| |
De
tureluur of tringa totanus
Trekvogel
in maart tot september, doortrekker, langs de kust ook
overwinterend. Nauwelijks groter dan een lijster met lange, rode
poten. Zijn snavel is langer dan zijn kop. Het verenkleed laat
alleen in de vlucht sterk contrast zien : een brede witte
vleugelrand en een witte, op de rug spits toelopende stuit.
Verspreiding en woongebied : her en der in gans Europa.
Ontbreekt in de uitgestrekte gebieden in het Middeneuropees
binnenland. Bij ons langs de kust veel voorkomend; de
broedgebieden in het diepere binnenland zijn op enkele na
verdwenen. Open vlakten met niet al te hoge vegetatie
(veengebieden, verspreid liggende hooi- en weilanden).
Voortplanting : in de begroeiing verstopt nest op de grond. In
april, mei worden de vier lichtbruine eieren met donkergrijze
vlekken gelegd. Beide partners broeden drie tot vier weken. De
jongen kunnen na een goeie maand vliegen, maar worden daarna ook
nog vaak door het mannetje verzorgd. Voedsel : kleine dieren van
de grond en ondiep water; ook insecten van de vegetatie. |
|
|
|
|
|
|