|
 Teak
(Eng., via Port. teca v. Malabaars tèkka), is het hout van Tectona
grandis (IJzerhardfamilie). Naar gelang van het gebied van herkomst
spreekt men in de internationale handel van Birma- (ook Moulmein of
Rangoon) teak, Siam- (of Bangkok) teak, Laosteak, alsmede van
Javateak of djati. Wegens zijn gunstige eigenschappen (o.a. hoge
duurzaamheid, het weinig onderhevig zijn aan trekken en werken)
staat teakhout bekend als een van de beste houtsoorten ter wereld.
Vers gekapt kernhout is groenachtig geelbruin; bij blootstelling aan
licht verdwijnt de groenachtige kleur en wordt het hout goudbruin.
Overigens kunnen in één partij teakhout grote kleurverschillen
voorkomen: van lichtgoudbruin tot donkerbruin, al of niet met
donkere aderen, strepen of vlekken. De nerf van het hout is vrij
grof; de draad is gewoonlijk recht, maar kan ook wel eens golvend en
onregelmatig zijn. Het hout bevat olieachtige stoffen, waardoor het
enigszins vettig aanvoelt. De geur van teakhout is typisch
leerachtig.
Teak is zeer moeilijk te bewerken; afhankelijk van het kalk- en
kiezelgehalte echter stompen de gereedschappen meer of minder vlug
af. Het hout is goed te draaien, steken en snijden; het kan vrij
goed gespijkerd en geschroefd worden. De gemiddelde volumieke massa
bedraagt 630–670 kg/m3. Teak kan voor zeer vele doeleinden, zowel
binnens- als buitenshuis, worden toegepast, o.a. voor meubelen,
betimmeringen, parketvloeren, kozijnen, ramen, deuren,
aanrechtbladen, zuurkasten, laboratoriumtafels, in de jacht- en
scheepsbouw en in de zuivelindustrie. Het hout is in hoge mate
bestand tegen aantasting door chemicaliën.
Ten onrechte worden als teak aangeduid: afroteak (= afrormosia) en
Borneoteak (= bangkirai). |