| |
De
struisvogel behoort tot de orde van de loopvogels. Het is de
grootste vogel. Hij wordt zo'n 2,50 meter hoog en 150 kilo
zwaar. Kenmerkend zijn de lange, sterke poten. In tegenstelling
tot andere vogels heeft hij aan elke poot maar twee tenen. Beide
wijzen naar voren. Één teen is sterk ontwikkeld en voorzien van
een klauw.
De romp van de struisvogel is groot en zwaar. De hals is lang en
beweeglijk en ze hebben een kleine kop met grote ogen. De snavel
is breed en loopt spits toe. De neusgaten zijn duidelijk te
zien.
Vroeger kwamen de struisvogels ook in Azië voor, tegenwoordig
komen ze alleen nog maar in Afrika voor. Ze leven op
grasvlakten, in halfwoestijnen en steppengebieden.
Ze voeden zich hoofdzakelijk met planten, soms eten ze echter
ook insecten of kleine gewervelde dieren. De vogels eten ook
zand en kleine stenen om het voedsel in hun maag klein te maken.
Struisvogels zijn sociale dieren en ze leven in kleine groepen.
Ze gaan gezamenlijk op zoek naar voedsel. Dit doen ze graag
samen met zebra's en antilopen. In de broedtijd verzamelt het
mannetje enkele vrouwtjes om zich heen. Hij heeft een hoofdhen
en 2-3 bijhennen. De vrouwtjes leggen samen maximaal 30 eieren
in een kuil in het zand.
Een ei weegt soms wel 2 kilo, dit komt ongeveer overeen met de
inhoud van 30 kippeneieren. De eieren worden door het mannetje
en het vrouwtje bebroed. Wanneer de jongen uit het ei komen zijn
ze ongeveer zo groot als een kip. Hun verenkleed bestaat uit
grijze, stekelige veren. Ook de mannetjes helpen bij het
grootbrengen van de jongen.
De grootste vijand van de struisvogel is de mens. Vroeger werd
er vanwege hun witte pronkveren al op de mannetjes gejaagd. De
veren werden gebruikt voor hoeden en voor verenboa's die men
veel droeg.
Het leefgebied van de struisvogel is sterk verkleind door de
mens. Men kan de dieren goed in gevangenschap houden. In Afrika
worden ze gekweekt op boerderijen en ze worden gebruikt als
lastdier of trekdier. |
|
|
|
|
|
|