|
1. Fysische geografie
Het land wordt vnl. ingenomen door het tot 1098 m hoge,
zuidwest-noordoost lopende Togogebergte, naar het zuiden overgaand in
een kristallijn plateau (gemiddeld 400 m hoog), dat door een smalle
duinengordel is gescheiden van een ca. 55 km lange kustvlakte (lagunen).
De voornaamste rivier is de Mono. Togo heeft een tropisch regenrijk
klimaat met in het noorden één regentijd (maart-oktober) en in het
zuiden twee (maart-juli, september-november); de neerslag is nergens
minder dan 1000 mm per jaar. De temperatuur schommelt tussen 22 en 34
°C. Van juli tot september waait aan de kust de zuidwestelijke
moessonwind. In de overige maanden heerst een duidelijke
land-zeewindcirculatie. In december-januari waait in het noorden de
harmattan. In de overige maanden is de wind meest zuidwestelijk.
1.1 Plantengroei en dierenwereld
Togo wordt voor een groot deel ingenomen door savannen, die op veel
plaatsen overgaan in licht bos. In het noorden komen steppen voor. Langs
de rivieren vindt men galerijwouden en in het gebergte regenwoud, ten
dele loofverliezend. De dierenwereld is die van het West-Afrikaanse
regenwoud en de aangrenzende savannetypen en omvat o.a. talrijke apen,
leeuw, panter, Afrikaanse olifant, nijlpaard, buffel en veel antilopen,
waaronder de zeldzame bongo en, eveneens in het bos, talrijke duikers.
Ook het zeldzame reuzenzwijn komt in Togo voor. De vogelwereld is
bijzonder rijk. Een tweetal reservaten op de grens van bos- en
savannezone vormt de aanzet van een natuurbeschermingspolitiek.
|
 |
 |
2. Bevolking
Er zijn ca. 40 etnische groepen te onderscheiden; de grootste zijn de
Ewe (32%) en de Mina (6%) in het zuiden, de Kabré (13%), de Kotokoli
(6%) en de Moba (5%) in het noorden en midden. De Watchi behoren tot de
Ewe. Het grootste deel van de bevolking woont in dorpen met minder dan
2000 inw. De enige grote stad is Lomé (650.000 inw.). De jaarlijkse
bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1985-1994 3,1%. Frans is de
officiële taal, maar Ewe en Kabré worden ook op school onderwezen. De
verschillende bevolkingsgroepen spreken hun eigen taal. De helft van de
bevolking hangt animistische religies aan, ca. 35% is christen en ca.
15% islamiet.
3. Bestuur en
samenleving
Togo is een republiek. De grondwet van 1980 werd in 1993 gewijzigd. In
1991 werd de ban op de politieke partijen opgeheven en de tot dan enig
toegestane partij, de Rassemblement du Peuple Togolais (RPT) werd
ontbonden. De belangrijkste politieke partijen zijn het Comité d'action
pour le renouveau (CAR), de Union togolaise pour la démocratie (UTD), de
Convention démocratique des peuples africains (CDPA) en de Union des
forces du changement (UFC). Grootste vakbond is het Collectif des
syndicats indépendants (CSI).
Togo is administratief ingedeeld in 5 regio's en 21 districten. De
hoofden van de regionale besturen worden door de president benoemd. De
traditionele stamhoofden zijn bij het bestuur ingeschakeld.
Togo is lid van de Verenigde Naties, de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid, de Conseil de l'Entente (een samenwerkingsverband met
Ivoorkust, Niger, Boven-Volta en Benin), GATT en de West-Afrikaanse
Economische Gemeenschap (CEAO) en is geassocieerd met de EU.
4. Economie
De
economische structuur draagt nog altijd het stempel van het Franse
koloniale verleden, wat o.a. tot uiting komt in de aanzienlijke
verschillen tussen het ontwikkelde zuiden en het noorden, waar kleine
voor eigen behoeften producerende boerenbedrijfjes bestaan. Verder is de
economie in hoge mate afhankelijk van de uitvoer van slechts enkele
grondstoffen, waarvan de prijzen bepaald worden op de wereldmarkt.
Ofschoon verreweg het grootste deel van de bevolking (69%) een bestaan
vindt in de landbouw, daalt de bijdrage van deze sector aan het Bruto
Nationaal Product (bnp) voortdurend en bedroeg in 1994 38%. Het grootste
aandeel aan het bnp heeft de tertiaire sector (handel, transport en
diensten), nl. ca. 40%. Het aandeel van de industrie aan het bnp stijgt
geleidelijk en bedraagt ongeveer 20%.
Slechts 15% van de daarvoor in aanmerking komende gronden (ca. 42% van
het totale oppervlak) wordt voor de landbouw gebruikt, die meestal met
primitieve middelen op kleine boerenbedrijfjes wordt uitgeoefend.
Belangrijkste voedingsgewassen zijn: cassave, yam, maïs, gierst en
rijst. De opbrengst is meestal niet voldoende voor de binnenlandse
vraag. Als handelsgewassen worden cacao, koffie, palmpitten, aardnoten
en katoen verbouwd. De veehouderij is van weinig betekenis en dekt de
binnenlandse vraag bij lange na niet. Hoewel er rijke visgronden voor de
kust zijn, is de visserij weinig ontwikkeld. De bosbouw is economisch
van weinig betekenis.
Ten noordwesten van het Togomeer wordt fosfaat gewonnen door de
staatsonderneming Office Togolais des Phosphates (OTP). Deze delfstof
levert de helft van de exportverdiensten. Daarnaast zijn de winning van
marmer ten noorden van Lomé en kalksteen bij Tabligbo van betekenis. De
industrie omvat de productie van voedings- en genotmiddelen, textiel,
chemische producten en bouwmaterialen; daarnaast zijn er een
aardolieraffinaderij en een grote cementfabriek. 90% van de
elektriciteitsbehoefte werd door Ghana geleverd (waterkrachtcentrales
bij het Voltastuwmeer), maar sinds 1988 voorziet de centrale bij de
stuwdam in de Monorivier het grootste deel van Togo van elektriciteit.
De handelsbalans is negatief. Voornaamste uitvoerproducten zijn fosfaat,
cacao, koffie en katoen. Ingevoerd worden o.a. aardolieproducten,
katoenen stoffen en kleding, granen, vlees, motorvoertuigen, apparaten
en reserveonderdelen, ijzer en staal. Belangrijkste handelspartners zijn
de EU (m.n. Frankrijk) en China. In 1983 kwam een plan van de grond in
samenwerking met het IMF. Doel van het plan is het bnp met vier procent
te verhogen, inflatie terug te dringen, de buitenlandse schulden te
verminderen, herstructurering van de economie, privatisering van
staatsbedrijven en beperking van de loonkosten.
Togo is lid van de West-Afrikaanse monetaire overeenkomst met als
centrale bank de Banque Centrale des États de l'Ouest in Dakar.
Daarnaast zijn er zeven handelsbanken en twee ontwikkelingsbanken.
Het toerisme is een belangrijke bron van inkomsten geworden. Van het
wegennet is slechts een klein deel geasfalteerd en een iets groter deel
alleen in het droge seizoen begaanbaar. Togo heeft vier spoorlijnen die
geëxploiteerd worden door de Chemin de Fer Togolais. Grootste havenstad
is Lomé. Fosfaat wordt over Kpéimé uitgevoerd. De nationale
luchtvaartmaatschappij is Air Togo, die de binnenlandse vluchten en een
lijndienst naar Lagos onderhoudt. Air Afrique verzorgt andere
internationale verbindingen. Lomé heeft een internationale luchthaven,
Tokoin.
5. Geschiedenis
Delen van het huidige Togo hebben in de loop der eeuwen tot het
Ashanti-rijk, de Mossi-Dagombastaten en het koninkrijk Dahomey behoord.
De Ewe vestigden zich in de 18de eeuw in dit gebied. Portugezen,
Spanjaarden, Denen en Hollanders bezaten handelsforten langs dit deel
van de Slavenkust.
5.1 Duits mandaat
In 1884 sloot de Duitse handelsagent Nachtigall in het vissersdorp Togo
een protectoraatsverdrag met het Ewestamhoofd Mlapa. Op basis daarvan
wees de Conferentie van Berlijn (1885) 'Togo-land' als 'Schutzgebiet'
aan het Duitse Rijk toe. De Duitsers wilden Togoland tot modelkolonie
ontwikkelen, maar hun pogingen kwamen tot een plotseling einde toen hun
garnizoen in 1914 moest capituleren voor Britse en Franse troepen.
Na de Eerste Wereldoorlog werd Togoland mandaatgebied van de Volkenbond.
Westelijk Togoland, grenzend aan Goudkust, werd aan Groot-Brittannië
toegewezen en spoedig als onderdeel van Ghana bestuurd. Het oostelijke
deel, grenzend aan de Franse kolonie Dahomey (het huidige Benin), kreeg
een Frans bestuur, echter los van het gouvernement-generaal van Frans
West-Afrika.
5.2 Trustgebied VN
De beide mandaatgebieden werden in 1946 door Groot-Brittannië en
Frankrijk beheerde trustschapsgebieden van de Verenigde Naties. Brits
Togoland koos in een referendum in 1956 voor volledige aansluiting bij
Ghana. Frans Togoland werd in 1956 een republiek met beperkte autonomie
binnen de Franse Unie. De verkiezingen voor een wetgevende vergadering
in april 1958 werden gewonnen door het Comité de l'Unité Togolaise onder
leiding van Sylvanus Olympio, die zich hereniging van de over Ghana,
Togo en Dahomey verspreide Ewe ten doel stelde. Olympio werd nu premier.
5.3 Onafhankelijkheid
Op 27 april 1960 werd Togo een onafhankelijke staat, in 1961 volgde
Olympio's verkiezing tot president. In jan. 1963 wierpen militairen de
regering omver en vermoordden de president. Hierdoor kwam N. Grunitzky,
zwager van Olympio en voor 1958 premier, aan de macht. Hij probeerde een
regering van nationale eenheid te vormen, maar deze ondervond heftige
oppositie van aanhangers van Olympio. De tegenstelling tussen
achtergestelde noordelijke Chokosi en bevoorrechte Ewe in het zuiden
beheerste het politieke leven. Om een mogelijke burgeroorlog te
voorkomen trok het leger in jan. 1967 de macht aan zich. De chef-staf,
Etienne Gnassingbe Eyadema, nam in april het presidentschap op zich en
verbood alle politieke partijen. Om aan de politieke en etnische
verdeeldheid een einde te maken richtte Eyadema in nov. 1969 de
Rassemblement du Peuple Togolais (RPT) op, welke ten doel had alle
etnische groepen en politieke gezindten in één volkspartij te verenigen.
Het bewind van Eyadema bleef niet onaangevochten. Hij ontsnapte enkele
malen aan een aanslag op zijn leven. In 1991 kwam hij tegemoet aan de
eis van de oppositie om het democratiseringsproces te versnellen.
Voorheen illegale politieke partijen werden erkend en tijdens een
Nationale Conferentie in de zomer van 1991 werd de grondwet van 1980
buiten werking gesteld, werd met het
opstellen van
een nieuwe constitutie begonnen en tevens werden verkiezingen voor een
nieuw parlement en een nieuwe president en een referendum over de nieuwe
grondwet in het vooruitzicht gesteld. Vertraging in het tijdschema
leidde in 1992 opnieuw tot gewelddadige confrontaties tussen oppositie
en regering. In sept. 1992 werd de nieuwe grondwet bij referendum
goedgekeurd. In maart 1993 overleefde Eyadema ternauwerno od
een overval door een gewapende macht, door de regering toegeschreven aan
de oppositie; door fraude en het ontbreken van serieuze tegenkandidaten
won Eyadema de in aug. 1993 gehouden presidentsverkiezingen.
Om de toenemende gewelddadigheden te ontlopen, waren begin 1993 ongeveer
200!000 mensen naar Ghana, Benin en het binnenland van Togo gevlucht. In
een zeer onrustig politiek klimaat vonden in febr. 1994
parlementsverkiezingen plaats, waarbij de oppositie 43 zetels veroverde
en de Rassemblement du Peuple Togolais (RPT) 35 zetels. Nadat
overeenstemming was bereikt over nieuwe verkiezingsprocedures en
garanties waren gegeven voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht, beëindigde de belangrijkste oppositiepartij, het Comité d 'action
pour le renouveau (CAR) haar boycot van het parlement. De meeste
westerse landen en de EU hervatten in 1995 de economische hulp aan Togo,
die in 1994 grotendeels was stopgezet om de eis tot democratische
hervormingen kracht bij te zetten. Na drie moeilijke jaren tekende zich
in 1995 een begin van economisch herstel af.
Na winst in drie tussentijdse verkiezingen kon de RPT van president
Eyadéma - zie foto rekenen op de steun van een meerderheid in het
parlement. Voor premier Kodjo was dit reden in aug. 1996 zijn ontslag in
te dienen. Als opvolger van Kodjo benoemde Eyadéma de minister van
Planning, Kwasi Klutse.
Telefoongids Togo
Postcodes
Togo
|