header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Sri Lanka

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

 

 

Sri Lanka (officieel: Sri Lanka Janarajaya; Eng.: Democratic Socialist Republic of Sri Lanka, vůůr 1972: Ceylon), republiek gelegen op het gelijknamige eiland in de Indische Oceaan, 65.610 km2, met (1994) 18,1 miljoen inw. (276 inw. per km2); hoofdstad: Colombo. Munteenheid is de Sri Lanka rupee, onderverdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 4 februari, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
A bath at the top of Sigiriya rock.Vanuit de zee gezien komt eerst een golvende kustvlakte, die in het (zuid)westen betrekkelijk smal is (50-60 km) en in het oosten en noorden breder; het binnenland kent een terrassengebied, dat overgaat in hoogland. De hoogste bergtoppen zijn Pidurrutalagala (2514 m) en Samanalakanda (Adam's Peak 2243 m). De rivieren, die alle in het centrale bergland ontspringen en naar alle zijden afstromen, zijn veelal kort - de langste is de Mahaweli Ganga.
1.2 Klimaat
Wegens zijn equatoriale ligging kent het eiland een tropisch moessonklimaat. Aan de (zuid)westzijde brengen de zuidwest- en de noordoostmoesson een rijke regenval (1480-2240 mm; in Colombo valt per jaar gemiddeld 2365 mm regen); de droogste maand is hier februari, de natste maand is mei. Het laagland in het noorden en oosten, alsmede het oostelijk deel van het centrale hoogland vormen een droge zone: hier wordt de regen hoofdzakelijk door de noordoostmoesson gebracht en gedurende de zuidwestmoesson komt een - vaak ernstige - droogteperiode (mei-juli) voor. De temperatuur varieert met de hoogte: in Colombo 25-28 įC, in het gebergte 14-16 įC (Nuwara Eliya, gelegen op 1889 m). Januari is de koudste maand, mei de warmste.
1.3 Bodem
Twee grondsoorten zijn kenmerkend voor Sri Lanka, het geelrode 'podzolic' in de natte gebieden plus het hoogland en de roodbruine aarde in de droge zone. De eerste is niet erg vruchtbaar, doch laat wel boomgroei toe en reageert zeer positief op bemesting. De tweede grondsoort is door bemesting vruchtbaar geworden, vooral op het schiereiland van Jaffna, dat een verhoogd koraalrif als ondergrond heeft. Over het algemeen is de bodem vrij onvruchtbaar, met uitzondering van het alluvium in de rivierdalen en de lagunen aan de kust.
1.4 Plantengroei
De vegetatie volgt het klimaatpatroon en de flora komt overeen met die van tropisch AziŽ, zij het dat het eiland vele endemische (alleen dŠŠr voorkomende) soorten herbergt. Doornbossen zijn typerend voor de gebieden met minder dan 635 mm regen. Een groot deel van de droge zone heeft enige graslandgebieden (talawa). Het ook hier sterk bedreigde tropisch regenwoud is typerend voor de natte zone. Palmen, pandanen en mangroven komen voor langs de kust.
1.5 Dierenwereld
Pinnawela elephant orphanage.De dierenwereld sluit aan bij die van India (vooral uiteraard die van Zuidoost-AziŽ), hoewel er ook frappante verschillen zijn. Tijger, gestreepte hyena, wolf, neushoorn, (wilde) runderen en verwanten ontbreken. Panter en lippenbeer zijn de grootste roofdieren. De Ceylonolifant is een aparte ondersoort (geschat op nog 2500-3000 stuks) van de Indische olifant, o.a. gekenmerkt door het als regel ontbreken van de slagtanden bij de bullen. Verder komen nog voor een jakhals, drie soorten herten en een kameleon. Het eiland telt ca. 400 soorten vogels. De fauna vertoont ook enige verwantschap met die van Madagaskar, wat wijst op het vroegere bestaan van het zuidelijke supercontinent Gondwanaland. De wateren langs de kusten huisvesten een zeer rijke Indopacifische mariene fauna; Sri Lanka is bekend om zijn export van aquariumvissen (ook uit het zoete water). De natuurbescherming is tamelijk goed georganiseerd; grote problemen vormen de bedreigde olifanten (o.a. door hun trekneigingen), de bevolkingsdruk, annex landhonger en voortdurende politieke onrust. Het wildtoerisme speelt in normale tijden een niet onaanzienlijke rol.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Picking tea.De oorspronkelijke bewoners zijn de Wedda's; het kenmerkende volk van Sri Lanka zijn echter de Singalezen, die ca. 75% van de bevolking uitmaken. De grootste minderheid vormen de Tamils, een donkergekleurd volk afkomstig uit Zuid-India; zij spreken een Dravidische taal (Tamil). De Tamils zijn verdeeld in enerzijds de zgn. Sri Lanka-Tamils (ruim 12% van de bevolking), die lang geleden uit Zuid-India emigreerden en vooral op het schiereiland van Jaffna wonen, en anderzijds de zgn. India-Tamils (ruim 5%), die in de 19de eeuw door de Britten als arbeidskrachten op de plantages werden geplaatst. Andere bevolkingsgroepen zijn de Moren (7%) van Arabische herkomst, onderverdeeld in Ceylon-Moren en Indiase Moren, en de burghers (ca. 0,8%), afstammelingen van Portugese en Nederlandse kolonisten. Al deze groepen leiden sociaal en cultureel een afzonderlijk bestaan. De bevolking is ongelijk verdeeld over het gebied. In de natte zone en het hoogland is het platteland dichtbevolkt en bovendien bevindt zich hier de grootste stedelijke concentratie; de droge zone is dunbevolkt, ondanks diverse pogingen tot kolonisatie. Van de bevolking woont 22% in de steden. De grootste steden zijn (schattingen 1990) Colombo (615.000 inw.), Dehiwela-Mt. Lavinia (196.000), Jaffna (129.000), Moratuwa (170.000), Kandy (104.000), Galle (84.000) en Kotte (104.000).
De bevolkingsaanwas bedraagt gemiddeld 1, 3% per jaar. Het geboortecijfer lag in 1993 op 20Č, het sterftecijfer op 6Č.
2.2 Taal
De Singalese taal geldt als de officiŽle; daarnaast zijn het Engels en het Tamil veel gebruikte talen. De laatste wordt beschermd door de Tamil Language Act (1958).
2.3 Religie
Volgens de overlevering zou Sri Lanka in de 3de eeuw v.C. bekeerd zijn tot het boeddhisme, dat zich sedertdien tot de grootste godsdienst van het land heeft ontwikkeld en o.a. gekenmerkt wordt door een invloedrijk monnikendom. In het begin van de jaren negentig was ca. 69% van de bevolking (overwegend Singalezen) boeddhist, 15,5% (overwegend de Tamil-bevolkingsgroep) hindoeÔst, 7,5% christen (merendeels behorend tot de Rooms-Katholieke Kerk, die in Sri Lanka bestuurlijk georganiseerd is in ťťn aartsbisdom met zes bisdommen) en 7,5% islamiet.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Sri Lanka is sedert 1972 een republiek. De thans geldende grondwet is die van sept. 1978, laatstelijk gewijzigd in 1987. Het eenkamerparlement bestaat uit 254 leden, van wie er 225 om de zes jaar door de Srilankanen boven de 18 jaar worden gekozen. Er is een presidentieel stelsel, waarin de president (om de zes jaar rechtstreeks gekozen) een overwicht op het parlement heeft. De belangrijkste politieke partijen zijn de conservatieve en op het Westen georiŽnteerde United National Party (UNP), de People's Alliance (een bundeling van negen progressieve partijen) en het Tamil United Liberation Front (TULF), een coalitie van partijen die een onafhankelijke Tamilstaat in de Noord- en Oost-provincie nastreven. De vakbeweging is georganiseerd in de Joint Trade Union Action Committee en in de Jathika Sevaka Sangamaya, die nauwe banden met de UNP heeft. De werkgevers zijn georganiseerd in de Ceylon Estates Employers' Federation, de Planters' Association of Ceylon en de Employers' Federation of Ceylon.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Sri Lanka ingedeeld in 9 provincies en 25 districten; daarnaast zijn er 12 zelfstandige gemeentebesturen, 39 city councils, 85 town councils en 549 village councils. De Noord- en Oost-provincie, waar veel Tamils wonen, hebben sinds 1987 een zekere autonomie.
3.3 Rechtswezen
Het rechtsstelsel kent zowel Romeins-Hollands recht, Engels recht alsook islamitisch recht, Kandy-recht (Singalees) en Tesawalamai-recht (Tamil). De rechtspleging geschiedt door middel van een Hooggerechtshof, een hof van beroep, gerechtshoven, districtsrechtbanken en 'magistrates' courts'; daarnaast zijn er voor grondzaken zgn. courts of requests. Een speciale commissie fungeert als tribunaal inzake onlusten, sabotage e.d. De grondwet voorziet verder in een constitutioneel hof met toetsingsrecht; zo nodig kunnen bijzondere rechtbanken worden ingesteld.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Sri Lanka is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, het Gemenebest, het Colomboplan en de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC). Daarnaast is het aangesloten bij de beweging van niet-gebonden landen.

4. Economie
4.1 Algemeen
On the way to the tea plantation.Met een Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking van ca. $ 640 in 1994 is Sri Lanka het minst arme land van Zuid-AziŽ (Bangladesh $ 230, India $ 310, Pakistan $ 440). In 1994 bedroeg de reŽle economische groei 5,5%. Een ernstig probleem vormt de hoge inflatie (in 1994: 11,5%). Sri Lanka is overwegend agrarisch: bijna de helft van de beroepsbevolking is in deze sector werkzaam. De industrie is nog betrekkelijk zwak (21% van de beroepsbevolking, 25% van het bnp) en deels genationaliseerd. Ook de handelssector is 'gemengd': de overheid beheerst de import, de particuliere sector de export.
4.2 Landbouw
Voor binnenlands verbruik wordt vooral rijst verbouwd; van het totale landbouwareaal (eenderde van het grondgebied) wordt eenderde in beslag genomen door de natte rijstbouw. Import van rijst blijft echter noodzakelijk. De plantagesector is van zeer grote betekenis: ca. eenderde van Sri Lanka's bnp is afkomstig van de verbouw en export van thee, rubber en kokosnoten. De kokosnoot wordt vooral door kleine bedrijven verbouwd. Andere exportproducten zijn: arecanoten, kaneel, koffie en cacao; maÔs wordt geproduceerd voor de binnenlandse markt. De veestapel omvat koeien, buffels, varkens, geiten, schapen en pluimvee. De visserij wordt op zee en in de binnenwateren beoefend; er wordt ook op parels gevist.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Sri Lanka bezit weinig minerale hulpbronnen. Verspreid over diverse plaatsen bevindt zich naar schatting 2, 5 miljoen ton exploiteerbare ijzererts; verder levert het strandzand een aantal non-ferrometalen op. Sri Lanka is 's werelds grootste producent van grafiet. Daarnaast worden edelstenen gewonnen. Er wordt zout gewonnen door zeewaterverdamping. Met de exploitatie van kalksteen, klei en porseleinaarde wordt een begin gemaakt. Waterkracht is voor het eiland de belangrijkste energiebron. Er zijn drie projecten voor elektriciteitsopwekking en irrigatie, waaronder een in de Mahaweli Ganga. Gezamenlijk zullen zij de hoeveelheid geÔrrigeerd land verdubbelen.
4.4 Industrie
Sinds 1960 is er sprake van aanzienlijke groei in deze sector. Belangrijkste producten zijn grafietproducten, geneesmiddelen, textiel, keramische producten, cement, kunstmest, papier, leer, plantaardige oliŽn zoals citronella, suiker en rubberproducten. De overheid streeft naar importbeperking en nationaliseerde vele industrieŽn tussen 1971 en 1977; daarna werden particuliere bedrijven echter sterk aangemoedigd, o.a. door de instelling van een vrijhandelszone nabij Colombo en door belastingfaciliteiten. Vooral de textielindustrie profiteerde hiervan.
4.5 Handel
Ingevoerd worden voedingsmiddelen, consumptiegoederen, kapitaalgoederen en aardolie, vooral uit Saoedi-ArabiŽ, Japan, Groot-BrittanniŽ, Zuid-Korea en India. Uitgevoerd worden thee, rubber, kokosproducten, edelstenen en industrieproducten, vooral naar Groot-BrittanniŽ, de Benelux, de Verenigde Staten, Duitsland en Japan. De betalingsbalans vertoont voortdurende tekorten als gevolg van prijsstijging van de import (aardolie) en prijsstagnatie en -daling van de exportproducten. De regering stimuleert de export en bevordert het toerisme om aldus buitenlandse valuta te verwerven.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingsbeleid
Door buitenlandse hulp en door o.m. het IMF worden de tekorten op de betalingsbalans aangevuld. In 1975 werd Sri Lanka tot concentratieland voor Nederlandse ontwikkelingshulp gekozen. Sindsdien ontvangt het een vrij groot en vast jaarlijks hulpbedrag. Een klein deel daarvan heeft de vorm van technische hulp.
4.7 Bankwezen
Centrale bank is de Central Bank of Sri Lanka.
4.8 Verkeer
Het spoorwegnet omvat 1400 km breedspoor en 60 km smalspoor; de meeste lijnen zijn enkelsporig. Het wegennet van ca. 24!000 km is redelijk goed (voor 82% verhard), doch bevindt zich vooral in het zuidwesten; de rest van het land is moeilijk bereikbaar. De belangrijkste havens zijn Colombo, Trincomalee, Galle en Talaimannar. De Sri Lanka Shipping Corporation is het overkoepelend staatsbedrijf voor de scheepvaart. Voor de binnenscheepvaart bestaat een kanalensysteem (153 km) dat uit de Hollandse koloniale tijd dateert. Air Lanka verzorgt binnenlandse en internationale luchtverbindingen; internationale luchthaven is Katunayake, 30 km ten noorden van Colombo.

5. Toeristische gegevens
Het eiland is zeer aantrekkelijk voor toeristen. Het heeft fraaie zand- en palmenstranden en lagunes, bijv. bij de bocht van Puttalam en bij Negombo en de badplaatsen Bentota en Beruwela; diverse grote wildparken, w.o. Wilpattu, Ruhuna (ook bekend als Yala) en Gal-oya, met olifanten, waterbuffels, slangen, luipaarden, panters en herten; drie botanische tuinen: Peradeniya bij Kandy, Hakgalla bij Nuwara Eliya en Henarathgoda bij Colombo; diverse vogelreservaten en dierentuinen (o.m. in Colombo). Beroemd zijn ook de koraalriffen bij Hikkaduwa, die te bezien zijn vanuit bootjes met glazen bodem. Een speciale attractie is voor sommigen de beklimming van Adam's Peak of Samanalakanda. Tot de meest bezienswaardige steden behoren Anuradhapura, Colombo en Kandy, die alle drie ook een nationaal museum hebben, evenals Ratnapura (lokale prehistorische vondsten). Laatstgenoemde stad is ook bekend als vindplaats van edelstenen.
Sri Lanka is vooral beroemd om de schitterende overblijfselen van vnl. bouw- en beeldhouwkunst: kloosters en dagoba's (Singalees voor stupa), vaak in de rotsen uitgehouwen. Enkele daarvan in Anuradhapura, de eerste hoofdstad van het land, stammen uit de 3de eeuw v.C. De tweede hoofdstad, Polonnaruwa (bloeitijd 10de-12de eeuw), is thans een ruÔnestad met o.m. resten van de grote audiŽntiezaal met rijk gebeeldhouwde terrassen, hindoeÔstische tempels, twee tempels van 'de tand van Boeddha', de rotstempel van Gal Vihara, met drie uit de rots gehouwen Boeddhabeelden (een zittend, een staand, een liggend), de Lankatilaka Vihara, een met beeldhouwwerk versierde 12de-eeuwse bakstenen tempel, en de Latha Mandapaya, een platform met hoge granieten zuilen in de vorm van lotusstelen en kapitelen in de vorm van zich openende lotusbloemen. Hier staat ook de Vata-dage (of Wata daga) een ronde stupa, waar twee voor de Singalese kunst kenmerkende motieven te zien zijn: de stenen drempel of trede die tot het heiligdom toegang verschaft en die de vorm heeft van een halve maan, versierd met halfronde stroken met dierenfiguren, en voorts de zgn. wachterstenen aan de ingang, gedecoreerd met een dwerg, of een naga, een menselijke slangefiguur met een vaas.
In de uit de rotsen gehouwen vesting van Sigiriya, eind 5de eeuw enige tijd hoofdstad van het Singalese rijk, bevinden zich de oudste bewaard gebleven en beroemdste voorbeelden van Singalese schilderkunst: fresco's in lichte kleuren, voorstellend hemelse vrouwenfiguren (apsara's), ten halve lijve, die uit de wolken te voorschijn komen; het figurentype is Dravidisch, terwijl details, bijv. de haardracht, herinneren aan de fresco's van Ajanta (India). Nabij Sigiriya ligt het rotscomplex van Dambulla (1ste eeuw v.C.) met een uit de rots gehouwen Boeddhabeeld, godenbeelden en plafond- en muurschilderingen uit de 15de-18de eeuw. Midden in het oerwoud bij Aukana staat een reusachtig uit steen gehouwen Boeddhabeeld uit de 5de eeuw.
Opmerkelijk is het aantal bouwwerken dat herinnert aan de tijd dat de Hollanders op Ceylon heersten (17de en 18de eeuw): door hen gebouwde forten, kerken, huizen zijn nog te vinden in o.m. Batticaloa, Colombo, Galle, Jaffna, Matara en Trincomalee.

6. Geschiedenis
Over de oudste bewoners, de Wedda's, ontbreken historische gegevens. Volgens de overlevering kwam in de 6de eeuw v.C. een Indische vorst uit de Gangesvallei, Vijaya, naar Ceylon en vestigde daar het Singalese koninkrijk. Kolonisatie vanuit Noord-India begon sindsdien en werd enige eeuwen later gevolgd door Dravidische kolonisatie vanuit Zuid-India. Het boeddhisme, dat in de 3de eeuw v.C. zijn intrede deed, werd het fundament van de Singalese maatschappij; Tamil-invasies vormden herhaaldelijk een bedreiging. Bloeiperioden waren de 4de en de 12de eeuw (resp. koning Mahasena 334-362 en koning Parakrama Bahu 1153-1186), doch in de 13de eeuw trad verval in, door politieke instabiliteit en door de vestiging van een Tamilrijk in het noorden. De Singalezen trokken zich terug in het zuidwesten. De westerse invloed werd merkbaar in de 15de eeuw: in 1505 vestigden de eerste Portugezen zich en rond 1600 beheersten zij het gehele eiland. De Hollanders, die in 1602 onder Joris van Spilbergen op Ceylon landden, verdreven de Portugezen in 1658 en vestigden er een efficiŽnt, doch drukkend bestuur.
6.1 Britse kroonkolonie
In 1795-1796, ten tijde van de Franse revolutionaire oorlogen, verdreven de Britten op hun beurt de Hollanders, maakten van het eiland een kroonkolonie, pacificeerden het centrale bergland, brachten bestuurlijke eenheid en voerden een plantage-economie in.
Sinds 1909 werden constitutionele hervormingen ingevoerd. In 1919 werd een gematigd-nationalistische beweging opgericht, het Ceylon National Congress. In de jaren dertig evenwel verdween de aanvankelijke harmonie tussen de Tamil- en de Singalese politici en geraakte de arbeidersbeweging, versterkt door de invoering van het algemeen kiesrecht, in radicaal-marxistisch vaarwater.
6.2 Onafhankelijkheid
Toen Ceylon op 4 febr. 1948 als dominion binnen het Britse Gemenebest onafhankelijkheid kreeg, verzwakten persoonlijkheidsconflicten en ideologische strijd de linkse partijen zozeer dat Ceylons eerste premier S. Senanayake met zijn United National Party (UNP) het politieke toneel geheel kon beheersen. Krachtige oppositie ontstond pas, toen een populistisch-nationalistische groep onder leiding van Solomon Bandaranaike uit de UNP trad en de Sri Lanka Freedom Party (SLFP) oprichtte (1951). D. Senanayake, die zijn vader in 1952 was opgevolgd als premier, moest in 1956 een verkiezingsnederlaag incasseren: de UNP verloor en Bandaranaike werd premier. Deze zag zich geconfronteerd met grote spanningen, m.n. op taalgebied. In 1952 kwam hij om bij een moordaanslag, doch zijn weduwe, Sirimavo Bandaranaike, die hem opvolgde, zette zijn beleid met krachtige hand voort. Het Singalees kreeg voorrang, het onderwijs werd onder regeringscontrole gebracht en vele bedrijven werden genationaliseerd; het streven naar socialisme en economische gelijkheid werd benadrukt. Om de interne onrust het hoofd te bieden (militaire staatsgreeppoging, onlusten) ging de SLFP een coalitie aan met de trotskistische LSSP; dit leidde echter tot een scheuring en een verkiezingsnederlaag in 1965. D. Senanayake kwam weer aan de macht. Zijn regering slaagde erin de landbouwproductie te verhogen, maar de pogingen tot nationale verzoening, o.a. door een Tamilpartij in de regering op te nemen, faalden: in 1970 boekte mevrouw Bandaranaike, gesteund door trotskisten en pro-Moskou-communisten, een overwinning bij de parlementsverkiezingen. Haar socialistisch beleid werd ditmaal echter pijnlijk verstoord door een opstand van ultralinkse jongeren, de Janatha Vimukthi Peramuna-beweging (JVP), in april 1971. De opstand werd gewelddadig neergeslagen met buitenlandse militaire hulp. Mevrouw Bandaranaike versnelde daarna haar beleid: een nieuwe, autochtone, socialistische grondwet (waarbij de republiek als staatsvorm werd vastgesteld en de naam van de staat definitief Sri Lanka werd), landhervormingswetten (1972) en verder gaande nationalisaties, o.a. van de plantages (1975). De regering moest het systeem van voedselsubsidies echter noodgedwongen herzien; haar populariteit daalde daardoor aanzienlijk, alsmede door haar autoritaire bewind (staat van beleg), de werkloosheid en de inflatie. De UNP bracht in 1977 de regeringspartijen een verkiezingsnederlaag toe. J.R. Jayewardene, de nieuwe president, ging een andere koers varen. Hij oriŽnteerde zich op het Westen, moedigde buitenlandse investeringen aan door een vrijhandelspolitiek en hervormde het staatsbestel in presidentiŽle richting. Op 4 febr. 1978 werd hij tot president gekozen.
De jaren tachtig waren zeer turbulent. Diverse malen werd de staat van beleg afgekondigd, onder andere wegens hevige arbeidsonlusten.
6.3 Tamilopstand
In mei 1983 werd de staat van beleg opnieuw uitgeroepen. Dit gebeurde als reactie op het toenemend geweld dat door organisaties van separatistische Tamils werd gepleegd. De belangrijkste van deze organisaties waren de Tamil Eelam Bevrijdings Organisatie (LTTE) onder leiding van Velupillai Prabhakaran en de Bevrijdings Tijgers van Tamil Eelam. Zij eisen onafhankelijkheid van het noorden en oosten waar zij in sommige gebieden de meerderheid vormen. Zij raakten slaags met het Srilankaanse leger en al snel was er sprake van een burgeroorlog. Vervolgens verspreidde het geweld tussen Tamils en Singalezen zich over het hele land. In 1987 kwam het conflict tot een hoogtepunt, toen de regering het schiereiland Jaffna op de Tamillegers wilde veroveren. India steunde de Tamils door vanuit vliegtuigen voedsel af te werpen op Jaffna.
Eind juli 1987 sloten Sri Lanka en India een akkoord dat moest leiden tot een oplossing voor het conflict. India stuurde als gevolg hiervan een strijdmacht die op de naleving van het akkoord zou toezien.
Al snel verdwenen de hooggespannen verwachtingen. Zowel radicale Tamils als extremistische Singalezen verzetten zich met geweld tegen het akkoord. In december 1988 werd Ramasinghe Premadasa tot president gekozen. Hij volgde een politiek van verzoening tegenover de Tamils en de staat van beleg werd afgeschaft. De Indiase troepen verlieten in 1990 het land, en grote delen van het noorden en het oosten kwamen onder controle van het LTTE. Daarnaast eiste de LTTE de verantwoordelijkheid op voor tal van aanslagen in andere delen van Sri Lanka waarbij in de loop der jaren duizenden burgers het slachtoffer werden. In 1991 barstte de strijd tussen regeringstroepen en Tamils weer los met als hoogtepunt de strijd om de Olifantspas die Jaffna verbindt met de rest van het eiland. De regeringstroepen wisten de controle over de pas in handen te krijgen, maar de invloed van de LTTE bleef onaangetast.
De LTTE werd in India verboden, daar zij verdacht werd van betrokkenheid bij de moord op de Indiase ex-premier Rajiv Gandhi in 1991. In mei 1993 werd president Premadasa gedood bij een bomaanslag, die door de politie werd toegeschreven aan de LTTE. Dingiri Banda Wijetunge werd tot president gekozen.
De verkiezingen van aug. 1994 zorgden voor een politieke aardverschuiving. Na zeventien jaar UNP-bewind kwam de macht aan de People's Alliance (PA) onder leiding van Chandrika Bandaranaike Kumaratunga, die in 1993 al premier was geworden van de Westelijke Provincie, waarin de hoofdstad Colombo ligt. Zij is de dochter van de in 1952 vermoorde premier en ook haar moeder was in de jaren zestig en zeventig twaalf jaar premier geweest. Nadat Chandrika Kumaratunga in nov. tot president was gekozen, benoemde zij haar moeder, Sirimavo R.D. Bandaranaike, tot premier.
De in sept. 1994 geopende vredesonderhandelingen tussen de regering en de LTTE leidden in jan. 1995 tot een staakt-het-vuren. Ook werd overeenstemming bereikt over verzachting van het economisch embargo tegen het Jaffna-schiereiland, het machtsbolwerk van de LTTE. Daarna raakten de onderhandelingen echter in een impasse en in april hervatte de LTTE de vijandelijkheden. Nadat de regering de LTTE de oorlog had verklaard, begon het Srilankaanse leger in juli het offensief tegen de LTTE. Aanvankelijk waren de successen gering, maar in dec. was de inname van Jaffna een feit, waarna het overgrote deel van de bevolking de stad ontvluchtte. Intussen versterkte de LTTE haar positie in de Oostelijke Provincie, waar de oorlog zowel voor de rebellen als voor het leger tot grote verliezen leidde. Het aantal vluchtelingen in het oosten en noorden nam toe tot meer dan 300.000.
In april 1995 spraken de donorlanden hun vertrouwen uit over het economisch beleid, dat gericht was op privatisering, vermindering van het
grote begrotingstekort en diversificatie van de export. In jan. 1996 werd een wetsvoorstel over bestuurlijke hervorming bekendgemaakt, dat echter een sterk verwaterde versie was van eerdere voorstellen om te komen tot een federatieve staatsvorm. De belangrijkste oppositiepartij, de UNP, waarvan steun nodig was om de grondwetswijziging door te voeren, weigerde vooralsnog haar steun.
Volgens Amnesty International maakten zowel het leger als de Tamil Tijgers zich schuldig aan ernstige schendingen van de mensenrechten, terwijl ook het politieke geweld sterk toenam.
Op economisch gebied eisten de oorlogsinspanningen hun tol: het begrotingstekort nam toe en buitenlandse investeerders en toeristen deinsden terug voor het geweld. De inkomsten uit het toerisme liepen terug met 30%.
Het leger veroverde in april 1996 het zuidelijk en oostelijk deel van het schiereiland Jaffna, waar veel vluchtelingen uit de stad Jaffna hun toevlucht hadden gezocht. De zwaarste nederlaag voor het Srilankaanse leger in de vanaf 1983 gevoerde oorlog deed zich in juni voor, toen de Tamil Tijgers de legerbasis bij de noordoostelijke stad Mullaitivu bestormden en vrijwel alle 1400 ingekwartierde soldaten doodden en veel militair materieel buitmaakten. (foto : President Chandrika Kumaratunga)

Telefoongids Sri Lanka
Postcodes Sri Lanka

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009