header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Thailand

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

 

 

Thailand (officiŽle namen: Prades [Prathet] Thai, Muang-Thai = 'land van de vrijen'; tot 1939 in Europa bekend als Siam), koninkrijk in Zuidoost-AziŽ, 513.115 km2, met (schatting 1994) 58,7 miljoen inw. (114 inw. per km2); hoofdstad: Bangkok (officiŽle naam Krung Thep). Munteenheid is de baht, onderverdeeld in 100 stang. Nationale feestdag is 5 december (verjaardag van de koning).

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Rendering : Bryce & View Esprit PicturesThailand is te verdelen in vier natuurlijke landschappen: a. Het Thaise bergland. Langs de westgrens met Birma strekt zich een jong plooiingsgebergte uit dat van noord (gemiddelde hoogte 1500-2500 m) naar zuid (50-100 m) in hoogte afneemt, maar op Malakka weer ketens heeft met een gemiddelde hoogte van meer dan 1500 m. Het westelijke bergland gaat in het noordoosten over in het Noordthaise bergland (gemiddelde hoogte 1500 m), dat door de belangrijkste vier bronrivieren van de Chao Phraya in een aantal bergketens, dalen en bekkens is versneden. De Doi Inthanon of Angka (2576 m) in het westelijke bergland is de hoogste bergtop van Thailand. b. Het centrale laagland ten zuiden van het Noordthaise bergland is een vruchtbare alluviale vlakte, die is opgebouwd uit het slib dat door de Chao Phraya en andere rivieren werd aangevoerd. c. Het Khoratplateau, dat Noordoost-Thailand beslaat, is een komvormig tafelland, in het noorden en oosten begrensd door de Me-kong en in het westen en zuiden door gebergten. De bodem bestaat vnl. uit onvruchtbare fijnzandige leem. De belangrijkste rivieren zijn de Chi en de Mun, die in de Me-kong stromen. d. De Thaise landtong, ca. 800 km, wordt ingenomen door uitlopers van het westelijke bergland, met aan weerszijden veelal smalle kustvlakten. De kust zelf is sterk geleed.
1.2 Klimaat
Het grootste deel van het land heeft een tropisch savanneklimaat met vier seizoenen: a. een droog seizoen (december-februari), samenvallend met de noordoostmoesson; b. een overgangsperiode met hoge temperaturen en sterk wisselende winden; c. een regenseizoen (mei-oktober), samenvallend met de aanlandige zuidwestmoesson; d. een tweede overgangstijd (november-december), met relatief lage temperaturen. Het op Malakka gelegen deel van Thailand bezit een tropisch moessonklimaat met vrijwel het gehele jaar een hoge temperatuur en neerslag. De gemiddelde jaarlijkse neerslag voor het grootste deel van het land bedraagt 1200-1400 mm. Aanzienlijk vochtiger zijn het zuiden (1400-2400 mm) en de streek ten oosten van Chanthaburi (meer dan 2400 mm). Minder dan 1200 mm per jaar ontvangt het gebied dat in de regenschaduw ligt van het westelijke bergland, alsmede de westelijke provincies van het Khoratplateau. De temperatuurverdeling is tamelijk gelijkmatig (gemiddeld 26-28 įC). April is de warmste maand van het jaar.
1.3 Plantengroei
De plantengroei van Thailand sluit in het noorden grotendeels aan bij die van India en Birma en in het zuiden bij die van MaleisiŽ en IndonesiŽ. Oorspronkelijk was het land grotendeels met wouden bedekt, van mangrovebossen aan de kust tot naaldhoutbossen (Pinus) op de bergtoppen. Moessonbos met vooral veel soorten uit de familie Dipterocarpaceae overheerste in het noorden; hier komen ook veel teakbossen voor. Gemengd regenbos komt voor in het zuiden en op berghellingen in het noorden. Veel van de oorspronkelijke vegetatie heeft plaats gemaakt voor cultures, savannes en secundaire vegetaties waaronder veel bamboebos.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld van Thailand is vnl. die van het Zuidoost-Aziatische regenwoud en omvat o.a. nog Indische olifanten, bantengs, gaurs, verscheidene herten, Maleise tapirs, panters, tijgers, vliegende maki's, talrijke apen (waaronder gibbons), enz. De Javaanse neushoorn is waarschijnlijk geheel uitgeroeid; misschien komt de Sumatraanse neushoorn nog in Thailand voor. Ook de vogelwereld is zeer rijk, o.a. aan fazanten (argusfazant); daarnaast huisvest Thailand talrijke reptielen, waaronder een groot aantal vergiftige slangen. Het land is betrekkelijk dun bevolkt, waarbij bovendien de grootste concentratie zich aan de kust bevindt. Toch hebben kaalslag van het bos, dierenhandel en weinig gereguleerde jacht veel schade aangericht. Tegenwoordig wordt meer aandacht besteed aan de natuurbescherming, die onder de dienst van het bosbeheer ressorteert; in een aantal nationale parken bestaat hier en daar adequate bescherming.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Travel Pictures GalleryDe bevolking bestaat voor ca. 90% uit de Thai, die uit Zuid-China afkomstig zijn. De belangrijkste minderheidsgroep wordt gevormd door de Chinezen (6 ŗ 10%), die een belangrijk aandeel hebben in handel-, bank- en transportwezen. De meesten bezitten echter de Thailandse nationaliteit en zijn in de Thaise cultuur opgenomen. In het zuiden wonen Maleiers (ca. 3%), die zich door hun taal (Maleis) en godsdienst (islam) als minderheidsgroep onderscheiden. In de gebergten in het noorden woont een aantal zgn. bergvolken, zoals de Karen, Meo en Yao. Ten slotte telt Thailand enkele honderdduizenden vluchtelingen uit Indo-China (Birma en Cambodja o.a.). De bevolking is ongelijkmatig over het land verdeeld. De noordelijke hooglanden hebben de laagste bevolkingsdichtheid, de centrale laaglanden en het zuidelijke deel van het schiereiland zijn dicht tot zeer dicht bevolkt. De bevolkingstoename bedroeg in de periode 1985-1994 11,6Č. Ca. 21% van de bevolking woont in de steden, waarvan de grootste zijn: Bangkok (bijna 6 miljoen inw.; aggl.: 9 miljoen), Nonthaburi (259.000), Nakon Ratchasima (190.700), Chiang Mai (170.300), Hat Yai (138.000) en Kohn Kaen (131.000).
2.2 Taal
De officiŽle taal is het Thai, dat de moedertaal is van ca. 90% van de bevolking. Het Thai behoort tot de Kadai-taalfamilie en is een toontaal. Als tweede taal komt het Engels veel voor.
2.3 Religie
Staatsgodsdienst is het boeddhisme (Hinayana- of Theravada-boeddhisme), dat door ca. 95% van de bevolking wordt beleden en dat het gehele culturele en openbare leven doordringt. Iedere Thaise man trekt zich enkele jaren als 'bhikku' ( 'bedelmonnik') terug in een soort kloostergemeenschap ( 'sangha'), waarvan er verscheidene duizenden bestaan. Het Thaise boeddhisme vertoont een grote mate van tolerantie ten opzichte van andere godsdiensten.
De islam telt ca. ťťn miljoen aanhangers onder de Maleiers in het zuiden. Het christendom (overwegend rooms-katholiek) is vooral vertegenwoordigd onder de inwoners van Chinese afkomst.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Thailand GalleryThailand is een constitutionele monarchie, waar het koningschap nog een belangrijke rol speelt. De invloedrijkste functie is die van de premier, die verstrekkende bevoegdheden heeft. Het parlement bestaat uit een Senaat en een Huis van Afgevaardigden. Het parlement heeft traditioneel weinig bevoegdheden, maar in de grondwetswijziging van juni 1992 werd zijn macht uitgebreid: de premier moet een gekozen parlementslid zijn en het recht van interpellatie en het indienen van moties werd uitgebreid. In de praktijk spelen militairen echter een doorslaggevende rol in het politieke leven.
3.2 Administratieve indeling
Thailand is bestuurlijk ingedeeld in zes regio's en 73 provincies, die door een gouverneur bestuurd worden.
3.3 Rechtswezen
Volgens de grondwet is de rechterlijke macht onafhankelijk. Er is een Hooggerechtshof (Sarn Dika), dat als hoogste beroepsinstantie in alle civiele en strafzaken fungeert. Verder zijn er rechtbanken op provinciaal niveau en vrederechters voor kleinere civiele en strafzaken.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Thailand is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, de ASEAN, het Colomboplan en de Asian Development Bank.
3.5 Defensie
De koning is opperbevelhebber van de strijdkrachten. Er bestaat een dienstplicht van twee jaar voor mannen tussen 21 en 30 jaar.
3.6 Sociale en medische voorzieningen
Er bestaat geen wettelijk vastgelegd stelsel van sociale voorzieningen; het particulier initiatief speelt een nog belangrijke rol. De gezondheidszorg is ontoereikend, m.n. op het platteland. Veel voorkomende ziekten zijn: tuberculose, lepra, geslachtsziekten. De gemiddelde levensverwachting bedraagt 66 jaar voor mannen en 72 jaar voor vrouwen.
3.7 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Chart Thai (Thaise Natie) van voormalig minister-president generaal Chatichai Choonhaven (conservatief), de Samakkhi Tham (Eenheid en Gerechtigheid; partij van de luchtmacht), de Nieuwe Aspiratiepartij (NAP) van generaal Chavalit Yongchayudh, de Sociale Actie Partij (SAP; conservatief), de Democratische Partij (DP; liberaal) en de Palang Dharma Partij (Kracht van de Deugd; boeddhistisch-liberaal) van oppositieleider Chamlong Srimuang. De vakbonden, waarvan de activiteiten beperkt zijn, zijn verenigd in vier grote vakcentrales die tezamen naar schatting bijna 300.000 leden tellen.

4. Economie
4.1 Algemeen
Thailand heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector de belangrijkste is. In 1993 was 57% van de beroepsbevolking werkzaam in landbouw en visserij, 18% in de industrie en 25% in de dienstverlenende sector. Ondanks het feit dat ruim de helft van de beroepsbevolking van landbouw en visserij afhankelijk is en het merendeel van de export gevormd wordt door landbouwproducten, is het relatieve aandeel van de agrarische sector in de samenstelling van het Bruto Nationaal Product (bnp) afgenomen van 30% in 1970 tot 10% in 1994.
Veel buitenlands kapitaal heeft in de jaren tachtig een ingrijpend industrialisatieproces in Thailand op gang gebracht, waardoor het land tussen 1987 en 1994 met een gemiddeld groeipercentage van 8,2% de snelst groeiende economie ter wereld had. Het bnp steeg jaarlijks met gemiddeld bijna 10% en het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking bedroeg in 1994 $ 2210. De export steeg jaarlijks met 30%. Tevens nam het toerisme een hoge vlucht; het is sinds 1982 de belangrijkste bron van buitenlandse deviezen. De economische expansie betekende echter wel een aanslag op het milieu.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Rijstverbouw (vnl. in de centrale vlakte) is de voornaamste landbouwactiviteit. Thailand is de belangrijkste rijstexporteur ter wereld. Op het schiereiland wordt rubber gewonnen. Voorts worden verbouwd: maÔs, sojabonen, hennep, jute, kokosnoten en vooral cassave (tapioca), waarvan de EG, m.n. Nederland, ca. 90% afneemt in de vorm van veevoeder. De veehouderij is van weinig belang en wordt in de vorm van varkens- en pluimveehouderij naast de akkerbouw bedreven. Visserij is van belang voor eiwitaanvullingen op de dagelijkse rijstconsumptie en wordt zowel op de binnenwateren als op zee bedreven. Veel vis is ook voor de export bestemd. In 1981 was nog ruim 53% van het land met bos bedekt, in 1990 was dit percentage door overmatige houtkap teruggelopen tot ruim 26%. Het zuiden levert yanghout; het teakbos in het noorden is nagenoeg geheel verdwenen, waardoor Thailand teakhout is gaan importeren uit Birma en Laos.
4.3 Energievoorziening
De energie in de vorm van elektriciteit wordt vnl. door aardgas geleverd, naast waterkracht, bruinkool en aardolie. Ca. tweederde van de totale energievoorziening wordt geleverd door aardolie, waarvan het grootste deel geÔmporteerd moet worden.
4.4 Mijnbouw
De mijnbouw draagt ca. 2% aan het nationale inkomen bij. Tin is de belangrijkste delfstof, maar sinds de tincrisis in 1985 overstijgen de toenemende exportopbrengsten van edelstenen (saffier, robijn, granaat, kwarts) die van tin.
4.5 Industrie
Er is geen zware industrie. De kleine industrie is de laatste vijfentwintig jaar zeer sterk gegroeid en droeg in 1993 voor ruim 30% bij aan het bnp. Voornaamste takken zijn de textiel- en voedingsmiddelenindustrie. Andere industrieŽn zijn auto-assemblage, cement en elektronica-industrie, suiker en olieraffinaderij. Het beleid van de regering richt zich op het stimuleren van industrieŽn die de import grotendeels moeten vervangen.
4.6 Handel
De Thaise handelsbalans kenmerkt zich nog steeds door een (voortdurend) tekort, ondanks de sterk toegenomen export. Voornaamste exportproducten zijn rijst, maÔs, tapioca, rubber, tinmetaal, textielproducten en levensmiddelen (Thailand is 's werelds grootste exporteur van ingeblikte tonijn en ananas). Belangrijkste afnemers zijn: Japan, Nederland, Singapore en de Verenigde Staten. Ingevoerd worden: grondstoffen, machines, aardolie en chemische producten. Belangrijkste leveranciers zijn: Japan, Verenigde Staten, Duitsland en Singapore.
4.7 Bankwezen
Centrale bank is de Bank of Thailand. De Krung Thai Bank Ltd. is de commerciŽle staatsbank. Andere belangrijke banken zijn: de Bangkok Bank, de Bank of Ayutthaya, de Thai Farmers Bank en de Thai Military Bank. Als financiŽle ontwikkelingsorganisaties zijn van belang: de Board of Investment (BOI) en de Industrial Finance Corporation of Thailand (IFCT).
4.8 Verkeer
In de jaren zeventig is het wegennet om economische en strategische redenen in versneld tempo uitgebreid, maar is thans met 80!000 km niet meer toereikend. Een groot probleem vormt de toenemende verkeerschaos in Bangkok. De State Railway of Thailand onderhoudt het bijna 4000 km lange spoorwegennet. De belangrijkste lijnen lopen vanuit Bangkok naar het noorden richting Birma, naar het noordoosten richting Laos en Cambodja en naar het zuiden richting MaleisiŽ en Singapore. Van historisch en thans toeristisch belang is de legendarische Birmaspoorweg (zie Birma-Siam-spoorweg). Belangrijkste zeehaven is Bangkok. Nationale luchtvaartmaatschappij is Thai Airways International (TAI). Don Muang bij Bangkok is de belangrijkste internationale luchthaven; andere zijn Chiang Mai in het noorden, Phuket en Hat Yai in het zuiden.


5. Toeristische gegevens
Thailand is vooral sinds de jaren zeventig een populaire vakantiebestemming. Het land biedt dan ook een grote keur aan toeristische attracties. Bangkok bezit een groot aantal tempels (wats), voorts een paleizencomplex dat door koning Rama I eind 18de eeuw werd aangelegd (met o.a. het Smaragden Boeddhabeeld), de beroemde drijvende markt (tegenwoordig alleen nog voor toeristen in stand gehouden), een orchideeŽnkwekerij en een slangentuin. De stad heeft daarnaast met haar vele nachtclubs en massagesalons een bedenkelijke reputatie opgebouwd als trekpleister van het sekstoerisme.
In het centrale gedeelte van Thailand treft men de meeste cultuurschatten van het land aan. Het gebied geldt als de bakermat van de Thaise cultuur met prachtige ruÔnes van de oude steden Sukhothai en Ayutthaya. In Sukhothai ( 'Dageraad van Geluk'), de eerste hoofdstad van Thailand, treft men in het Sukhothai Historical Park de ruÔnes van tempel-, klooster- en paleizencomplexen aan, o.a. dat van de Wat Mahathat uit de 13de eeuw. Ayutthaya was van 1350 tot 1767 het middelpunt van het koninkrijk Siam, waar 33 koningen van verschillende Siamese dynastieŽn hebben geregeerd. Ook hier is een aantal indrukwekkende overblijfselen van tempel- en paleizencomplexen te zien.
Van de beruchte Birma-Siam-spoorweg, de zgn. 'Dodenspoorlijn', die in de Tweede Wereldoorlog door geallieerde en Aziatische krijgsgevangenen onder verschrikkelijke omstandigheden werd aangelegd, is het traject Bangkok-Nam Tok, inclusief de brug over de Kwairivier, nog in bedrijf.
In het noordwesten ligt Chiang Mai ( 'Roos van de Noordelijke Heuvels'), de tweede stad van Thailand. Het is, hoewel zelf ook bezienswaardig, vooral ook vertrekpunt voor het zgn. jungletoerisme. Van hieruit worden trektochten ( 'trekkings') door het moeilijk begaanbare berglandschap (w.o. het gebied van de 'Gouden Driehoek' bij de grens van Laos en Birma) georganiseerd. Een rit op een olifant en een riviertocht op een bamboevlot behoren daarbij vaak tot de attracties.
Het bekendste Thaise vakantieoord is Pattaya ( 'AziŽ's Riviera'), ten zuidoosten van Bangkok, inmiddels uitgegroeid tot een op het massatoerisme ingestelde badplaats. Rustiger badplaatsen zijn Hua Hin en Cha-Am aan de andere kant van de Golf van Thailand.
Het eiland Phuket ( 'Parel van het Zuiden'), ca. 900 km ten zuiden van Bangkok, is om zijn witte stranden, overweldigende natuur en boeddhistische tempels eveneens in trek bij toeristen, net als het eiland Ko Samui aan de andere kant van de isthmus.

6. Geschiedenis
De exodus van Thai uit Zuid-China naar het toen door de Khmer gedomineerde Zuidoost-Aziatische continent vanaf het begin van de 13de eeuw werd versneld nadat de Mongolen in 1253 het Thai-staatje Nan-Tsjao overmeesterden.
6.1 Eerste Thaise rijk
In Zuidoost-AziŽ ontstonden Thaise stadstaten, o.m. Chiang Mai en Sukhothai. In 1275 kreeg Rama Khamheng van Sukhothai de hegemonie over heel Thailand (in Europa traditioneel bekend onder de naam Siam). Zijn rijk omvatte het tegenwoordige Thailand en een deel van Noord-Malakka. In 1350 verplaatste Rama Thibodi de hoofdstad van Sukhothai naar Ayutthaya. Chiang Mai, Ayutthaya en Sukhothai betwistten elkaar de hegemonie, in welke conflicten Thailands buren, Birma en Cambodja, zich mengden. Deze periode van Thailands geschiedenis eindigde in 1569, toen Ayutthaya in handen viel van de Birmaanse vorst Bayinaung.
6.2 Birmees vazalschap
In 1584 maakte de Thaise vazal van Birma, Phya Naret, zich in Ayutthaya los van zijn meesters, gebruik makend van een intern Birmaans conflict. Hij besteeg in 1590 als Naresuen de Thaise troon.
In de 17de eeuw had Thailand het bij herhaling met Birma aan de stok. De situatie werd nog gecompliceerd, omdat o.m. de koningen Prasat Thong en diens zoon Narai het land voor de buitenlandse handel openstelden, wat erop neerkwam dat Britten, Hollanders, Portugezen en aanvankelijk ook Japanners tegen elkaar werden uitgespeeld. Aan het eind van de 17de eeuw werd Thailand geleidelijk betrokken in de Brits-Franse tegenstellingen in de Golf van Bengalen. Het gebied trok toen allerlei avonturiers aan, zoals de Griek Constantine Phaulkon, raadgever van Narai, die aanvankelijk de Britten, later echter de Fransen steunde. Aldus ontstond eind 1688 het gevaar voor een volkomen Franse dominantie, die slechts werd verhinderd door een nationalistisch verzet. Na de dood van Narai (1689) besteeg de leider daarvan, Phra Petraja, de troon.
6.3 Thaise expansie
Thailand zocht nu tot in het midden van de 18de eeuw uitbreiding in de richting van Cambodja, wat het in conflict bracht met Cambodja's andere buur, Vietnam. In april 1767 viel Ayutthaya in Birmaanse handen en werd het verwoest. De rol die Phya Naret en Phra Petraja eerder hadden gespeeld, werd nu vervuld door de uit Ayutthaya ontkomen Phya Tak. Hij liet zich nog in 1767 tot koning kronen. Ca. 1770 had hij heel Thailand weten te verenigen. In 1782 werd de krankzinnig geworden Tak vermoord. De nieuwe vorst werd zijn proconsul in Khmer, Phya Chakri, die als Rama I de troon besteeg (zie ook Rama). De regeringen van Rama I (1782-1809) en Rama II (1809-1824) werden beheerst door Thailands pogingen Khmer en Laos te overheersen. Vooral Vietnam, onder Gia Long tot eenheid gekomen, was hierbij Thailands tegenspeler. In 1845 werd Khmer onder gemeenschappelijke Thais-Vietnamese suzereiniteit gesteld. Tijdens Rama IV Mongkut (1851-1868) raakte Thailand verwikkeld in de Brits-Franse tegenstellingen om het glacis van China. Mongkut en zijn opvolgers speelden Engeland en Frankrijk tegen elkaar uit. Het Bowring-verdrag met Engeland (1855) was het begin van de 'unequal treaties', op grond waarvan het Westen extraterritorialiteit en lage douanetarieven bedong. Mongkut en zijn opvolger Rama V Chulalongkorn (1868-1910) moderniseerden het land. De immigratie van Chinezen, die geleidelijk in handel en ambacht gingen overheersen, nam toe. In 1893, na een Franse vlootdemonstratie, stond Thailand zijn gebied ten oosten van de Me-kong aan Frankrijk af. In 1904 kreeg Frankrijk de soevereiniteit over Luang Prabang en in 1907 die over de Cambodjaanse provincies Siem Reap en Batambang. In ruil hiervoor stond het in feite de extraterritorialiteit af, iets wat Engeland in 1909 deed, toen het de suzereiniteit over vier staten in Noord-Malakka verwierf. De regering van Rama VI Maha Vajaravudh (1910-1925) was gekenmerkt door een vooral tegen de Chinezen gerichte nationalistische agitatie.
Aan het feodale regime van Rama VII Prahadjipok (1925-1935) brachten de gevolgen van de wereldcrisis van 1930 de genadeslag toe. Op 24 juni 1932 ondernamen 57 proclamatoren een coup, waarna een grondwet werd afgekondigd. In 1934 mislukte een contraputch, waarna Rama VII abdiceerde. De proclamatorengroep bestond uit twee stromingen, gesymboliseerd door Pridi Panomyong en de latere maarschalk Pibul Songgram. De eerste was een westers denkende 'liberaal'. Pibul daarentegen vertegenwoordigde de door Rama VII om financiŽle redenen ontslagen malcontente ambtenaren en militairen. Uiteindelijk kregen de proclamatoren onderling conflicten. In 1938 kwam Pibul aan de macht. Hij stimuleerde het nationalisme van zijn volk, gaf zijn land officieel de naam Thailand (tot dan Siam genaamd) en ondernam pogingen het economische leven te 'thaiseren', dwz. de Chinezen te elimineren. In zijn buitenlandse politiek, die tot doel had alle gebieden waar Thai-volken woonden bij Thailand te voegen, oriŽnteerde hij zich op Japan. Begin 1941 kreeg hij na een Japanse bemiddeling in het door de Japanners aangestookte Thais-Franse grensoorlogje grote delen van de gebieden die Thailand eerder aan Frankrijk moest afstaan, terug. Eind 1941 schaarde Thailand zich in de Pacific-oorlog aan Japanse zijde. Nog in 1944 werd Pibul, toen het duidelijk was dat Japan de oorlog zou verliezen, opzij geschoven en als premier vervangen door Aphaiwong, een pion van Pridi, die als regent voor de minderjarige Rama VIII Ananda Mahidol (1935-1946) heimelijk met de geallieerden samenwerkte. Na de Tweede Wereldoorlog moest Thailand de streken die het na 1940 had verworven, weer aan Frankrijk afstaan. Toen Rama VIII in 1946 onder onopgehelderde omstandigheden de dood vond, was het met Pridi's invloed gedaan: hij werd min of meer ervan beticht de dood van de koning te hebben gewild.
6.4 Regering Koning Bhumibol
Koning Rama IX Bhumibol Adulayadej besteeg de troon in 1946. In 1947 zette Pibul Songgram de regering van Thamrong Nawasawat, een andere pion van Pridi, door een coup opzij. In zijn buitenlandse politiek steunde Pibul sterk op de Verenigde Staten. In het Korea-conflict werden Thaise eenheden naar het slagveld gestuurd. In zijn binnenlandse politiek had hij weinig succes. Pibul was niet in staat leger en politie in toom te houden. In sept. 1957 schoof het leger onder Sarit Thanarat Pibul door een coup opzij. In 1958 ondernam Sarit 'een tegen hem zelf gerichte coup'. Hij schafte de grondwet af en trad nu zelf als premier op. Na zijn dood (dec. 1963) werd maarschalk Thanom Kittikatsjorn premier. In de buitenlandse politiek bleef Thailand de Verenigde Staten steunen inzake Vietnam, o.m. door het beschikbaarstellen van luchtmachtbases en door deelname van Thaise troepen aan de operaties in Vietnam. De ontwikkelingen in Vietnam en in Laos en Cambodja deden de Thaise regering besluiten lid te worden van de ASEAN.
In 1968 kondigde Kittikatsjorn een nieuwe grondwet af, in 1969 werd de parlementaire democratie geÔntroduceerd. In nov. 1971 echter werd de grondwet afgeschaft. Als motieven werden opgegeven het terrorisme in verschillende provincies, acties van studenten en boeren en de twijfelachtige loyaliteit van de drie miljoen Chinezen. Studentendemonstraties in okt. 1973 tegen het regime van Kittikatsjorn leidden ten slotte tot diens ontslagname. Een nieuwe regering onder Sanya Thammasak begon een voorzichtig hervormingsprogramma. In okt. 1974 kwam een nieuwe grondwet tot stand. In juli 1975 knoopte Thailand als derde ASEAN-land diplomatieke betrekkingen aan met China. Vervroegde verkiezingen (april 1976) resulteerden in een verdere uitbreiding van de al conservatieve meerderheid. In oktober 1976 kwam een einde aan het driejarig democratisch experiment, toen het leger de regering omverwierp en een militair bestuur werd ingesteld. Premier Kriangsak Chomanan stond een geleidelijke terugkeer naar een parlementaire democratie toe, maar grote sociaal-economische problemen dwongen hem in febr. 1980 af te treden. Generaal Prem Tinsulanond werd zijn opvolger. Ook deze bleek niet bij machte een economisch noodplan door te voeren. Wel wist hij de communistische opstand tegen zijn regering te beŽindigen. In 1988 werd de leider van de Chart Thai Partij, generaal Chatichai Choonhavan, premier. Maar ook hij moest het afleggen tegen het leger, toen dat in febr. 1991 onder leiding van legerleider Suchinda Kaprayoon een geslaagde staatsgreep uitvoerde. Suchinda benoemde de diplomaat-zakenman Anand Panyarachun tot waarnemend premier, maar een jaar later nam hij zelf dat ambt op zich en trad als dictator op. Opnieuw werd het democratiseringsproces in Thailand, dat al sterk te lijden had van de wijd verbreide corruptie, teruggedraaid. Grote demonstraties onder aanvoering van oppositieleider Chamlong Srimuang van de Palam Darma Partij tegen Suchinda eindigden in hevige onlusten in de
hoofdstad Bangkok (mei 1992). Na bemiddeling van koning Bhumibol (zie foto) moest Suchinda aftreden en werd Anand Panyarachun opnieuw tot interim-premier benoemd. In september 1992 werd hij opgevolgd door Chuan Leekpai.
In de jaren tachtig waren er grensincidenten met Laotiaanse/Vietnamese troepen. Met Laos werd in 1988 een wapenstilstand overeengekomen, waardoor de betrekkingen aanzienlijk verbeterden. Het streven van Thailand een einde te maken aan de aanwezigheid van Vietnamese troepen in Cambodja werd, aanvankelijk door middel van (militaire) hulp aan het Cambodjaanse verzet maar later door diplomatieke bemiddeling, uiteindelijk beloond met het Vredesakkoord van Cambodja van okt. 1991. Hiermee kwam de terugkeer van tienduizenden Cambodjaanse vluchtelingen naar hun vaderland dichterbij.
Hoewel de economische groei in 1993 ruim 7% bedroeg en het einde van de welvaartsgroei nog lang niet in zicht leek, werd de noodzaak tot ingrijpende structurele aanpassingen steeds duidelijker. Op vele gebieden (bosbouw, visserij) vond een schrikbarende overexploitatie plaats, terwijl het tekort aan drinkwater in Bangkok en de hoofdstedelijke verkeerssituatie alarmerend waren. De nauwere banden met Laos bleken o.a. uit de voltooiing van een brugverbinding over de Mehkong tussen beide landen.
Bij de vervroegde parlementsverkiezingen van juli 1995 werd de Chart Thai Partij (CTP) de grootste, net voor de Democratische Partij van de afgetreden premier Chuan. CTP-leider Banharm Silpa-archa vormde een regeringscoalitie, bestaande uit de voormalige oppositie, de PDP en de eind 1994 uit de regering gestapte Partij van de Nieuwe Aspiraties (NAP) van Chavalit Yongchayud.
In sept. 1996 moest Banharm echter al aftreden, nadat gebleken was dat hij zijn verkiezingcampagne had gefinancierd met verduisterd geld, als zoon van Chinese immigranten op onjuiste wijze de Thaise nationaliteit had verworven, over vervalste onderwijspapieren beschikte en zijn afstudeerscriptie op plagiaat was gebaseerd. Banharm schreef nieuwe verkiezingen uit voor nov., die werden gewonnen door de NAP van Chavalit, op de voet gevolgd door de Democratische Partij en ruim voor de Chart Pattana, de derde partij en bondgenoot van de NAP. Chavalit vormde een coalitieregering van de NAP en de Chart Pattana.
De economische groei viel in 1996 terug naar 3%, terwijl de enorme milieuvervuiling als gevolg van industrieel afval en het zeer intensieve verkeer nog verder toenam. Zo waren in Bangkok ademhalingsproblemen ten gevolge van de ernstige luchtvervuiling de meest voorkomende reden voor ziekenhuisopnamen in 1996.

Telefoongids Thailand
Postcodes Thailand

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009