|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Tsjechië
vertoont een aantal zowel naar ouderdom als naar vorm zeer verschillende
landschapsvormen. Deze landschappen zijn in drie hoofdgroepen te
verdelen, t.w. a. de bekkens en gebergten van het Boheemse massief in
het westen; b. de Silezisch-Moravische corridor, een laaglandgebied
tussen het Boheemse en het Moravische deel; c. de bekkens en gebergten
van het jongere plooiingsgebergte in Moravië, deel uitmakend van het
westelijk deel van de Karpaten.
Het Boheemse massief is een in het oud- en jong-Paleozoïcum geplooid
gebied. De hiertoe behorende gebergten omsluiten in een wijde boog de
Boheemse laagvlakte, die zelf ook weer uit een aantal te onderscheiden
elementen bestaat. Beginnend in het noorden is daar allereerst het
Sudetengebergte, dat vnl. uit graniet bestaat en in de Schneekoppe (Snè"ka,
1603 m; in het Reuzengebergte) in Tsjechië zijn hoogste top bereikt.
Westelijker sluit hierop het Ertsgebergte (Krušné-hory, hoogste top
Klínovec, 1243 m) aan, uit kristallijne gesteenten bestaand; aan de voet
hiervan heeft zich een vulkanisch gebergte (het Duppauergebergte) met
minerale bronnen ontwikkeld. Bij Asch en Eger vormt het Egerbekken een
onderbreking, waarna het bergland zich naar het zuidoosten voortzet in
het Fichtelgebergte (kristallijn gesteente) en het Bohemerwoud
(graniet), gemiddeld 1000 à 1100 m hoog, met als hoogste top de Javor (ca.
1330 m). De door deze gebergten omsloten Boheemse laagvlakte bestaat in
het zuiden uit het door erosie zeer in hoogte gereduceerde massief van
Zuid-Bohemen, dat uit kristallijne gesteenten en in het noordwesten en
zuiden uit graniet bestaat en in het zuiden waarvan zich enkele
Tertiaire bekkenlandschappen bevinden, o.a. het Luschnitzer bekken. Ten
noordwesten hiervan ligt het heuvellandschap van het Brdawoud (oude
leisteen), ca. 800-850 m hoog, ten noordwesten waarvan zich de bekkens
en heuvellandschappen van Noordwest-Bohemen bevinden. Hierbij sluit zich
ten oosten de grote Boheemse laagvlakte aan, die overwegend uit
Krijtsedimenten bestaat. In het oosten wordt Bohemen van Moravië
gescheiden door de Moravische hoogten, een uit Carboonformaties bestaand
heuvellandschap van ca. 550-660 m hoogte, dat vrij abrupt tegen de
Moravische corridor afbreekt. Dit zeer gecompliceerde geheel van
landschapppen is ontstaan als resultaat van de geologische krachten die
op het Boheemse massief na zijn vorming in de Variscische
plooiingsperiode hebben ingewerkt. Een deel ervan werd in
jong-Paleozoïsche tijd door de zee overstroomd en er vormden zich
sedimentgesteenten. In het Tertiair werd het gehele landschap nogmaals
opgeheven en tot een aantal afzonderlijke delen verbrokkeld. Door
denudatie liggen de kristallijne kernen van oudere gesteenten, die
dikwijls zeer ertsrijk zijn, voor een deel aan de oppervlakte.
De Silezisch-Moravische corridor, die het Boheemse massief van het
Karpatische deel scheidt, omvat een gebied dat uit sedimenten en
vulkanische gesteenten bestaat. Het is, met uitzondering van de oudste
lagen, vrijwel niet aan tektonische bewegingen onderworpen geweest. De
landschappen van Moravië vallen samen met de uit graniet bestaande Witte
en Kleine Karpaten.
1.2 Rivieren en meren
De Boheems-Moravische hoogten, het Jeseníkygebergte en de Karpaten
vormen een natuurlijke waterscheiding tussen de stroomgebieden van
rivieren waarvan de loop aan de ene kant is gericht op de Noord- en de
Oostzee en aan de andere kant op de Zwarte Zee. De Labe (Elbe), Vltava (Moldau),
Sázava, Orlice, Jizera, Otava, Berounka en Ohre (Eger) voeren water uit
het Boheemse bekken naar de Noordzee af. Het water van de Lu"ická Nisa (Neisse)
en de Odra (Oder) stroomt naar de Oostzee. De Morava (March), Dyje,
Svratka en de Jihlava monden uit in de Donau, die naar de Zwarte Zee
stroomt. Tsjechië heeft betrekkelijk weinig natuurlijke meren; het zijn
vnl. door morenes opgestuwde meren in de gebergten (Šumava). De talloze,
meest middeleeuwse kleine stuwmeertjes, rybník geheten, liggen vnl. in
Zuid-Bohemen en beslaan een oppervlakte van 415 km2. Er zijn vele
moderne stuwmeren, vnl. in Vltava.
1.3 Klimaat
Van west naar oost gaande krijgt het klimaat een sterker continentaal
karakter. De gemiddelde dagelijkse temperatuur in Praag is de maand
januari 9, 5 °C en voor de maanden juni, juli en augustus
respectievelijk 30,9, 32,7 en 31,8 °C. De neerslag varieert sterk met de
plaats, een gevolg van de geaccidenteerdheid van het land. De grootste
hoeveelheden vallen gedurende de zomermaanden.
1.4 Plantengroei
In de bergachtige gebieden vindt men de rijk geschakeerde flora van
Midden-Europa: uitgestrekte bossen met zowel loofhout (esdoorn,
lijsterbes, eik, beuk, berk) als naaldhout (grove den, arve, spar,
lariks, taxus); ijstijdrelicten als een braam- en een steenbreeksoort;
voorts Veratrum nigrum, berendruif, vele soorten orchideeën, Sorbus
sudetica, en vele andere, vaak endemische (alleen daar voorkomende)
plantensoorten. De boomgrens ligt tussen 1200 en 1400 m. In de
rivierdalen treft men vaak een parkachtig landschap aan.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is van een Midden-Europees karakter; op de gebergten
komt een alpien aandoende fauna voor met o.a. marmotten en sneeuwmuizen.
De grote roofdieren komen nog (zeer) zeldzaam voor: wilde kat en lynx.
Een netwerk van reservaten en nationale parken verlenen fauna en flora
adequate bescherming; de nationale parken liggen op de grens met Polen
en worden in goede samenwerking beheerd.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestaat voor ruim 94% uit Tsjechen, terwijl het land nog een
aantal etnische minderheden telt, nl. Slowaken, Duitsers en Polen. De
bevolkingsgroei is in de jaren tachtig bijna tot nul teruggelopen. Ook
de levensverwachting bij geboorte stijgt niet verder en is een van de
laagste in Europa (71 jaar in 1994). De grootste steden zijn (1994)
Praag (1.217.000 inw.), Brno (390.000), Ostrava (327.000) en Plzeñ
(172.000).
2.2 Taal
De officiële taal is Tsjechisch. Daarnaast spreken de minderheden hun
eigen talen.
2.3 Religie
Van 1949 tot 1990 stonden alle kerkelijke organisaties onder controle
van de staat, die ook de salarissen van de geestelijken betaalde. In
1990 is de kerk officieel van de staat gescheiden. Er zijn geen
officiële kerkelijke statistische gegevens bekend. Naar schatting is ca.
35% van de bevolking aangesloten bij een kerkgenootschap. De
belangrijkste kerk is de Rooms-Katholieke Kerk, waarbij zich ca. 77% van
de gelovigen heeft aangesloten en die bestuurlijk is ingedeeld in twee
kerkprovincies: Bohemen en Moravië, met resp. de aartsbisdommen Praag en
Olomouc.
Vanaf 1971 beheerste de vereniging van procommunistische priesters,
Pacem in Terris (opgericht in 1971), de Rooms-Katholieke Kerk in
Tsjechoslowakije. Deze organisatie stond onder invloed van de staat.
Pacem in Terris werd in 1990 opgeheven.
In 1920 maakte een deel van de Rooms-Katholieke Kerk zich los van Rome,
waarmee de Tsjechoslowaakse Kerk, een nationale katholieke kerk,
ontstond (sinds 1971 Tsjechoslowaakse Hussitische Kerk geheten). Er is
een aantal protestantse kerken, waaronder die van de Tsjechische
Broeders, voorts de Orthodoxe Kerk van Tsjechoslowakije en de
Grieks-Katholieke Kerk.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Met het akkoord van 26 aug. 1992 tussen de twee belangrijkste
Tsjechoslowaakse politici van dat moment, de Tsjech V. Klaus van de ODS
en de Slowaak V. Meciar (HZDS), werd tot het uiteenvallen van de
federatieve republiek Tsjechoslowakije besloten. Beide deelrepublieken
verplichtten zich een staatsverdrag te sluiten en ieder een eigen
grondwet aan te nemen, waardoor de federale constitutie buiten werking
werd gesteld.
3.2 Administratieve indeling
De Tsjechische Republiek is onderverdeeld in acht provincies (Praag,
Noord-, Oost-, Zuid-, West- en Midden-Bohemen, Zuid- en Noord-Moravië),
die weer verder onderverdeeld zijn in 76 districten.
3.3 Politieke partijen en vakbondswezen
De 'Fluwelen Revolutie' van 1989 gooide het politieke landschap flink
door elkaar. Partijen kwamen en gingen. De belangrijkste politieke
partij was aanvankelijk Burgerforum, maar dat viel na de gewonnen
verkiezingen van juni 1990 uit elkaar. Ex-Burgerforum-lid V. Klaus
richtte de Burger Democratische Partij (ODS) op die bij de verkiezingen
van juni 1992 als de grootste Tsjechische partij naar voren kwam. Andere
belangrijke partijen zijn: het Linkse Blok, voortkomend uit o.a. de
Communistische Partij van Bohemen en Moravië (KSCM) en de
Sociaal-Democratische Partij (CSSD). Vele partijen, o.a. een aantal
regionale, die autonomie voor een kleiner gebied nastreven (bijv.
Moravië), haalden de kiesdrempel van 5% niet.
In maart 1990 werd in Praag een nieuwe, partijonafhankelijke vakbond
opgericht, die de centrale, communistische vakbond van Tsjechoslowakije
verving.
4. Economie
4.1 Inleiding
De
Tsjechische economie, tot dan toe een socialistisch economisch stelsel,
wordt sinds jan. 1991 geprivatiseerd. Burgers zijn in de gelegenheid
gesteld aandelen in bedrijven, in de vorm van niet-overdraagbare
waarborgbiljetten, te kopen (het zgn. voucher-systeem). Een andere
maatregel om de economie te veranderen in een vrijemarkteconomie was het
vrijgeven van de prijzen. Dit leidde aanvankelijk tot een hoge inflatie
(in 1991 52%), maar deze daalde echter weer snel naar een niveau van ca.
10%. Veel meer dan in buurland Slowakije hebben buitenlandse (m.n.
westerse) ondernemers in het land geïnvesteerd; eind 1991 zelfs voor in
totaal 500 miljard kronen. De nabijheid van de Europese en vooral de
Duitse markt heeft hiertoe in belangrijke mate bijgedragen. Het bruto
nationaal product (bnp) bedroeg in 1994 $ 33 miljard. De werkloosheid
bedroeg eind 1995 2,9%.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Ca. 70% van het bebouwbare oppervlak wordt voor akkerbouw gebruikt,
waarvan de voornaamste producten granen, aardappelen en suikerbieten
zijn.
In de veehouderij is de rundveehouderij het belangrijkst. Daarnaast
komen varkens- en pluimveehouderij op grote schaal voor. De bosbouw is
een belangrijke bron van inkomsten. Grote viskwekerijen in Zuid-Bohemen
leveren de in Tsjechoslowakije populaire karpers.
4.3 Industrie, mijnbouw en energievoorziening
De industriële productie nam aan het eind van de jaren tachtig steeds
verder af (in 1991 -24, 4%). Het accent in deze sector ligt op de zware
industrie (ijzer- en staalfabricage en zware machine-industrie).
Belangrijke centra van staalindustrie zijn Ostrava en omgeving, Kladno,
Chomutov en Plzeñ. De sterk toegenomen export van staal naar West-Europa
leidde in juli 1992 zelfs tot een tijdelijke EG-stop op staalimport uit
Tsjechië. De belangrijkste tak van industrie is de machine-industrie,
met als grote centra Praag, Plzeñ, Brno en Ostrava. Verder zijn van
belang de fabricage van personenauto's bij Škoda, welk bedrijf in 1990
is samengegaan met het Duitse concern Volkswagen, en de fabricage van
elektrische locomotieven. In Plzeñ worden ook wapens gemaakt in de Škodafabrieken.
Chemische industrie is er in Most, Ústí nad Labem, Kladno en Pardubice
(o.a. aardolieraffinage). Textielindustrie is geconcentreerd in Praag,
Brno en Zlín. De laatste plaats is ook een centrum van schoenindustrie (Bata-fabriek).
Porselein komt uit Karlovy Vary, glas, kristal en sieraden uit Jablonec.
Van de levensmiddelenindustrie zijn de bierbrouwerijen in Plzeñ (Pilsen)
bekend. In de mijnbouw was de steenkolenwinning van groot belang,
waarvan het meeste in Silezië wordt gewonnen, en verder bruinkool, in
het bekken van Most en in het bekken van Sokolov. De eigen
aardoliewinning is van geringe betekenis. Voorts is er ijzererts,
grafiet en zilver. De productie van elektrische energie vindt plaats in
thermische centrales, vnl. door steenkolen gevoed. Daarnaast zijn er
kern- en waterkrachtcentrales.
4.4 Handel
Belangrijkste handelspartners zijn de landen van de EU en van de EVA.
Meer dan 25% van de export gaat naar Duitsland. Ook naar het GOS en
Hongarije wordt veel geëxporteerd. De EU neemt 55% van de export af.
Vnl. grondstoffen worden nog uit de Russische Federatie geïmporteerd
(aardolie). De handelsbalans is positief.
4.5 Bankwezen
Centrale bank is de Tsjechische staatsbank. Daarnaast bestaan er een
bank voor de buitenlandse handel en verschillende spaar- en
verzekeringsbanken.
4.6 Verkeer
Tsjechië heeft een dicht wegen- en spoorwegnet. Samen met Slowakije
resp. 73.800 en 13.186 km. Het wordt nog uitgebreid met verbeterde
lijnen Berlijn-Praag-Wenen en Neurenberg-Praag. Van het spoorwegnet is
bijna een kwart geëlektrificeerd. Met enige voormalige sovjetrepublieken
bestaan verbindingen van pijpleidingen voor het vervoer van aardolie en
aardgas. Praag, Ostrava en Brno hebben een internationale luchthaven.
4.7 Toerisme
Het toerisme (2, 5 miljoen bezoekers per jaar) brengt aanzienlijke
hoeveelheden deviezen op.
5. Toeristische gegevens
De interessantste stad van het land is zonder twijfel Praag; in Moravië
is het de oude universiteitsstad Olomouc (na de hoofdstad het
belangrijkste stadsmonument van Tsjechië) met talrijke historische
gebouwen. Interessante steden in Bohemen zijn o.a. Tábor (aan het begin
van de 15de eeuw een belangrijk centrum van de hussitische beweging; uit
die tijd stamt ook het catacombenstelsel, waardoor de huizen van deze
stad met elkaar verbonden waren), in het zuiden Ceský Krumlov (bekend
door o.a. het kasteel met een baroktheater in ongeschonden staat), in
het zuidoosten Telc (met een pittoresk hoofdplein) en in het oosten
Kutná Hora.
Sommige van de Tsjechische steden zijn als badplaats bekend geworden. De
bekendste zijn Karlovy Vary (Karlsbad) en Mariánské Láznè (Mariënbad) in
het westen van Bohemen en Luhacovice in Oost-Moravië.
Het land is rijk aan diverse typen burchten en kastelen. In de omgeving
van Praag liggen o.m. Karlštejn (het belangrijkste gotische kasteel;
sinds 1991 in restauratie), Krivoklát (het jachtslot van de Tsjechische
koningen) en het - oorspronkelijk gotische - kasteel Konopištè (met een
unieke verzameling jachttrofeeën). In het Zuidboheemse kasteel Hluboká
nad Vltavou, gebouwd in Tudor-stijl, is een galerie van moderne kunst
gevestigd. In Moravië zijn bijv. het gotische kasteel Pernštejn en de
barokkastelen van Valtice en wdár nad Sázavou bekend; in het laatste
bevindt zich een boekenmuseum.
Wat de natuur betreft, biedt Tsjechië zeer uiteenlopende typen
landschappen. In Zuid-Bohemen bevinden zich de uitgestrekte hoogvlakten
met de (in de 16de eeuw) kunstmatig aangelegde meren en de (recent)
aangelegde stuwmeren, zoals dat van Lipno, een centrum van
zomertoerisme. In Noord-Bohemen liggen diverse centra van vooral
wintertoerisme, zoals in Krkonoše (Reuzengebergte) of in de
Jizerské-bergen. Vlak bij de stad Jicín liggen de Prachovské skály, een
uitgestrekt complex van bizarre zandsteenrotsen (met oefenterreinen voor
bergsportbeoefenaars). Ook het Jeseníkygebergte in Noord-Moravië wordt
het meest in de winter bezocht. In het lager gelegen Midden-Moravië
bevindt zich de zgn. Moravský kras, een natuurreservaat met talrijke
druipsteengrotten en een 138 m diep ravijn (Macocha).
6. Geschiedenis
Na
de deling van Tsjechoslowakije in Tsjechië en Slowakije per 1 jan. 1993
bleef Václav Klaus premier.
Václav Havel werd de eerste president, voor vijf jaar gekozen. De
kroon werd losgekoppeld van de Slowaakse munt. Dit maakte het mogelijk
snelle veranderingen in de economie door te voeren. De aandelenbeurs van
Praag werd na meer dan 50 jaar heropend (april 1993). Op militair gebied
werd een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met Duitsland (mei 1993).
Het parlement kon het in 1994 niet eens worden over de wijze waarop
senatoren zouden worden gekozen. President Havel, die de burgers
directer bij de politiek wilde betrekken door de senatoren rechtstreeks
te laten kiezen, kreeg uiteindelijk zijn zin. In 1994 trad Tsjechië,
samen met de andere landen van de Visegrád-groep, Hongarije, Polen en
Slowakije, toe tot het Partnerschap voor Vrede-programma van de NAVO. In
nov. 1995 trad Tsjechië als het eerste voormalig communistische land toe
tot de OESO.
Bij de parlementsverkiezingen van mei 1996 kreeg de regeringscoalitie
van de Democratische Burgerpartij (ODS), de Democratische
Burgeralliantie (ODA) en de Christen-Democratische Unie (KDU-CSL) meer
stemmen dan in 1992, maar als gevolg van het ingewikkelde kiesstelsel
behaalden zij niet de meerderheid in het parlement. De Tsjechische
Sociaal-Democraten (CSSD) boekten een enorme winst, vooral ten koste van
overig links. Na taaie onderhandelingen over de verdeling van de
ministersposten vormden ODS, ODA en KDU-CSL een minderheidskabinet, dat
zou worden gedoogd door de sociaal-democraten. In ruil hiervoor werd de
leider van de CSSD gekozen tot voorzitter van het Huis. Bij de
verkiezingen voor de Senaat, die slechts een beperkte politieke rol was
toebedacht, kreeg de ODS 32 van de 81 zetels.
In het slepende conflict over in de jaren veertig geconfisqueerde
kerkelijke bezittingen besloot de regering in sept. 1996 bij decreet een
aantal gebouwen en het daarbij behorende land terug te geven. In jan.
1996 vroeg Tsjechië officieel het lidmaatschap van de EU aan. Met
Letland en Estland tekende Tsjechië een vrijhandelsakkoord. Na twee jaar
onderhandelen bereikten Tsjechië en Duitsland in dec. overeenstemming
over een gemeenschappelijke verklaring, waarin beide landen hun spijt
uitspraken over het begane onrecht tijdens en kort na de Tweede
Wereldoorlog.
Telefoongids Tsjechië
Postcodes
Tsjechië
|