|
1.
Landschap en klimaat
Ongeveer tweederde deel van de oppervlakte van het 390 km lange en
maximaal 140 km brede eiland wordt in de lengte doorsneden door parallel
lopende bergketens, aan de oostkust veelal steil uit zee oprijzend, in
het westen terrasvormig dalend (Taiwan betekent letterlijk:
terrassenkust) en ten slotte overgaand in een alluviale kustvlakte. Van
de vele hoge bergtoppen bereikt de Sinkau Sjan 3950 m en de Tsoekau Sjan
3931 m. Op het centrale bergland ontspringen rivieren die in alle
richtingen naar de kusten afdalen. Het klimaat is subtropisch
(gemiddelde jaartemperatuur 21 °C, neerslag 2500 mm). Het bergland is
dicht bebost met o.m. eiken-, cipressen- en cederhout, kamfer en kurk.
De plantengroei en dierenwereld van het eiland zijn een afspiegeling van
die van Zuid-China, maar zijn minder rijk aan soorten. Op Taiwan komen
geen grote hoefdieren voor; wel vindt men er een aap, de kraagbeer, de
nevelpanter, drie hertensoorten en een geitantiloop. Daarnaast kent men
o.a. 54 soorten echte zoetwatervissen. De natuurbescherming staat nog in
de kinderschoenen.
2. Bevolking
2.1
Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat uit afstammelingen van sinds de 17de eeuw
geëmigreerde bewoners van het Chinese vasteland, ruim 2 miljoen
vasteland-Chinezen (met hun nakomelingen) die in 1949 Tjiang K'ai-sjek
zijn gevolgd en ruim 200.000 autochtonen (Palaemongoliden en Zuidsiniden),
die etnisch en cultureel aan de Maleiers verwant zijn en als jagers en
hakbouwers in de bergen leven. De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg
tussen 1980 en 1993 1,3% per jaar. De grootste steden zijn: Taipéi
(1994: 2,7 miljoen inw.), Kau-sjioeng (1,4 miljoen inw.); T'ai-Tsjoeng
(795.000 inw.) en Tainan (695.000 inw.).
2.2 Taal
Officiële taal is het Chinees.
2.3 Religie
Het confucianisme heeft min of meer de status van officiële ideologie.
De twee religies in engere zin zijn het boeddhisme, met 4 miljoen
aanhangers, en het tauïsme, met 2,3 miljoen aanhangers. Er zijn ruim
700.000 christenen, van wie ruim 420.000 protestanten (presbyteriaanse
kerk) en bijna 300.000 rooms-katholieken. Daarnaast zijn er nog ruim
40.000 islamieten.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
De
grondwet is die welke in 1946 door het toenmalige Kwo-min-tang-bewind op
het vasteland van China (waar sedert 1949 de Volksrepubliek China is
gevestigd) werd opgesteld. De grondwet pretendeert nog steeds te gelden
voor geheel China; het land blijft zich dan ook de Republiek China
noemen. Volgens deze opvatting is de zetel van de centrale regering, in
afwachting van terugkeer naar het vasteland, tijdelijk in Taipéi. In
1987 werd deze opvatting min of meer losgelaten. De Militaire wet werd
vervangen door de Nieuwe Veiligheidswet, waardoor nieuwe politieke
partijen in beperkte mate werden toegestaan en sommige grondwettelijke
rechten weer in ere werden hersteld. Zo viel de burgerbevolking niet
meer onder de jurisdictie van de militaire gerechtshoven.
Staatshoofd is de president, die tevens opperbevelhebber van de
strijdkrachten is en gekozen wordt door een Nationale Vergadering
(gekozen voor zes jaar). Het hoogste wetgevende orgaan is de wetgevende
juan (raad), die om de drie jaar gekozen wordt. De uitvoerende macht
berust bij de uitvoerende juan, waarvan de voorzitter
(minister-president) benoemd wordt door de president van de republiek.
In april 1991 tekende president Lee verklaringen die formeel een eind
maakten aan 40 jaar 'burgeroorlog' tussen Taiwan en de Volksrepubliek
China. Een aantal belangrijke grondwetswijzigingen, die tegelijkertijd
werden doorgevoerd, voorzag o.a. in het ontslag van 'bejaarde'
parlementsleden (de in de jaren veertig voor het leven gekozen leden).
3.2 Politieke organisatie; partijwezen
De grootste politieke partij is de Kwo-min-tang. Na de komst van de
Nieuwe Veiligheidswet (1987) ontstonden er verscheidene nieuwe politieke
partijen, waarvan de Democratic Progress Party (DPP) de grootste aanhang
heeft en in toenemende mate invloed kan uitoefenen.
3.3 Administratieve indeling
Volgens de grondwet is heel China (vasteland en eiland) ingedeeld in
provincies, met aan het hoofd een door de president benoemde gouverneur,
die wordt bijgestaan door een provincieparlement. Taiwan is de enige
provincie die de facto onder de jurisdictie van de nationale regering
valt. De bij Taiwan behorende eilanden Quemoy en Matsoe, die historisch
deel uitmaken van de Chinese provincie Foe-tjien (Fujian), hebben ook
een gouverneur. De provincie Taiwan is onderverdeeld in 16 districten en
vijf stedelijke gebieden.
3.4 Rechtswezen
De rechtelijke juan, het hoogste rechtsprekende orgaan, heeft het recht
de grondwet te interpreteren.
3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties
Taiwan onderhoudt slechts met een beperkt aantal landen diplomatieke
betrekkingen. In 1971 moest het zijn zetel in de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties overdragen aan de Volksrepubliek China. Wel zijn
in een groot aantal landen handelsbureaus gevestigd.
3.6 Defensie
Taiwan beschikt over goed geoefende en uitgeruste strijdkrachten
(425!000 man). Sedert het defensieverdrag met de Verenigde Staten in
1979 beëindigd is, behoort de republiek tot geen enkel militair
bondgenootschap.
3.7 Sociale en medische voorzieningen
Taiwan heeft een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen, dat bijna
alle risico's dekt. Daarnaast bestaat er een uitgebreide
arbeidswetgeving. De gezondheidszorg is gedeeltelijk in staats- en
gedeeltelijk in overheidshanden, en staat op een hoog peil. Zij is
gratis voor de lagere inkomens. De gemiddelde levensverwachting is 72
jaar voor mannen en 78 jaar voor vrouwen.
3.8 Onderwijs en ontwikkelingsniveau
Het onderwijs is deels in staats-, deels in particuliere handen. Er is
een negen jaar durende leerplicht. Analfabetisme komt vrijwel niet voor
(6%). Er zijn tien universiteiten en een twintigtal andere instellingen
voor hoger onderwijs.
3.9 Pers en omroep
Volgens de grondwet is er vrijheid van meningsuiting, maar de overheid
kan ingrijpen en publicaties tegenhouden. Er zijn bijna 300 dagbladen en
ruim 5000 periodieken, waarvan de Chung-yang jiih-pao het officiële
orgaan van de Kwo-min-tang is. De Broadcasting Corporation of China (BCC)
is het belangrijkste radiostation, voorts zijn er vier commerciële
televisiestations: de Taiwan Television Enterprise (TTE), de China
Television Company (CTC) en de China Television System (CTS). In 1995
kwam daar de oppositionele People's Broadcasting Corporation bij.
4. Economie
4.1 Algemeen
Taiwan heeft een vrijemarkteconomie waarin de overheid een belangrijke
rol speelt. De economie wordt volgens meerjarenplannen geleid. Het land
heeft met name in de jaren zeventig en tachtig een snelle economische
groei doorgemaakt en wel met een jaargemiddelde van ruim 8%. Het Bruto
Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking steeg in de periode
1970-1990 met ruim 7% per jaar. Het inkomen per hoofd van de bevolking
is een van de hoogste in Azië: $ 11!600 en de werkloosheid is tot een
minimum teruggebracht (1, 6%). De groei was te danken aan de
grootscheepse industrialisering, die mogelijk gemaakt werd door een
succesvolle landbouwhervorming in de jaren vijftig, die een eind maakte
aan het grootgrondbezit en duizenden kleine pachters tot grondeigenaren
maakte. De overtollig geworden boeren konden gemakkelijk in de inmiddels
van de grond gekomen industrie, gefinancierd door de opbrengsten van de
agrarische export, opgenomen worden. Het aandeel van de agrarische
sector aan het bnp liep terug van 31,6% in 1961 tot 4% in 1994. Het
aandeel van de agrarische beroepsbevolking aan het totaal liep terug van
56,1% in 1952 tot 12% in 1993. Het aandeel van de industrie aan het bnp
steeg van 28,4% in 1966 tot 37% in 1994. Het aandeel van de
beroepsbevolking in deze sector aan het totaal steeg van 23,4% naar 39%
in 1993.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
De landbouw wordt vnl. aan de westkant van het eiland bedreven. Rijst is
het voornaamste product, gevolgd door suikerriet en aardappelen,
aardnoten, thee, tabak, bananen, ananas en citrusvruchten. De
veehouderij voorziet vrijwel geheel in de binnenlandse vraag en bestaat
voor het grootste deel uit varkensfokkerij. De bosbouw is, nadat in de
jaren zestig veel gekapt is, uit milieuoverwegingen aan banden gelegd.
Ca. de helft van het oppervlak is met bos bedekt. De visserij is van
grote betekenis voor de uitvoer. In snel tempo is de vloot voor de
kustvisserij gemoderniseerd en tevens werd een vloot voor de zgn. verre
visserij gebouwd.
4.3 Mijnbouw
De mijnbouw omvat steenkool-, aardgas- en aardoliewinning, alle op
bescheiden schaal.
4.4 Energievoorziening
De opwekking en distributie van elektrische energie is in handen van de
Taiwan Power Company en geschiedt via kerncentrales, warmtekracht- en
waterkrachtcentrales.
4.5 Industrie
De industriële activiteiten richtten zich aanvankelijk op de verwerking
van landbouwproducten, maar sedert het begin van de jaren zeventig
werden ook kapitaal- en technologisch intensieve bedrijven aangetrokken.
De staat zelf heeft een aantal zware industrieën gesticht: o.a.
staalfabrieken, hoogovens, scheepsbouw, petrochemie, machine-,
automobiel- en wapenindustrie. Door de oprichting van 'export processing
zones' zijn westerse bedrijven aangetrokken, die tegen aantrekkelijke
voorwaarden hun producten vervaardigen, die dan weer uitgevoerd worden.
Voornaamste industriële producten zijn: allerlei fabrikaten (zowel
basis- als gecompliceerde goederen), machines en transportgoederen.
4.6 Handel
De handelsbalans vertoont al sedert de jaren zeventig een overschot.
Wegens een beperkte binnenlandse markt is de economie sterk afhankelijk
van de export. De belangrijkste uitvoerproducten zijn: textiel,
elektronische producten, landbouwproducten, metallurgische producten en
kunststoffen. Voornaamste afnemers zijn: de Verenigde Staten, Japan en
Hong Kong. Ingevoerd worden aardolie, chemische en elektronische
producten. De voornaamste leveranciers zijn: Japan, de Verenigde Staten
en Duitsland.
4.7 Bankwezen
De centrale bank is de Central Bank of China. Daarnaast bestaan er 16
algemene banken. Een groot aantal buitenlandse banken heeft vestigingen
in Taiwan.
4.8 Verkeer
Taiwan beschikt over een uitstekend wegennet. Het spoorwegnet,
grotendeels geëlektrificeerd, is van groot belang voor het personen- en
vrachtvervoer. Belangrijkste zeehavens zijn T'ai-tsjoeng, Kau-sjioeng,
Tji-loeng en Hwa-lien. De nationale luchtvaartmaatschappij is China Air
Lines (CAL). Taipéi en Kau-sjioeng hebben een internationale luchthaven.
5. Geschiedenis
5.1 Formosa
Taiwan
was de Chinezen reeds sinds het begin van de 7de eeuw n.C. bekend, maar
pas aan het begin van de 17de eeuw vestigden zich groepen Chinezen op
het eiland, o.a. als gevolg van hongersnoden in de tegenoverliggende
provincie Foe-tjièn (Fujian). Voor en na die tijd diende het Chinese en
Japanse zeerovers als steunpunt. Portugezen, die het eiland in 1590
ontdekten, noemden het 'Ilha formosa' (= het schone eiland), maar konden
er zich niet blijvend vestigen, in tegenstelling tot de Nederlandse
Oost-Indische Compagnie (1624, in het zuiden) en de Spanjaarden (1626,
in het noorden). In 1642 verdreven de Nederlanders de Spanjaarden en
beheersten nadien het gehele eiland, met als centrum het fort Zeelandia
nabij het tegenwoordige Tainan. In 1662 echter dwong Coxinga, de
Chinees/Japanse zeerover en voorvechter van de verdreven Ming-dynastie,
de Nederlanders onder hun laatste gouverneur, Coyett, tot de aftocht.
Coxinga en zijn zoon heersten in naam van de Ming over Taiwan, totdat
het eiland in 1683 ten dele met Nederlandse hulp door de Mantsjoes werd
veroverd. Formosa behoorde aanvankelijk tot de provincie Foe-tjièn. In
1886 tot zelfstandige provincie verklaard, moest het eiland als gevolg
van de Chinees-Japanse Oorlog aan Japan worden afgestaan. Ondanks verzet
van de Chinezen kwam het onder Japans koloniaal bewind tot bloei. In de
Tweede Wereldoorlog was Formosa een van Japans belangrijkste militaire
bases. Als gevolg van de overeenkomst van Caïro van 1943 werd het
eiland, na Japans capitulatie, op 25 okt. 1945 aan China teruggegeven.
Verzet tegen het nieuwe regime en het wanbeheer dat het voerde tijdens
de naoorlogse chaos en burgeroorlog op het vasteland, leidde in 1947 tot
een opstand, die echter onderdrukt werd. In mei 1947 werd Taiwan met de
Pescadores-eilanden opnieuw een zelfstandige Chinese provincie.
5.2 Nationalistische Republiek China
Toen in de loop van 1949 het gehele vasteland in handen van de
communisten was gekomen, werd Taiwan het laatste bolwerk van Tjiang
K'ai-sjek, die zich er met zijn Kwo-min-tang-regering aan het hoofd van
de (Nationalistische) Republiek China handhaafde. De invasie van ca. 1,5
miljoen vastelands-Chinezen belastte de economie van het eiland zwaar en
leidde aanvankelijk tot spanningen tussen de 'inheemse' meerderheid en
de regerende minderheid van 'immigranten'. De Nationalistische regering
in ballingschap achtte zichzelf slechts tijdelijk op Taiwan als
buitenpost gevestigd en handhaafde een staat van militaire paraatheid,
om te zijner tijd het vasteland te heroveren. In deze sfeer van
permanente mobilisatie kwam een normaal politiek leven slechts langzaam
op gang en bleef de macht feitelijk geheel in handen van het oude
Kwo-min-tang-kader onder de eenhoofdige leiding van Tjiang K'ai-sjek. De
ca. 10 miljoen Taiwan-Chinezen kwamen er nauwelijks aan te pas. Als
boeren en handelaars profiteerden zij echter eerder van de economische
groei dan de van bescheiden regeringsstipendia levende 'immigranten' -
merendeels politici, ambtenaren, intellectuelen en militairen.
De economische groei werd gestimuleerd door massale militaire,
economische en technologische steun van de Verenigde Staten: tot 1965,
toen de economische steun beëindigd werd. Naarmate het bestuur
evenwichtiger en doelmatiger werd, ontwikkelde ook het politieke leven
zich in meer democratische richting.
Op het gebied van de internationale politiek was de toestand minder
rooskleurig. Hoewel enerzijds Communistisch China met de 'bevrijding'
van Taiwan geen ernst scheen te maken - de periodieke beschietingen van
de Nationalistische eilandjes Quemoi en Matsoe voor de kust van het
vasteland leidden in 1955 en 1958 tot kortstondige crises, maar, dankzij
de aanwezigheid van de Amerikaanse Zevende Vloot, niet tot grootscheepse
militaire actie - bleek anderzijds het al even luidruchtig beleden doel
van triomfantelijke terugkeer naar het vasteland buiten bereik van het
bewind in Taipéi te liggen.
5.3 Taiwan geïsoleerd
De internationale positie van het land werd in het begin van de jaren
zeventig nog verder verzwakt door de erkenning van de Volksrepubliek
door een toenemend aantal landen, de uitstoting uit de Verenigde Naties
in okt. 1971 en de Chinees-Amerikaanse toenadering in 1972. In 1973 werd
een uitnodiging van de Volksrepubliek voor het houden van besprekingen
over een hereniging van China door Taiwan afgewezen. Tjiang K'ai-sjek
overleed in 1975; hij werd opgevolgd door Jen Tjiakan. In 1978 koos de
Nationale Vergadering Tjiang Tjing Kwo, zoon van Tjiang K'ai-sjek en tot
dan toe premier, tot president. De diplomatieke isolatie werd steeds
groter, met als dieptepunt het verbreken in 1979 door de Amerikaanse
regering-Carter van de betrekkingen tussen beide landen. Wel nam het
Amerikaanse Congres enkele maanden later de Taiwan Relations Act aan,
die wapenleveranties aan Taiwan garandeert en waarin de Verenigde Staten
zich garant stellen voor de veiligheid van Taiwan. Ter behartiging van
de belangen van de beide 'volken' werden spoedig daarna in beide landen
bureaus geopend, die in feite de vroegere ambassades en consulaten
vervingen. Dit voorbeeld werd nagevolgd door de voornaamste westerse
landen.
5.4 Economische groei
Taiwan kende een opzienbarende economische ontwikkeling die het land in
korte tijd tot een van de welvarendste van Azië heeft gemaakt en daarmee
tot een aantrekkelijke handelspartner. Gespannen bleef de verhouding met
de binnenlandse oppositie, die democratiseringen en de erkenning van
Taiwan als een onafhankelijke staat, los van het Chinese vasteland,
eiste. In 1986 vormde een aantal oppositieleden de Democratische
Progressieve Partij (DPP) en een jaar later begon de Kwo-min-tang
voorzichtige hervormingen door te voeren. De staat van beleg werd in
juli 1987 vervangen door een nationale veiligheidswet, die o.a. nieuwe
partijen toeliet en burgers aan de jurisdictie van de militaire
rechtbanken onttrok. Oudere, nog van het vasteland afkomstige
parlementsleden van de Kwo-min-tang werden aangemoedigd ontslag te nemen
en president Tjiang Tjing-kwo werd in jan. 1988 opgevolgd door de
autochtoon Lee Teng-hui. Onder zijn leiding werd in april 1991 officieel
een einde gemaakt aan de staat van oorlog met de Chinese Volksrepubliek,
en werden verkiezingen in het vooruitzicht gesteld. De Kwo-min-tang, nu
sterk verjongd, bleef echter aanspraak maken op het gehele Chinese
grondgebied.
5.5 Verhouding met de Volksrepubliek China
De betrekkingen tussen beide China's werden in 1992 steeds nauwer. Tal
van Taiwanese industrieën overwegen zich in de volksrepubliek te
vestigen, of hebben dat al gedaan. De handel tussen beide staten groeit
jaarlijks met dubbele cijfers. Taiwan is hierdoor een van de krachtigste
motoren geworden achter de economische ontwikkeling in vooral Zuid-China.
In april 1993 werden in Singapore succesvolle 'onofficiële' besprekingen
gehouden tussen beide China's, waardoor een verdere verbetering van de
relaties tussen beide landen zichtbaar werd.
Verschillende
pogingen van Taiwan om toe te treden tot de Verenigde Naties werden in
1994 en 1995 door toedoen van Peking verworpen. Het ontbreken van
Amerikaanse steun (de Verenigde Staten voeren formeel een
één-China-beleid) werd als een van de belangrijkste redenen voor het
mislukken van de aanvraag gezien. Dit verhinderde echter niet dat
president Lee Theng-hui (zie foto) in juni 1995 van de V.S.
toestemming kreeg voor een bezoek aan Cornell, waar hij als oud-student
een reünie bijwoonde. Het was de eerste keer dat een hoge Taiwanese
gezagdrager min of meer officieel tot een land werd toegelaten dat geen
diplomatieke betrekkingen met Taiwan onderhield.
In maart 1996 vonden onder grote internationale belangstelling
presidentsverkiezingen plaats. Voorafgaand aan de verkiezingen had de
Volksrepubliek China voor de kust van Taiwan militaire oefeningen
gehouden, bedoeld om de Taiwanese kiezers te intimideren en af te houden
van steun aan Lee Theng-hui, die door Peking werd beschouwd als
voorstander van Taiwanese onafhankelijkheid, terwijl Peking naar
hereniging streeft. Ondanks alle commotie won Lee Theng-hui de
verkiezingen, waarmee hij de eerste democratisch gekozen president van
Taiwan werd en tevens de eerste die niet op het Chinese vasteland, maar
op Taiwan werd geboren. Zijn verkiezing werd gezien als een teken van de
opkomst van 'inheemse' Taiwanezen en als een verzwakking van de
vastelanders in de Taiwanese politiek. Hoewel Lee Theng-hui in zijn
inaugurele rede een welwillende houding tegenover de Volksrepubliek
aannam, liet hij er geen twijfel over bestaan dat hij de 'Republiek
China' als een historisch en politiek feit beschouwde.
Telefoongids Taiwan
Postcodes
Taiwan
|