header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Suriname

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 


Suriname, republiek aan de noordkust van Zuid-Amerika, tot de onafhankelijkheid op 25 nov. 1975 een autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden, 163.265 km2, met (1994) 418.000 inw. (2,6 per km2), hoofdstad: Paramaribo. Munteenheid is de Surinaamse gulden (SF), onderverdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 25 november, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De geomorfologie van Suriname vertoont zowel landschappelijk als geologisch een duidelijke driedeling, van zuid naar noord:
a. Het bergland, ruim 80% van de oppervlakte, is een onderdeel van het Hoogland van Guyana en bestaat uit precambrische kristallijne gesteenten (graniet en gneis met in talrijke spleten basische intrusies van gabbro en diabaas); het is na sterke verwering en bedekking met mesozoÔsche zandsteen (Roraimaformatie) in het Tertiair opgeheven en daarna nog sterk verweerd. In tegenstelling tot de situatie in Guyana is binnen de grenzen van Suriname van de zandsteenbedekking vrijwel niets overgebleven. Door verwering is in het bergland een bovenlaag (bodem) ontstaan van sterk wisselende dikte, die onder invloed van het klimaat sterk is uitgeloogd. In het zuiden strekken zich van west naar oost het AcaraŪgebergte, het Grensgebergte en het Toemoek-Hoemakgebergte uit (500 ŗ 800 m hoog). Laatstgenoemde keten vormt de waterscheiding tussen de naar de oceaan in het noorden en de naar het zuiden (Amazone) stromende rivieren. De gebergten van Midden-Suriname (Bakhuys-, Wilhelmina-, Eilerts de Haan-, Van Asch van Wijck-, Lely-, Oranjegebergte) vormen in het algemeen de waterscheidingen tussen de grote rivieren. De grootste hoogten worden bereikt op de Julianatop (1280 m) en de Tafelberg (1080 m) in het Wilhelminagebergte.
b. Ten noorden van het bergland strekt zich een laag, golvend landschap uit (in het westen ca. 40, in het oosten ca. 15 km breed), dat grotendeels bestaat uit zeer zuivere kwartszanden die sterk waterdoorlatend en onvruchtbaar zijn. Vernieling van het oerwoud (brandstichting door de mens) heeft hier een echte savanne doen ontstaan. De overgang van oerwoud naar savanne is veelal geleidelijk.
c. De kustvlakte, in het westen ca. 100, in het oosten ca. 26 km breed, bestaat uit een zuidelijk deel, waar de verwering zo intensief geweest is dat vrijwel alle mineralen en zelfs het kiezelzuur in oplosbare vorm afgevoerd zijn, zodat er een residu overblijft van waterhoudende aluminiumoxiden (bauxiet), en een noordelijk deel, dat bestaat uit jongere afzettingen, ontstaan door de samenwerking van de rivieren en de zee. Door de rivieren aangevoerde en van de zeebodem afkomstige zanden vormden met schelpen uit zee strandwallen, in de lagunen daartussen werd slib afgezet. Zo ontstonden moerassen (zwampen). Door inpoldering zijn hier in de 17de en 18de eeuw plantages ontstaan welke nadien weer zijn verlaten. De oude strandwallen (ritsen) steken ca. 2 m boven de zwampen uit en zijn/worden benut bij de aanleg van wegen. De eigenlijke kust is een brede modderplaat; zandstrand ontbreekt vrijwel geheel. De kustaanslibbing van Suriname wordt beÔnvloed door de Zuid-Equatoriale Stroom, welke van oost naar west langs de kust stroomt en grote hoeveelheden slib meebrengt, dat door de Amazone ver in zee wordt gevoerd. Door de aanslibbing, bevorderd door de begroeiing van mangroven en parwawouden, tussen de wortels waarvan het slib wordt vastgehouden, komen de mondingen van de kleinere rivieren steeds verder naar het westen te liggen. Dit verklaart de sterke lobvorm van de kust.
1.2 Rivieren
De afwatering geschiedt door een aantal parallel lopende, zuid-noord stromende rivieren. De grootste hiervan zijn de Corantijn en de Marowijne; in beide komen talrijke eilanden voor en aan de monding is de breedte ca. 10 km. De andere grote rivieren zijn de Coppename, de Saramacca en de Suriname (in de middenloop opgestuwd tot het Van Blommesteinmeer, district Brokopondo), kleinere rivieren o.a. de Nickerie, de Commewijne en de Cottica. Alle rivieren zijn in de lage kuststreek goed bevaarbaar (soms 5 m diep); verder stroomopwaarts en op de kleine rivieren kan men gebruik maken van de grote stuwende werking van de vloed. De waterafvoer is zeer groot; in de regentijd overstromen de rivieren de moerasgebieden. Alle rivieren hebben bij de overgang van het bergland naar de savanne stroomversnellingen; ook boven deze vallijn komen veel stroomversnellingen voor.
1.3 Klimaat
Suriname heeft voor het grootste deel een typisch regenwoudklimaat. Plaatselijk ligt de neerslag juist beneden de minimumgrens die hiervoor geldt (minder dan 60 mm in de droogste maand). De droogste maanden zijn in het algemeen september en oktober. Het land heeft een dubbele regentijd: een kleine met een maximum in januari (de variabiliteit van de neerslag is tijdens de kleine regentijd echter groot) en een grote in april t/m juli. Aan het eind van de regentijden komen soms hevige buien voor, die gepaard gaan met krachtige windstoten en onweer (sibiboesi). De gemiddelde jaarlijkse temperatuur bedraagt in Paramaribo 27,3 įC. De gemiddelde dagelijkse maximumtemperatuur is het hoogst in oktober (33,0 įC) en het laagst in januari (29,8 įC). De gemiddelde minimumtemperatuur bedraagt het gehele jaar door ca. 23 įC. De relatieve vochtigheid bedraagt gemiddeld 80%. Gemiddeld is ca. 60% van de hemel met wolken bedekt. De winden waaien overheersend uit oostelijke richtingen en zijn, behalve tijdens sibiboesies, meest zwak, met snelheden van 1 ŗ 2 m/s. Het klimaat in het binnenland wijkt slechts weinig van het boven beschrevene af; in het algemeen is de neerslag er hoger.
1.4 Plantengroei
Suriname heeft een uitsluitend tropische plantengroei. Wat betreft de soortensamenstelling vertoont de vegetatie grote verwantschap met die van de aangrenzende Guyana's en met het Amazonegebied van BraziliŽ. Veel minder soorten heeft Suriname gemeen met de Caribische eilanden.
BouganvilleHet aantal soorten bedraagt ca. 5000. Voor een gebied van de gegeven omvang en zonder hoge bergen is dat een respectabel aantal. Suriname telt betrekkelijk veel endemische soorten. Bijzonder rijk zijn vertegenwoordigd enkele families met veel houtige soorten: Vlinderbloemenfamilie, Walstrofamilie, Wolfsmelkfamilie, Melastomataceae, Myrtaceae en Palmen en verder OrchideeŽnfamilie, Grassenfamilie en Cypergrassenfamilie, alsmede de voor Zuid-Amerika karakteristieke Bromeliafamilie en Cactusfamilie.
De vegetatiezones liggen evenwijdig aan de kust. De zwampen (moerassen) komen vnl. voor in een strook tot ca. 50 km van de kust. De zwampen direct achter de kust worden telkens door zeewater geÔnfiltreerd. Het zoutgehalte kan hier sterk wisselen en zeer hoog zijn. Massaal treedt hier het gras Sporobolus virginicus op. De zwampen zijn van elkaar gescheiden door ritsen: enkele meters hoge en enkele tien- tot honderdtallen meters brede zandruggen, ontstaan als strandwallen. De ritsen zijn meestal met bos begroeid. In de zwampen domineren vaak cypergrassen, veelal ťťn soort, bijv. de op papyrus gelijkende Cyperus giganteus, die enkele meters hoog wordt, Cyperus articulatus, of ook wel lisdodden. Typisch zijn de zwiebelzwampen met een drijvend vegetatiedek; over de drijvende laag van wortelstokken met wortels en humus kan men met enige moeite nog juist lopen. Hierin zijn het cypergras Lagenocarpus guianensis en het gras Leersia hexandra karakteristiek. Plaatselijk treedt in de zwampen veel mierehout (Triplaris surinamensis) op.
De savannen treden vnl. op in een strook tussen 50 en 100 km van de kust, maar ook op kleine plateaus van de oude ritsen en op het kwelderlandschap achter de ritsen. De savanne ontwikkelt zich op plaatsen waar van nature een slechte waterhuishouding heerst (dit hangt samen met de bodemstructuur), waar de bodem arm is aan voedingsstoffen, of op plaatsen waar ten dele aan dergelijke voorwaarden is voldaan en bovendien het bos door herhaaldelijk optredende branden zich niet meer kan herstellen. De bodem in de savanne wordt slechts spaarzaam door planten bedekt. De vegetatie bestaat vnl. uit kruiden, waaronder veel xeromorfe (aan een zeer droog klimaat aangepaste) soorten. Typerend zijn xeromorfe grassen als Andropogon- en Pennisetum-soorten, en verder vooral soorten uit de Cypergrassenfamilie, Vleugeltjesbloemfamilie, Xyridaceae en Eriocaulaceae. Verspreid komen er palmen, andere bomen en heesters in voor. Als de enkele meters hoge, op appelbomen gelijkende Curatella americana (Dilleniacea) optreedt, doet de savanne enigszins aan een boomgaard denken. In de natte open savanne komen verspreid struikjes voor. Overgangen naar bostypen zijn de struiksavannen. Vanaf ongeveer 100 km van de kust overheerst het bos, maar ook dichter bij de kust neemt het een zeer belangrijke plaats in. Veel bostypen zijn rijk aan lianen en epifyten (vooral soorten uit de OrchideeŽnfamilie en uit de Bromeliafamilie). Het meest gecompliceerde bostype is het tropisch regenwoud of drooglandbos, te onderscheiden in heuvel- en laag-berglandbos. In tegenstelling tot de andere hierna genoemde bostypen is er geen sprake van dominantie van ťťn of een klein aantal boomsoorten. De andere bostypen zijn: rivieroeverbos, kreekbos, zwampbos, ritsenbos, kustbos en savannebos. In de rivieroeverbossen is Mora excelsa vaak dominant. Deze bossen leveren ongeveer hetzelfde aspect op als de kreekbossen. In de zwampbossen kan de lage watrabťbť (Pterocarpus officinalis) optreden, of de tot 35 m hoge baboe (Virola surinamensis). Het ritsenbos, tussen de zwampen, verschilt in samenstelling naarmate het dichter bij de kust of verder landinwaarts is gelegen. Typisch is het nabij de kust voorkomende Cereus-bos op zandritsen, waarin de tot 12 m hoge cactus Cereus domineert. Elders is de maripapalm (Maripa maximiliana) aspectbepalend. Het kustbos bestaat uit mangrove (= vloedbos), met vnl. de parwa (Avicennia nitida). Als eerste houtsoort treedt de mangro (Rhizophora mangle) op. In het savannebos vindt men veelal savannemangro's (Clusia nemorosa en C. fockeana). In overgangen naar vochtige savannen is op witte zandgrond de dakama (Dimorphandra conjugata) typisch, in overgangen naar het regenwoud de walaba (Eperua falcata). Behalve de bovengenoemde vegetatiezones komen ook nog enkele bijzondere formaties voor. De granietrotsbegroeiing vertoont enige overeenkomst met de savannevegetatie. Kale granietbergen tot 200 ŗ 300 m hoog treft men in het binnenland aan. De open ligging is verantwoordelijk voor snelle uitdroging en grote temperatuurverschillen. De spaarzame vegetatie is voornamelijk gelokaliseerd in rotsspleten en beschutte hoekjes en bestaat meestal uit succulente of andere scleromorfe (zie sclerofyt) planten, vooral soorten uit de OrchideeŽnfamilie, Bromeliafamilie en Cactussenfamilie. Ook hier is de bodem voedselarm en de watervoorziening slecht. In het open water zijn, naast soorten uit de Fonteinkruidfamilie, Waterleliefamilie en Trapaceae vooral die uit de Eichhorniaceae karakteristiek. De snelle groei van de waterhyacint (Eichhornia crassipes) veroorzaakt vooral onder kunstmatige omstandigheden, zoals in stuwmeren, veel overlast. In de stroomversnellingen groeien op de grotendeels ondergedoken granietstenen vertegenwoordigers van de Podostemaceae, die op de steen zijn vastgehecht.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is van een tropisch Zuid-Amerikaans karakter en omvat in hoofdzaak de fauna van het tropisch regenwoud (Guyana- en Braziliaanse typen) en in geringere mate ook die van de savannen in de binnenlanden. De dierenwereld is nog onvolledig bekend; hoewel de vroegste studiŽn van voor Linnaeus dateren (Maria Sibylla Merian, 1705), kwam grootscheeps onderzoek pas op gang na de Tweede Wereldoorlog (vnl. vanuit het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden). De zoogdieren omvatten ca. 140 soorten, o.a. 8 soorten apen (w.o. brulapen en kapucijnerapen) en 14 soorten roofdieren (w.o. jaguar, poema, ocelot, wasbeer, neusbeer en twee soorten visotters). De vleermuizen zijn met ca. 65 soorten goed vertegenwoordigd (o.a. de bloedzuigende vampiers); de knaagdieren omvatten ca. 25 soorten, variŽrend van het grote waterzwijn tot paka's, agoeti's en cavia's (huismuis, bruine en zwarte rat zijn ingevoerd). Van de haasachtigen is slechts ťťn soort bekend. De tandarmen omvatten drie soorten miereneters, twee soorten luiaards en vijf soorten gordeldieren (waaronder het reuzengordeldier). De Zuid-Amerikaanse tapir, twee soorten pekari's en drie soorten herten vormen de Surinaamse hoefdieren; voor de kust en in de riviermonden komt een zeekoeiesoort voor. De buideldieren zijn slechts vertegenwoordigd door de familie van de opossums en tellen tien soorten. De vogelwereld is zeer rijk en omvat meer dan 600 soorten. De trekvogels (vnl. steltlopers uit het noorden) omvatten ten minste 60 soorten. Typische vogels zijn o.a. rode ibis, ralreigers, zwarte gier, hokko's, hoatzin, toekans, papegaaien (vooral ara's), ijsvogels, kolibries, motmots, rotshaan en boshaan, glansvogels en wevervogels. AmfibieŽn en reptielen zijn in groten getale bekend geworden (wormsalamanders, Surinaamse pad, pijlgifkikkers, kaaimannen, kamhagedis of leguaan, boa constrictor, anaconda, bosmeester en ratelslangen onder de gifslangen, en zee-, water- en landschildpadden). De vissen omvatten in het zoete water tal van bekende aquariumvissen (karperzalmen en al of niet levendbarende tandkarpers); vooral meervalachtigen zijn rijkelijk voorhanden. Speciale vermelding verdienen de piranha's, sidderaal, pijlstaartrog, vieroogvissen en de cichliden. Lagere dieren zijn o.a. vertegenwoordigd door reuzenduizendpoten, vogelspinnen, tot meer dan 13 cm lang wordende landslakken en een ontelbare insectenwereld, waaronder beroemde vlinders als Morpho en de merkwaardige lantaarndrager onder de cicadenachtige wantsen. De kust en het goeddeels modderige continentale plat huisvesten een tropisch Caribische fauna, met o.a. commercieel belangrijke vissen en kreeftachtigen. Talloze dieren worden gejaagd en gegeten, vooral apen, knaagdieren en hoefdieren; zeeschildpadeieren zijn eveneens zeer in trek. De jacht is voldoende gereguleerd, maar in de praktijk blijkt het moeilijk de besluiten toe te passen; stroperij is aan de orde van de dag en in delen van het binnenland is een aantal bepalingen niet van toepassing. Zeeschildpadden en hun legsels worden beschermd door een gemengd systeem van reservaten, quota en verboden. De natuurbescherming behoort daarmee tot de beste in Zuid-Amerika. In negen reservaten verspreid door het land worden fauna en flora redelijk tot goed beschermd. Op basis van deze gebieden is een bescheiden natuurtoerisme ontstaan; de bekendste van deze gebieden zijn stranden waar zeeschildpadden nestelen, het Raleighvallen-Voltzbergreservaat, de Tafelberg, de Sipaliwinisavanne en de Brownsberg. De Aziatische mungo (een mangoest) werd in het begin van deze eeuw ingevoerd ter bestrijding van ratten en de bosmeester (een gifslang); de verspreiding bleef tot op heden beperkt.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking vertoont een grote etnische verscheidenheid ten gevolge van de gevoerde koloniale arbeidspolitiek tot instandhouding van de plantagelandbouw. De bevolking wordt onderscheiden in niet minder dan acht etnische groeperingen. De creolen, mensen van een (vaak gedeeltelijk) Afrikaanse afstamming (met uitzondering van de Bosnegers of Marrons), waren tot voor kort de omvangrijkste groep. Zij zijn het langst met het (Nederlandse) onderwijs in aanraking geweest. Creolen zijn sterk in de stad vertegenwoordigd; zij vervullen administratieve beroepen en waren en zijn ook actief in de mijnbouw. Hun vroegere sociaal-politieke dominantie is teniet gedaan door de demografische en sociaal-economische groei van de Hindoestanen (na afschaffing van de slavernij als arbeidskrachten uit India gecontracteerd), die in de stedelijke administratie een plaats naast de creolen hebben opgeŽist en het grootste deel van de handel in handen hebben. Ook de IndonesiŽrs (Javanen) zijn niet meer uitsluitend landbouwers; er heeft zich een proces van sociaal-economische stijging voorgedaan. De Chinezen vormen een handelsminderheid. Europeanen (vnl. Nederlanders) en overigen, onder wie Libanezen en Anglo-Amerikanen, zijn in aantal gering, maar hun sociale en economische macht blijft aanzienlijk. Vroeger woonden de Bosnegers terzijde van de samenleving in het binnenland. Hun relatieve isolement is echter doorbroken, deels uit keuze, deels gedwongen door de oorlogssituatie in het binnenland. Hetzelfde geldt - in mindere mate - voor de Indianen: dezen zijn te onderscheiden in Benedenlandse Indianen (vnl. Arowakken en Cariben), wonend in het kustgebied, en Bovenlandse Indianen (verdeeld in een aantal vaak zeer kleine volken, o.a. Wajana's, Trio's, Akoerio), in de binnenlanden. Deze laatsten nemen, nadat zij een tijdlang met uitsterven werden bedreigd, weer in aantal toe.
De bevolking is geconcentreerd in de kuststreek; daar woont ca. de helft in een straal van 35 km rondom Paramaribo. Groot-Paramaribo heeft ca. 200.000 inw. De resterende bevolking woont in kleine nederzettingen langs de kust en langs de rivieren. De enige andere plaats van betekenis is Nieuw Nickerie.
Naar schatting wonen er ruim 300.000 personen van Surinaamse afkomst in Nederland.
2.2 Demografie
In 1994 bedroeg het inwoneraantal van Suriname ca. 418.000. Een ruwe schatting van de etnische samenstelling is als volgt: Hindoestanen 35%, creolen 32%, Javanen 15%, Marrons 10,5%, Indianen 2,5%, Chinezen 2%, Europeanen 1,5%, anderen 1,5%. De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1985-1994 1,1%. Het geboortecijfer was in 1991 23Č, het sterftecijfer 6Č.
2.3 Taal
Er worden ca. 20 talen gesproken. De officiŽle taal is het Nederlands. Het Surinaams of Sranantongo (soms ook neger-Engels of denigrerend takki-takki genoemd) ontwikkelde zich reeds vroeg tijdens de slaventijd als creoolse taal. Het 'Sranan' is te onderscheiden van de door de Bosnegers gesproken talen zoals het Saramakaans en het Aukaans. De Indianen spreken verschillende Indiaanse talen. De in de 19de eeuw gearriveerde contractarbeiders brachten het Hindi, Javaans en Chinees, uiteraard in verschillende dialecten, die in Suriname integreerden; zo spreekt men bijv. van het Sarnami-Hindi. De lingua franca tussen de groepen is het Sranantongo.
2.4 Religie
De religieuze verscheidenheid is in hoge mate congruent met de etnische. De creolen behoren vnl. tot de christelijke kerken: ruim 40% van hen behoort tot de Rooms-Katholieke Kerk, die in Suriname een bisdom (Paramaribo) heeft. Ongeveer eenzelfde percentage van de creolen behoort tot de Evangelische Broedergemeente, voorts ca. 10% tot de Hervormde en de Evangelisch-Lutherse Kerk. Een groeiend aantal behoort tot verschillende pinkstergemeenten. Tot de religieuze uitingen van de creolen moet ook de Winti-cultus gerekend worden. Vaak zijn creolen zowel Winti als een christelijke godsdienst toegedaan. De joden (zowel Asjkenaziem als Sefardiem) vormen een zeer kleine minderheid. De Hindoestanen hangen voor ca. 80% het hindoeÔsme aan, 15% is islamiet, 5% christen. De Javanen zijn overwegend islamiet. De Indianen zijn grotendeels, althans officieel, gekerstend. Onder de Bosnegers hebben missie en zending ook effect gehad, maar velen belijden ook animistische religies van Afrikaanse origine.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Suriname heeft als staatsvorm de parlementaire democratie. Volgens de grondwet van 1987 berust de hoogste macht bij de voor vijf jaar door de Verenigde Volksvergadering (een uitgebreid parlement) gekozen president, die naast staatshoofd en opperbevelhebber van de strijdkrachten tevens regeringsleider is. Deze laatste functie wordt ex officio uitgeoefend door de vice-president. De Nationale Assemblee is het hoogste staatsorgaan en telt 51 leden. Daarvan komen 30 voort uit het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling ( 'Nieuw Front'), zie ß 3.4.
3.2 Administratieve indeling
Suriname is ingedeeld in tien districten plus de hoofdstad. De districten zijn Paramaribo, Brokopondo, Commewijne, Coronie, Marowijne, Para, Wanica, Sipaliwini, Saramacca en Nickerie. De districten worden beheerd door een districtscommissaris en zijn bevoegdheden zijn geregeld in het Reglement op het beheer van de districten. Het district is een administratief onderdeel van de centrale regering in Paramaribo, en de districtscommissaris krijgt zijn instructies van de minister van Districtsbestuur en Decentralisatie. De districten zelf zijn weer onderverdeeld in gebieden die onder een bestuursambtenaar met vaste standplaats vallen. Er is geen gemeentelijke indeling. Wel onderscheidt men binnen een district verschillende gemeenschappen, zoals vestigingsplaatsen (oude plantages), dorpsgemeenschappen, waterschappen en dorpen (grondjes). Deze gemeenschappen, al of niet officieel gereglementeerd, hebben verschillende achtergronden en structuren, maar van echte decentralisatie is daarbij geen sprake.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Suriname is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties en van de Organisatie van Amerikaanse Staten, is geassocieerd met de EU en waarnemer bij de CARICON (Caribische Gemeenschappelijke Markt).
3.4 Politieke organisaties en vakbonden
De volgende politieke partijen speelden vůůr de militaire staatsgreep van 1980 en na de herdemocratisering in 1987 een belangrijke rol: de Kaum Tani Persatuan Indonesia, nu genaamd Kerukanan Tulodo Pranatan Ingil (KTPI = Partij voor Nationale eenheid en saamhorigheid van de Hoogste Orde), steunend op de Javaanse bevolkingsgroep; de Nationale Partij Suriname (NPS), de grootste partij voor de creolen; de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP), steunend op de Hindoestaanse bevolkingsgroep. Samen vormen deze drie partijen het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling. Voorts zijn er de met legerleider Bouterse gelieerde Nationale Democratische Partij (NDP) en het Democratisch Alternatief '91 (DA '91), een bundeling van vier partijen.
De vakbeweging speelt van oudsher een belangrijke rol in het maatschappelijk leven en is vaak gelieerd aan een politieke partij. De belangrijkste vakbonden zijn het Algemene Verbond van Vakverenigingen in Suriname, 'de Moederbond' (15.000 leden), de Centrale 47 (C-47) (7600 leden) en de Centrale van Landsdienaren Organisaties (13.000 leden). Deze drie bonden verenigden zich in 1987 in de Raad van Vakverenigingen Suriname.

4. Economie
4.1 Algemeen
PictureOp economisch gebied wordt Suriname wel een plantagemaatschappij-nieuwe-stijl genoemd. De economie is van oudsher sterk afhankelijk van het buitenland. Tijdens de bloei van de plantagelandbouw dreef het land economisch op de export van tropische producten (suiker, koffie, cacao, katoen). In de 20ste eeuw ging de bauxietwinning een steeds overheersender rol spelen: deze bedrijfstak, die volledig in buitenlandse handen is (Verenigde Staten, Nederland), zorgde in 1973 nog voor 75-80% van de uitvoerwaarde, voor ruim 40% van de inkomsten van de overheid en voor ruim eenderde van het Bruto Nationaal Product (bnp). In 1982 was dit laatste getal gedaald tot 13%. Het belang van de bauxietwinning nam in de volgende periode verder af. Het aandeel van deze sector in de exportwaarde bleef tussen de 75 en 80%. Met het oog op de uitputting van de bestaande voorraden is de overheid in samenwerking met de bauxietmaatschappijen bezig nieuwe reserves te ontginnen in het westen. Daartoe was voor dit gebied een grootscheeps ontwikkelingsplan opgezet, dat deels met Nederlandse financiŽle steun zou worden gerealiseerd en dat o.a. ook voorzag in de bouw van een hydro-elektrische installatie bij Kabalebo. Het programma zou ook de landbouw, bosbouw en industrie ten goede komen. De wereldbauxietcrisis en de politieke ontwikkelingen hebben echter de uitvoering van dit project verhinderd. Sinds de staatsgreep in 1980 door Desi Bouterse is het bnp dalende, alleen de inflatie stijgt. (foto : papiergeld in Suriname )
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Ca. 14% van de werkende bevolking is werkzaam in de landbouw, visserij en bosbouw, die ca. 14% aan het Bruto Nationaal Product (bnp) bijdragen. Het in cultuur gebrachte areaal is beperkt tot een kleine strook in de kustvlakte. Een aanzienlijk deel daarvan wordt in beslag genomen door grootlandbouwbedrijven, zoals het rijstbedrijf Wageningen. De productie van palmolie heeft vanaf 1975 een veelbelovende groei te zien gegeven. De overheid exploiteert een aantal bakoveplantages (bananen). De kleinere landbouwbedrijven worden vnl. door Javanen en Hindoestanen geŽxploiteerd. Het land voorziet in de eigen behoeften aan suiker, citrusvruchten, rijst en bananen. De veehouderij is van weinig betekenis. Hoewel 85% van het grondgebied met bossen (w.o. waardevolle houtsoorten en rubber producerende soorten) is bedekt, zijn bosbouw en houtverwerking economisch van beperkte betekenis, gezien de moeilijkheid van de winning van commercieel aantrekkelijke houtsoorten. Het aandeel van de houtexport aan de totale export is sedert het begin van de jaren zeventig gedaald. De visserij op de rivieren en in de kustwateren is voortdurend in betekenis toegenomen, in het bijzonder de vangst van garnalen.
4.3 Industrie
Afgezien van de bauxietverwerking is de industrie van weinig betekenis. Er zijn enkele voedselverwerkende, kleding- en schoenbedrijven, vnl. gericht op de binnenlandse markt. De industrie draagt ca. 22% bij aan het bnp; 14% van de actieve beroepsbevolking werkt in deze sector.
4.4 Mijnbouw en energievoorziening
De bauxietwinning is in handen van de Amerikaanse Suralco (ALCOA) en de Nederlandse Billiton Maatschappij (sinds 1970 behorend tot de Koninklijke/Shell Groep). Lange tijd is Suriname de belangrijkste bauxietleverancier (grondstof voor aluminium) van de wereld geweest, maar in 1989 kwam Suriname op de achtste plaats (3,3%). De belangrijkste vindplaatsen zijn Moengo, Paranam en Smalkalden. Bij Paranam liggen aluinaardefabrieken. IJzererts, nikkel, platina, tin, koper, mangaan, diamanten en goud worden op kleine schaal gewonnen. In het district Saramacca is aardolie gevonden. Energieopwekking geschiedt door middel van dieselmotoren. De hydro-elektrische centrale te Afobaka (in het district Brokopondo) is de belangrijkste energiebron. De gasproductie geschiedt door steenkolenvergassing.
4.5 Handel
De belangrijkste uitvoerproducten zijn: bauxietproducten, rijst en garnalen. De belangrijkste afnemers zijn: Nederland, Noorwegen, Groot-BrittanniŽ, de Verenigde Staten, Venezuela, Duitsland en ArgentiniŽ. Ingevoerd worden: voedingsmiddelen, machinerieŽn, aardolie en transportmiddelen. De voornaamste leveranciers zijn: de Verenigde Staten, Nederland, BraziliŽ, Nederlandse Antillen en Trinidad en Tobago.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking
Na de onafhankelijkheid heeft Suriname van de Nederlandse overheid ontwikkelingshulp ter waarde van É 3, 5 miljard toegezegd gekregen, die onder toezicht van de gemengd Nederlands-Surinaamse commissie (CONS) aan verschillende projecten besteed moest worden. De 'Decembermoorden' van 1982 leidden echter tot de opschorting van het ontwikkelingsverdrag. Pas na de redemocratisering (vanaf 1987) werd weer een aanvang genomen met de ontwikkelingssamenwerking, die echter na de 'telefooncoup' van dec. 1990 opnieuw door Nederland werd opgeschort. In het kader van het raamverdrag van juni 1992 (zie ß Geschiedenis) werd in opdracht van de EU een aanpassingsprogramma voor het herstel, de groei en de structurele aanpassing van de Surinaamse economie opgesteld. Afgesproken werd dat een aanzienlijk deel van de É 1,3 miljard die Suriname nog van Nederland te goed had hieraan besteed zou worden. In 1994 ontving Suriname voor $60 miljoen aan internationale steun.
4.7 Bankwezen
Centrale bank is de Centrale Bank van Suriname.
4.8 Verkeer
Het wegennet strekt zich uit over ca. 9000 km. Als overblijfsel van een groter spoorwegnet is er nog een ca. 86 km lange spoorlijn van Onverwacht (bij Paramaribo) via Zanderij naar Bronsweg aan het Van Blommesteinmeer. In 1978 is in het kader van de ontwikkeling van West-Suriname een spoorlijn van 80 km geopend tussen het Bakhuysgebergte en Apoera aan de Corantijnerivier. De rivieren hebben, met een bevaarbare lengte van 1500 km, een functie voor het vervoer in het binnenland. De grootste zeehaven is Paramaribo. De nationale luchtvaartmaatschappij is de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij (SLM); bij Paramaribo ligt de internationale luchthaven Zanderij. Verspreid over het land zijn er ca. 35 airstrips voor kleine vliegtuigen.
4.9 Emigratie
De economische ontwikkeling van Suriname is ernstig belemmerd door de massale emigratie vanuit Suriname naar Nederland. Ten tijde van de onafhankelijkheid leefde 1/3 van de Surinaamse bevolking in het voormalige moederland. De emigratie heeft zich sindsdien voortgezet, ook toen de vestiging in Nederland na 1980 wettelijk aan banden werd gelegd. Niet alleen betekent deze emigratie een verlies van potentiŽle consumenten en producenten, maar ook een desastreuze 'braindrain', daar juist ook het geschoolde kader Suriname heeft verlaten.

5. Geschiedenis
In 1593 werd Suriname door de Spaanse kroon in bezit genomen, maar spoedig weer verlaten. Ook Nederlanders stichtten er een vestiging, die echter evenmin stand hield. Na 1650 vestigde een groep Engelse kolonisten uit Barbados zich met succes aan de Surinamerivier; in 1667 telde hun kolonie 175 plantages en ruim 4000 kolonisten en slaven.
5.1 Eigendom West-Indische Compagnie
In dat jaar veroverden de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen Suriname en na de Vrede van Breda (1667) konden zij de kolonie voorgoed in bezit houden. In 1682 droeg de provincie Zeeland de kolonie over aan de West-Indische Compagnie (WIC), die op haar beurt een aparte naamloze vennootschap stichtte, de 'Societeit van Suriname', waarvan eenderde van de aandelen in handen kwam van de WIC, eenderde van de stad Amsterdam en eenderde van de familie Van Aerssen van Sommelsdijk.
Een lid van de laatste familie, Cornelis van Aerssen, werd de eerste gouverneur van Suriname. Hij zette zich in voor de vergroting van het aantal plantages. Door oorlog te voeren tegen de Indianen en de weggelopen slaven trachtte hij Suriname aantrekkelijk te maken voor Europese investeerders, wier geld onontbeerlijk was voor de ontwikkeling van de kapitaalintensieve plantagelandbouw gericht op de export van koffie en suiker. Alle opvolgers van Van Aerssen zetten deze politiek ten gunste van de 'grote landbouw' voort.
De Surinaamse koffie en suiker werden op de Nederlandse markt verkocht en dienden daar te concurreren met soortgelijke producten uit Frans West-IndiŽ. Rond 1750 nam Frankrijk de raffinage en het vervoer van de West-Indische koffie en suiker zelf ter hand. Suriname leek nu op de Nederlandse markt een grotere afzet te krijgen. Met het oog hierop hebben de Nederlandse beleggers (vooral uit Amsterdam) tussen 1751 en 1773 meer dan É 60 miljoen in Suriname geÔnvesteerd. Zij hoopten dat Suriname de grootste suiker- en koffieleverancier van de Republiek zou worden. Deze verwachtingen kwamen niet uit; de extra investeringen stelden de Surinaamse planters weliswaar in staat grote aantallen slaven aan te kopen, maar de omvang en de waarde van de export nam niet navenant toe.
In 1773 maakte een crisis op de Amsterdamse beurs een plotseling einde aan de kapitaaltoevoer naar Suriname. Veel planters hadden te veel geleend en konden de rentebetalingen en de aflossing niet voldoen en waren verplicht hun plantages te verkopen aan de geldschieters in Nederland. Daardoor verdwenen veel planter-eigenaars uit de kolonie en hun plaats werd ingenomen door administrateurs en directeuren.
Voor de slaven was deze verandering van weinig betekenis. Zij bleven gedwongen om hun arbeid ter beschikking van de plantages te stellen. Hun aantal werd rond 1800 op 50!000 geschat. Na de verovering van Suriname door de Engelsen in 1799 werd in 1806 de aanvoer van slaven uit Afrika verboden. Door deze maatregel kon het sterfteoverschot onder de slaven niet langer door nieuwe aanvoer gecompenseerd worden; de ongelijkheid onder de seksen (tweederde van de aangevoerde slaven waren mannen) zorgde voor een langzame afname van het aantal slaven. Voorts liep een deel van de slaven weg (rond 1780 was dat 10% van het totale aantal slaven) en deze weglopers vormden aparte 'bosnegergemeenschappen', die de koloniale regering niet kon vernietigen en waarmee zij vredesverdragen afsloot om de plantages voor verdere aanvallen te vrijwaren.
5.2 Afschaffing slavernij en de gevolgen daarvan
In 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft (er waren toen nog ongeveer 30!000 slaven) en in 1873 werden de ex-plantageslaven echt vrij; in dat jaar verviel hun verplichting om jaarlijks een arbeidscontract met een plantage-eigenaar af te sluiten. Teneinde het tekort aan arbeidskrachten op te vangen werden vele plantages samengevoegd en werd de verwerking van het suikerriet in de suikermolens beter gemechaniseerd. In 1862 telde Suriname 216 plantages, in 1913 nog 79. De totale opbrengst aan suiker bleef overigens door de eeuwen heen vrijwel constant, wel verdwenen de koffie, de cacao en de katoen.
Hoewel de 'grote landbouw' steeds minder economische betekenis kreeg, bleef de koloniale politiek gericht op de bevordering van deze sector. De ex-slaven, die niet op de plantages wilden werken, kregen geen land voor de verbouw van voedsel; zij dienden zoveel mogelijk ter beschikking van de plantages te blijven. De overheid voerde ruim 30.000 Brits-IndiŽrs naar Suriname en ruim 33.000 Javanen, die zich vůůr hun verscheping hadden verplicht voor de duur van vijf jaar op de plantages te werken, waarna ze naar huis konden terugkeren. In 1916 kwam aan de invoer van Brits-IndiŽrs een einde door nationalistische oppositie in India tegen deze vorm van arbeidsmigratie. Aan de aanvoer uit Java kwam een einde door de achteruitgang van de plantages. Ongeveer tweederde van de Indiase en Javaanse contractarbeiders keerde overigens niet naar huis terug, maar vestigden zich in de kolonie, nadat de koloniale overheid na 1890 het bezit van kleine percelen voor de voedsellandbouw begon te bevorderen.
Buiten de plantagelandbouw waren er maar weinig economische alternatieven. Goud- en balatavondsten verschaften een deel van de mannelijke ex-slaven emplooi, terwijl de groei van het overheidsapparaat eveneens een aantal arbeidsplaatsen schiep. Van een industriŽle ontwikkeling in Suriname was maar beperkt sprake. Rond 1970 verdiende 23% van de beroepsbevolking zijn brood in de landbouw ( 'groot' en 'klein'), 15% in de industrie en 40% in de dienstensector (overheid, ambachten).
De sociale structuur van Suriname werd in sterke mate beÔnvloed door het gebrek aan contacten tussen de verschillende bevolkingsgroepen. De slavenemancipatie van 1863 had tot gevolg, dat een groot deel van de oorspronkelijk uit Afrika afkomstige bevolking de plantagelandbouw de rug toekeerde en zich richtte op werk in de bos- en mijnbouw alsmede in de dienstensector. Hun plaats in de 'grote' landbouw werd ingenomen door de Hindoestanen en de Javanen. Aan de top bevonden zich de blanke plantagehouders en de uit Nederland afkomstige bestuursambtenaren. De kleine creoolse middenstand voelde zich met de blanke bovenlaag verbonden.
De sociale machtsverhoudingen werden weerspiegeld in de Staten van Suriname, die in 1866 werden ingesteld. In feite vormde dit college een voortzetting van de raad, waarin planters en gouverneur overlegden over de te volgen politiek. De leden van de Staten van Suriname werden tot 1901 benoemd door de gouverneur, daarna werden zij gekozen volgens het censuskiesrecht; pas in 1948 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd.
5.3 Politieke ontwikkeling na 1945
Na de oorlog werd Suriname een ruime mate van autonomie verleend. In het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954) werd de positie van Suriname en de Nederlandse Antillen geregeld. Sedertdien werd door de politieke partijen een lossere band met het Koninkrijk nagestreefd. Delen van de voornamelijk onder de creolen aanhangers tellende Nationale Partij Suriname (NPS) - de partij van J. Pengel, die als premier van 1963 tot 1969 het politieke leven beheerste - en de Partij Nationalistische Republiek (PNR) van E. Bruma - die belangrijke bindingen had met de Surinaamse moederbond, de vakcentrale - streefden naar zelfstandigheid op korte termijn. De door J. Lachmon - voorzitter van de Staten van Suriname, tevens sedert ca. 1970 de invloedrijkste politicus - geleide Hindoestaanse Vatan Hitkari Partij (VHP) wenste vooralsnog bestendiging van de band met Nederland.
Onder premier Pengel en zijn opvolger J. Sedney - lid van de Progressieve Nationale Partij (PNP) en leider van een PNP-VHP-coalitie - nam het verzet tegen de slechte sociaal-economische situatie toe: zo waren er stakingen bij het onderwijs (die tot de val van Pengel leidden), bij de Suriname Aluminium Company (Suralco), terwijl begin 1973 een algemene staking plaatsvond. Bij parlementsverkiezingen in 1973 wist de Nationale Partij-kombinatie (NPK), waarin NPS, KTPI, PSV (Progressieve Surinaamse Volkspartij) en PNR samenwerkten, de overwinning te behalen; de regerende PNP verdween van het politieke toneel. H. Arron, voorzitter van de NPS en de NPK, vormde een nieuwe regering, die aankondigde het land vůůr eind 1975 onafhankelijk te willen maken. In okt. 1975 werd in het Nederlandse parlement een wet tot wijziging van het Koninkrijksstatuut aanvaard. In Suriname bereikten premier Arron en oppositieleider Lachmon, die zich tot dan toe zeer had verzet tegen onafhankelijkheid, overeenstemming over de Grondwet, die daarna werd aangenomen.
5.4 Onafhankelijkheid en militaire staatsgreep
Op 25 nov. 1975 werd Surinames onafhankelijkheid een feit; J.H.E. Ferrier, tot dan toe gouverneur, werd de eerste president. Premier Arron bleef leider van een NPK-kabinet. Na de eerste parlementsverkiezingen in het zelfstandige Suriname in okt. 1977, die door de NPK werden gewonnen, vormde Arron opnieuw een regering. In febr. 1980 kwam een oud conflict tussen regering en beroepsmilitairen over de oprichting van een vakbond tot uitbarsting, wat uitliep op een militaire staatsgreep (25 febr. 1980). De burgerregering verdween en een aantal van de opstandige militairen, van wie B. Sital en Desi Bouterse het meest op de voorgrond traden, vormde een Nationale Militaire Raad (NMR), die verklaarde de macht overgenomen te hebben, de corruptie te zullen beŽindigen en ingrijpende sociale en economische hervormingen te zullen doorvoeren. President Ferrier was aanvankelijk bereid de staatsgreep min of meer te legaliseren op voorwaarde dat er een burgerregering zou komen. Deze werd half maart gevormd en geplaatst onder leiding van H. Chin A Sen, een vooraanstaand lid van de PNR. Half mei aanvaardde het parlement een machtigingswet, die de regering verstrekkende bevoegdheden gaf en de rol van de volksvertegenwoordiging elimineerde.
In de volgende jaren kende Suriname regeringen van duidelijk linkse signatuur en meer gematigde kabinetten, met dien verstande dat de militairen onder leiding van Desi Bouterse ( 'Bevel') het laatste woord hadden. Een dieptepunt vormden de '8-decembermoorden' van 1982, waarbij vijftien prominente oppositieleden door de militairen werden geŽxecuteerd.
Door de politieke onvrijheid, de almaar verslechterende economische situatie en het ontstaan van een guerrilla onder leiding van Ronnie Brunswijk in de binnenlanden slonk de populariteit van Desi Bouterse ( 'Bevel'), de militaire machthebber.
5.5 Terugkeer politieke partijen
Uiteindelijk zagen de militairen zich gedwongen met de 'oude burgerlijke' partijen in overleg te treden. Dit leidde tot het referendum en de verkiezingen van 1987, die de oude partijen weer in het kabinet brachten. De president, R. Shankar, werd de belangrijkste man (regeringsleider) in het land. De militairen behielden echter, ondanks hun zware nederlaag tijdens de verkiezingen, achter de schermen grote macht.
5.6 Ontwikkelingshulp ter discussie
Vanaf 1987 kwam het overleg met Nederland over het hervatten van de ontwikkelingshulp weer op gang. Maar in 1990 werd de inmiddels hervatte hulp wederom opgeschort na een nieuwe staatsgreep, de 'telefooncoup', door militairen op kerstavond. In de daarna uitgeschreven verkiezingen kwamen de 'oude partijen', verenigd in het Nieuw Front, als grootste partij naar voren.
Ronald Venetiaan werd in sept. 1991 als opvolger van interim-president J. Kraag tot president gekozen en vormde met leden van Nieuw Front een regering die een grotere toenadering tot Nederland zocht. In juni 1992 tekenden Nederland en Suriname een raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking. Hiermee kwam ook een protocol tot stand over de besteding van de 1, 3 miljard gulden die Suriname nog krachtens een verdrag uit 1975 van Nederland te goed had. Beide staten spraken af vooral de georganiseerde grensoverschrijdende misdaad (m.n. cocaÔnehandel) aan te pakken. Ondanks sterk verzet van het leger benoemde Venetiaan in mei 1993 Arthy Gorrť tot bevelhebber van het leger. Hierdoor werd de rol van Bouterse, die het jaar daarvoor ontslag uit zijn militaire functies had genomen, verder teruggedrongen.
In 1994 was er sprake van grote sociale onrust vanwege de gierende inflatie (meer dan 300% op jaarbasis), die vooral de salarissen van overheidspersoneel uitholde. Begin okt. kwam ook de onrust in het leger naar buiten, toen een delegatie van officieren haar beklag deed over lage lonen en gebrek aan voedsel en materieel. Van de beloofde reorganisatie van de strijdkrachten was een jaar na de benoeming van Gorrť nog weinig terechtgekomen. De economische situatie was zo chaotisch dat het land op de been moest worden gehouden met geld en voedselpakketten uit Nederland.
Nieuwe hulptoezeggingen van Nederland en een vergelijk met Den Haag bleven uit, omdat Suriname het IMF en de Wereldbank niet wilde accepteren als toezichthouder op zijn herstelprogramma. Een Brits onderzoeksinstituut dat wel als zodanig werd gedoogd, kondigde aan zich liever terug te trekken, omdat de Surinaamse regering niets met de economische adviezen deed.
Ook 1995 stond in het teken van de moeizame pogingen van de regering om te komen tot een economisch saneringsprogramma. Tijdens een bezoek van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo aan Paramaribo, begin okt. 1995, werd het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname geratificeerd, dat na de decembermoorden van 1982 was opgeschort. In febr. 1996 ondertekenden het Surinaams bedrijf Staatsolie en ABN AMRO contracten voor de bouw van een olieraffinaderij die ongeveer de gehele Surinaamse olieproductie zou moeten kunnen verwerken.
Bij de parlementsverkiezingen van mei 1996 verloor het Nieuwe Front (NF), een coalitieverband van vier partijen, ťťn vijfde van de zetels en raakte het de meerderheid in het parlement kwijt. De voormalige leider van het junglecommando, Ronnie Brunswijk, behaalde met zijn Algemene Bevrijdings- en Ontwikkelings Partij (ABOP) geen enkele zetel. De NPD van Desi Bouterse was een van de grote overwinnaars. Het was evenwel aan het uiteenvallen van de NF-coalitie te danken dat NPD'er Jules Wijdenbosch bij de presidentsverkiezingen van sept. oud-president Ronald Venetiaan kon verslaan. Dit laatste tot grote teleurstelling van de Nederlandse regering en het parlement, die vreesden dat Bouterse zich achter de schermen de ware machthebber zou tonen.
Het snelle economische herstel zette in 1996 door met een groei van 4%, mede door de gestegen bauxietprijzen. Het strakke monetaire beleid en een sterk verbeterde belastinginning, met behulp van Nederlandse experts, zorgden voor een stabielere munt, een sterke daling van de inflatie en een verbetering van de overheidsfinanciŽn. In april 1997 verklaarde president Wijdenbosch echter dat Suriname in het vervolg zou afzien van de steun van Nederlandse belastingexperts.
5.7 Drugshandel
Op het gebied van de drugshandel behield Suriname zijn slechte naam. In april 1997 deelde het hoofd van de Surinaamse narcoticabrigade mee dat jaarlijks ongeveer 26.000 kilo cocaÔne via Suriname naar Europa werd gesmokkeld. Deze doorvoer had in Europa een waarde van meer dan ťťn miljard dollar, waarvan zeker 250 miljoen dollar - gelijk aan de opbrengst van de bauxietsector - in Suriname zou achterblijven. De woordvoerder sprak tevens van een toenemende dienstverlening van politieambtenaren aan de drugsmaffia.

Telefoongids Suriname
Postcodes Suriname

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009