|
1. Fysische geografie
Tunesië kan in drie hoofdlandschappen worden verdeeld: a. het westelijke
en centrale bergland, in hoogte variërend van ca. 500 tot 1500 m en van
west naar oost geleidelijk aflopend. Dit Tunesische bergland, met als
hoogste bergrug de in het middenwesten gelegen Dorsale (of Hoge Tell),
is een voortzetting van het bergland van Algerije: in het noorden van de
Algerijnse Tell-Atlas, meer naar het zuiden van de Algerijnse
Sahara-Atlas. b. Het dal van de in Noordoost-Algerije in het
Medjerdagebergte ontspringende rivier de Medjerda, de enige rivier van
Tunesië die gedurende het gehele jaar water bevat. Het is een vruchtbaar
gebied, zich uitstrekkend van de grens met Algerije tot aan de Golf van
Tunis. c. Zuid-Tunesië; het gebied ten zuiden van het grote, regelmatig
droogvallende zoutmeer Sjot el-Djerid, gevormd door enkele zoutvlakten
en de uitgestrekte Tunesische Sahara. Het is een vrijwel onbewoond
gebied. Het gehele oosten van Tunesië, van Kaap Bon in het noorden tot
de Libische grens, is overwegend vlak.
Het
klimaat wordt gekenmerkt door warme, droge zomers en koele, regenrijke
winters. Plaatselijke verschillen treden op door de invloed van de
Middellandse Zee en de ligging ten opzichte van het gebergte en de
Sahara. De meeste neerslag valt ten noorden van de Hoge Tell, nl.
gemiddeld meer dan 400 mm per jaar met maxima langs de kust van 700 tot
plaatselijk 1200 mm per jaar. Ten zuiden van de Hoge Tell begint de
overgang naar een semi-aride klimaat met neerslagmaxima van 300 mm en
verder zuidwaarts van 100 tot 150 mm per jaar. Zuid-Tunesië (Sahara)
ontvangt minder dan 100 mm neerslag per jaar. De neerslag valt vnl. in
de periode oktober tot februari. De temperatuurverschillen zijn minder
groot dan de neerslagverschillen, hoewel Noord-Tunesië wel aanzienlijk
minder warm is dan Zuid-Tunesië. In de warmste maand, juli, heeft de
streek Tunis-Bizerte een gemiddelde temperatuur van 25,9 °C; het veel
zuidelijker gelegen Tozeur heeft in dezelfde maand een gemiddelde
temperatuur van 32,3 °C. Het gebied Tunis-Bizerte heeft in de koudste
maand, januari, een gemiddelde temperatuur van 11°C; het bergland van de
Hoge Tell 5,9 °C.
De plantengroei wordt sterk bepaald door de hoeveelheid neerslag. In het
noorden overheerst de kurkeik, in het centrale bergland de aleppo-den.
In de noordelijke valleien komen loofbomen zoals de olm, de populier, de
es en de eik voor. Een groot gedeelte van de bossen (naar schatting 6%
van het land) is door overmatig kappen en door overbeweiding tot
struikgewas gereduceerd. Op plaatsen waar per jaar minder dan 400 mm
neerslag valt, groeit steppegras, terwijl grote gebieden in het westen
en het zuiden met espartogras (alfagras) bedekt zijn. In de
woestijngebieden bestaat de vegetatie alleen uit droogteminnende planten
(o.a. acacia's).
De dierenwereld is ten dele mediterraan van karakter (kust en daaraan
grenzende delen van het land) en sluit ten dele aan bij die van de
Saharawoestijn. Veel van de dieren van het mediterrane gebied zijn
Europees van karakter, zoals het zeer zeldzaam geworden Barbarijse of
Atlasedelhert, het wilde zwijn en de vos. Andere dieren doen exotisch
aan, zoals de magot, een tot de gebergten van Noordwest-Afrika (en
Gibraltar) beperkte vertegenwoordiger van de makaken onder de apen. Aan
de kust komt de monniksrob nog voor. Van de Afrikaanse elementen zijn
o.a. het hartenbeest en de leeuw al lang geleden uitgestorven; panter en
jachtluipaard komen sinds kort niet meer voor; wel zijn er nog
verschillende soorten gazellen in het droge binnenland. De vogelwereld
is tamelijk rijk, vooral aan de kust. De mens heeft al heel lang zijn
stempel gedrukt op de dierenwereld van Noord-Afrika, vooral door de
ontbossing. Hannibal gebruikte nog de al sinds lang uitgeroeide
Noord-Afrikaanse olifanten. Het land telt één nationaal park.
2. Bevolking
In de kustgebieden leven de nakomelingen van de Feniciërs, Romeinen,
Noormannen, Andalusiërs en Turken, die zich volledig vermengd hebben met
de Arabieren en Berbers. De laatsten leven nog in enkele kleine gesloten
gemeenschappen in de bergen en op het eiland Djerba (feitelijk nu een
schiereiland). Bijna de gehele bevolking is gearabiseerd. 54% van de
bevolking woont in de steden. De grootste steden zijn Tunis (1,83
miljoen inw.), Sfax (230.000), Kairouan (102.000), Bizerte (98.000) en
Sousse (125.000). De jaarlijkse bevolkingsaanwas bedraagt ca. 2,3%; 40%
van de bevolking is jonger dan 15 jaar.
De officiële taal is Arabisch, waarvan de gesproken vorm sterk afwijkt
van de geschreven taal. Het Berbers is bijna volledig verdwenen. Frans
wordt nog veel gebruikt in bestuur en handel. Het is bovendien de taal
van het hoger onderwijs. Verder wordt nog Italiaans gesproken. De
officiële religie is de islam. Ongeveer 96% van de bevolking is
islamiet, en wel van de soennitische richting. Het aantal christenen
(rooms-katholieken, Grieks-orthodoxen, protestanten) bedraagt ca. 2,5%.
De joodse gemeenschap telt naar schatting 20.000 zielen (vooral op
Djerba).
3. Bestuur en
samenleving
Volgens de grondwet, die van 1959 dateert, met aanpassingen in 1969,
1974, 1976, 1988 en 1994, is het hoofd van de republiek de president,
die voor vijf jaar met algemeen kiesrecht gekozen wordt. Hij kan zich
twee keer herkiesbaar stellen en moet tussen de 40 en 70 jaar oud zijn.
Hij is hoofd van de uitvoerende macht en opperbevelhebber van het leger.
Hij wordt bijgestaan door een ministerraad onder leiding van de premier.
De wetgevende macht berust bij de Assemblée Nationale, waarvan de 163
leden met algemeen kiesrecht (vanaf 20 jaar) voor vijf jaar worden
gekozen. De president heeft tegenover de Assemblée een vetorecht, dat
slechts met tweederde meerderheid overstemd kan worden.
Politieke partijen. Alle zetels in het parlement worden bezet door de
Rassemblement Constitutionnel Démocratique (RCD) van president Zine el
Abidine Ben Ali, die in 1988 de voortzetting werd van de
onafhankelijkheidspartij Parti Socialiste Destourien (PSD) van Habib
Bourguiba. De overige partijen, die de 19 oppositionele zetels bezitten,
zijn: de Mouvement de la Rénovation, de Union Démocratique unioniste en
de Parti de l'Unité Populaire. Buiten de wet gesteld is de beweging Hizb
al-Nahdah (Wedergeboorte), sinds 1989 de voortzetting van de in 1981
opgerichte Mouvement de Tendence Islamique (MTI), die islamitisch
fundamentalistisch is.
Officiële vakbond is de Union Générale Tunisienne du Travail (UGTT) met
500!000 leden.
Tunesië is bestuurlijk verdeeld in 23 gouvernoraten (vilajat), met aan
het hoofd een wali. Ze zijn weer onderverdeeld in delegaties (moetamaddijjat),
die verder onderverdeeld zijn in gemeenten.
Tunesië is lid van de Verenigde Naties en enkele VN-organisaties, de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de Arabische Liga, de
Islamitische Conferentie Organisatie en de Unie van de Arabische Maghreb
(AMU). Het land is geassocieerd met de EU. Er bestaat algemene
dienstplicht van een jaar.
4. Economie
Tunesië
heeft een vrijemarkteconomie waarin de overheid evenwel een grote rol
speelt door middel van een verstrekkende wetgeving, een regulerend en
bevorderend optreden met betrekking tot investeringen, het aantrekken
van buitenlands kapitaal en het opzetten van
werkgelegenheidsprogramma's. Met een inkomen per hoofd van de bevolking
in 1994 van $ 1800 per jaar behoort Tunesië niet tot de groep armste
landen, maar de economie heeft wel alle kenmerken van die van een
ontwikkelingsland: grote afhankelijkheid van de export van grondstoffen,
het toerisme en de overmakingen van gelden van in het buitenland
werkende Tunesiërs, terwijl hoogwaardige industrieproducten ingevoerd
moeten worden. De gemiddelde jaarlijkse economische groei is 4,5%.
Ongeveer 21% van de beroepsbevolking is werkzaam in de landbouw, die
voor 15% bijdraagt aan het bnp. Ongeveer 55% van de grond is in cultuur
gebracht, er zijn grote irrigatieprojecten (waaronder de aanleg van een
groot aantal stuwdammen) in uitvoering. De landbouw heeft te kampen met
ontvolking van het platteland, het verouderde pachtsysteem, bodemerosie
en overbegrazing. De belangrijkste landbouwgebieden liggen in de dalen
van de bergen in het noorden (granen); in het noordoosten is ook veel
tuinbouw (wijnbouw, fruit, groenten en citrusvruchten). In de Tunesische
Sahel zijn olijven en in Zuid-Tunesië de dadels en oasencultures de
belangrijkste bronnen van inkomsten. Kunstmatige bevloeiing wordt in een
klein deel van het bebouwde land toegepast; het overgrote deel is
afhankelijk van de regionaal ongelijk vallende neerslag. Van de
aanwezige waterreserves wordt 60% benut. De veehouderij kan de
binnenlandse vraag naar vlees en melk niet dekken. Op de steppen van
Midden- en Zuid-Tunesië worden schapen, in het noorden runderen
gehouden. De sector pluimvee maakt een opmerkelijke groei door. De
visserij stagneert al jaren. De overheid, die een vismonopolie heeft in
de kustlagunen en enkele binnenmeren, bevordert door middel van het
Commissariat Général à la Pêche de kustvisserij en de verre visserij
door de opbouw van een moderne vissersvloot. De bosbouw is als
economische sector nauwelijks van betekenis. Alleen de winning van kurk
is enigszins ontwikkeld. 85!000 ha moet opnieuw bebost worden.
Tunesië is rijk aan bodemschatten: aardolie, aardgas, fosfaat (zesde
leverancier van de wereld), ijzererts, looderts, zinkerts, fluoriet,
kwik, potas en zout. De belangrijkste aardolievelden zijn Bir Aouin,
al-Borma en rond de eilandjes van Kerkena. In de Golf van Gabès zijn
aardolie
(geschatte
voorraad: 1,8 miljard vaten) en kleine aardgasreserves aangetroffen. Het
land moet brandstof invoeren. Ongeveer eenderde van de beroepsbevolking
is werkzaam in de industrie, die een behoorlijke bijdrage (32%) aan het
bnp levert. Industriële centra zijn Tunis, waar de voedings- en
genotmiddelenindustrie overheerst, Menzel Bourguiba-Bizerte met zware
industrie (hoogovens en aardolieraffinage, cementindustrie en textiel),
Sousse met textielbedrijven, Sfax met fosfaatverwerkende industrie en
Gabès met petrochemische en cementindustrie. ln het overheidsbeleid ligt
de nadruk op het aantrekken van buitenlandse investeringen,
exportoriëntatie en het decentraliseren van de industrie. De
energievoorziening is in hoge mate afhankelijk van aardolie-import. Het
beleid is er op gericht meer eigen exploratie en raffinagecapaciteit te
stimuleren.
Handel. Het tekort op de handelsbalans wordt gedeeltelijk goedgemaakt
door inkomsten uit toerisme en overmakingen door gastarbeiders (in
Europa en Libië). De voornaamste exportproducten zijn textiel en
lederwaren (30%), aardolie(-producten) (20%), fosfaat en chemische
producten (20%). De belangrijkste bestemmingen zijn Frankrijk (25%),
Italië (19%), Duitsland en Turkije. De import bestaat voor een groot
deel uit textiel (17%), machines (13%), aardolie (9%), graan en auto's,
deze is afkomstig uit vooral Frankrijk (27%), Italië (14%), Duitsland
(12%), de Verenigde Staten en Algerije.
Tunesië heeft te kampen met een hoge buitenlandse schuld. Op aandrang
van het IMF poogt de regering te bezuinigen op overheidssubsidies.
Het toerisme is de belangrijkste bron van buitenlandse valuta. De
toeristische infrastructuur langs de kust is in de jaren tachtig
aanzienlijk uitgebreid en verbeterd. In 1994 waren er 3, 86 miljoen
buitenlandse toeristen, ook uit de Arabische landen. Deze sector zorgt
ook voor veel werkgelegenheid. Meer dan de helft van de beroepsbevolking
is in de dienstensector werkzaam.
Tunesië krijgt vnl. ontwikkelingshulp van de westerse industrielanden,
zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Italië en Frankrijk, alsmede van
internationale organisaties. Centrale bank is de Banque Centrale de
Tunisie. Ontwikkelingsbank is de Banque de Développement Économique de
Tunisie. De vestiging van buitenlandse banken wordt aangemoedigd.
In het noorden van het land is het wegennet in goede staat en dichtmazig.
Het is 29!200 km lang, met bus- en (collectieve) taxidiensten tussen de
steden. De Société des Chemins de Fer Tunisiens verzorgt het
spoorwegverkeer, dat de grote steden met elkaar verbindt (totale lengte:
2250 km). De staatsscheepvaartonderneming Compagnie Tunisienne de
Navigation onderhoudt het scheepvaartverkeer met Europa en andere
Arabische havens. Voornaamste zeehavens zijn Tunis, Bizerte, Sousse en
Sfax. De nationale luchtvaartmaatschappij is Tunis Air. Er zijn zes
internationale luchthavens: Tunis-Carthage, Tunis-al Aouina,
Monastir-Skanes, Djerba-Mellita, Tabarka en Tozeur-Nefta.
5. Toeristische
gegevens
Tunesië bezit nog veel monumenten en kunstschatten uit diverse
cultuurperioden. De oudste zijn prehistorisch: versierde vuurstenen,
benen kralen e.d. uit de tijd na 8000 v.C. (zie voorts Capsien), thans
o.a. in het Bardo-Museum in Tunis. Vanaf de stichting van nederzettingen
door de Feniciërs (vanaf ca. 1200 v.C.) tot aan de verwoesting van het
machtige handelsimperium Carthago door de Romeinen (146 v.C.) was de
Punische cultuur dominant. De belangrijkste musea (Tunis, Sousse, Sfax,
Carthago) bezitten Punische voorwerpen, o.a. sieraden en amuletten, de
laatste van klei en gekleurd glas en dikwijls in de vorm van maskers. Er
is een Punische ruïnestad: Kerkouane. Zeer rijk zijn de restanten uit de
Romeinse tijd. Tunesië bezit de mooiste collectie Romeinse mozaïeken
(met name in het Bardo-Museum). Romeinse bouwresten vindt men te Dougga
(tempel en theater en overblijfselen van bouwwerken aan drie pleinen),
al-Djem (in de oudheid: Thyrsus; amfitheater), Maktar (thermen en
triomfboog), Sbeitla (triomfboog, forum met tempel), Thuburbo Majus
(resten van tempels) en Carthago, waar bovendien nog opgravingen uit de
Punische tijd te zien zijn. Uit de vroeg-christelijke periode resten
eveneens mozaïeken, o.a. doopvonten en grafmozaïeken, voorts sarcofagen
(thans in de grotere musea). Resten van vroeg-christelijke basilica's
vindt men bij Carthago (150 m lang) en in Sbeitla. De oudste Arabische
stad van Tunesië, Kairouan, bezit talrijke monumenten, o.a. de Grote of
Sidi Okba-moskee (9de eeuw). Andere plaatsen met Arabische monumenten en
typisch Arabische binnensteden (medina's) zijn o.a. Tunis, Sousse, Sfax,
Bizerte en Mahdia met een 10de-eeuwse moskee. De islamitische monumenten
omvatten naast moskeeën: medrese (hogescholen), paleizen, kasba's
(citadellen) en mausolea; bekend zijn voorts de ribats
(kloosterburchten) van Monastir en Sousse (8ste-9de eeuw).
Laat-middeleeuwse forten vindt men vnl. langs de kust, o.a. in Kélibia
en Hammamet en op het eiland Djerba. Zeer algemeen is de vervaardiging
van allerlei handwerk, o.a. tapijten (Kairouan, Beni Khiar, Bizerte,
Gafsa), keramiek (Nabeul, Moknine, Sedjenane), borduurwerk (Mahdia,
al-Djem, Hammamet, Bizerte, Raf-Raf, Djerba), katoenweverij (Ksar Hellal),
smeedwerk in goud, zilver, koper, ijzer (Kairouan, Bizerte),
leerbewerking (Kairouan, speciaal zadels), traditioneel beeldhouwwerk
(Dar Chaabane); in Tunis vindt men vrijwel alle vormen van handwerk.
Spectaculaire evenementen zijn het valkenjachtfestival in al-Haouaria
(jaarlijks op 1 mei) en de fantasia's: ruiterspelen (Kairouan, voorts in
de Sahara). Centrale badplaatsen zijn Bizerte en omgeving (de
koraalkust), het eiland Djerba, Gabès, Hammamet en Monastir. Gabès,
Gafsa en Tozeur zijn uitgangspunten voor woestijntoerisme in
Zuid-Tunesië.
6. Geschiedenis
Tunesië, vroeger in het Arabisch Ifriqiyah geheten, maakte in de oudheid
deel uit van het rijk van Carthago. Na de ondergang hiervan behoorde het
tot de Romeinse provincie Africa, waar zich vele Romeinse kolonisten
vestigden. In de 5de en 6de eeuw behoorde het tot het rijk der Vandalen,
daarna tot het Byzantijnse Rijk.
6.1 Arabische periode
In de tweede helft van de 7de eeuw werd Tunesië door de Arabieren
veroverd. Onder het kalifaat werd het door een stadhouder bestuurd,
totdat de emir Ibrahim ibn al-Achlab zich in het begin van de 9de eeuw
onafhankelijk maakte. In 909 volgde de dynastie van de Fatimiden. Toen
deze het zwaartepunt van haar macht naar Egypte had verlegd, benoemde
zij voor Tunesië een Berberse stadhouder, die zich op zijn beurt
onafhankelijk maakte en stichter van de dynastie van de Ziriden werd.
Omstreeks 1050 kwam het tot een openlijke breuk met Egypte. De
daaropvolgende strijd leidde tot anarchie. Roger II van Sicilië maakte
van deze omstandigheid gebruik om in 1148 de kuststrook te bezetten. In
1159 veroverden de Almohaden van Marokko Tunesië en maakten Tunis tot
hoofdstad. Stadhouder werd in 1207 Abd al-Wahid, die zich in 1228
onafhankelijk maakte en onder de titel emir stichter werd van de
dynastie van de Hafsiden. Hoewel voortdurend bedreigd door andere
Middellandse-Zeemogendheden, bleef Tunesië onafhankelijk ten gevolge van
onderlinge conflicten van die staten. In 1534 bezette Chair al-Din de
stad Tunis, na de Turkse soevereiniteit te hebben erkend. In 1535
herstelde Karel V de Hafsiden onder Spaans protectoraat.
6.2 Turkse periode
De Spanjaarden wisten echter de Turkse invloed niet te weren en sinds
1574 werd Tunesië onder Turks oppergezag nagenoeg onafhankelijk. Het
land werd als Turkse provincie georganiseerd onder een pasja. Uit de
officierskaste van de beis trok er één in 1591 de macht aan zich. Onder
de hierop volgende regeringsperiode van de regenten, de deis, verschoven
de machtsverhoudingen opnieuw. De bei, een ambtenaar belast met de taak
met wapengeweld de belasting te innen, werd de ware machthebber in de
staat. Ibrahim al-Sjarif verenigde ten slotte in 1702 de titels bei, dei
en pasja. Reeds in 1705 werd hij echter opgevolgd door Hoessein ben Ali
Turki, zoon van een van Kreta afkomstige Turkse soldaat. Deze Hoessein
werd de stichter van de dynastie der Hoesseiniden. Onder hun beheer kwam
Tunesië tot grotere welvaart. Naast de eeuwenoude zeeroverij werden
landbouw en handel belangrijke bronnen van inkomsten.
In het begin van de 19de eeuw verlangden de Europese landen van de bei
Mahmoed (1814-1824) onderdrukking van de zeeroverij. De verovering van
Algiers door Frankrijk (1830) had grote gevolgen voor Tunesië. De bei
Achmed (1837-1855), een verlicht despoot, schafte de slavernij af en
organiseerde het leger naar Europees model. Mohammed al-Sadik
(1859-1882) gaf Tunesië in 1861 een van tevoren door Napoleon III
goedgekeurde grondwet, die echter reeds in 1864 buiten werking werd
gesteld. Er bleven wrijvingen met Frankrijk bestaan.
6.3 Franse periode
In april 1881 vielen Franse troepen vanuit Algerije Tunesië binnen. Zij
dwongen Mohammed al-Sadik tot aanvaarding van het Verdrag van Kasser
Sa'id, hetwelk o.m. bepaalde dat hij nominaal heerser van Tunesië bleef.
In 1883 werd Ali IV, al-Sadiks opvolger, gedwongen tot het ondertekenen
van het Verdrag van Mersa, waarmee Tunesië officieel tot Frans
protectoraat verklaard werd. Aangemoedigd door schenkingen
van
land op grote schaal trokken vele Franse kolonisten naar het land. In
1908 was de Jong-Tunesische beweging opgericht, die opriep tot herstel
van het gezag van de bei, in combinatie met enkele democratische
hervormingen. In 1920 werd de Destour(= Constitutie)beweging opgericht
met als doel het verwezenlijken van een constitutioneel regime met
zelfbestuur voor de Tunesiërs. Meningsverschillen tussen de Destour en
de Fransen leidden tot rellen en demonstraties, waarna de Destour ten
slotte in 1925 verboden werd. In het begin van de jaren dertig kwam de
Destour opnieuw naar voren, maar zij raakte al gauw verdeeld in een
gematigde en een radicale groep. Deze laatste splitste zich in 1934
onder leiding van Habib Bourguiba - zie foto af en vormde een
nieuwe partij, de Néo-Destour-partij. Zijn aanhangers riepen op tot een
uitgebreid politiek verzet tegen de Franse overheersing. De Néo-Destour
groeide uit tot een sterke organisatie. In 1938 bereikten de botsingen
tussen de Tunesische nationalisten en de Fransen een hoogtepunt, waarna
zowel de Destour als de Néo-Destour verboden werd en de noodtoestand van
kracht werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Tunesië tijdelijk onder
het bewind van Vichy.
In 1949 keerde Bourguiba, in 1945 gedwongen naar Caïro uit te wijken
wegens zijn anti-Franse activiteiten, terug en in april 1950 deed de
Néo-Destour nieuwe voorstellen aan de Fransen, die een overdracht van de
soevereiniteit en de uitvoerende macht aan de Tunesiërs zouden moeten
bewerkstelligen. De door Frankrijk doorgevoerde politieke hervormingen,
die een gedeeltelijke tegemoetkoming aan de Tunesische eisen inhielden,
stuitten op hevig verzet van de in Tunesië aanwezige Franse kolonisten,
die ca. 10% van de bevolking uitmaakten en tegenover wie de Franse
regering een toegevende houding aannam. De beoogde politieke
hervormingen kwamen tot stilstand, en in 1952 werden grote demonstraties
gehouden en braken stakingen uit. Gewelddaden namen snel toe. Bourguiba
en verscheidene andere leiders van de Néo-Destour werden gevangengezet,
terwijl de Fransen later in het jaar een militair bestuur instelden. In
juli 1954 deed de Franse regering nieuwe voorstellen tot een binnenlands
zelfbestuur voor Tunesië. Op 2 juni 1955 werd een slotovereenkomst
bereikt, die voorzag in binnenlandse autonomie voor Tunesië. De
meerderheid van de Néo-Destour-leden steunde de nieuwe overeenkomst met
Frankrijk, met dien verstande dat haar uiteindelijke doel, een volledig
onafhankelijk Tunesië, zou worden gehandhaafd. Een kleinere groep
Néo-Destour-leden onder leiding van Salah ben Youssef keerde zich echter
fel tegen de overeenkomst en trachtte de uitvoering ervan te
verhinderen, o.m. door terreurdaden zowel tegen de Fransen als tegen de
leden van de Néo-Destour die voor de overeenkomst waren. Tijdens een
partijcongres van de Néo-Destour in okt. 1955 werd Salah ben Youssef met
zijn aanhangers uit de partij gestoten en werd Bourguiba herkozen tot
voorzitter van de partij. Salah ben Youssef zette vanuit het buitenland
zijn activiteiten tegen Bourguiba en het Tunesische regime voort.
6.4 Onafhankelijkheid
Op 20 maart 1956 ten slotte werd de onafhankelijkheid van Tunesië door
Frankrijk erkend. In de daaropvolgende maanden werden verkiezingen
gehouden, de monarchie afgeschaft en werd Bourguiba tot president van de
Tunesische republiek gekozen (25 juli 1957). Er bevonden zich echter nog
steeds Franse troepen in het land. Een Frans bombardement op het
Tunesisch-Algerijnse grensdorp Sakhiet Sidi Yousuf in febr. 1958 deed
Tunesië besluiten de relaties met Frankrijk absoluut te verbreken en
volledige terugtrekking van de Franse troepen te eisen. In 1961, toen de
Franse troepen tot in de marinebasis Bizerte waren teruggetrokken, eiste
Bourguiba opnieuw volledige terugtrekking en maakte hij aanspraak op een
Algerijns deel van de Sahara, in Zuidwest-Tunesië. Als gevolg van
gevechten rond deze gebieden, waarbij 800 Tunesiërs vielen, zocht
Tunesië toenadering tot andere Arabische staten en het Oostblok. Nadat
aan de oorlog in Algerije een eind was gekomen, leidden onderhandelingen
in 1963 tot terugtrekking van alle nog aanwezige troepen en tot
teruggave van grote stukken grondgebied van Franse kolonisten.
Verdergaande nationalisaties van land van Franse kolonisten hadden tot
gevolg dat Frankrijk zijn hulp stopzette. Er werd besloten tot vergaande
landhervormingen en socialistische experimenten. De naam van Bourguiba's
partij werd veranderd in Parti Socialiste Destourien. Bourguiba
verstevigde de greep op de partij en het land; in 1975 werd hij tot
president voor het leven gekozen en namen zijn bevoegdheden verder toe.
Zijn campagne om door middel van de dialoog een einde te maken aan het
Arabisch-Israëlisch conflict, veroorzaakte een verwijdering van de
Arabische staten. De deelname van Tunesië aan de Jom Kippoeroorlog
(1973) met een klein contingent troepen bracht enige verbetering in deze
betrekkingen, maar Tunesië bleef streven naar een compromisoplossing van
het conflict. In de tweede helft van de jaren zeventig nam de
ontevredenheid in het land toe. Studenten en de vakbond verzetten zich
tegen de regeringspolitiek. In 1977 openden legereenheden het vuur op
stakers en demonstranten en hoewel in een aantal gevallen aan de eisen
van de stakers werd tegemoetgekomen, bleef premier H. Nouira voorstander
van een 'harde aanpak'. Ministers werden ontslagen en de top van het
vakverbond werd gevangen gezet. In febr. 1980 werd Nouira opgevolgd door
Mohammed Mzali, die een verzoening met het machtige vakverbond UGTT van
Habib Achour nastreefde. Bij de parlementsverkiezingen van nov. 1981
werden naast de Destour-partij meer partijen (o.a. de communisten)
toegelaten, maar geen van deze behaalde de kiesdrempel van 5%.
6.5 Islamitisch fundamentalisme
In de jaren tachtig manifesteerde zich een
islamitisch-fundamentalistische beweging, de Beweging van de
Islamitische Tendens (MTI) van Rachid Ghannouchi. De overheid trad hier
hard tegen op. De moslim-fundamentalisten waren o.a. betrokken bij
ongeregeldheden op universiteiten en bij het grote broodoproer van jan.
1984 (gericht tegen de door het IMF gevraagde intrekking van subsidies
op eerste levensbehoeften). President Bourguiba ontsloeg daarop premier
Mzali. Op 7 november liet generaal Zine el-Abidine Ben Ali, in oktober
1987
tot premier benoemd, de bejaarde Bourguiba ongeschikt verklaren nog
langer het presidentschap te vervullen en nam zel f
de macht over. Tegen de inmiddels verboden islamitische beweging Hizb
al-Nahdah (Wedergeboorte) werden van 1990 tot 1992 grote processen
georganiseerd. In 1993 werd bekend gemaakt dat een terroristische
islamitische organisatie was opgerold.
ln de buitenlandse politiek oriënteerde Tunesië zich meer op de
Arabische wereld. Tussen 1979 en 1990 was het hoofdkwartier van de
Arabische Liga in Tunis gevestigd, de Tunesiër Chedli Klibi werd
secretaris-generaal, in l982 vestigde de PLO haar hoofdkwartier bij
Tunis.
In de Tweede Golfoorlog nam Tunesië een neutrale houding aan.
Bij de presidentsverkiezingen van maart 1994 werd president Ben Ali -
zie foto met overweldigende meerderheid herkozen en bij de
tegelijkertijd gehouden parlementsverkiezingen verwierf het
Rassemblement constitutionnel démocratique (RCD) vrijwel alle stemmen.
Op de gang van zaken met betrekking tot de verkiezingen en de
mensenrechten werd veel kritiek geuit. Tegen het islamitisch
fundamentalisme voerde president Ben Ali een harde lijn, wat resulteerde
in de arrestatie van talloze fundamentalisten. In jan. 1996 kwamen in
Tunis de Arabische ministers van Buitenlandse Zaken bijeen om een
gezamenlijke strategie tegen het terrorisme te bespreken.
Telefoongids Tunesië
Postcodes
Tunesië
|