|
De Zon is meer
dan 300.000 keer zwaarder dan de Aarde. De Aarde wordt heel sterk
aangetrokken door de zwaartekracht van de Zon. Deze aantrekkingskracht
zorgt er voor dat de Aarde en acht andere grote hemellichamen in de
ruimte rond de Zon blijven draaien. Deze hemellichamen zijn de planeten.
De Aarde is zelf ook een planeet. Tot ongeveer 450 jaar geleden dachten
de mensen nog dat de Aarde het middelpunt van het heelal was. Ze
geloofden dat alle hemellichamen rond de Aarde draaiden. Dit kon echter
niet verklaren hoe de planeten zich door het firmament verplaatsten. In
de 16e eeuw begreep de Poolse priester
Copernicus wat er aan de hand was. De Zon moest het middelpunt zijn,
niet de Aarde. Hij kwam in 1543 met de theorie van het zonnestelsel, en
legde hiermee de grondslag voor de moderne astronomie.
Verre en nabije werelden
In één
belangrijk opzicht verschilt de Aarde van de andere planeten. De Aarde
beschikt namelijk over de voorwaarden waaronder miljoenen verschillende
vormen van leven kunnen bestaan. Voor zover we weten is er op de andere
planeten geen leven mogelijk. De planeten kunnen duidelijk in twee
groepen worden onderverdeeld. Mercurius, Venus en Mars zijn kleine
rotsachtige planeten zoals de Aarde. Ze staan dicht genoeg bij elkaar om
buren te worden genoemd. Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus zijn
daarentegen reusachtige gasbollen.Net als het ijzige Pluto zijn deze
werelden ver van ons verwijderd. Alle planeten, behalve Mercurius en
Venus, vormen op hun beurt het middelpunt van een eigen stelsel. Om deze
planeten draaien manen. De Aarde heeft maar één Maan, maar de grote
planeten hebben er een heleboel. De andere familieleden van de Zon zijn
veel kleiner. Dit zijn asteriöden (hele kleine planeten die om de Zon
draaien tussen de banen van Mars en Jupiter), meteoren en kometen.
Meteoren die de atmosfeer van de Aarde binnendringen en hierin
verbranden, zijn aan de nachtelijke hemel zichtbaar als vallende
sterren. Slechts enkele hiervan bereiken de grond als meteorieten. |