header landen en staten

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Tsjechië

 

Terug naar overzicht Europa >>  

 

Tsjechië (officieel: Ceská Republika; CR), republiek in Midden-Europa, 78.864 km2, met (1994) 10,29 miljoen inw. (131 inw. per km2); hoofdstad: Praag. Munteenheid is de koruna (Kcs) of kroon, onderverdeeld in 100 heller.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Prague - General viewTsjechië vertoont een aantal zowel naar ouderdom als naar vorm zeer verschillende landschapsvormen. Deze landschappen zijn in drie hoofdgroepen te verdelen, t.w. a. de bekkens en gebergten van het Boheemse massief in het westen; b. de Silezisch-Moravische corridor, een laaglandgebied tussen het Boheemse en het Moravische deel; c. de bekkens en gebergten van het jongere plooiingsgebergte in Moravië, deel uitmakend van het westelijk deel van de Karpaten.
Het Boheemse massief is een in het oud- en jong-Paleozoïcum geplooid gebied. De hiertoe behorende gebergten omsluiten in een wijde boog de Boheemse laagvlakte, die zelf ook weer uit een aantal te onderscheiden elementen bestaat. Beginnend in het noorden is daar allereerst het Sudetengebergte, dat vnl. uit graniet bestaat en in de Schneekoppe (Snè"ka, 1603 m; in het Reuzengebergte) in Tsjechië zijn hoogste top bereikt. Westelijker sluit hierop het Ertsgebergte (Krušné-hory, hoogste top Klínovec, 1243 m) aan, uit kristallijne gesteenten bestaand; aan de voet hiervan heeft zich een vulkanisch gebergte (het Duppauergebergte) met minerale bronnen ontwikkeld. Bij Asch en Eger vormt het Egerbekken een onderbreking, waarna het bergland zich naar het zuidoosten voortzet in het Fichtelgebergte (kristallijn gesteente) en het Bohemerwoud (graniet), gemiddeld 1000 à 1100 m hoog, met als hoogste top de Javor (ca. 1330 m). De door deze gebergten omsloten Boheemse laagvlakte bestaat in het zuiden uit het door erosie zeer in hoogte gereduceerde massief van Zuid-Bohemen, dat uit kristallijne gesteenten en in het noordwesten en zuiden uit graniet bestaat en in het zuiden waarvan zich enkele Tertiaire bekkenlandschappen bevinden, o.a. het Luschnitzer bekken. Ten noordwesten hiervan ligt het heuvellandschap van het Brdawoud (oude leisteen), ca. 800-850 m hoog, ten noordwesten waarvan zich de bekkens en heuvellandschappen van Noordwest-Bohemen bevinden. Hierbij sluit zich ten oosten de grote Boheemse laagvlakte aan, die overwegend uit Krijtsedimenten bestaat. In het oosten wordt Bohemen van Moravië gescheiden door de Moravische hoogten, een uit Carboonformaties bestaand heuvellandschap van ca. 550-660 m hoogte, dat vrij abrupt tegen de Moravische corridor afbreekt. Dit zeer gecompliceerde geheel van landschapppen is ontstaan als resultaat van de geologische krachten die op het Boheemse massief na zijn vorming in de Variscische plooiingsperiode hebben ingewerkt. Een deel ervan werd in jong-Paleozoïsche tijd door de zee overstroomd en er vormden zich sedimentgesteenten. In het Tertiair werd het gehele landschap nogmaals opgeheven en tot een aantal afzonderlijke delen verbrokkeld. Door denudatie liggen de kristallijne kernen van oudere gesteenten, die dikwijls zeer ertsrijk zijn, voor een deel aan de oppervlakte.
De Silezisch-Moravische corridor, die het Boheemse massief van het Karpatische deel scheidt, omvat een gebied dat uit sedimenten en vulkanische gesteenten bestaat. Het is, met uitzondering van de oudste lagen, vrijwel niet aan tektonische bewegingen onderworpen geweest. De landschappen van Moravië vallen samen met de uit graniet bestaande Witte en Kleine Karpaten.
1.2 Rivieren en meren
De Boheems-Moravische hoogten, het Jeseníkygebergte en de Karpaten vormen een natuurlijke waterscheiding tussen de stroomgebieden van rivieren waarvan de loop aan de ene kant is gericht op de Noord- en de Oostzee en aan de andere kant op de Zwarte Zee. De Labe (Elbe), Vltava (Moldau), Sázava, Orlice, Jizera, Otava, Berounka en Ohre (Eger) voeren water uit het Boheemse bekken naar de Noordzee af. Het water van de Lu"ická Nisa (Neisse) en de Odra (Oder) stroomt naar de Oostzee. De Morava (March), Dyje, Svratka en de Jihlava monden uit in de Donau, die naar de Zwarte Zee stroomt. Tsjechië heeft betrekkelijk weinig natuurlijke meren; het zijn vnl. door morenes opgestuwde meren in de gebergten (Šumava). De talloze, meest middeleeuwse kleine stuwmeertjes, rybník geheten, liggen vnl. in Zuid-Bohemen en beslaan een oppervlakte van 415 km2. Er zijn vele moderne stuwmeren, vnl. in Vltava.
1.3 Klimaat
Van west naar oost gaande krijgt het klimaat een sterker continentaal karakter. De gemiddelde dagelijkse temperatuur in Praag is de maand januari 9, 5 °C en voor de maanden juni, juli en augustus respectievelijk 30,9, 32,7 en 31,8 °C. De neerslag varieert sterk met de plaats, een gevolg van de geaccidenteerdheid van het land. De grootste hoeveelheden vallen gedurende de zomermaanden.
1.4 Plantengroei
In de bergachtige gebieden vindt men de rijk geschakeerde flora van Midden-Europa: uitgestrekte bossen met zowel loofhout (esdoorn, lijsterbes, eik, beuk, berk) als naaldhout (grove den, arve, spar, lariks, taxus); ijstijdrelicten als een braam- en een steenbreeksoort; voorts Veratrum nigrum, berendruif, vele soorten orchideeën, Sorbus sudetica, en vele andere, vaak endemische (alleen daar voorkomende) plantensoorten. De boomgrens ligt tussen 1200 en 1400 m. In de rivierdalen treft men vaak een parkachtig landschap aan.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is van een Midden-Europees karakter; op de gebergten komt een alpien aandoende fauna voor met o.a. marmotten en sneeuwmuizen. De grote roofdieren komen nog (zeer) zeldzaam voor: wilde kat en lynx. Een netwerk van reservaten en nationale parken verlenen fauna en flora adequate bescherming; de nationale parken liggen op de grens met Polen en worden in goede samenwerking beheerd.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Deveice - Fishermen fishing carpsDe bevolking bestaat voor ruim 94% uit Tsjechen, terwijl het land nog een aantal etnische minderheden telt, nl. Slowaken, Duitsers en Polen. De bevolkingsgroei is in de jaren tachtig bijna tot nul teruggelopen. Ook de levensverwachting bij geboorte stijgt niet verder en is een van de laagste in Europa (71 jaar in 1994). De grootste steden zijn (1994) Praag (1.217.000 inw.), Brno (390.000), Ostrava (327.000) en Plzeñ (172.000).
2.2 Taal
De officiële taal is Tsjechisch. Daarnaast spreken de minderheden hun eigen talen.
2.3 Religie
Van 1949 tot 1990 stonden alle kerkelijke organisaties onder controle van de staat, die ook de salarissen van de geestelijken betaalde. In 1990 is de kerk officieel van de staat gescheiden. Er zijn geen officiële kerkelijke statistische gegevens bekend. Naar schatting is ca. 35% van de bevolking aangesloten bij een kerkgenootschap. De belangrijkste kerk is de Rooms-Katholieke Kerk, waarbij zich ca. 77% van de gelovigen heeft aangesloten en die bestuurlijk is ingedeeld in twee kerkprovincies: Bohemen en Moravië, met resp. de aartsbisdommen Praag en Olomouc.
Vanaf 1971 beheerste de vereniging van procommunistische priesters, Pacem in Terris (opgericht in 1971), de Rooms-Katholieke Kerk in Tsjechoslowakije. Deze organisatie stond onder invloed van de staat. Pacem in Terris werd in 1990 opgeheven.
In 1920 maakte een deel van de Rooms-Katholieke Kerk zich los van Rome, waarmee de Tsjechoslowaakse Kerk, een nationale katholieke kerk, ontstond (sinds 1971 Tsjechoslowaakse Hussitische Kerk geheten). Er is een aantal protestantse kerken, waaronder die van de Tsjechische Broeders, voorts de Orthodoxe Kerk van Tsjechoslowakije en de Grieks-Katholieke Kerk.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Met het akkoord van 26 aug. 1992 tussen de twee belangrijkste Tsjechoslowaakse politici van dat moment, de Tsjech V. Klaus van de ODS en de Slowaak V. Meciar (HZDS), werd tot het uiteenvallen van de federatieve republiek Tsjechoslowakije besloten. Beide deelrepublieken verplichtten zich een staatsverdrag te sluiten en ieder een eigen grondwet aan te nemen, waardoor de federale constitutie buiten werking werd gesteld.
3.2 Administratieve indeling
De Tsjechische Republiek is onderverdeeld in acht provincies (Praag, Noord-, Oost-, Zuid-, West- en Midden-Bohemen, Zuid- en Noord-Moravië), die weer verder onderverdeeld zijn in 76 districten.
3.3 Politieke partijen en vakbondswezen
De 'Fluwelen Revolutie' van 1989 gooide het politieke landschap flink door elkaar. Partijen kwamen en gingen. De belangrijkste politieke partij was aanvankelijk Burgerforum, maar dat viel na de gewonnen verkiezingen van juni 1990 uit elkaar. Ex-Burgerforum-lid V. Klaus richtte de Burger Democratische Partij (ODS) op die bij de verkiezingen van juni 1992 als de grootste Tsjechische partij naar voren kwam. Andere belangrijke partijen zijn: het Linkse Blok, voortkomend uit o.a. de Communistische Partij van Bohemen en Moravië (KSCM) en de Sociaal-Democratische Partij (CSSD). Vele partijen, o.a. een aantal regionale, die autonomie voor een kleiner gebied nastreven (bijv. Moravië), haalden de kiesdrempel van 5% niet.
In maart 1990 werd in Praag een nieuwe, partijonafhankelijke vakbond opgericht, die de centrale, communistische vakbond van Tsjechoslowakije verving.

4. Economie
4.1 Inleiding
Czech car producer SkodaDe Tsjechische economie, tot dan toe een socialistisch economisch stelsel, wordt sinds jan. 1991 geprivatiseerd. Burgers zijn in de gelegenheid gesteld aandelen in bedrijven, in de vorm van niet-overdraagbare waarborgbiljetten, te kopen (het zgn. voucher-systeem). Een andere maatregel om de economie te veranderen in een vrijemarkteconomie was het vrijgeven van de prijzen. Dit leidde aanvankelijk tot een hoge inflatie (in 1991 52%), maar deze daalde echter weer snel naar een niveau van ca. 10%. Veel meer dan in buurland Slowakije hebben buitenlandse (m.n. westerse) ondernemers in het land geïnvesteerd; eind 1991 zelfs voor in totaal 500 miljard kronen. De nabijheid van de Europese en vooral de Duitse markt heeft hiertoe in belangrijke mate bijgedragen. Het bruto nationaal product (bnp) bedroeg in 1994 $ 33 miljard. De werkloosheid bedroeg eind 1995 2,9%.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Ca. 70% van het bebouwbare oppervlak wordt voor akkerbouw gebruikt, waarvan de voornaamste producten granen, aardappelen en suikerbieten zijn.
In de veehouderij is de rundveehouderij het belangrijkst. Daarnaast komen varkens- en pluimveehouderij op grote schaal voor. De bosbouw is een belangrijke bron van inkomsten. Grote viskwekerijen in Zuid-Bohemen leveren de in Tsjechoslowakije populaire karpers.
4.3 Industrie, mijnbouw en energievoorziening
De industriële productie nam aan het eind van de jaren tachtig steeds verder af (in 1991 -24, 4%). Het accent in deze sector ligt op de zware industrie (ijzer- en staalfabricage en zware machine-industrie). Belangrijke centra van staalindustrie zijn Ostrava en omgeving, Kladno, Chomutov en Plzeñ. De sterk toegenomen export van staal naar West-Europa leidde in juli 1992 zelfs tot een tijdelijke EG-stop op staalimport uit Tsjechië. De belangrijkste tak van industrie is de machine-industrie, met als grote centra Praag, Plzeñ, Brno en Ostrava. Verder zijn van belang de fabricage van personenauto's bij Škoda, welk bedrijf in 1990 is samengegaan met het Duitse concern Volkswagen, en de fabricage van elektrische locomotieven. In Plzeñ worden ook wapens gemaakt in de Škodafabrieken. Chemische industrie is er in Most, Ústí nad Labem, Kladno en Pardubice (o.a. aardolieraffinage). Textielindustrie is geconcentreerd in Praag, Brno en Zlín. De laatste plaats is ook een centrum van schoenindustrie (Bata-fabriek). Porselein komt uit Karlovy Vary, glas, kristal en sieraden uit Jablonec. Van de levensmiddelenindustrie zijn de bierbrouwerijen in Plzeñ (Pilsen) bekend. In de mijnbouw was de steenkolenwinning van groot belang, waarvan het meeste in Silezië wordt gewonnen, en verder bruinkool, in het bekken van Most en in het bekken van Sokolov. De eigen aardoliewinning is van geringe betekenis. Voorts is er ijzererts, grafiet en zilver. De productie van elektrische energie vindt plaats in thermische centrales, vnl. door steenkolen gevoed. Daarnaast zijn er kern- en waterkrachtcentrales.
4.4 Handel
Belangrijkste handelspartners zijn de landen van de EU en van de EVA. Meer dan 25% van de export gaat naar Duitsland. Ook naar het GOS en Hongarije wordt veel geëxporteerd. De EU neemt 55% van de export af. Vnl. grondstoffen worden nog uit de Russische Federatie geïmporteerd (aardolie). De handelsbalans is positief.
4.5 Bankwezen
Centrale bank is de Tsjechische staatsbank. Daarnaast bestaan er een bank voor de buitenlandse handel en verschillende spaar- en verzekeringsbanken.
4.6 Verkeer
Tsjechië heeft een dicht wegen- en spoorwegnet. Samen met Slowakije resp. 73.800 en 13.186 km. Het wordt nog uitgebreid met verbeterde lijnen Berlijn-Praag-Wenen en Neurenberg-Praag. Van het spoorwegnet is bijna een kwart geëlektrificeerd. Met enige voormalige sovjetrepublieken bestaan verbindingen van pijpleidingen voor het vervoer van aardolie en aardgas. Praag, Ostrava en Brno hebben een internationale luchthaven.
4.7 Toerisme
Het toerisme (2, 5 miljoen bezoekers per jaar) brengt aanzienlijke hoeveelheden deviezen op.

5. Toeristische gegevens
De interessantste stad van het land is zonder twijfel Praag; in Moravië is het de oude universiteitsstad Olomouc (na de hoofdstad het belangrijkste stadsmonument van Tsjechië) met talrijke historische gebouwen. Interessante steden in Bohemen zijn o.a. Tábor (aan het begin van de 15de eeuw een belangrijk centrum van de hussitische beweging; uit die tijd stamt ook het catacombenstelsel, waardoor de huizen van deze stad met elkaar verbonden waren), in het zuiden Ceský Krumlov (bekend door o.a. het kasteel met een baroktheater in ongeschonden staat), in het zuidoosten Telc (met een pittoresk hoofdplein) en in het oosten Kutná Hora.
Sommige van de Tsjechische steden zijn als badplaats bekend geworden. De bekendste zijn Karlovy Vary (Karlsbad) en Mariánské Láznè (Mariënbad) in het westen van Bohemen en Luhacovice in Oost-Moravië.
Het land is rijk aan diverse typen burchten en kastelen. In de omgeving van Praag liggen o.m. Karlštejn (het belangrijkste gotische kasteel; sinds 1991 in restauratie), Krivoklát (het jachtslot van de Tsjechische koningen) en het - oorspronkelijk gotische - kasteel Konopištè (met een unieke verzameling jachttrofeeën). In het Zuidboheemse kasteel Hluboká nad Vltavou, gebouwd in Tudor-stijl, is een galerie van moderne kunst gevestigd. In Moravië zijn bijv. het gotische kasteel Pernštejn en de barokkastelen van Valtice en wdár nad Sázavou bekend; in het laatste bevindt zich een boekenmuseum.
Wat de natuur betreft, biedt Tsjechië zeer uiteenlopende typen landschappen. In Zuid-Bohemen bevinden zich de uitgestrekte hoogvlakten met de (in de 16de eeuw) kunstmatig aangelegde meren en de (recent) aangelegde stuwmeren, zoals dat van Lipno, een centrum van zomertoerisme. In Noord-Bohemen liggen diverse centra van vooral wintertoerisme, zoals in Krkonoše (Reuzengebergte) of in de Jizerské-bergen. Vlak bij de stad Jicín liggen de Prachovské skály, een uitgestrekt complex van bizarre zandsteenrotsen (met oefenterreinen voor bergsportbeoefenaars). Ook het Jeseníkygebergte in Noord-Moravië wordt het meest in de winter bezocht. In het lager gelegen Midden-Moravië bevindt zich de zgn. Moravský kras, een natuurreservaat met talrijke druipsteengrotten en een 138 m diep ravijn (Macocha).

6. Geschiedenis
Karlstejn CastleNa de deling van Tsjechoslowakije in Tsjechië en Slowakije per 1 jan. 1993 bleef Václav Klaus premier. Václav Havel werd de eerste president, voor vijf jaar gekozen. De kroon werd losgekoppeld van de Slowaakse munt. Dit maakte het mogelijk snelle veranderingen in de economie door te voeren. De aandelenbeurs van Praag werd na meer dan 50 jaar heropend (april 1993). Op militair gebied werd een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met Duitsland (mei 1993).
Het parlement kon het in 1994 niet eens worden over de wijze waarop senatoren zouden worden gekozen. President Havel, die de burgers directer bij de politiek wilde betrekken door de senatoren rechtstreeks te laten kiezen, kreeg uiteindelijk zijn zin. In 1994 trad Tsjechië, samen met de andere landen van de Visegrád-groep, Hongarije, Polen en Slowakije, toe tot het Partnerschap voor Vrede-programma van de NAVO. In nov. 1995 trad Tsjechië als het eerste voormalig communistische land toe tot de OESO.
Bij de parlementsverkiezingen van mei 1996 kreeg de regeringscoalitie van de Democratische Burgerpartij (ODS), de Democratische Burgeralliantie (ODA) en de Christen-Democratische Unie (KDU-CSL) meer stemmen dan in 1992, maar als gevolg van het ingewikkelde kiesstelsel behaalden zij niet de meerderheid in het parlement. De Tsjechische Sociaal-Democraten (CSSD) boekten een enorme winst, vooral ten koste van overig links. Na taaie onderhandelingen over de verdeling van de ministersposten vormden ODS, ODA en KDU-CSL een minderheidskabinet, dat zou worden gedoogd door de sociaal-democraten. In ruil hiervoor werd de leider van de CSSD gekozen tot voorzitter van het Huis. Bij de verkiezingen voor de Senaat, die slechts een beperkte politieke rol was toebedacht, kreeg de ODS 32 van de 81 zetels.
In het slepende conflict over in de jaren veertig geconfisqueerde kerkelijke bezittingen besloot de regering in sept. 1996 bij decreet een aantal gebouwen en het daarbij behorende land terug te geven. In jan. 1996 vroeg Tsjechië officieel het lidmaatschap van de EU aan. Met Letland en Estland tekende Tsjechië een vrijhandelsakkoord. Na twee jaar onderhandelen bereikten Tsjechië en Duitsland in dec. overeenstemming over een gemeenschappelijke verklaring, waarin beide landen hun spijt uitspraken over het begane onrecht tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog.



Telefoongids Tsjechië
Postcodes Tsjechië

     

Poolgebieden

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement