| |
De
tapuit of oenanthe oenanthe
Een
trekvogel, van maart tot oktober. Ongeveer zo groot als een mus,
slank en met een lange, spitse snavel. Om het oog een zwart
masker; lichte oogstreep. Vooral in de vlucht vallen de witte
stuit en de oplichtende witte zijden van de staart op; midden en
einde van de staart zijn zwart. Vrouwtje is meer bruin, zonder
masker; jong heeft geschubde bovenzijde. Grondvogel, zit meestal
rechtop, vliegt maar zelden en dan nog laag boven de grond. Hij
hipt meestal. Slaat bij dreiging langzaam met de waaiervormige
staart en zakt door de knieën.
Verspreiding en woongebied : heel Europa, behalve
Zuidwest-Frankrijk. Bij ons verbreid, maar zelden. In open
laagland en ten delen in de bergen van de Alpen. Broedt op
braakliggende terreinen, in grindgroeven, veengebieden,
niet-beboste rotsen met spaarzame vegetatie. Voortplanting :
nest op de grond, in aardholen, tussen stenen, ook in nissen of
stapels hout. Legtijd is mei - meestal één legsel per jaar. Vijf
tot zes wittig-lichtblauwe eieren. Het vrouwtje broedt veertien
dagen; de jongen worden door beide partners veertien dagen in
het nest verzorgd. Voedsel : insecten, spinnen, wormen en kleine
slakken. |
|
|
|
|
|
|