Enige tijd na de
zondvloed vestigde nakomelingen van Noach zich op een laagvlakte in
het land Sinear, niet ver van de Eufraat. Zij spraken één taal en
vormden één gemeenschap. In Genesis 11 staat hun verhaal: En
zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een
toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor
ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid
worden! De toren zou moeten dienen als een herkenningspunt in het
landschap, waardoor de mensen elkaar niet kwijt zouden kunnen raken.
En dat terwijl God Noach en de zijnen had opgedragen de aarde te
'vervullen' (Gen. 9:1). Het bouwwerk zou ook een veilig heenkomen
kunnen bieden bij een mogelijke nieuwe zondvloed.
De toren van Babel heeft echt bestaan, alleen hoogstwaarschijnlijk
geheel anders gebouwd dan Bruegel in zijn schilderijen dacht. Op
oude kleitabletten zijn vermeldingen gevonden van een zikkoerrat,
een trapvormige tempeltoren, die 91 meter hoog was op een basis van
91 x 91 meter. De toren hoorde bij de tempel van Mardoek, de
voornaamste god van Babylonië. Uit de spijkergeschriften blijkt dat
men met de toren daadwerkelijk de hemel wilde bereiken – het valt
dan ook bepaald niet uit te sluiten dat ook dit bijbelverhaal zijn
oorsprong vindt in Mesopotamië, net als het verhaal van de
zondvloed. Vernietigd door de Assyrische koning Sanherib in 689
v.C., herbouwd en voltooid door o.a. Neboekadnezar II. De Perzen van
Xerxes sloopten de toren opnieuw, in 478 v.C.. De Babyloniërs
noemden hun toren Bab-Iloe, Poort van God.