|
1. Landschap en klimaat
De
eilanden behoren geologisch niet tot de West-Indische eilanden, maar
zijn continentale eilanden. Het noordelijk deel van Trinidad is een
bergland (hoogste punt: Cerro de Aripo, 945 m) en vormt de voortzetting
van het gebergte langs de noordkust van Venezuela. De Boca Grande dankt
zijn ontstaan aan breuken in dit gebergte. Meer zuidwaarts bestaat
Trinidad uit twee laagvlakten, gescheiden door een heuvelrug van oost
naar west; ook de zuidkust wordt gevormd door een heuvelrug. De grootste
hoogten zijn hier ca. 300 m. Geologisch van belang is de noordzijde van
het zuidwestelijk schiereiland van Trinidad, waar bij La Bréa het
bekende Pitch Lake (Pekmeer) ligt, een asfaltmeer. In deze omgeving
komen ook moddervulkanen voor, die hun ontstaan danken aan het ontwijken
van gassen uit bitumineuze afzettingen. De afwatering van de twee
laagvlakten op Trinidad gaat vnl. via de Oropuche en de Ortoire naar de
oostkust. Het klimaat wordt volledig beheerst door de noordoostpassaat.
De regentijd is van juni tot december. Door de permanente wind wordt de
tropische temperatuur gematigd tot een gemiddelde van 25 °C.
Planten- en dierenwereld zijn die van noordelijk Zuid-Amerika, maar zijn
minder divers. Het is duidelijk dat Trinidad en Tobago in dit opzicht
eigenlijk niet tot West-Indië behoren. Er komen geen grote zoogdieren
voor, maar men kent er wel o.a. twee soorten apen, de ocelot, een hert
en een pekari.
2. Bevolking
Van de bevolking is 41% van Afrikaanse oorsprong, 40% van (Brits-)Indische
afkomst, 16% van gemengde afkomst, 1% blanken en 2% overigen. Het
grootste deel van de bevolking woont op het eiland Trinidad
(bevolkingsdichtheid 247 inw. per km2); Tobago telt slechts 40.000 inw.
(132 inw. per km2). Sedert het eind van de jaren zestig is een groot
deel van de bevolking van het platteland naar de steden getrokken, zodat
bijna 71% in steden woont. Er heeft een belangrijke emigratie
plaatsgevonden, vooral naar de Verenigde Staten, Canada,
Groot-Brittannië en Venezuela. De grootste steden zijn Port of Spain
(51.000 inw.) en San Fernando (30.000 inw.). De officiële taal is het
Engels; in bepaalde gedeelten van de eilanden wordt daarnaast Spaans,
Hindi of een Frans dialect gesproken. Van de bevolking was in 1990 29,4%
rooms-katholiek, 23,8% hindoe, 10,9% anglicaans, 6% moslim en 4%
presbyteriaans. Onder de overige godsdiensten (ca. 16%) winnen de
Amerikaanse protestantse sekten zoals de Zevendedagsadventisten aan
populariteit.
3. Bestuur en samenleving
Volgens
de grondwet van 1976 is Trinidad and Tobago een presidentiële republiek.
De wetgevende macht berust bij het parlement, bestaande uit een 31 leden
tellende Senaat en een 36 leden (34 voor Trinidad, 2 voor Tobago)
tellend Huis van Afgevaardigden (voor vijf jaar rechtstreeks gekozen).
Het staatshoofd, de president, wordt voor een ambtsperiode van vijf jaar
gekozen door een kiescollege uit het parlement. De uitvoerende macht
berust bij de minister-president en zijn ministers. Tobago heeft sinds
1980 een eigen bestuurscollege van 15 leden en verkreeg in 1987 volledig
binnenlands zelfbestuur. Er is algemeen kiesrecht vanaf 18 jaar. De
belangrijkste politieke partijen zijn: de in 1956 opgerichte People's
National Movement (PNM), een partij die vooral steun vindt bij de
Afro-Caribische bevolking; de National Alliance for Reconstruction
(NAR); de United National Congress, de voormalige oppositiepartij. De
belangrijkste vakbondsorganisatie is de National Trade Union Centre.
Bestuurlijk is het land verdeeld in zeven 'counties' op het eiland
Trinidad; Tobago is de achtste county.
De republiek is lid van de Verenigde Naties, van het Gemenebest van
Naties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en van de
Caribbean Community (CARICOM), en is geassocieerd met de EG. De defensie
is opgedragen aan het Trinidad and Tobago Regiment, gesteund door een
Coast Guard; de binnenlandse orde wordt gehandhaafd door de Police
Service.
Met een gemiddeld inkomen per hoofd van US $ 3740 heeft het land een
voor Zuid-Amerika hoge levensstandaard; toch leeft door de ongelijke
inkomensverdeling en door de grote werkloosheid 16% van de bevolking in
armoede. De armoede en de trek naar de steden zijn er de oorzaak van dat
een groot deel van de stadsbevolking rond Port of Spain en San Fernando
in krottenwijken woont; speciale woningbouwprogramma's voor deze
bevolkingsgroepen (gefinancierd uit de aardolie-inkomsten) hadden tot
doel hieraan een einde te maken.
4. Economie
Trinidad and Tobago heeft een vrijemarkteconomie. De winning en
verwerking van aardolie en aardgas vormen de basis van de economie.
Naast de verbouw van suikerriet en de suikerexport is m.n. ook het
toerisme van belang voor de werkgelegenheid en als bron van deviezen.
Van de beroepsbevolking was in 1993 11% werkzaam in de landbouw, 3,7% in
de mijnbouw (incl. aardoliewinning), 22% in de industrie, 17% in de
handel en 42% in de dienstensector; het aandeel van de sectoren aan het
Bruto Nationaal Product (bnp) bedroeg in 1993: landbouw 2%,
aardolie-industrie 23%, overige industrie 10%, bouw en mijnbouw 9%,
handel 11% en diensten 45%. De economische groei bedroeg aan het begin
van de jaren tachtig gemiddeld 10% per jaar, maar daalde daarna naar ca.
5%; in 1990 tot 1994 zelfs tot 0,3%. In 1995 werd een groei van 3,5%
gerealiseerd.
Het belangrijkste landbouwproduct is suiker, dat vooral in de Caroni- en
Naparimalaaglanden wordt verbouwd; meer dan de helft van het
suikerareaal is in handen van de Caroni Company, waarin de overheid een
meerderheidsaandeel heeft verworven. Andere belangrijke producten zijn
groente, cacao, koffie, citrusvruchten, kokosnoten, rijst en tabak; de
binnenlandse voedselproductie voorziet in ongeveer de helft van de
binnenlandse vraag; vooral graan en vlees moeten worden ingevoerd. De
veehouderij (runderen en varkens) en de visserij zijn van weinig belang.
Van het land is 50% met bos bedekt; ruim de helft hiervan wordt door de
overheid geëxploiteerd, waarbij op grote schaal herbebossing wordt
toegepast. De aardoliebronnen in het zuidwesten van Trinidad raken
langzaam uitgeput, maar sinds 1972 is vooral de aardolieproductie op het
continentale plat (off-shore) in de Golf van Paria en ten oosten van het
eiland sterk toegenomen. De aardoliewinning is vnl. in handen van twee
grote maatschappijen: de Noord-Amerikaanse AMOCO (vooral off-shore ten
zuidoosten van Trinidad) en de staatsoliemaatschappij TRINTOC (Trinidad
and Tobago Oil Company), met wingebieden in zeegebied in de Golf van
Paria. De internationale economische recessie van de aardolielanden trof
Trinidad and Tobago hard. De exportopbrengsten liepen dramatisch terug,
waardoor de economie als geheel ontwricht raakte. Toch is de
aardolie-industrie nog steeds de belangrijkste pijler van de economie.
Binnenlandse productie en diversificatie moeten de dominantie van de
aardolie-industrie beëindigen. De aardgaswinning (sinds 1975 in handen
van de staat) vormt in toenemende mate een belangrijke aanvulling op de
energieproductie. Bij het Pitch Lake wordt sinds het begin van de eeuw
asfalt gewonnen; het is een van de grootste vindplaatsen van natuurlijk
asfalt op de wereld.
De belangrijkste tak van de industrie is de raffinage en verwerking van
aardolie in de twee grote raffinaderijen (die van TEXACO bij
Point-à-Pierre en die van TRINTOC bij Point-Fortin). De petrochemische
industrie produceert kunstmest, methanol, ammonia en synthetische
verven. In het kader van industriële differentiatie is op basis van
aardolie en aardgas een zware basisindustrie opgezet bij Point-Lisas; in
1981 begon de Iron and Steel Company of Trinidad and Tobago (ISCOTT) met
de staalproductie. Voorts van belang is de suikerraffinage, basis voor
de productie van suiker (voor de export), rum en angostura bitter.
Daarnaast omvat de industrie de verwerking van cacao, tabak en hout, de
productie van zeep, textiel, vruchtensappen en -conserven, en cement,
alsmede de assemblage van auto's en huishoudelijke elektrische
apparaten. Bij Chaguaramas is een scheepswerf.
Voornaamste exportartikelen zijn: aardolie en aardolieproducten (60%),
agrarische (7%) en chemische producten (17%). Afnemers zijn: de
Verenigde Staten, de CARICOM-landen en de EU-landen. Ingevoerd worden:
voedingsmiddelen, machinerieën, bouwmaterialen. Voornaamste leveranciers
zijn: de Verenigde Staten, Japan en de EG-landen.
Als centrale bank fungeert sinds 1964 de Central Bank of Trinidad and
Tobago. De overheid beïnvloedt de kredietverlening verder via de
Agricultural Development Bank: er zijn drie ontwikkelings- en zes
handelsbanken. Voorts is er een Trinidad and Tobago Stock Exchange
(1981).
Voor het transport beschikken de eilanden over een uitgebreid maar
overbelast wegennet. Van groot belang is tevens het zeetransport.
Trinidad is een belangrijk regionaal overslagcentrum in het Caribisch
gebied, waarbij de havens Port of Spain, Chaguaramas, Point-Fortin,
Scarborough en Point-Lisas een rol spelen. Er zijn pijpleidingen voor
het transport van aardolie en aardgas. De nationale
luchtvaartmaatschappij British West Indian Airways (BWIA) beschikt voor
het internationale luchtverkeer over twee vliegvelden: Piarco (bij Port
of Spain) op Trinidad en Scarborough op Tobago.
5. Geschiedenis
Trinidad werd in 1498 ontdekt door Columbus en door hem voor de Spaanse
kroon in bezit genomen. De kolonisatie begon in 1577; echter pas aan het
eind van de 18de eeuw was er sprake van effectieve economische
ontsluiting door voornamelijk Franse planters. In 1797 veroverden de
Engelsen Trinidad; een situatie die bij het Verdrag van Amiens (1802)
formeel werd bekrachtigd. De Engelsen ontwikkelden een
plantage-economie, gebaseerd op slavenarbeid en vervolgens
contractarbeid. In 1888 werd Trinidad verenigd met het nabijgelegen,
dunbevolkte eilandje Tobago. De opkomst van de aardolie-industrie (vanaf
de eeuwwisseling) leidde mede tot de opkomst van arbeidersorganisaties.
De arbeidsonrust van de jaren dertig legde de basis voor vakbonden en de
opkomst van nationalistische partijen. Na de Tweede Wereldoorlog werd
onafhankelijkheid een belangrijk politiek doel. De mislukking van de
West Indian Federation (1958-1962, federatie van Barbados, Jamaica en
Trinidad) maakte de weg vrij naar de onafhankelijkheid (31 aug. 1962).
De charismatische leider van de PNM, Eric Williams, was een van de
protagonisten van de onafhankelijkheidsbeweging en was van 1956 tot zijn
dood in 1981 minister-president. In 1970 ontstond een ernstige crisis en
werd de noodtoestand uitgeroepen toen de radicale Black Power-beweging
fel demonstreerde tegen de buitenlandse financieel-economische invloed
en de geprivilegieerde positie van de blanken. In 1976 werd de
grondwet gewijzigd en de
republiek (binnen het Britse Gemenebest) uitgeroepen.
Gaandeweg boetten de PNM en ook Eric Williams in aan prestige.
Laatstgenoemde werd beschuldigd van a utoritair
en eigenzinnig optreden. In deze tijd namen ook de etnische spanningen
tussen Trinidadians van Afrikaanse en van Indische afkomst toe. Op 27
juli 1990 deed een groep radicale islamieten een poging tot staatsgreep
waarbij minstens twintig doden vielen. In 1991 werd Patrick Manning (PNM)
premier. Door het leger in staat van paraatheid te brengen slaagde hij
erin toenemende arbeidsonrust in februari 1993 een halt toe te roepen.
Als gevolg van het overlopen van een aantal parlementsleden van de
regeringspartij, de People's National Movement (PNM) kon premier Manning
niet meer rekenen op een meerderheid in het parlement en schreef hij
vervroegde verkiezingen uit voor nov. 1995. PNM en de belangrijkste
oppositiepartij, het United National Congress (UNC), behaalden beide 17
zetels. De nieuwe premier werd UNC-leider Basdeo Panday, de eerste
premier van Hindoestaanse afkomst. Met de VS sloot Trinidad in maart
1996 een aantal overeenkomsten, gericht op een nauwere samenwerking in
de strijd tegen de drugshandel. (foto - links op de foto
president Maxwell Richards, anno 2004)
Telefoongids Trinidad en Tobago
Postcodes
Trinidad en Tobago
|