|
Elke Romeinse stad moest op zijn
minst een badhuis bezitten, want weinig Romeinse huizen hadden hun eigen bad. De
toegang tot zo'n badhuis was meestal niet duur; kinderen mochten gratis.
Het badhuis
De badhuizen bestonden vaak uit
meerdere baden. In de badhuizen was vaak aanwezig: een koudwaterbad, een
lauwwaterbad, een warmwaterbad, een zweetruimte, bibliotheken, winkels, cafés,
een sportruimte, tuinen en een massageruimte.
De mannen en vrouwen baadden apart. In sommige badhuizen waren er gescheiden
afdelingen. Als een badhuis dit niet had, baadden de mannen en vrouwen om de
beurt. De vrouwen 's ochtends en de mannen 's middags.
De keizerlijke badhuizen waren het grootst.
De reden
In het badhuis kon men zich eens
goed verfrissen en kon men veel vrienden ontmoeten. Men kon er ook sporten, zich
laten masseren.
Als men ging sporten, smeerde men zich eerst in met olijfolie. Dit deed men,
omdat men dan na het sporten de olie samen met het vuil en zweet en met behulp
van een strigilis, een schraper, makkelijk van het lijf kon halen.
Verwarming
Op deze manier werd het bad verwarmd:
De slaven stookten een vuur(8). De warme lucht van dit vuur ging dan via de rode
pijlen (zie plaatje) onder het bad door. De warme lucht kon daar stromen, omdat
het bad door pijlers van tegels(7) boven de vloer lag. De grote draagtegels(6)
en de mortelvloer(5) werden zo verwarmd en boven de mortelvloer bevond zich het
water, dus dat werd ook verwarmd. De warme lucht stroomde ook tussen de
buitenmuur(1) met de pleisterlaag(2) en het beschilderd stucwerk(4) door de
wandverwarmingsbuizen(3). Zo werden de muren ook verwarmd.
De slaven moesten dus voor de badverwarming zorgen, ook voor het schoon houden
van de baden, als masseur optreden en schone handdoeken leveren.
|
|