met de andere Europese landen is Spanje lang een
agrarisch land geweest. Eind jaren vijftig werd begonnen aan de opbouw
van een industrie, die al spoedig de belangrijkste economische sector
werd. Ook op internationaal vlak is de Spaanse industrie een belangrijke
plaats gaan innemen en werd het land de vijfde industriële natie van
Europa. De staal-, de auto- en de chemische industrie in het bijzonder
maakten een grote groei door.
Na het midden van de jaren zeventig namen de Spaanse scheepswerven de
derde plaats in de wereldproductie in. Deze ontwikkeling was enerzijds
gebaseerd op de grote beschikbaarheid van arbeidskrachten en anderzijds
op een belangrijke binnenlandse besparing, waarbij zich de overmakingen
van geëmigreerde werknemers en de inkomsten uit het toerisme voegden.
Als gevolg van deze ontwikkelingen maakte het land een zeer snelle
economische groei door, die verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de
Spaanse samenleving. Zo is de structuur van de beroepsbevolking
ingrijpend gewijzigd. In 1950 werkte de helft van de beroepsbevolking in
de landbouw; in 1993 was dit nog slechts 10%, terwijl toen 31% in de
industrie werkzaam was. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg
tussen 1960 en 1990 van $ 500 tot $ 13.280.
De late industriële ontwikkeling was een van de oorzaken van het snel
teruglopen van de economische groei in de jaren zeventig. Onder andere
door het ontbreken van technisch goed geschoold personeel had de
industrie zich toegelegd op de fabricage van goedkope
consumptie-artikelen (o.a. textiel en schoenen) die goedkoper door
Afrikaanse en Aziatische landen kunnen worden vervaardigd, waardoor de
uitvoer snel terugliep. Ook de ijzer-, staal- en scheepsbouwsectoren
ondervonden afzetmoeilijkheden. Als gevolg van de teruggang van de
economie gaf de werkloosheid een sterke stijging te zien, mede door de
terugkeer van duizenden werknemers uit de West-Europese landen.
Aanvankelijk werd de Spaanse overheid geconfronteerd met het samenvallen
van de democratisering en de economische crisis. In de jaren tachtig
speelde de toetreding tot de EG een belangrijke rol in de bepaling van
het overheidsbeleid. De interne noodzaak van sociale en politieke
stabiliteit na 1975 maakte in de jaren tachtig plaats voor de externe
noodzaak de Spaanse economie aan te passen aan het volledige
lidmaatschap van de EG en de totstandkoming van de interne markt eind
1992. Een expansieve begrotingspolitiek (ter verbetering van de
infrastructuur en verdere ontwikkeling van het sociale
zekerheidsstelsel) werd vanaf 1982 gecombineerd met een restrictieve
monetaire politiek, ter beteugeling van de inflatie, en een
industriebeleid gericht op sanering van de bedrijven in de publieke
sector. Sedert begin jaren negentig voert de overheid een beleid om de
talrijke staatsbedrijven te privatiseren.
4.2 Akkerbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Het aandeel van de landbouw aan het Bruto Nationaal Product (bnp) is,
ondanks hogere oogstopbrengsten als gevolg van rationalisering en
mechanisatie, sedert 1950 geleidelijk teruggelopen en bedroeg in 1994
4%. Ongeveer driekwart van de landbouwbedrijven is kleiner dan 10 ha. In
Midden- en Zuid-Spanje komt nog veel grootgrondbezit voor, waar
duizenden dagloners onregelmatig werk hebben. In Noord-Spanje, m.n. in
de kuststreken, komen op Noord-Europese leest geschoeide agrarische
bedrijven voor. Steeds meer grond wordt geïrrigeerd, wat tevens betekent
dat oude cultures als kurkeiken, olijf- en amandelbomen teruggedrongen
worden.
In de noordelijke kuststreken worden aardappelen verbouwd; rogge en
gerst in de noordelijke provincies en in Castilië. Verbouw van tarwe
komt in het gehele land voor. Van betekenis, m.n. voor de uitvoer, is de
wijnbouw. Spanje is na Frankrijk en Italië de derde wijnproducent van
Europa (zie voorts Spaanse wijnen). Spanje is sedert 1950, ook op
Europees niveau, een belangrijke producent van suikerbieten, suikerriet,
vlas, maïs, katoen en tabak. Het bekendste Spaanse tuinbouwproduct is de
citrusvrucht, waarvan het de eerste producent in Europa is. De verbouw
vindt plaats aan de Middellandse-Zeekust, Andalusië en de streek om
Valencia. Een van de voornaamste bosbouwproducten is kurk, afkomstig van
de kurkeiken uit de uitgestrekte eikenbossen in Estremadura.
De veehouderij is sedert 1950, mede door de grotere vraag naar vlees als
gevolg van de gestegen welvaart, steeds belangrijker geworden en vormt
40% van de totale landbouwproductie. In het regenrijke Galicië wordt m.n.
rundveehouderij bedreven. In de omgeving van Madrid, Sevilla, Córdoba en
Salamanca worden stieren voor de stierengevechten gefokt. Vis is in
Spanje van oudsher een belangrijk onderdeel van het menu en de visserij
wordt zowel op de Atlantische Oceaan als op de Middellandse Zee
bedreven. In Galicië vormt zij een belangrijke bron van inkomsten.
Gevangen worden: tonijn, kabeljauw en sardines.
4.3 Industrie
De industrie draagt voor ca. 31% bij aan het bnp. De belangrijkste
industriegebieden zijn de provincies Barcelona, Madrid, Valencia,
Vizcaya, Asturië, Alicante en Zaragoza. Traditionele sectoren zoals de
textielindustrie rond Barcelona en de zware industrie in de Baskische
provincies hebben de laatste vijftien jaar aan belang ingeboet ten
gunste van sectoren als transportmiddelen, aardolieraffinage en chemie,
en elektrische machines. Ten aanzien van technologisch hoogwaardige
industriële productie heeft de Spaanse economie een aanzienlijke
achterstand ten opzichte van de landen in het noordwesten van Europa.
Via het Instituto Nacional de Industria (INI) heeft de overheid een
belangrijk aandeel in de industrie. In de tweede helft van de jaren
tachtig heeft deze staatsholding na jarenlange verliezen een positief
resultaat geboekt, vooral als resultaat van een effectieve
herstructurering door de Spaanse regering. Via het Instituto Nacional de
Hidrocarburos zijn alle participaties van de overheid in de
aardoliesector gebundeld.
4.4 Mijnbouw en energie
Spanje is betrekkelijk rijk aan delfstoffen. In Asturië wordt op grote
schaal steenkool gewonnen, in Catalonië bruinkool. IJzererts wordt bij
León, Granada en Bilbao gedolven. Zinkerts komt voor in de Sierra Morena
en bij Linares lood. Andere voorkomende delfstoffen zijn: uranium,
mercuur, wolfraam en potas. Aan de monding van de Ebro wordt aardolie
gewonnen.
De voornaamste elektrische energiebronnen zijn de hydro- en thermische
elektriciteit. Daarnaast wordt kernenergie gebruikt. Er staan
kerncentrales in o.a. Zorita, Burgos, Cáceres, Almaraz en Tarragona. Het
aandeel van kernenergie in de totale elektriciteitsvoorziening bedroeg
in 1993 al 36%. De gasbehoefte wordt gedeeltelijk gedekt door de aanvoer
van vloeibaar aardgas uit Algerije.
4.5 Handel
Belangrijkste uitvoergoederen zijn landbouwproducten (wijn en
zuidvruchten), industrieproducten als auto's en machines, ertsen en
textiel. De belangrijkste handelspartners zijn: de Verenigde Staten,
Frankrijk, Portugal, Duitsland, Groot-Brittannië en Italië. Ingevoerd
worden aardolie en aardolieproducten, voedingsmiddelen, machinerieën,
chemische producten en transportmiddelen. Voornaamste leveranciers zijn
de EG-landen (vnl. Duitsland en Frankrijk).
4.6 Toerisme
De toeristenindustrie is een belangrijke pijler van de economie: zij is
een grote deviezenbron en geeft veel werkgelegenheid. Door het
bevorderen van de overwinteringsmogelijkheden heeft men geprobeerd de
seizoengevoeligheid van het toerisme te beperken. In 1995 bezochten 63
miljoen gasten het land.
4.7 Bankwezen
Centrale bank is de Banco de España. Daarnaast is er een groot aantal
handelsbanken. De zeven grootste banken ('los siete grandes') hebben een
zeer grote invloed op de economie, niet in de laatste plaats vanwege hun
deelnames in de belangrijkste industriële ondernemingen. Onder invloed
van de toetreding tot de EG vindt een sterke concentratie van het
bankwezen plaats.
4.8 Verkeer
Het spoorwegnet wordt geëxploiteerd door de staatsondernemingen RENFE en
beslaat in totaal 13!000 km. Het wegennet heeft een lengte van meer dan
337!139 km. De belangrijkste havens zijn Barcelona, Valencia, Bilbao,
Gijón, Tenerife en Las Palmas. Er zijn dertig internationale
luchthavens, o.a. in Madrid, Barcelona, Palma de Mallorca, Las Palmas,
Malaga, Tenerife en Ibiza. De nationale luchtvaartmaatschappij is Iberia.
5. Geschiedenis
5.1 De oudheid
Spanje is rijk aan vindplaatsen uit het midden- en laat-paleolithicum (bijv.
Neanderthaler-schedel gevonden in Gibraltar, grotschilderingen te
Altamira). Tijdens de overgang van laat-paleolithicum naar mesolithicum
ontwikkelde zich langs de oostkust van Spanje een geheel eigen vorm van
grotschilderkunst, bestaande uit levendig weergegeven jachttaferelen (Cueva
Remigia, Velez Blanco, Almeria). Uit het begin van het neolithicum komen
aan de oostkust van Spanje talrijke vindplaatsen van zgn. Impreso-waar
voor. Dit met eenvoudige indruksels versierde aardewerk wordt tevens
langs vrijwel de gehele Middellandse-Zeekust gevonden.
Andalusië en Murcia zijn aan het begin van het 3de millennium v.C. het
voornaamste verspreidingsgebied van de Almeriacultuur, gekenmerkt door
gemeenschappelijke megalithische graven en de vervaardiging van vlakke,
aan het oostmediterrane cultuurgebied herinnerende idolen
(cultusbeeldjes). Tijdens de Los Millares-cultuur (ca. 3000 v.C.) werd
het gebruik en de bewerking van koper geïntroduceerd. Men woonde in
kleine, ommuurde en zelfstandige nederzettingen, die een geregeld
contact onderhielden met gemeenschappen in Noordwest-Afrika, Italië en
Zuid-Frankrijk.
Omstreeks het begin van de zestiende eeuw v.C. stond het zuidoosten van
Spanje onder invloed van een cultuurgroep die El Argar genoemd wordt.
Dit volk woonde in ommuurde nederzettingen op berghellingen en kleine
plateaus en fabriceerde prestigieuze wapens en sieraden van koper en
zilver. In graven gevonden voorwerpen uit Egypte wijzen op
langeafstandscontacten, vermoedelijk in verband te brengen met de
(ruil)handel in koper en tin. Aan het begin van de late bronstijd (ca.
1200 v.C.) brak de El Argar-cultuur abrupt af en ging de
gespecialiseerde kennis van de metaalbewerking grotendeels verloren.
Omstreeks 1000 v.C. ontstonden de eerste Fenicische
handelsnederzettingen langs de zuidkust (Cádiz), een paar eeuwen later
gevolgd door Griekse kolonies langs de oostkust. Het noorden en westen
van het Iberisch Schiereiland stonden toen onder invloed van de
Keltische cultuur. Uit een vermenging van deze drie culturele invloeden
zijn eigen Iberische cultuurvormen ontstaan (zie ook Iberiërs), waarin
evenwel de oorspronkelijke mediterrane karaktertrekken behouden bleven
(La Dame d'Elche).
Sinds de 7de eeuw v.C. dreven de Grieken en de Feniciërs handel met de
Keltiberische stadstaat Tartessus. De Carthaagse Feniciërs sloten
omstreeks die tijd de Straat van Gibraltar voor Griekse zeevaarders.
Kort daarna moet Tartessus te gronde zijn gegaan. Gades (Cádiz) werd ca.
1100 v.C. door de Fenicische bewoners van Tyrus gesticht, die tegen het
einde van de 5de eeuw v.C. Spanje gedeeltelijk hebben veroverd. Zij
noemden de zuidkust I-sjephan-im, d.i. konijnenkust; uit deze naam
ontstond Hispania; Sp.: España.
Carthago breidde zijn macht over het grootste deel van Spanje uit (Hannibal
vertrok vanuit Sagunto voor zijn tocht over de Alpen), maar verloor deze
veroveringen in de Punische Oorlogen. De fanatieke Iberische tegenstand
tegen de daarop volgende Romeinse overheersing is spreekwoordelijk
geworden, o.a. door het beleg van Numantia (133 v.C.). In de tijd van de
burgeroorlogen handhaafde Sertorius zich bijna tien jaar tegen de
Romeinen. Caesar was er in 61 praetor en onderwierp grote gebieden. Ten
tijde van Augustus werd het Iberisch Schiereiland in drie provincies
verdeeld: Tarraconensis, Baetica en Lusitania, en weldra werden dit
welvarende gebieden (door de mijnbouw). De romanisering was er zeer
intensief door de vele kolonies van veteranen die er gesticht werden.
Vele grote schrijvers uit de periode na Augustus stammen uit Spanje,
bijv. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus. De keizers Trajanus en
Hadrianus werden hier geboren. In de 3de eeuw n.C. gingen welvaart en
cultuur sterk achteruit, wat men deels wijt aan de confiscaties onder
Septimius Severus en de invallen van barbaren.
5.2 Het Visigotische Rijk (415-711)
Aan het begin van de 5de eeuw, toen het Romeinse Rijk verzwakt was,
drongen Germaanse veroveraars (Alanen, Vandalen en Sueven) Spanje binnen
en vestigden zich in Lusitanië, Andalusië (d.i. het land van de
Vandalen) en Galicië. In 415 trok de Visigotische koning Athaulf de
Pyreneeën over en veroverde het latere Catalonië. Hij werd gevolgd door
andere Gotische veroveraars, die in de volgende halve eeuw het gehele
schiereiland overmeesterden. Alleen de Sueven bleven onafhankelijk.
De Romeinse grootgrondbezitters werd een aanzienlijk deel van hun bezit
ontnomen, maar overigens bleef veel bij het oude: in de steden behield
men de Romeinse organisatie en de kerk behield haar bisschoppen, die de
katholieke cultus handhaafden, terwijl de Gotische veroveraars de
ariaanse leer huldigden. Door de nederlaag van Alarik II bij Vouillé
(507) kreeg het Visigotische Rijk als noordgrens de Pyreneeën. Zijn
opvolgers onderwierpen de Sueven en verdreven de Byzantijnen die sinds
de ondergang van het Vandalenrijk de macht in het zuidoosten hadden
bezeten. Reccared I van de Visigoten (586-601) ging tot het katholicisme
over, wat de laatste scheiding tussen indringers en bewoners wegnam. De
bisschoppen met hun jaarlijkse concilies, die als Rijksvergaderingen
wetgevende macht bezaten, waren machtig en onverdraagzaam.
Geestelijkheid en edelen buitten de boeren uit.
5.3 Het Moorse Spanje, de Reconquista en de katholieke koningen
(711-1504)
Door onderlinge conflicten bij de Visigoten werd in 711 de Moorse
veldheer Tarik te hulp geroepen. De Moren maakten zich binnen tien jaar
meester van het gehele schiereiland, met uitzondering van Asturië. Hun
heerschappij bracht verbetering voor de toestand van de lagere
volksgroepen. Onder de Omajjaden (756-1031) die met Abd al-Rahman I aan
de macht kwamen, ontwikkelde zich een grootse Moors-Spaanse beschaving
met Córdoba als centrum. Islamieten, christenen en joden leefden in
verdraagzaamheid samen. Het land kwam tot grote welvaart; literatuur,
kunsten en wetenschappen, nijverheid (vooral ambachtelijk) en handel
bloeiden. Het behoud van de Griekse filosofie en de klassieken van de
oudheid is deels aan deze cultuur te danken. Onder Abd al-Hahman III
(912-961), die in 929 de titel van kalief aannam en diens zoon, de
dichter en geleerde Hakam II (961-976), bereikte het Moorse Spanje, dat
20 miljoen inw. had, zijn grootste luister. Het was vooral een
stedelijke beschaving: Córdoba bijv. telde 1 miljoen inw.
Vanuit het noorden werd het Moorse rijk bedreigd door kleine
christelijke staatjes die zich hadden kunnen handhaven of opnieuw
gevormd waren en een agrarisch-militair karakter hadden: Navarra, Aragón
(met Catalonië) en León, later Castilië. Tussen deze staatjes en het
Moorse gebied lag een dunbevolkt niemandsland. Al-Mansoer, veldheer van
Hasjim II (976-1013), had de christenen nog ver kunnen terugdringen,
verwoestte Santiago en veroverde Fès in Marokko. Na de dood van
Al-Mansoer in 1002 keerde het tij. Het rijk der Omajjaden viel uiteen in
'taifas' (vorstendommen).
De Reconquista (herovering) van het Moorse door het christelijke Spanje
had aanvankelijk meer een politiek dan een religieus karakter. In 1085
veroverde Alfons VI van Castilië de cruciale stad Toledo. Een jaar later
werd hij verslagen door de Almoraviden onder Ali ibn Joesoef, die vanuit
Noord-Afrika de Moren te hulp snelden. De Almoraviden vestigden hun
eigen heerschappij in Spanje en herstelden de eenheid. De Almohaden,
eveneens Berbers uit Afrika, volgden ca. 1150 de Almoraviden op en
wisten als laatsten de christenen terug te dringen. De Slag bij Navas de
Tolosa in 1212 betekende echter de beslissende ommekeer.
Zuid-Spanje werd door Castilië, dat in 1230 met León verenigd was,
veroverd, met uitzondering van het Moorse koninkrijk Granada. Jerez de
la Frontera werd in 1250 veroverd. Hoewel Castilië een traditie had van
strijdend ridderschap (hidalgo's) en religieus-militaire orden, bleef de
Moorse cultuur nog lang doorwerken. Moren en joden behielden hun rechten
en vrijheden en de christelijke beschaving kwam tot grote bloei.
Door het huwelijk in 1469 van de 'katholieke koningen', Ferdinand van
Aragón (1479-1516) en Isabella van Castilië (1474-1504), werd Spanje
verenigd, wat vooral in hun gemeenschappelijke politieke doelstellingen
tot uiting kwam (beide landen behielden hun eigen politieke structuur).
Koningschap en Kerk hadden sedert die tijd een nauw politiek verbond tot
onderdrukking van alle afwijkingen op kerkelijk en politiek gebied.
De Hermandad en de Inquisitie, die ook als staatkundige instelling
diende, werden versterkt. Navarra en Napels kwamen aan Castilië. In 1492
werd Granada veroverd en werden naar schatting tussen 120!000-150!000
joden, die zich weigerden tot het christendom te bekeren, uit Spanje
verdreven. In hetzelfde jaar ontdekte
Columbus, in dienst van Spanje, Amerika. Ondanks de toenemende
religieuze intolerantie beleefde de Spaanse cultuur tot diep in de 17de
eeuw een grote bloei.
5.4 Onder de Habsburgers (1504-1700)
De erfenis van de 'katholieke koningen' viel na hun dood toe aan Karel I
van Habsburg, met voorbijgaan van zijn moeder Johanna de Waanzinnige.
Van zijn vaders kant had hij de Bourgondische landen geërfd en in 1519
werd hij, als
Karel V, keizer van het Duitse rijk. Spanje werd het centrum van het
eerste wereldrijk (incl. een deel van Amerika) 'waarin de zon niet
onderging' en raakte betrokken in een strijd om de hegemonie in Europa,
met name met Frankrijk, die twee eeuwen zou duren. Voorts werd het land
betrokken in de godsdienstoorlogen die volgden op de Reformatie. Spanje
zelf werd niet sterk beroerd door de hervorming, maar ontwikkelde zich
wel tot de grote politieke en geestelijke (jezuïetenorde) kampioen van
de Contrareformatie in Europa. Door zijn Italiaanse bezittingen
beheerste Spanje de Middellandse Zee en verdedigde deze tegen de Turken.
Tegen de niet-Spaanse politiek en adviseurs en tegen de toenemende
centrale macht rees verzet onder de adel en de steden. De opstand der
Comuneros (1520-1521) werd onderdrukt.
In Amerika werd een immens koloniaal rijk opgebouwd. De handel hiermee
werd gemonopoliseerd (in Sevilla), de goud- en zilverstroom vloeide
eveneens rechtstreeks in de staatskas, waardoor Spanje achterbleef in de
ontwikkeling van een vrije handel en industrie, waardoor het ontstaan
van een moderne bourgeoisie afgeremd werd.
Het langzame verval van Spanje als politieke macht begon tijdens de
regering van Filips II (1556-1598). Wel veroverde deze Portugal (1580),
waarop hij door zijn moeder aanspraak kon maken, maar het verloop van de
strijd in de Nederlanden verzwakte zijn prestige. In de oorlogen tegen
de opstandige Nederlandse gewesten, de Turken en tegen Engeland liet
Filips zich hoofdzakelijk door zijn geloofsijver leiden (Slag bij
Lepanto, 1571; Armada, 1588). In Spanje zelf werd elke ketterij
uitgeroeid, elke vorm van tolerantie verdacht. Verbeten werd elk
overblijfsel van de islam tegengegaan; ook de Marranen ( 'bekeerde'
joden) en de Morisco's ( 'christelijke' moslims) werd het leven
onmogelijk gemaakt. De vele oorlogen brachten Spanje aan de rand van de
financiële afgrond, ondanks de rijkdommen uit Amerika en inkomsten uit
de zware belastingen.
In 1609, tijdens de regering van Filips III (1598-1621) werden, op
aandrang van de geestelijken, alle zich nog in Spanje bevindende
Morisco's, naar schatting 800.000 mensen, uit het land verdreven, wat
aan de landbouw, de nijverheid en de welvaart nieuwe schade toebracht.
Onder Filips IV (1621-1665) - wiens gunsteling, de hertog van Olivarez,
jarenlang de feitelijke regeerder was - verslechterde de situatie van
het land verder, evenals tijdens Karel II (1655-1700). Oorlogen in
Duitsland, Italië, de Nederlanden en tegen Frankrijk teerden Spanje
verder uit en leidden tot zware uitbuiting in eigen land. Opstanden
waren het antwoord; in Catalonië (1640-1652), Andalusië en (in Italië)
Napels, dat sinds 1504 Spaans bezit was. Portugal maakte zich in 1640
los van de Spaanse kroon. De onafhankelijkheid van de Noordelijke
Nederlanden werd definitief erkend (1648) en bij de Vrede van de
Pyreneeën moest Roussillon aan Frankrijk worden afgestaan; later werden
de Franche-Comté en een deel van de Zuidelijke Nederlanden afgestaan.
Hof, kerk en adel heersten over een verarmd en onderworpen volk. Spanje
had afgedaan als grootmacht.
5.5 Onder de Bourbons (1700-1868)
Na de dood van Karel II werd Filips V van Bourbon koning; zijn rechten
op de troon werden na de Spaanse Successieoorlog algemeen erkend. Spanje
verloor echter de Zuidelijke Nederlanden, de Italiaanse bezittingen en
Gibraltar. Door Filips' echtgenote, Elisabeth van Parma, verkreeg het
weer aanspraken op Parma en Napels-Sicilië. Mét de Bourbons kwam het
Franse absolutisme en centralisme naar Spanje. Een Catalaanse opstand
(1702-1714) werd onderdrukt en in 1713 resp. 1714 werden de Cortes
(parlement) van Castilië en Aragón voor het laatst bijeengeroepen;
alleen de Basken en Navarra behielden nog enkele vrijheden. Onder Karel
III (1759-1788) werd, onder invloed van de ideeën van het verlichte
despotisme, de centrale macht ten voordele van het volk aangewend. De
welvaart herleefde enigszins, corruptie en nepotisme verminderden, de
jezuïeten werden verbannen. Spanje bleef verbonden met de Franse
Bourbons (Familieverdrag van 1761) en voerde oorlogen met Engeland (o.m.
de Zevenjarige Oorlog en de Amerikaanse Vrijheidsoorlog), waardoor
verbeteringen en hervormingen teloor gingen. Onder Karel IV (1788-1808)
en diens minister Godoy keerden de oude misstanden volledig terug.
Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich eerst aan de zijde van
Oostenrijk en Engeland (1793-1795), maar verbond zich in 1796 met het
Franse Directoire en kwam in oorlog met Engeland, die slechts door de
Vrede van Amiens kortstondig onderbroken werd (1802-1803). De Britten
vernietigden de Spaanse vloten bij Finistere en Trafalgar in 1805. In
mei 1808, nadat Franse troepen het land waren binnengetrokken, deden de
koning en zijn zoon, onder druk van Napoleon afstand van de troon (
'Komedie van Bayonne'). In Madrid ontstond een volksopstand die door
Murat bloedig werd onderdrukt; Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot
koning van Spanje benoemd. Hierop brak een algemene opstand uit, waarin
nationale trots, vreemdelingenhaat, vrijheidszin en religieus-feodaal
fanatisme samengingen. Zo werd van 1808 tot 1813 een uiterst wrede en
grillig verlopende oorlog uitgevochten waarvan Goya in zijn Desastres de
la guerra getuigt. De Spaanse guerrilla (het woord ontstond toen), die
de bezetters grote verliezen toebracht, werd gesteund door een Brits
expeditieleger onder Wellington, opererend vanuit Portugal. Op vele
plaatsen waren junta's (zie junta) ontstaan, in Sevilla een centrale
junta. Deze werd opgevolgd door de 'Cortes' die heel Spanje
vertegenwoordigde en in 1812 in Cádiz een grondwet uitvaardigde naar het
model van de Franse constitutie van 1791. Wellington had de Fransen in
1809 een zware nederlaag bezorgd bij Talavera maar moest zich daarna op
Portugal terugtrekken. In mei 1813 verliet Jozef Madrid en op 21 juni
behaalde Wellington een laatste beslissende overwinning bij Vitoria. De
Cortes trok in januari 1814 triomferend Madrid binnen en plaatste
Ferdinand VIII op de troon nadat hij de grondwet erkend had. De koning
verbrak zijn belofte snel en heerste als absoluut monarch. In
Spaans-Amerika ontstonden onafhankelijkheidsbewegingen waar het
moederland machteloos tegenover stond. Van het grote koloniale rijk
bleven uiteindelijk alleen Cuba, Puerto Rico en de Filippijnen behouden.
Het absolutisme van Ferdinand leidde tot een 'pronunciamiento'
(staatsgreep van het leger) van generaal Riego in 1820, waarna de
constitutie van 1812 weer van kracht werd. De Heilige Alliantie stuurde
vervolgens een Frans leger van 100.000 'zonen van Sint Lodewijk'
(1822-1823) naar Spanje dat het absolutisme herstelde. Een harde
repressie volgde, maar de idealen van de liberalen (het woord ontstond
in Riego's tijd) werden levend gehouden. De gehele 19de eeuw zouden
enerzijds reactionaire en klerikale, anderzijds liberale krachten het
politieke spanningsveld bepalen. Tussen beide in stonden de 'moderados'
(gematigden) die als gevolg van de tegenstellingen het politieke toneel
veelal wisten te beheersen. Gedurende deze periode speelden zich een
groot aantal 'pronunciamiento's', opstanden en burgeroorlogen af.
Ferdinand had kort voor zijn dood in 1833 de erfopvolging veranderd,
waardoor zijn dochtertje Isabella (II) onder voogdij van haar moeder
Maria Christina de troon kon bestijgen. Don Carlos, Ferdinands
reactionaire broer, begon de Eerste Carlistenoorlog die tot 1839 in
Noord-Spanje woedde. Als reactie hierop vormde Maria Christina een links
tegenwicht tegen de Carlisten, die o.a. de steun van het Vaticaan
genoten. In 1836 werd het kerkelijk grootgrondbezit verkocht door
Mendizabel. De 'moderados' en het hof ontwikkelden zich na de
Carlistenoorlog in rechtse en klerikale richting, wat slechts
onderbroken werd tijdens een liberaal tussenspel van 1854 tot 1856, na
een geslaagde 'pronunciamiento' van O'Donnell.
De ontwikkeling van mijnbouw en industrie verliep langzaam en - evenals
de spoorwegen - dikwijls dankzij buitenlands kapitaal.
5.6 Revolutie en restauratie (1868-1923)
In 1868 werd Isabella, die zich ook moreel gecompromitteerd had,
verdreven. Generaal Prim was korte tijd de sterke man. De Cortes stelde
een vrijzinnige grondwet op en koos Amadeus van Aosta, uit het
Italiaanse koningshuis, tot koning (1870). Deze, geplaagd door
partijtwisten (Prim was vermoord), trad in 1873 af, waarna de republiek
werd uitgeroepen. De Eerste Republiek (11 febr. 1873-29 dec. 1874) kreeg
een federale grondwet en een democratische structuur. Zij werd echter
geconfronteerd met een Tweede Carlistenoorlog en een kantonnale opstand
met Cartagena als centrum. De arbeidersbeweging, die al vanaf de jaren
veertig met stakingen van zich had doen spreken, kreeg aansluiting bij
de Eerste Internationale. Vooral de anarchistische stroming zou in
Spanje grote invloed krijgen. Bolwerken werden het agrarische Andalusië,
met zijn grootgrondbezit en het industriële Catalonië.
Een 'pronunciamiento' van generaal Martínez Campos maakte een einde aan
de republiek. De zoon van Isabella, Alfonso XII (1874-1885), werd tot
koning uitgeroepen. De periode 1874-1923 staat als de 'restauratie'
bekend en wordt gekenmerkt door een betrekkelijk liberale grondwet
(1876) van Antonio Cánovas del Castillo en door diens politiek van een
wisselend evenwicht, de zgn. turno pacífico, dwz. een 'vreedzaam
beurtelings regeren'. Reactionaire en liberale regeringen wisselden
elkaar af, maar in feite ging het om een machtsstrijd tussen elites en
politieke clubs, waarbij Cánovas en de politiek van de 'moderados' het
regeringsbeleid grotendeels bepaalden. Het systeem van caciquismo,
waarbij plaatselijke en regionale politieke en sociaal-economische
machthebbers het in hun gebied voor het zeggen hadden en met elkaar
verbonden waren tot op nationaal niveau, sloot elke werkelijke
volksinvloed uit. De kerk verrijkte zich en vergrootte haar politieke
macht, maar verloor invloed onder het volk.
De moord op Cánovas in 1897 en meer nog de nederlaag in de
Spaans-Amerikaanse Oorlog, waarbij Spanje zijn laatste koloniën in
Amerika en Azië verloor leidden tot een situatie van permanente crisis.
De 'Generatie van 98' streefde naar een politiek en cultureel reveil,
naar een modern Spanje. Nationale bewegingen in Catalonië en het
Baskenland, aanvankelijk cultureel, kregen een politieke dimensie. Met
de opkomende industrie in deze gebieden werd de arbeidersbeweging
sterker en ontwikkelde zich in revolutionaire richting. Liberale
kabinetten brachten democratische maatregelen (Spanje had al in 1890
algemeen stemrecht), zoals het burgerlijk huwelijk, de vrijheid van
vakbeweging en een bescheiden sociale wetgeving. In de praktijk bleven
het veelal papieren maatregelen. Spanningen en polarisatie bedreigden
het Cánovas-systeem. Internationale aandacht en protesten kregen
martelingen van gevangenen in 1896 (Montjuich bij Barcelona) en de
terechtstelling in 1909 van Francisco Ferrer Guardia, na een - vooral
antiklerikale - volksuitbarsting in Barcelona die door het leger werd
onderdrukt; Ferrer, voorman van de rationele 'moderne school' was bij de
geestelijkheid zeer gehaat. Elke verandering werd van deze zijde als een
aantasting van Spaanse en katholieke waarden gezien en men bepleitte
vaak despotische maatregelen. Andalusië en Catalonië waren verscheidene
malen het toneel van heftige en soms bloedige sociale conflicten. Naast
de socialistische vakbeweging (Unión General de Trabajadores, UGT)
ontstond een revolutionaire vakorganisatie met een
anarcho-syndicalistisch karakter (Confereración Nacional del Trabajo,
CNT, 1911).
Spanje bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Rechts, in het
bijzonder de kerk, was fel anti-Frans; links sympathiseerde met de
geallieerden. Het land profiteerde van oorlogsleveranties, maar zeer
ongelijkmatig. De sociaal-revolutionaire vloedgolf na de wereldoorlog
bereikte ook Spanje. In 1919 werd een algemene staking met geweld
onderdrukt en socialistische voormannen verdwenen in de gevangenis. In
Barcelona werden in de jaren daarna bekende leden van de CNT door
agenten van de politie en van de ondernemers gedood, wat tot
represailles van anarchistische kant leidde. Republikeinse en
afscheidingsbewegingen wonnen veld, bij de verkiezingen in 1923 wonnen
de socialisten terrein. In hetzelfde jaar leed het leger, dat een
steunpilaar van rechts was geworden, een verpletterende nederlaag in
Marokko, welke ook koning Alfons XII, die tot 1902 onder het regentschap
van zijn moeder koning was geweest, dreigde te compromitteren. Met zijn
instemming pleegde generaal Primo de Rivera een staatsgreep (13 sept.
1923).
5.7 Dictatuur, Tweede Republiek en burgeroorlog (1923-1939)
Spanje werd een dictatuur, enigszins naar het voorbeeld van het
fascistische Italië. Pogingen om een massapartij van de grond te krijgen
mislukten en het bewind van Primo bleef een tijdelijk karakter behouden.
De Cortes was ontbonden, persvrijheid en andere burgerlijke vrijheden
werden opgeheven, de arbeidersbeweging werd zeggenschap ontnomen, het
bestuur gecentraliseerd, Catalonië ook cultureel onderdrukt. De
infrastructuur van Spanje werd verbeterd. In Afrika werd in samenwerking
met Frankrijk Marokko volledig onderworpen.
De oppositie tegen het regime nam vanaf 1929 van alle kanten toe en had
een gemeenschappelijke republikeinse noemer. In jan. 1930 trad de
dictator af. Hij werd vervangen door generaal Berenguer. Na
gemeenteraadsverkiezingen in april 1931, waarin alle grote steden
republikeins stemden, verliet Alfons XIII het land. Zonder
bloedvergieten was Spanje een republiek geworden.
De Tweede Spaanse Republiek (1931-1939) kreeg een progressief
democratische grondwet. De behoudende Alcalá Zamora werd president en
Manuel Azaña, leider van de Acción Republicana, premier. Hij zou de
belangrijkste politicus van de republiek worden. Frankrijk was in veel
opzichten het voorbeeld voor de republikeinen. Een anti-klerikaal
programma, met lekenonderwijs en scheiding van Kerk en Staat, kwam snel
tot stand. Een statuut dat Catalonië autonomie met een eigen regering
gaf, werd in 1932 door de Cortes aanvaard. In 1936 volgde een Baskisch
statuut. Een agrarische wetgeving en politiek die het grootgrondbezit
moest opheffen verliepen traag, een legerhervorming was halfslachtig en
de sociale kwestie bleef bestaan. De arbeidersbewegingen van socialisten
en anarcho-syndicalisten, die sterk herleefden na de val van de
dictatuur, vervreemdden spoedig van de republiek: stakingsacties en
anarchistische revoltes werden bloedig onderdrukt.
Bij de verkiezingen in nov. 1933 won een rechts blok van een verdeeld en
verzwakt links. De vrouwen hadden voor het eerst gestemd, de anarchisten
stemden niet. Tijdens de hierop volgende Bieno Negro (de twee zwarte
jaren) voerden rechtse regeringen een reactionair beleid. In 1934 kwam
het in Asturië tot een confrontatie, die een voorbode van de
burgeroorlog zou zijn. De arbeidersorganisaties verdedigden zich
dagenlang tegen de regeringstroepen, waarvan ook het
Vreemdelingenlegioen en Moorse eenheden deel uitmaakten. Tienduizenden
verdwenen in de gevangenis; Catalonië, waar de onafhankelijkheid was
uitgeroepen, verloor zijn autonomie. Amnestie werd de leus die de
(heterogene) republikeinse en linkse partijen verenigde in een
verkiezingspact. Dit zgn. Volksfront won de parlementsverkiezingen in
febr. 1936. Azaña werd president. De regering stond zeer zwak, mede
doordat de onderling verdeelde socialisten regeringsdeelname weigerden.
Terwijl sociale spanningen, stakingen en politiek straatgeweld (met name
van de Falange, een kleine, maar groeiende fascistische beweging)
toenamen, bereidde rechts zich voor op een staatsgreep. Deze ging uit
van het leger, begon op 17 juli 1936 vanuit Spaans Marokko en werd door
de arbeiders, die zich verzetten tegen de coup, beantwoord met een
sociale revolutie. De Spaanse Burgeroorlog begon. Deze kreeg ook
internationale dimensies (non-interventie, internationale brigades) en
eindigde pas op 1 april 1939 met de overwinning van de 'nationalisten'
van generaal Franco, die in 1936 als caudillo (leider) naar voren was
gekomen te midden van de rebellerende generaals. Honderdduizenden
republikeinen verlieten het land, honderdduizenden anderen werden
gevangen gezet, mishandeld of gedood.
5.8 Het franquistische Spanje (1939-1975)
Tot zijn dood regeerde
Franco als alleenheerser over Spanje, gesteund door de enige
politieke beweging, de Falange, waarin hij tijdens de burgeroorlog alle
rechtse krachten had samengebracht en onder zijn leiding had gesteld.
Het leger en de kerk, die het onderwijs en de cultuur in het algemeen
beheerste, waren twee andere steunpilaren. Het franquistisch ideaal was
gericht op herleving van het katholieke Spanje en zijn oude glorie. Een
Spanje 'Eén, groot, vrij', waarbij vrij betekende: ontdaan van alle
invloeden en krachten - hervorming, Verlichting, Franse Revolutie,
socialisme en democratie - welke in de ogen van Franco en de zijnen van
buitenaf en met behulp van binnenlandse vijanden Spanjes oude glorie
ondermijnd hadden. Repressie bleef dan ook een wezenlijk kenmerk van het
regime en trof o.a. de arbeidersbewegingen, Basken en Catalanen en de
cultuuruitingen.
Het sociaal-economisch leven werd beheerst door verticaal georganiseerde
syndicaten, naar fascistisch-corporatief model. Het dagelijks leven werd
lange tijd gekenmerkt door armoede, honger, corruptie (zwarte markt),
economische stagnatie en cynisme. Pas na 1956 bereikte Spanje weer het
economisch peil van 1936. Illegale organisaties - aanvankelijk ook
guerrillero's - waren lang actief maar konden, evenmin als de ballingen,
het regime serieus bedreigen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde Franco de verwante, maar niet
identieke, regimes van
Hitler en
Mussolini, aan wie hij zijn overwinning in de burgeroorlog mede te
danken had. Hij bleef echter buiten de oorlog; wel werd Tanger in 1940
bezet en nam een vrijwilligersleger van 47!000 man (de Blauwe divisie)
deel aan de strijd tegen de Sovjet-Unie.
Na 1945 kwam Spanje in een isolement. Het bewind werd door de Verenigde
Naties veroordeeld, maar profiteerde van de Koude Oorlog. Franco had
reeds in 1943 zijn pro-fascistische zwager Serrano Suñer als minister
van Buitenlandse Zaken vervangen door de monarchist Jordana en hij
herstelde in 1947 formeel de monarchie, zonder overigens direct een
koning te benoemen. Pas in 1969 werd Juan Carlos de Bourbon, een
kleinzoon van Alfons XIII en opgevoed onder toezicht van Franco, met
voorbijgaan van zijn vader, de pretendent Don Juan, door Franco tot zijn
opvolger aangewezen.
Militaire en economische verdragen met de Verenigde Staten in 1953
haalden het bewind uit het economische dal. Spanje werd in 1955 aanvaard
als lid van de Verenigde Naties en trad in 1959 toe tot de OEES, de
Organisatie van Europese Economische Samenwerking. Franco bleef echter
het stigma van de Spaanse Burgeroorlog en het fascisme behouden en werd
nooit volledig aanvaard in Europa. Spanje gaf, niet zonder pijn maar wel
zonder veel strijd, zijn koloniën op: Marokko in 1956, Spaans Guinea in
1968 en de Spaanse Sahara in 1975.
In de jaren zestig kwam een moderniseringsproces op gang dat de Spaanse
samenleving grondig veranderde en het regime ondermijnde. Buitenlands
kapitaal, toerisme en Spaanse gastarbeiders brachten een snelle
economische ontwikkeling. Industrialisatie en urbanisatie namen sterk
toe. De Falange (nu Beweging genoemd) en het systeem van de verticale
syndicaten werden volledig uitgehold. Met de 'consumptiemaatschappij'
drongen Amerikaanse en Europese waarden en normen het land binnen.
Binnen het regime werd deze ontwikkeling gesteund en gedragen door een
jonge en technocratisch ingestelde generatie, waartoe Fraga Iribarne en
Lopez Bravo behoorden, die naar liberalisering binnen het kader van het
bestaande streefden. Leden van de rooms-katholieke lekenorganisatie Opus
Dei die deze modernisering van het autoritaire regime steunden, bezetten
de belangrijkste economische regeringsposten. Nieuwe oppositiebewegingen
kwamen op, o.a. de Comisiones Obreros (arbeiderscommissies), die in het
schemergebied van legaal en illegaal opereerde en na Franco's dood naast
de socialistische UGT de belangrijkste vakbeweging zou worden. Het
Catalaanse nationalisme herleefde en in het Baskenland ontstond een
nieuwe bevrijdingsbeweging, de ETA. Tegen de ETA en andere
terreurgroepen trad het regime zeer hard op. In 1973 werd premier L.
Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij
een aanslag van de ETA. Op 20 nov. 1975 overleed Franco.
5.9 Naar een parlementaire democratie
Koning Juan Carlos, op 22 nov. 1975 beëdigd, opende geheel tegen de
verwachting in de weg naar een parlementaire democratie, die via een
aantal referenda langs wettelijke weg en zonder juridische breuk met het
verleden gerealiseerd werd. In 1976 werd Franco's laatste premier, Arias
Navarro, opgevolgd door de jonge A. Suarez. Met hem begon de periode van
'transición' (overgang). Vrijheid van organisatie en van meningsuiting
werden, evenals partijvorming, stap voor stap verwezenlijkt. Bannelingen
keerden terug. De socialistische partij (PSOE) en de communistische
partij (PCE) werden in resp. 1976 en 1977 gelegaliseerd. De verkiezingen
van 1977 waren de eerste vrije parlementsverkiezingen sinds 1936. Zij
leverden een grote overwinning op voor de UcdD(32)(Unie van het
Democratisch Centrum) die onder leiding stond van premier Suarez. De
PSOE, onder leiding van de jonge Felipe Gonzalez, werd de tweede partij.
Voor de PCE, onder leiding van de voormalige leider-in-ballingschap
Carillo, en voor de rechtse Volks Alliantie van Fraga Iribarne was de
uitslag teleurstellend.
In 1978 kreeg Spanje een nieuwe grondwet die van Spanje een
parlementaire monarchie en een democratie maakte. De verkiezingen die in
1979 werden gehouden, bevestigden de uitslag van 1977. In 1980 werden de
autonomie van Catalonië, met zijn eigen regering, de zgn. Generaliteit,
en van Baskenland hersteld. In de volgende jaren werd de autonomie
uitgebreid tot alle regio's. De ETA bleef de strijd voortzetten, wat tot
spanningen in het Baskenland leidde. Uiterst rechtse krachten hadden
vergeefs getracht met aanslagen het democratiseringsproces te stoppen
tijdens de 'transición'. Ook in het leger accepteerden velen de
democratie niet. Een poging tot een staatsgreep van een kolonel van de
Guardia Civil, Tejero, die op 23 febr. 1981 de regering en het parlement
gijzelde, mislukte doordat de koning, tevens opperbevelhebber van de
strijdkrachten, zich er scherp tegen verzette. De samenzwering bleek
vele vertakkingen in het leger te hebben.
5.10 Tijdperk Gonzalez
L. Calvo Sotelo was, pal voor de coup, Suarez opgevolgd, maar volgde
diens koers. In 1982 werd de UDC, die vooral een partij rond Suarez was,
verslagen bij de parlementsverkiezingen, terwijl de PSOE als overwinnaar
naar voren kwam. De rechtse Alliantie werd nu de belangrijkste
oppositiepartij, de communistische partij raakte geheel op de
achtergrond. Felipe Gonzalez werd premier en hij wist zich te handhaven
bij de verkiezingen in 1986 en - ondanks corruptieschandalen - in 1990.
Zijn politiek bracht echter allerminst de verwachte vernieuwing en
faalde met name in het terugdringen van de grote werkloosheid van de
jaren tachtig. Na een referendum trad Spanje in 1982 toe tot de NATO en,
in 1986, tot de Europese Gemeenschap. In 1992, 500 jaar na Columbus'
ontdekking van Amerika, presenteerde Spanje zich met grote manifestaties
aan de wereld: Olympische Spelen in Barcelona, Wereldtentoonstelling in
Sevilla, culturele evenementen in Madrid. De Baskische
afscheidingsbeweging ETA slaagde er niet in deze evenementen te
verstoren; het succesvolle optreden van de Franse politie, die in 1992
vier belangrijke ETA-leiders arresteerde, was hieraan mede debet. Ook in
1993 werden ETA-kopstukken gearresteerd, zowel in Frankrijk als in
Spanje.
De regering van Felipe González, die steeds meer aanhang verloor, o.a.
door talloze corruptieschandalen, kon zich alleen nog staande houden met
de steun van Catalaanse en Baskische nationalisten. In ruil daarvoor
eisten deze partijen grotere autonomie voor hun provincies. Ook in 1995
werd de positie van de regering-González verder ondermijnd door nieuwe
politieke en financiële schandalen.
De Baskische bevolking keerde zich steeds meer af van de ETA en de
regering boekte enkele successen in haar strijd tegen het terrorisme.
Bij de in okt. 1994 in Baskenland gehouden verkiezingen behield de
Baskische Nationalistische Partij (PNV) 22 van de 75 zetels.
Spaanse vissers kwamen in aug. in conflict met hun Franse en Britse
collega's, die zich niet zouden houden aan de door de EU opgelegde
vangstmethoden.
Bij de gemeentelijke en provinciale verkiezingen van mei 1995 viel de
PSOE verder terug, terwijl de rechtse Volkspartij (PP) van
oppositieleider José María Aznar in tien van de zeventien provincies de
grootste partij werd. In okt. besloot de Senaat een parlementaire
enquête in te stellen naar de GAL-affaire. De contraterreurgroep GAL zou
in de jaren 1983 tot 1987 verantwoordelijk zijn geweest voor de dood van
27 ETA-leden, waaraan de overheid medeplichtig zou zijn. Intussen zette
de ETA haar terroristische acties binnen en buiten Baskenland voort. In
dec. werd de minister van Buitenlandse Zaken, Javier Solana, benoemd tot
secretaris-generaal van de NAVO.
Begin maart 1996 vonden vervroegde verkiezingen plaats voor beide kamers
van de Cortes, het Congres van Afgevaardigden en de Senaat. De
centrum-rechtse Volkspartij (PP) van Aznar behaalde in de verkiezingen
voor het Congres een nipte overwinning op de PSOE die echter niet genoeg
was voor een meerderheid. In de Senaat lukte dat de PP wel. Na moeizame
onderhandelingen bereikten de PP en de Catalaanse nationalisten (CiU)
een akkoord en begin mei werd de minderheidsregering van Aznar beëdigd.
De ETA greep de verkiezingsstrijd aan om haar terreurcampagne te
intensiveren. In een reactie tegen het geweld van de ETA namen in febr.
in Madrid een miljoen mensen deel aan een vreedzame demonstratie.
De zeer strenge begroting voor 1997 van de regering-Aznar was voor een
belangrijk deel gericht op de grotere financiële zelfstandigheid van
Baskenland en Catalonië. De lichte economische opleving van de beide
voorgaande jaren liep in 1996 een deuk op en de werkloosheid bleef met
22% onverminderd hoog.
Telefoongids Spanje
Postcodes
Spanje
|