| |
De
tamme eend, die tot de eendvogels behoort, kan men dikwijls
aantreffen in de nabijheid van beekjes of in vijvers in dorpen.
Terwijl het mannetje (woerd) een prachtig verenkleed draagt, is
het vrouwtje meestal wit of bruinachtig gevlekt.
Eenden zijn goed toegerust voor het leven in het water. Ze
kunnen zelfs in het water slapen. De eend heeft een verenkleed
dat lucht bevat, hierdoor functioneert het als een soort
zwemvest. Op zijn buik en zijn borst heeft hij een dik, luchtig
donskleed. Dicht tegen elkaar liggende dekveren beschermen hem
tegen invloeden van buitenaf. De dekveren zijn ingevet zodat er
geen water in de veren kan dringen. Dit vet is afkomstig uit de
zogenoemde staartwortelklier, die aan de bovenkant van de
staartwortel (het achterste gedeelte van de rug) ligt. Hij perst
het vet met zijn snavel uit de klier. Daarna wordt het op de
dekveren uitgewreven. Een vetlaag onder de huid maakt de eend
ongevoelig voor het koude water. De poten, die kort maar sterk
zijn, zijn tegelijkertijd roer en roeispaan. De drie door middel
van vliezen verbonden voortenen werken als zwemvliezen. Tijdens
het zwemmen drukt hij de tenen dicht tegen elkaar aan op het
moment dat hij zijn poot naar voren beweegt. Op deze manier gaat
de poot gemakkelijker door het water. Wanneer hij de poot weer
naar achteren beweegt spreidt hij zijn tenen weer wijd uit
elkaar.
Eenden zijn alleseters. Aan de binnenkant van de snavel liggen
kleine hoornlijsten en ook de tong is bedekt met franjes en
hoornachtige tandjes. Hun voedsel bestaat onder andere uit kuit
en kikkerdril maar ook uit andere kleine diertjes en
waterplanten. Het water dat ze in hun bek hebben genomen, loopt
via de zijkanten er weer uit: de vaste bestanddelen blijven in
de bek achter. Met zijn tong zoekt hij er alle eetbare
bestanddelen uit. De snavel is ook geschikt om planten af te
scheuren omdat aan het uiteinde een uitsteeksel, een harde
hoornige schub, zit. Terwijl de eend zich in het water bijzonder
elegant beweegt, kan hij zich aan land alleen maar onbeholpen
voortbewegen. Op het land heeft hij een waggelende gang. Tamme
eenden houden direct op met broeden wanneer ze gestoord worden.
Daarom laat men de eieren vaak door een kip uitbroeden. Na het
uitkomen kunnen de jongen direct zwemmen. Ze behoren tot de
nestvlieders.
Naast de tamme eend treft men bij ons ook de wilde eend aan.
Deze kan in tegenstelling tot de gekweekte, tamme eenden wel
goed vliegen. Ook de eidereend is bij ons te vinden. Deze leeft
in grote kolonies op de waddeneilanden. De donsveren van de
eidereend zijn bijzonder zacht en worden daarom door de mens
zeer gewaardeerd. |
|
|
|
|
|
|