header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

SyriŽ

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

SyriŽ (officieel: al-Djoemhoerijja al-Arabijja al-Soerijja), onafhankelijke republiek in West-AziŽ, 185.180 km2, met (schatting 1994) 14,1 miljoen inw. (76,5 inw. per km2); hoofdstad: Damascus (Dimasjk). Munteenheid is het Syrische pond, onderverdeeld in 100 piasters. Nationale feestdagen zijn 16 november en 17 april.

1. Fysische geografie
Een plateaulandschap neemt het grootste deel van SyriŽ in. In het uiterste westen, langs de kust, komen tot 2700 m hoge kalksteengebergten voor en ten oosten daarvan twee evenwijdig aan de kust verlopende, ongeveer even hoge bergruggen, Libanon en Anti-Libanon, onderling gescheiden door de slenk el-Bika, de voortzetting van het zuidelijker Jordaandal en een uiterste uitloper van het grote Afrikaans-Arabische breukgebied. Het plateau van SyriŽ, in het zuiden bestaande uit - vruchtbare - vulkanische gesteenten, o.a. basalt, gaat in het zuidoosten over in de Syrische woestijn (veel oasen). Ongeveer eenderde van de totale oppervlakte bestaat uit woestijn en/of bergen. De enige grote rivier is de Eufraat; haar voornaamste zijrivier in SyriŽ is de Chaboer. De Orontes en de Tigris, die over ca. 100 km grensrivier met Turkije is, stromen (resp. in het westen en het oosten) voor een klein deel over Syrisch grondgebied. Alle rivieren zijn van belang voor de irrigatie.
West-SyriŽ ligt in de gordel van westenwinden van het mediterrane gebied. Het regenseizoen duurt van november tot april of mei. De hellingen van Libanon en Anti-Libanon vangen de regendragende winden op (gemiddelde jaarlijkse neerslag ruim 1000 mm); in de winter zijn zij met sneeuw bedekt. De zomertemperaturen wisselen er; de winter is er mild. In de woestijnstreek (neerslag minder dan 500 mm per jaar) komen verzengende woestijnwinden en extreme temperaturen voor.

liptons.jpg (39565 bytes) location.jpg (30420 bytes) station-1.jpg (31974 bytes) station-3.jpg (39537 bytes)


1.1 Plantengroei
Deze plantengroei is sterk beÔnvloed door ingrijpen van de mens. Bijzonder duidelijk is dit in o.a. de Syrische woestijn, waar een deel van de vegetatie geheel vernietigd is; een ander deel heeft er plaats moeten maken voor doornstruiken en laag gewaardeerde zeggen. Ook de bossen in het westen zijn door de mens sterk uitgedund. Men vindt er nu een laag struikgewas en schrale bossen van altijdgroene eiken, dennen, ceders, wilde olijven en cipressen. De meest ongerepte bossen bevinden zich in het Ansarijagebergte in het noordwesten van het land.
1.2 Dierenwereld
De dierenwereld is in principe de verarmde maar gespecialiseerde fauna van woestijn en halfwoestijn. Prominent onder de woestijnbewoners zijn de talrijke en gevarieerde kleine knaagdieren en reptielen (vooral hagedissen). Van het grote wild zijn Arabische oryx en struisvogel uitgeroeid, laatstgenoemde al lang geleden; Arabische gazellen en de houbaratrap(gans) zijn zeldzaam geworden. De zoogdierorde van de klipdassen bereikt hier haar noordoostgrens. Overbejaging en erosie hebben ertoe bijgedragen dat talrijke soorten uitgeroeid of uiterst zeldzaam geworden zijn; politieke onrust en oorlogstoestanden hebben eveneens hun negatieve invloed op de dierenwereld doen gelden.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling
De samenstelling van de bevolking is als volgt: ca. 89% Arabieren, 6% Koerden, 2% ArmeniŽrs, 3% Turkomanen (Toerkmenen) en enige kleine minderheidsgroeperingen (w.o. CircassiŽrs [KaukaziŽrs] en nomaden). Er zijn naar schatting 335.000 Palestijnse vluchtelingen. De bevolkingsspreiding wordt vanuit etnisch en religieus oogpunt gekenmerkt door de concentratie van minderheden in bepaalde delen van het land: alawieten (noesairi's) wonen vooral in de provincies Latakia en Tartous in het noordwesten, Droezen in de zuidoostelijke provincie Suweida, Koerden en Turkomanen vooral in het noorden, soennitische moslims en christenen (w.o. ArmeniŽrs) wonen overwegend in de steden. De bevolkingsaanwas bedraagt 3,5% per jaar. Het groeipercentage in de steden ligt hoger dan op het platteland. Bijna 50% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. Van de bevolking woont 52% in stedelijke nederzettingen. De grootste steden zijn Damascus (ca. 1,4 miljoen inw.; 4,7 miljoen inw. in de agglomeratie), Aleppo (1,5 miljoen), Homs (558.000) en Hama (273.000).
2.2 Taal
De officiŽle taal is Arabisch, maar Koerden, Turkomanen en ArmeniŽrs gebruiken ook wel hun eigen taal.
2.3 Religie
In religieus opzicht vertoont de Syrische samenleving een grote pluriformiteit: 85% van de bevolking is islamiet (in afwijking van andere Arabische staten is de islam geen staatsgodsdienst), van wie 70% de soennitische richting is toegedaan. Van de overige (sji'itische) islamieten behoort 11,5% tot de alawieten (noesairi's), 3% tot de Droezen en 1,5% tot de isma'iliten. Van de bevolking behoort 15% tot een van de christelijke kerkgenootschappen (Grieks-katholiek, Grieks-orthodox, Syrisch-katholiek, Syrisch-orthodox, Armeens-katholiek, Armeens-orthodox, maronieten en protestanten). Er is een kleine, maar maatschappelijk belangrijke joodse gemeenschap (ca. 1500 leden) met gemeenten in Damascus, Aleppo en Kamishili.

3. Bestuur en samenleving
De Arabische republiek SyriŽ is volgens de grondwet van 12 maart 1973 een onafhankelijke volksdemocratische en socialistische staat. Sinds de revolutie van 1963 is de in 1940 opgerichte (socialistische) Ba'thpartij aan de macht. Veel macht is geconcentreerd bij de president, die tevens opperbevelhebber van het leger en secretaris-generaal van de Ba'thpartij is. De wetgevende macht berust bij een Volksvergadering, die om de vier jaar met algemeen kiesrecht wordt gekozen. De helft van de 250 afgevaardigden dient boer of arbeider te zijn.
3.1 Administratieve indeling
SyriŽ is administratief ingedeeld in 14 provincies (moehafazat), met aan het hoofd een gouverneur. De provincies zijn verdeeld in 51 districten (mantiqah), die op hun beurt weer onderverdeeld zijn in 160 gemeenten en stamgebieden. Groot-Damascus vormt een aparte bestuurseenheid.
3.2 Politieke partijen en vakbondswezen
De vorming van politieke partijen is slechts toegestaan met goedkeuring van de overheid. In 1972 werd een Nationaal Progressief Front gevormd onder leiding van de Ba'thpartij. Hieraan namen voorts deel de Socialistische Unionisten (in 1962 gesticht door Sami Sufan), de nasseristische Arabische Socialistische Unie (gesticht in 1962), de Arabische Socialistische Partij en de Communistische Partij van SyriŽ (gesticht in 1929). Een deel van de CPS weigerde aan het front deel te nemen en ging als de vleugel Riad TŁrk ondergronds. De oppositie, waarvan de orthodoxe islamitische broederschappen een belangrijk onderdeel zijn, heeft zich in 1982 verenigd in de Nationale Alliantie voor de bevrijding van SyriŽ. Sinds 1948 bestaat een overkoepelend verbond van vakverenigingen, dat vrijwel geheel door de Ba'thpartij wordt beheerst. Hierin zijn 165 vakbonden opgenomen, die ongeveer de helft van de werknemers vertegenwoordigen. Daarnaast heeft de Ba'thpartij studenten- en jeugdorganisaties in het leven geroepen.

4. Economie
4.1 Algemeen
De economie is sinds 1958 ingericht volgens het socialistische marktprincipe. Het staatsplanbureau bepaalt m.b.v. meerjarenplannen de groei en de richting van de economie. Volgens de grondwet bestaan er drie vormen van eigendom. Staatseigendom: de grote industrieŽn, de bodemschatten en de banken; collectief eigendom en privť-eigendom: kleine handwerkbedrijven, landbouwbedrijven en handel. In de jaren tachtig had SyriŽ te kampen met ernstige economische problemen (mismanagement in staatsbedrijven), hoge defensieuitgaven en sterk teruglopende subsidies van de rijke Arabische oliestaten (van meer dan $ 1,5 miljard in 1980 tot $ 9 miljoen in 1989). Na 1990 hervatten Saoedi-ArabiŽ en de Golfstaten hun subsidies (in 1992 weer $1 miljard). De belangrijkste economische sector is echter de landbouw, waarin in 1993 23% van de beroepsbevolking werkzaam was en die ruim 31% van het bnp leverde. SyriŽ heeft traditioneel een omvangrijke handels- en dienstensector. Voor de industrie liggen deze percentages op resp. 25% en 14%. De snel groeiende sector van de mijnbouw levert 12% van het bnp, terwijl daarin slechts 1% van de beroepsbevolking werkzaam is.
4.2 Landbouw; veehouderij
De productiviteit van de agrarische sector is na 1970 sterk toegenomen, deels ten gevolge van een aanzienlijke uitbreiding van het landbouwareaal, deels ten gevolge van de introductie van moderne landbouwtechnieken. Ongeveer een derde deel van het land is in cultuur gebracht. De akkergebieden bevinden zich langs de kust in het noorden en de geÔrrigeerde gebieden langs de Eufraat en de Chabour. Door de aanplant van bomen en de aanleg van weidegronden wil de regering een groene zone creŽren om de woestijn af te grenzen. Sinds de landhervormingen van 1958 en 1963 is het traditionele grootgrondbezit verdwenen. Langs de kust treft men overwegend particulier kleinbedrijf aan met traditionele landbouwmethoden. In het noorden en oosten van het land betreft het veelal kapitaalintensieve grote bedrijven, sterk gemechaniseerde en exportgerichte staats- of coŲperatieve ondernemingen. Belangrijke obstakels bij de agrarische ontwikkeling vormen het trage verloop van de verdeling van onteigende landbouwgronden, de machtspositie van middelgrote boeren en tussenhandel en het lage technologische niveau. De voornaamste landbouwproducten zijn maÔs, katoen, tarwe en gerst, suikerbieten, olijven, fruit, groenten en peulvruchten.
De veehouderij concentreert zich hoofdzakelijk op schapenteelt. Er zijn ruim 15 miljoen schapen, die in de semi-aride weidegebieden een probleem van overbeweiding met zich brengen. Het aantal geiten en kamelen loopt, tezamen met het nomadisme, sterk terug. Op beperkte schaal wordt door sedentaire boeren rundvee gehouden.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
SyriŽ is niet rijk aan delfstoffen. Bij Palmyra worden aardgas en fosfaat gewonnen. Sinds de jaren zestig wordt aardolie geŽxploiteerd in het noordoosten (olievelden te Karachuk, Suweida, Rumajlan en Jubaisah). De aardolie, die relatief sterk zwavelhoudend is, wordt voor het grootste deel geŽxporteerd. In 1984 werd een groot olieveld van hoge kwaliteit aangeboord bij Deir ez Zor. In 1990 produceerde SyriŽ 400!000 vaten per dag. De olievelden zijn door middel van pijpleidingen verbonden met de haven van Tartous en de aardolieraffinaderijen te Homs en Banias. Van groot belang als deviezenbron zijn de pijpleidingen over Syrisch grondgebied, die aardolie van Saoedi-ArabiŽ naar Saida in Libanon (de TAP-line) en van Irak naar Banias en Tripoli (Libanon) (afgesloten in 1982) voeren. Er bevinden zich aardolieraffinaderijen te Homs en Banias, die van groot belang zijn voor de energievoorziening van de voornaamste industriŽle centra, Damascus, Homs, Hama, Aleppo en Latakia. De energievoorziening van het in ontwikkeling gebrachte Jazirahgebied geschiedt o.a. door de hydro-elektrische installaties bij de Eufraatdam.
4.4 Industrie
De ontwikkeling van de industriŽle sector verloopt traag door het gebrek aan geschoolde arbeid en kapitaal en de geringe afzetmogelijkheden op de binnenlandse markt. De meeste particuliere bedrijven bevinden zich in de ambachtelijke sfeer (leder- en koperwaar), terwijl de grotere moderne industriŽle ondernemingen staatsbedrijven zijn. De voornaamste industrieŽn zijn voedselverwerkende industrieŽn (suiker), textiel- (katoen en zijde), cement-, staal- en ijzerindustrie (Hama) en een zich sterk uitbreidende fosfaatverwerkende industrie (Homs en Palmyra).
Sinds 1974 is de aardolie het voornaamste exportproduct (in 1994 56, 2%). Voorts worden katoen, tarwe, gerst, wol, fosfaat, plantaardige oliŽn, tabak en huiden uitgevoerd. De import bestaat uit industriŽle uitrusting en uit voedselproducten. Tot omstreeks 1970 waren de Oostbloklanden de voornaamste handelspartners, daarna is hun plaats ingenomen door de EG-landen.
4.5 Ontwikkelingsbeleid
Economische planning geschiedt sinds 1961 door middel van vijfjarenplannen. Het vierde vijfjarenplan 1975-1980 streefde naar een agro-industriŽle economie en uitbreiding van de industriŽle en bouwactiviteiten, uitbreiding van het geÔrrigeerde landbouwareaal en verhoging van de aardolie-, gas- en fosfaatproductie. Grote investeringen werden gedaan in de chemische industrie (in Palmyra, Homs en Deir ez Zor), cement- en textielindustrie. Het vijfde plan (1980-1985) concentreerde zich vooral op verhoging van de landbouwopbrengst. Het zesde (1985-1990) is niet meer opgesteld. De uitvoering van de plannen ondervond grote moeilijkheden ten gevolge van financiŽle tekorten.
4.6 Bankwezen
Het bankwezen is sinds 1963 geheel genationaliseerd. Naast de centrale bank te Damascus zijn er een Agrarische, IndustriŽle, Hypotheek- en Volkskredietbank. Al het buitenlands betalingsverkeer verloopt via de Commercial Bank of Syria.
4.7 Verkeer
Het wegennet is 34!000 km lang, waarvan ca. 22!000 km geasfalteerd is. De belangrijkste havens zijn die van Latakia en Tartous. Olie-export vindt vooral vanuit Banias plaats. SyriŽ heeft een spoorwegnet van 2238 km. Nationale luchtvaartmaatschappij is de Syrian Arab Airlines. Er zijn naast de internationale luchthaven van Damascus vliegvelden te Aleppo, Qamishli, Latakia, Palmyra en Deir ez Zor.

5. Geschiedenis
5.1 Oudheid
Door zijn gunstige ligging in de cultuurgebieden van het oude Nabije Oosten is SyriŽ van oudsher een land geweest dat telkens nieuwe volkeren tot nederzetting bracht. Sinds ca. 2500 v.C. vestigden zich steeds nieuwe Semitische stammen, waarvan vooral de ArameeŽrs (gecentreerd rond Damascus) door hun handel een grote invloed, ook in de cultuuroverdracht, kregen. Omstreeks 1400-1200 v.C. was SyriŽ een twistappel tussen het Egyptische en het Hettitische Nieuwe Rijk. Na de val van dit laatste bleven nog geruime tijd Hettieten in Noord-SyriŽ wonen. De Noord-Syrische havens, eindpunten van karavaanwegen, dreven een uitgebreide oost-westhandel (o.m. ook al met het Myceense Griekenland). Na ca. 800 v.C. kwam SyriŽ onder het Assyrische rijk, van ca. 550 tot 332 v.C. was het een Perzische satrapie, na Alexander de Grote van 323 tot 301 een twistappel tussen de diadochen. Daarna was het het kernland van het Seleucidenrijk. In 83 werd het veroverd door Tigranes van ArmeniŽ en bij diens val (63 v.C.) lijfde Pompejus het als Romeinse provincie in. In het Romeinse keizerrijk was het een militair bijzonder belangrijke provincie, vooral gezien de macht en dreiging van de Parthen in het achterland.
5.2 Byzantijnse periode
Bij de splitsing van het Romeinse Rijk (eind 3de eeuw) kwam SyriŽ onder Constantinopel te staan. Ten tijde van Justinianus en later weer onder Heraclius werden de belangrijkste steden van SyriŽ door de Perzen veroverd. In 634 veroverden de Arabieren het land en begon de islamitische periode. Doordat de Arabische stadhouder Moe'awijja in 661 zegevierde in de strijd om het kalifaat, werd Damascus een eeuw lang de hoofdstad van de dynastie van de Omajjaden.
5.3 Arabische periode
Toen na 750 de Abbasiden zich in Irak vestigden, werd SyriŽ een provincie. Het is dit eeuwenlang, zij het met enkele onderbrekingen, gebleven, onder verschillende heersers, o.a. Egyptische. De geografische gesteldheid van het land werkte verdeling in de hand. In de 12de eeuw werd grote macht uitgeoefend door de sji'itische sekte van de Assassijnen, die haar centrum in PerziŽ had. Gedurende de Kruistochten werd een aantal steden met omliggend gebied (Tyrus, Beiroet, Tripoli, AntiochiŽ) tijdelijk door de christenen veroverd. De reactie tegen de kruisvaarders, die tot hun verdrijving leidde, ging uit van Zengi, Atabek van Mosoel, verder van Saladin. Daarna, sedert 1272, heersten ook in SyriŽ de Mamelukse Egyptische sultans; dezen wisten het land tegen de invallen van de Mongolen te verdedigen.
5.4 Turkse periode
In 1516 werd SyriŽ door Selim I, sultan der Osmanen, veroverd en het vormde na die tijd een Turkse provincie. Niettemin kwamen zijn emirs meermalen in opstand tegen de Turkse machthebbers. In 1833 kwam SyriŽ onder de heerschappij van Mohammed Ali, onderkoning van Egypte, maar door tussenkomst van de Europese mogendheden keerde het in 1840 terug onder de heerschappij van de Porte. Voortdurende oorlogen en binnenlandse ongeregeldheden hebben een voorspoedige ontwikkeling van land en volk lang tegengehouden.
5.5 Frans mandaatgebied
SyriŽ werd in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog met Arabische hulp door de Britten veroverd. Krachtens de Sykes-Picot Overeenkomst kwam het gebied direct na de Eerste Wereldoorlog binnen de invloedssfeer van de Fransen, die in de Syrische kuststrook een voorlopig Frans bewind instelden, terwijl in het binnenland een Arabische regering werd gevormd onder emir Faisal. De Syrische nationalisten riepen in maart 1920 het onafhankelijke koninkrijk van Groot-SyriŽ uit, dat ook Libanon en Palestina omvatte. In april 1920 kreeg Frankrijk op de conferentie van San Remo een mandaat over SyriŽ en in juli 1920 werd Damascus bezet door Franse troepen. Het Franse bewind maakte gebruik van de godsdienstige verdeeldheid in SyriŽ: het Franse mandaatgebied werd verdeeld in zes districten, t.w. een vergroot Libanon (dat ook Tripoli en Beiroet omvatte), de staat Damascus, de staat van Haleb, het sandjak Alexandrette en de districten van Latakia en de Dzjebel ed-Droez (beide met een eigen regering). Het nationalistische ressentiment tegen de Franse bezetting culmineerde in 1925/1926 in een openlijke opstand. In 1925 werden de staten van Damascus en Haleb verenigd tot de Syrische Republiek. In sept. 1936 werd een Frans-Syrisch verdrag gesloten, waarin de onafhankelijkheid van SyriŽ in principe erkend werd. Het verdrag werd echter nooit van Franse zijde geratificeerd, hetgeen tot grote onrust in SyriŽ leidde. In 1939 stond Frankrijk Alexandrette af aan Turkije, in de hoop dat land aan zijn zijde te krijgen in de dreigende oorlog.
5.6 Onafhankelijkheid
In 1941 werd de Vichy-regering in Frankrijk, na het binnenvallen van Britse strijdkrachten en die van de Vrije Fransen in SyriŽ, gedwongen de onafhankelijkheid van SyriŽ formeel te erkennen, maar de Fransen hielden gedeelten van het land bezet. In 1942 werden de districten van Latakia en de Dzjebel ed-Droez bij de Syrische Republiek gevoegd. In aug. 1943 werd na verkiezingen een nationalistische regering gevormd. In mei 1945 braken opnieuw ongeregeldheden uit, die eindigden met een gewapende Britse interventie in SyriŽ en de aftocht van de Franse troepen. Na het vertrek van de Britten in april 1946 was SyriŽ de facto onafhankelijk geworden.
Interne politieke rivaliteit en grote teleurstelling over de Arabische nederlaag in de oorlog tegen IsraŽl in 1948/1949 droegen er in belangrijke mate toe bij dat SyriŽ een lange periode van instabiliteit tegemoet ging. In maart 1949 begon een lange reeks militaire staatsgrepen, die eindigde met het aanvaarden van het presidentsambt door luitenant-kolonel Adib al-Sjisjakli in aug. 1953. Onder zijn dictatuur kende SyriŽ een betrekkelijk grote stabiliteit. De meeste politieke partijen (die verboden waren) probeerden echter Sjisjakli's val te bewerkstelligen, hetgeen in febr. 1954 na een militaire opstand gelukte. In okt. 1955 vormden SyriŽ en Egypte een gemeenschappelijk militair opperbevel, met Damascus als hoofdkwartier. Van de Sovjet-Unie werden grote hoeveelheden wapens betrokken, terwijl SyriŽ met dat land ook economische verdragen sloot.
Op 22 febr. 1958 kwam een unie tussen SyriŽ en Egypte tot stand, de Verenigde Arabische Republiek (VAR). Verdeeldheid binnen het Syrische leger en een fel eenheidsstreven van de Ba'thpartij lagen hieraan ten grondslag. Misnoegen over de politiek van president Nasser, o.m. de nationalisaties, het verbod van de politieke partijen en het overwicht van Egyptenaren in belangrijke functies zowel in het staatsbestel als in het leger, leidde tot een staatsgreep van een aantal Syrische officieren (28 sept. 1961), waarmee een einde kwam aan de unie.
5.7 Staatsgrepen
SyriŽ werd nu officieel Syrische Arabische Republiek genoemd. Het daarmee gevormde burgerlijke bewind was echter niet al te stabiel. Op 28 maart 1962 greep het leger opnieuw in en dwong president Nazim al-Koedsi en zijn ministers tot aftreden. Na demonstraties in april 1962 in verscheidene delen van het land werd al-Koedsi echter opnieuw geÔnstalleerd als president. Op 8 maart 1963 deed een andere groep militairen een geslaagde greep naar de macht. In de nieuwgevormde Nationale Raad voor de Leiding van de Revolutie waren Ba'thisten, nasseristen en andere unionistische groeperingen sterk vertegenwoordigd. Na een mislukte staatsgreep van nasseristen op 18 juli 1963 kregen de Ba'thistische officieren de alleenheerschappij. Het Ba'thistische bewind in SyriŽ ging over tot het nationaliseren van de banken en grote industriŽle ondernemingen en het onteigenen van land, hetgeen hevig verzet opriep bij de zakenlieden en grootgrondbezitters. Ook stuitte de Ba'th op verzet van de soennitische islamieten (die de meerderheid van de Syrische bevolking uitmaken), vooral omdat het regime volledig afhankelijk was van de Ba'thistische officieren die vnl. afkomstig waren uit de islamitische sekten van de alawieten en Droezen, minderheidsgroepen afkomstig van het platteland. In 1964 vonden in de voornaamste steden op grote schaal ongeregeldheden plaats. In april 1964 werd een voorlopige grondwet afgekondigd, in mei werd een PresidentiŽle Raad ingesteld met generaal Amin al-Hafiz als president. In jan. 1965 werd opnieuw een groot aantal bedrijven genationaliseerd, met als gevolg grootscheepse demonstraties in Damascus. In aug. 1965 werd een Nationale Raad gevormd, die grotendeels uit Ba'thisten bestond. Ondertussen namen de spanningen binnen de Ba'thpartij steeds meer toe. Een kleine, geheime groep Ba'thistische officieren, die later bekend werd onder de naam Militair Comitť, had na de revolutie van 8 maart 1963 kans gezien de macht te krijgen over het hele Syrische officierenkorps. Vervolgens kregen zij ook het hele burgerlijke partijapparaat in hun greep. Binnen het Militair Comitť ontstond een machtsstrijd tussen president Amin al-Hafiz enerzijds en de generaals Salah Jadid en Hafiz al-Assad anderzijds, hetgeen op 23 febr. 1966 culmineerde in een staatsgreep waarbij Amin al-Hafiz het onderspit moest delven. De traditionele, burgerlijke Ba'thisten, als de partijideoloog Michel Aflak en premier Salah al-din Bitar, ontvluchtten het land. Hun plaatsen werden ingenomen door een jongere generatie radicaler Ba'thisten; Noereddin al-Atassi werd president, terwijl Jadid er als 'sterke man' de voorkeur aan gaf op de achtergrond te blijven.
Het nieuwe regime was sterk marxistisch getint en zocht toenadering tot de Sovjet-Unie, waarvan het militaire en economische hulp verkreeg. De verhouding met IsraŽl was in deze periode bijzonder gespannen, mede doordat Palestijnse commando's vanaf Syrisch grondgebied opereerden in IsraŽl en door het Syrische bewind werden gesteund. Tijdens de Juni-oorlog van 1967 bezette IsraŽl de Syrische Golanhoogvlakte. Wegens zijn radicalisme was SyriŽ steeds verder geÔsoleerd geraakt binnen de Arabische wereld. Bovendien berustte het bewind op een smalle basis. Na een mislukte staatsgreep in sept. 1966 was het leger al gezuiverd van Droezen-officieren. Later volgden verdere zuiveringen. Binnen de top van de Ba'th ontwikkelde zich een machtsstrijd tussen de radicale marxistische vleugel van Salah Jadid en de gematigder en meer pragmatische vleugel van Hafiz al-Assad. Bij een slechts ten dele geslaagde staatsgreep op 25 febr. 1969 wist de laatste zijn macht binnen het leger te versterken. In sept. 1970 viel een groot aantal Syrische tanks JordaniŽ binnen om ten gunste van de Palestijnen te interveniŽren in de Jordaanse burgeroorlog. Onder zware internationale druk moesten de SyriŽrs zich echter overhaast en met zware verliezen terugtrekken. Naar aanleiding hiervan laaide de strijd tussen Assad en Jadid opnieuw op.
5.8 Machtsovername door Assad
Op 13 nov. 1970 pleegde Assad een staatsgreep, waarbij president al-Atassi en generaal Jadid gevangen werden genomen. In febr. 1971 werd Hafiz al-Assad tot president gekozen en werd een nieuw wetgevend orgaan, de Volksvergadering, gekozen, waarin de Ba'thpartij een dominerende positie innam. Binnenslands trachtte Assad de basis van zijn bewind te verbreden door in een Nationaal Progressief Front samenwerking te zoeken met communisten, nasseristen en socialisten. In de buitenlandse politiek slaagde hij erin het Syrische isolement te doorbreken. Evenals onder het voorgaande Ba'thbewind namen leden van de alawitische minderheid belangrijke machtsposities in. Op 6 okt. 1973 openden Syrische en Egyptische troepen hun aanval op IsraŽl. De aanvankelijke successen in de Oktoberoorlog versterkten het prestige van president Assad. Bij het troepenscheidingsakkoord, dat pas in mei 1974 tot stand kwam, kreeg SyriŽ een gedeelte van de Golanhoogvlakte met de stad Kuneitra terug. In het voorjaar van 1976 intervenieerden Syrische troepen in de Libanese burgeroorlog ten gunste van de christen-rechtse milities. Dit riep overal in de Arabische wereld felle protesten op. De Arabische oliestaten zetten hun financiŽle steun aan SyriŽ stop en de oliepijpleidingen werden afgesloten. De geschillen werden bijgelegd op een topconferentie in Riaad op 18 okt. 1976. De Syrische troepen in Libanon werden onderdeel van een overwegend uit SyriŽrs bestaande Arabische vredesmacht. Fel verzette SyriŽ zich tegen de toenadering tussen IsraŽl en Egypte. Na het bezoek van de Egyptische president Sadat aan Jeruzalem in nov. 1977 nam SyriŽ de leiding op zich van het zgn. Standvastigheidsfront, dat sancties tegen Egypte doorvoerde. Dit bracht in 1978 een tijdelijke toenadering tot Irak met zich, waarmee SyriŽ op gespannen voet stond sinds daar sedert 1968 een rivaliserende vleugel van de Ba'thpartij aan het bewind is. Najaar 1979 namen de onderlinge spanningen weer toe wegens geschillen over de verdeling van het Eufraatwater en Syrische steun aan Iran, waarmee Irak in sept. 1980 in oorlog geraakte. De betrekkingen met de Sovjet-Unie werden nauwer aangehaald door middel van een vriendschapsverdrag.
5.9 Islamitisch verzet
Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig had het bewind van Assad te kampen met gewelddadig verzet van de Moslim Broederschap, die zich keerde tegen het atheÔstisch en alawitisch karakter van het regime, de corruptie en de westerse invloeden in SyriŽ. Er werden tal van moordaanslagen gepleegd op politici, partijfunctionarissen en hoge militairen. Het regime reageerde met scherpe vervolging en onderdrukking van elke oppositie. In febr. 1982 werd een grote islamitische opstand in Hama op bloedige wijze door het leger onderdrukt.
Mede door zijn stellingname tegen het rivaliserende Ba'thregime in Irak en door zijn aanvallen op de PLO van Jasir Arafat in Libanon (sinds 1983) raakte SyriŽ in de jaren tachtig in een isolement binnen de Arabische wereld.
Na de IsraŽlische terugtrekking uit Libanon slaagden de Syrische troepen er in het machtsvacuŁm weer op te vullen. De akkoorden van Taif (okt. 1989), de verkiezing van Elias Hrawi tot Libanees president (nov. 1989) en de overgave van de christelijke generaal Michel Aoun (okt. 1990) bevestigden de Syrische machtspositie in Libanon. Beide landen sloten in sept. 1991 een veiligheidsverdrag.
5.10 Toenadering tot de Verenigde Staten
Een en ander speelde zich af tegen de achtergrond van een belangrijke koerswijziging in de Syrische buitenlandse politiek. Nadat in verband met het einde van de Koude Oorlog de Sovjet-Unie haar militaire hulp aan SyriŽ drastisch verminderde, zocht Damascus toenadering tot de Verenigde Staten en gematigde Arabische staten zoals Egypte. Na de Iraakse bezetting van Koeweit (aug. 1990) zond SyriŽ troepen naar Saoedi-ArabiŽ en maakte het deel uit van de anti-Iraakse coalitie in de Tweede Golfoorlog. Deze opstelling leidde tot aanzienlijke financiŽle steun vanuit Saoedi-ArabiŽ en Koeweit en herstelde de betrekkingen met de Verenigde Staten en West-Europa. SyriŽ nam deel aan de internationale vredesconferentie over het Midden-Oosten, die in okt. 1991 in Madrid werd geopend. Het koos daarbij evenwel een harde anti-IsraŽlische stellingname.
In 1991 werd een wet aangenomen die de invloed van de staat op het economische leven verminderde en grotere mogelijkheden voor het particuliere initiatief opende. In 1992 werd het de leden van de 5000 man sterke joodse gemeenschap toegestaan het land te verlaten. In febr. werden enkele wijzigingen in de top van het leger en de veiligheidsdiensten doorgevoerd, waarbij het hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst, generaal Mohamed Nassif, verantwoordelijk werd voor alle veiligheidsdiensten.
In reactie op het eind aug. 1993 gesloten akkoord tussen IsraŽl en de PLO, bood SyriŽ, dat zich een tegenstander toonde van een 'onvolledige vrede', een tiental Palestijnse organisaties die ook tegen het akkoord waren onderdak aan in Damascus. Begin dec. verbood SyriŽ de activiteiten van de Turks-Koerdische afscheidingsbeweging PKK vanaf zijn grondgebied.
Basil al-Assad, zoon van de president, opperbevelhebber van de presidentiŽle garde en mogelijk opvolger van zijn fysiek zwakke vader, kwam in jan. 1994 bij een auto-ongeluk om het leven.
5.11 Praten over vrede met IsraŽl
In sept. 1994 liet de IsraŽlische premier Rabin (zie foto) weten in ruil voor volledige vrede en normale betrekkingen bereid te zijn de Golanhoogvlakte in drie jaar te ontruimen en ook de joodse nederzettingen in het gebied op te geven. Eerder had IsraŽl zich ook al bereid verklaard tot dergelijke concessies, maar de Syrische reacties bleven weinig concreet.
Ook in 1996 leidden de talloze diplomatieke missies van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher naar Jeruzalem en Damascus niet tot een doorbraak in het vredesproces. Nadat de door SyriŽ gesteunde HAMAS-beweging in IsraŽl een aantal aanslagen had gepleegd, brak de IsraŽlische premier Peres in maart 1996 het overleg met SyriŽ af. In Zuid-Libanon gebruikte SyriŽ de Hezbollah-beweging als verzetsinstrument tegen de IsraŽlische bezetting, waarbij het de acties van Hezbollah beschouwde als onderdeel van een legitieme vrijheidsstrijd en niet als terrorisme.
Na intensief diplomatiek overleg onder leiding van de V.S. en Frankrijk stemde SyriŽ in april 1996 in met een staakt-het-vuren tussen Hezbollah en IsraŽl. De koerswijziging van de nieuwe IsraŽlische premier Netanyahu, die inhield dat van teruggave van de Golanhoogvlakte geen sprake kon zijn, mondde op de in juni in CaÔro gehouden Arabische topconferentie uit in steun voor Assads standpunt dat IsraŽl alle betwiste gebieden moest opgeven alvorens SyriŽ bereid zou zijn tot onderhandelingen.
In mei 1996 mislukte een bomaanslag op president Assad. In verband hiermee werden honderden arrestaties verricht, vooral in de Turkmeense gemeenschap. De spanningen met Turkije over de verdeling van het water van de Eufraat en de Syrische steun aan de Koerdische PKK liepen hierdoor verder op.

Telefoongids SyriŽ
Postcodes SyriŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009