header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Turkije

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

Turkije (officieel: Türkiye Cumhuriyeti [= Republiek Turkije]), republiek in West-Azië en Zuidoost-Europa, 779.452 km2 (waarvan 23.764 km2 in Europa), met (schatting 1994) 60,7 miljoen inw. (78 per km2); hoofdstad: Ankara. Het Aziatische deel (ook Klein-Azië of Anatolië geheten) en het Europese deel (Thracië) zijn van elkaar gescheiden door (van noordoost naar zuidwest) de Bosporus, de Zee van Marmara en de Dardanellen, tezamen de verbinding vormend tussen de Zwarte Zee en de Middellandse Zee.

De beide delen zijn door twee bruggen over de Bosporus met elkaar verbonden. De kustlijn is ruim 8000 km lang. Van de eilanden in de Egeïsche Zee behoren slechts twee (Gökçeada en Bozcaada) tot Turkije. Munteenheid is de Turkse lira (TL). Er zijn veel nationale feestdagen, o.a. 23 april en 29 okt., de dag waarop in 1923 de republiek werd uitgeroepen.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het hoogland van Anatolië kan als het kernlandschap van Turkije worden beschouwd. Het bestaat uit een ca. 2000-2500 m hoge, boomloze, deels woestijnachtige hoogvlakte, in het noorden en in het zuiden door hoge randgebergten, resp. het Pontisch Gebergte en de Taurus, omgeven, beide met een groot aantal toppen van 3000 m en meer. Naar de Egeïsche zijde lost het hoogland zich op in een aantal kleinere gebergten, diep ingesneden door in oost-westrichting verlopende dalen. Op het hoogland, doch in een opmerkelijk excentrische, zuidwestelijke ligging, bevindt zich een gebied zonder afvloeiing, dat ongeveer eenderde van het gehele hoogland in beslag neemt. Het bestaat voor een groot deel uit zoutsteppen, afgewisseld met zoutmoerassen en zoutpannen, en vormt het overblijfsel van een zoetwaterbinnenzee, die sedert het Tertiair Anatolië geheel bedekte, doch die na een periode van uitdroging geheel is verdwenen. Het door uitlogen vrijgekomen bodemzout werd met het overblijvende water naar het laagste punt van het gebied gevoerd, waar het op 940 m hoogte het Tuz Gölü (= Zoutmeer; ca. 1650 km2) vormde. Ook in het zuidwesten van het afvoerloze gebied vormden zich zoutmeren. Langs de gehele kust van het schiereiland loopt een smalle vlakte die zich slechts op twee punten verbreedt, nl. bij Adana, in de bocht van de Middellandse Zee bij de Syrische grens, waar zij een alluviale riviervlakte vormt, en vooral aan de Egeïsche kust, waar de rivieren brede en diep in het land dringende dalen hebben gevormd.
Het Armeense Hoogland begint ongeveer op de lijn waar het schiereiland Klein-Azië uit de continentale hoofdmassa naar voren treedt; de ketens van Pontisch Gebergte en Antitaurus komen hier tot een nauwe bundel samen en waaieren daarop weer naar het oosten zodanig uit dat een groot, vrijwel geheel uit vulkanische gesteenten bestaand hoogland wordt gevormd: Armenië. De gemiddelde hoogte hiervan bedraagt ca. 1650 m; in het noorden en zuiden stijgt het echter in zijn randgebergten tot meer dan 4000 m. De begrenzing van Armenië als natuurlandschap ligt deels buiten de Turkse grens (in Iran, Georgië en Azerbajdzjan). In het uiterste oosten ligt Turkijes hoogste berg, de Ararat (5156 m). In het zuidoosten van Armenië bevindt zich evenals in Anatolië een afvoerloos gebied, met in het midden op ca. 1718 m het Vanmeer (3750 km2). De sterke tektonische activiteit in het gebied waarin Turkije ligt, blijkt uit het veelvuldig optreden van aardbevingen, dikwijls van zeer verwoestend karakter. Vulkanisme is eveneens over heel Turkije verbreid, doch het sterkst geconcentreerd in Armenië. In West-Anatolië begon de vulkanische activiteit na een lange rustpoos sedert 1924 opnieuw. Europees Turkije is een grotendeels laag gelegen landschap met talrijke moerassen.
1.2 Rivieren en meren
Turkije bezit weinig rivieren, die bovendien vrijwel geen van alle geschikt zijn voor de scheepvaart; alleen in Koerdistan is een deel van de bovenloop van de Eufraat met kleine vaartuigen en vlotten bevaarbaar. Globaal gezien stromen de rivieren naar alle zijden van het Anatolisch plateau af en doorbreken op weg naar zee de randgebergten. Zij hebben een groot verval (tot 11%) en ontwikkelen derhalve een sterke erosiewerking; aan de monding vormen zij dikwijls deltalandschappen uit het meegevoerde materiaal. Zij meanderen daar vaak sterk. De grootste geheel op Turks gebied stromende rivier is de Kizil Irmak (= Rode Rivier). De Turkse meren liggen grotendeels in de beide afvoerloze gebieden en hebben deels zout, deels brak, op plaatsen met ondergrondse waterafvoer voor een deel zelfs zoet water.
1.3 Klimaat
Het klimaat vertoont grote plaatselijke verschillen, die vooral samenhangen met de ligging ten opzichte van de zee en de hoogte. Het binnenland bezit een sterk continentaal klimaat, terwijl het klimaat van de kusten een maritiem karakter heeft. Depressies, gemiddeld ongeveer vijf per jaar, komen uitsluitend in het koude jaargetijde voor en trekken dan over de Zwarte Zee of over de Middellandse Zee, maar nooit over het centrale hoogland. Hun invloed doet zich niet meer dan enige tientallen kilometers landinwaarts gevoelen. Daardoor kunnen in het binnenland, ondanks de lage geografische breedte, zeer lage temperaturen voorkomen. Aan de voorzijde van de Middellandse-Zeedepressies voeren woestijnwinden droge, warme lucht ook naar het binnenland, speciaal in het voorjaar. 's Zomers waaien onder invloed van de lage druk boven Azië etesische winden (Turks enkelv.: meltem). De kusten zijn dan koeler dan het binnenland, juist tegengesteld aan de wintersituatie. Behalve langs de kust, m.n. van de Zwarte Zee, is de neerslag gering en sterk variabel.
1.4 Plantengroei
Het centrale plateau vormt de toegang tot de steppen van Centraal-Azië. Behalve in het droge hart is er veel grasland. Tegen de flanken van uitgedoofde vulkanen, zoals de Kara Dag en de Erciyas Dagi, waarvan de hogere hellingen vaak bebost zijn, komen steppen voor, evenals op de plateaus van Oost-Turkije tussen de gebergten, bijv. rond Erzurum en Kars. Op de hellingen van de Taurus en de Antitaurus komt in lente en zomer een weelderige grasgroei tot stand. Eeuwen van houthakken en grazen hebben de bossen uitgedund en teruggedrongen (van 70% tot 26% van de oppervlakte) en hebben zelfs hun samenstelling veranderd. Het aanhoudend grazen van geiten in de westelijke kustgebergten verklaart het daar overheersende struikgewas. De rijkste bossen van Turkije liggen in het noorden, op de noordelijke hellingen van het Pontisch Gebergte die de Zwarte Zee flankeren. Eiken en hazelaars hebben van het zeeniveau tot aan het rododendronstruikgewas net onder de sneeuwlijn de overhand.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld behoort tot die van de Palaearctische Regio en is goeddeels circummediterraan van karakter met enige westwaarts opdringende Aziatische elementen. Bruine beer, wolf, wild zwijn en panter komen hier en daar nog voor; de tijger is uitgeroeid, de leeuw is al heel lang geleden verdwenen. Voor de vogelwereld is Turkije een belangrijke passeerplaats in de trek; de Bosporus is bekend om de grote stuwing van trekvogels in herfst en voorjaar. Talrijke roofvogels, aalscholvers en pelikanen broeden in Turkije; de kaalkopibis of waldrapp is helaas een uitstervende broedvogel. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen, hoewel er een aanzet toe is. Een bekend reservaat is o.a. het Manyasmeer in westelijk Aziatisch Turkije, een belangrijke broed- en overwinteringsplaats voor vogels.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestond in 1983 voor 85, 7% uit Turken, 10, 6% waren Koerden (die hoofdzakelijk in de zuidoostelijke provincies [Koerdistan] en de steden wonen). Daarnaast zijn er nog kleine minderheden Arabieren (in het zuidoosten), Grieken en Armeniërs (in de grote steden), Tsjerkessen, Georgiërs en Lazaren (bij de Zwarte Zee). De bevolkingsaanwas bedroeg tussen 1985 en 1990 gemiddeld 20,6‰ per jaar. 37% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De dichtstbevolkte provincies zijn de westelijke, die langs de Zwarte Zee en de provincies Adana en Hatay aan de Middellandse Zee. Ruim 55% van de bevolking woont in de steden. De grootste steden zijn: Istanbul (4 miljoen, met voorsteden 6,6 miljoen inw.), Ankara (2,5 miljoen, met voorsteden 4 miljoen inw.), Izmir (1,7 miljoen inw.), Adana (916.150 inw.), Bursa (834.576 inw.), Gaziantep (603.400 inw.), Konya (513.350 inw.), Kayseri (421.300 inw.), Eskisehir (413.080 inw.), Mersin (422.357 inw.) en Diyarbakir (381.144 inw.). Ca. 1,5 miljoen Turken werken in het buitenland, vooral in West-Europa (van wie ca. 1 miljoen in Duitsland en ca. 180!000 in Nederland) en in landen van het Midden-Oosten.
2.2 Taal
De officiële taal is Turks (zie verder Turkse talen). In Turks Koerdistan worden Koerdische dialecten gesproken. De tot dan toe verboden Koerdische taal mocht door de overheid in jan. 1991 weer in het openbaar worden gebruikt.
2.3 Religie
Ca. 98% van de bevolking behoort tot de islam. Hoewel Turkije sinds 1923 een geseculariseerde staat is, heeft de islam vooral op het platteland nog grote invloed op het maatschappelijk leven. Ruim 85% van de Turkse en Koerdische islamieten behoort tot de soennitische richting. Onder hen hebben soefi-sekten en fundamentalistische stromingen als de Nurçus en de Süleymancis een vrij grote aanhang. Daarnaast zijn er nog de sekte van de Jezidi's en de sji'itische Alawietensekte in het oosten van het land. Van de tot de Eerste Wereldoorlog tamelijk talrijke christelijke en joodse gemeenschappen is niet veel meer over. In de grote steden wonen naar schatting 15!000 Grieks- en 45!000 Armeens-orthodoxe christenen. Voorts zijn er kleine katholieke en protestantse gemeenschappen. In het zuidoosten wonen nog ca. 20!000 Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en enkele duizenden Arabisch-orthodoxen en nestorianen. Naar West-Europa gevluchte jakobieten kregen in de jaren zeventig bekendheid als 'christen-Turken'. Turkije heeft een gemeenschap van ca. 25.000 sefardische joden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de in nov. 1982 per referendum goedgekeurde grondwet (geamendeerd in 1995) wordt de president voor een periode van zeven jaar gekozen door het parlement, hij benoemt de ministers en de rechters en is tevens hoofd van de invloedrijke Nationale Veiligheidsraad. De grondwet voorziet in één kamer, de Nationale Assemblee, bestaande uit 550 leden, met algemeen kiesrecht gekozen voor een periode van vijf jaar. Politieke partijen die communisme, fascisme of religieus fundamentalisme in hun vaandel schrijven, zijn verboden, evenals de Koerdische partijen PKK en DEP.
3.2 Administratieve indeling
Administratief is Turkije verdeeld in 76 provincies (iller), bestuurd door een door de regering benoemde gouverneur. De provincies zijn onderverdeeld in 838 districten. Er zijn 187 steden en ruim 36.000 dorpen (bestuurd door een muhtar, een door de dorpsvergadering gekozen dorpshoofd). De steden zijn onderverdeeld in mahalleler (wijken).
3.3 Rechtswezen
Het juridisch stelsel, voorheen gebaseerd op de sjari'a, werd na 1923 geseculariseerd. In 1926 werden het Zwitserse burgerlijk wetboek en het Italiaanse wetboek van strafrecht, aangepast aan Turkse gewoonten en tradities, ingevoerd. Het Constitutionele Hof heeft het toetsingsrecht van alle wetten. De Staatsraad is het hoogste administratief rechtelijke orgaan. Hoogste beroepsorgaan is het Hof van Cassatie. Daarnaast functioneren administratieve, militaire en burgerlijke gerechtshoven en rechtbanken.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Turkije is lid van de Verenigde Naties en enkele van haar suborganen, de Islamitische Conferentie, de NAVO (sinds 1952), de Raad van Europa en de organisatie van Zwarte-Zeestaten (1992). Sinds 1963 is Turkije geassocieerd lid van de EG (douane-unie sinds 1 jan. 1996).
3.5 Defensie
De krijgsmacht staat onder opperbevel van de president. Daarnaast bestaat er een paramilitaire gendarmerie. De Turkse strijdkrachten zijn hoofdzakelijk voorzien van Amerikaans militair materieel en in mindere mate van wapens uit Duitsland en uit Frankrijk. Het leger telt 640!000 man. Er bevinden zich Amerikaanse militaire bases op Turks grondgebied.
3.6 Sociale situatie
De sociale verhoudingen op het Turkse platteland, vooral in het achtergebleven en onderontwikkelde oosten, worden in hoge mate bepaald door islam en traditie. De familie functioneert dikwijls nog als productie- en consumptie-eenheid. De mannen- en de vrouwenwereld zijn vaak streng gescheiden en bij huwelijken is de bruidsprijs nog alom gebruikelijk. In de dorpssamenleving spelen de imam (de voorganger in het gebed) en de aga (stamhoofd, grootgrondbezitter) vaak een grote rol. In veel gevallen vervult de aga in het kader van heersende patronageverhoudingen een rol als intermediair tussen dorp en centrale overheid. De toenemende migratie (naar de steden en naar het buitenland) brengt wijzigingen in dit patroon. In de steden woont ongeveer 25% van de bevolking in de krottenwijken (Turks enkv.: gecekondu). De geregistreerde werkloosheid bedroeg in 1995 10%, maar aangenomen mag worden dat de reële werkloosheid rond de 20% ligt. Daarnaast is er nogal wat verborgen werkloosheid en kent Turkije een omvangrijke informele sector van straatventers en andere marginale beroepen.
3.7 Sociale en medische voorzieningen
Tot de sociale voorzieningen behoren een wettelijk minimumloon, beperking van de arbeidsduur, een ziekte- en ongevallenverzekering en oudedagsvoorzieningen. In de praktijk functioneert het sociale-voorzieningenstelsel gebrekkig door de omvangrijke informele sector (zie § 3.6), administratieve tekortkomingen en beperkte omvang. Zo vallen bedrijven met minder dan vijf werknemers niet onder de verplichte verzekeringen. De voorzieningen op het gebied van de volksgezondheid laten vooral op het platteland nog ernstig te wensen over. Van de artsen werkt 70% in de steden. Slechte milieuhygiënische omstandigheden, eenzijdige voeding en gebrek aan medische voorzieningen beïnvloeden het gezondheidspeil van de bevolking. Veel voorkomende ziekten zijn: tyfus, tuberculose, malaria en geslachtsziekten. Sinds 1977 bestaat er een nationaal gezondheidssysteem, dat voorlichtings- en inentingscampagnes voert op het platteland. De levensverwachting bij geboorte is 65 jaar voor mannen en 69 jaar voor vrouwen.
3.8 Politieke partijen en vakbonden
Na de staatsgreep van sept. 1980 werden de politieke partijen ontbonden. Bij de verkiezingen van 1983 werden nieuwe politieke partijen toegelaten, mits goedgekeurd door de Nationale Veiligheidsraad. Voormalige politici waren tot 1987 van politieke activiteit uitgesloten. ln de praktijk keerde een aantal oude politieke partijen onder een nieuwe naam terug. De voornaamste partijen zijn: de Anavatan Partisi (ANAP) of Moederlandpartij (liberaal-conservatief; in 1983 opgericht door o.a. Turgut Özal), de Dogru Yol Partisi (DYP) of Partij van het Juiste Pad (centrum-rechts; o.l.v. Süleyman Demirel; voortzetting van de Gerechtigheidspartij [AP]), de Sosyal Demokratik Halkçi Parti of Sociaal Democratische Populistische Partij (SHP) van prof. Erdal Inönü (sociaal-democratisch), de Partij van Democratisch Links (DSP) o.l.v. Bülent Ecevit (centrum-links; voortzetting van de in 1923 door Mustafa Kemal [Atatürk] opgerichte Republikeinse Volkspartij [Cumhuriyet Halk Partisi, CHP], die in de jaren zeventig in socialistische richting evolueerde). In de Refah Partisi of Welvaartspartij zijn opgegaan de Partij voor Nationale Redding van Necmettin Erbakan (traditionalistisch islamitisch) en de Nationale Actie Partij (later Nationalistische Partij van de Arbeid, MÇP) van Alparslan Türkes (seculier en ultranationalistisch; hieraan was de strijdgroep van de 'Grijze Wolven' verbonden). Voorts zijn er de Milliyetçi Demokrasi Partisi (MDP) of Partij van de Nationalistische Democratie (na 1980 door het leger naar voren geschoven) en de Halkin Emek Partisi (HEP) of Arbeiders Partij van het Volk, met vooral Koerdische leden (verbonden aan de SHP).
De grondwet van 1982 erkent het recht op vakbondsvorming en het stakingsrecht, maar legt stringente beperkingen op aan de activiteiten van de vakbondsorganisaties, m.n. op politiek terrein. Het grootste overkoepelende vakverbond is Türk-is (Confederatie van Turkse vakbonden), opgericht in 1952 en lid van de Internationale Federatie van Vakverenigingen. De voornaamste Turkse werkgevers zijn verenigd in TUSIAD (Turkse Associatie van Industriëlen en Zakenlieden).
3.9 Onderwijs
Het onderwijs is sinds 1923 een staatsaangelegenheid, hoewel daarnaast koranscholen bestaan. Het analfabetisme beloopt ca. 20%, maar is op het platteland en onder vrouwen hoger. Er is tot 14 jaar leerplicht, onderwijs is gratis. Vooral op het platteland in het oosten en onder oudere meisjes is het werkelijke schoolbezoek echter niet algemeen. Op het platteland heeft men te kampen met een tekort aan leermiddelen en een gebrek aan leerkrachten. Na vijf jaar lager onderwijs volgen een middenschool en een lyceum van elk drie jaar, die worden afgerond met staatsexamens. Er zijn meer dan 200 universiteiten (de grootste in Istanbul, Ankara, Izmir, Erzurum en Trabzon). Er zijn ruim 400 instellingen voor hoger beroepsonderwijs en ongeveer 1600 technische beroepsopleidingen. Om het analfabetisme te bestrijden, zijn overal in het land leeszalen en bibliotheken gevestigd, waar ook aan volwassenen lees- en schrijfcursussen worden gegeven.
3.10 Pers en omroep
De Turkse nationale omroep, de Türkiye Radyo Televizyon Kurumu, verzorgt via een groot aantal lokale zenders radio- en televisie-uitzendingen. De Voice of Turkey verzorgt uitzendingen voor het buitenland. Turkije kent enkele honderden dagbladen en tijdschriften. De grootste kranten zijn: Günaydin (sensatieblad; oplage 300.000), Hürriyet (neutraal; opl. 540.000), Sabah (sensatieblad; opl. 507.000), Milliyet (liberaal; opl. 335.000), Cumhuriyet (links-liberaal; opl. 72.000), Türkiye (nationalistisch) en Tercüman. De belangrijkste Engelstalige krant heet Turkish Daily News (opl. 38.000). Het belangrijkste Turkse persbureau is Anatolia in Ankara. Volgens de grondwet kan voor radio, televisie en film preventieve censuur worden ingesteld.

4. Economie
4.1 Algemeen
Turkije heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector overheerst. Door de associatie met de EG, een planmatig ontwikkelingsbeleid en toenemende inkomsten uit gastarbeid werd vanaf 1965 jaarlijks een bevredigende economische groei gerealiseerd. Na de coup van 1980 werd volgens IMF-recept een drastisch economisch herstructureringsprogramma doorgevoerd. Dit was gericht op exportbevordering, beteugeling van de inflatie en bezuinigingen. De rente werd verhoogd en de lonen bevroren en subsidies op landbouwproducten afgeschaft. Turkije wilde buitenlandse investeringen aanmoedigen. De overheidsuitgaven werden vooral gericht op investeringen in de infrastructuur (grote stuwdam- en wegenbouwcomplexen) en het toerisme. Deze economische politiek leverde aanvankelijk succes op: de export groeide, het tekort op de betalingsbalans liep terug en de inflatie daalde. Maar na 1985 namen inflatie en werkloosheid weer toe en daalde de koopkracht. De buitenlandse investeringen vielen tegen en de buitenlandse schuldenlast was opgelopen tot $ 65 miljard in 1994. Van de bevolking is ongeveer de helft werkzaam in de agrarische sector, waarvan de productiviteit (16% van het bnp) niet erg hoog is. Ongeveer 20% van de beroepsbevolking werkt in industrie en mijnbouw, die ca. 30% bijdraagt aan het bnp. De dienstensector en het overheidsapparaat zijn relatief omvangrijk. Veel inkomsten krijgt Turkije uit het toerisme en de overmakingen van gastarbeiders.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De productie van de agrarische sector maakt Turkije vrijwel autarkisch op het gebied van de voedselvoorziening. Ongeveer eenderde deel van het totale grondgebied is in cultuur gebracht, waarvan echter grote delen te lijden hebben onder erosie en verwaarlozing. Er wordt relatief weinig gebruik gemaakt van irrigatie. De meeste bedrijven zijn vrij klein; 50% van de boeren bezit minder dan 5 ha land. Ongeveer eenderde deel van de agrarische beroepsbevolking bestaat uit pachters of landloze arbeiders. Ondanks landhervormingen (bijv. in 1945 en 1973) is de ongelijke verdeling van grond blijven bestaan. De versnippering staat grootschalige gemechaniseerde landbouw vaak in de weg. Sinds 1963 bestaan er verschillende vormen van agrarische coöperaties. De agrarische productie, overwegend voor de binnenlandse markt, groeide in de jaren tachtig gemiddeld 4% per jaar. Het aandeel van landbouwproducten in het exportpakket daalde. Met de voltooiing van de Atatürkdam in Oost-Turkije hoopt men in de jaren negentig het landbouwareaal en daarmee de productie aanzienlijk te kunnen uitbreiden.
De helft van de landbouwgronden, vooral op het centrale hoogland, wordt benut voor de verbouw van granen, vooral tarwe en in mindere mate gerst, rogge en haver. Langs de Zwarte-Zeekust worden maïs en thee verbouwd. Lokaal produceert men rijst en suikerbieten. In de vruchtbare streken langs de Egeïsche en de Zwarte Zee is groenteteelt en worden druiven, vijgen en olijven verbouwd. Bij Trabzon worden op grote schaal hazelnoten geteeld, terwijl Samsun bekend is om zijn tabaksproductie. De productie van papaver voor de farmaceutische industrie (opium), tussen 1972 en 1974 verboden, geschiedt onder staatstoezicht, vooral nabij Afyon. Vooral de productie van het belangrijkste exportproduct katoen (omgeving Izmir en Adana) neemt mede door de mechanisatie toe. Veehouderij heeft vooral plaats op de hoogvlakte. Bijna 50 miljoen schapen van het Karamantype leveren melk, vlees en huiden. Een betere kwaliteit wol leveren de bij Bursa geïntroduceerde merinoschapen. De angorageit levert de mohairwol. Overbegrazing vormt in Turkije een probleem. Bosbouw is van betekenis voor de productie van timmer- en brandhout. Ongeveer eenvierde deel van het landoppervlak bestaat uit bosgebied. 85% van alle bossen zijn staatsbezit. Visserij rond Istanbul, langs de Zwarte-Zeekust en de Golf van Iskenderun is van geringe betekenis, mede door eerdere overbevissing.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Vooral het oostelijk gedeelte van Turkije is rijk aan delfstoffen. Chroom wordt hoofdzakelijk gewonnen in het zuidoosten (bij Iskenderun), bij Antalya en rond Eskishehir. De Turkish Iron and Steel Corporation exploiteert ijzererts tussen Sivas en Erzurum. Langs de kust van de Zwarte Zee wordt een slechte kwaliteit steenkool gedolven. In West-Anatolië vindt in dagbouw bruinkool(ligniet)winning plaats. De betekenis van de bauxietwinning is aanzienlijk toegenomen. Voorts worden er nog koper, zink, fosfaat, wolfraam, magnesium en kwik gedolven. In het zuidoosten, bij Iskenderun en Batman, wordt aardolie gewonnen, maar de reserves zijn niet groot. Er zijn aardolieraffinaderijen te Mersin, Izmit, Batman en Aliaga (bij Iskenderun). Een pijpleiding verbindt de olievelden van Batman met de haven Dörtyol. Sinds 1977 is er een pijpleiding die de olievelden van Kirkuk (Irak) verbindt met Iskenderun. Volgens een wet uit 1980 zijn buitenlandse investeringen in de winning van delfstoffen in Turkije mogelijk tot 49%. De staat is bij de delfstofwinning betrokken via o.a. de Mining Investment Bank en de Turkish Petroleum Corporation.
De energievoorziening vindt plaats door eigen en bovenal geïmporteerde aardolie (vooral uit Irak en Iran), brandhout en steenkool. In toenemende mate wordt ook energie opgewekt door middel van waterkrachtcentrales. Het Grote Anatolië Project, (GAP) met de bouw van een stuwdammencomplex in de Eufraat, moet voor een aanzienlijke uitbreiding van de productie van hydro-energie leiden (Keban-, Karakaya- en Atatürkdam). Er zijn contracten gesloten met een aantal voormalige sovjetrepublieken betreffende de levering van aardolie en -gas.
4.4 Industrie
In de jaren tachtig bereikte de industriesector een jaarlijkse groei tussen de 5 en 10%, dit betrof vooral de grote, op export gerichte industrie (textiel en metaal). In de tweede helft van de jaren tachtig had de industrie te kampen met een gebrek aan kapitaal. Het kleinbedrijf (minder dan vijf werknemers) overheerst. De voornaamste bedrijfstakken zijn de katoen- en de confectie-industrie, die tevens een groot deel van de industriële export voor hun rekening nemen. Grote ijzer- en staalfabrieken bevinden zich in Iskenderun, Eregli en Karabük. Er zijn enkele tientallen cementfabrieken. De suiker- en papierindustrie (Izmir) zijn in staatshanden, evenals de petrochemische industrieën in Izmit en Aliaga. De auto-industrie, vnl. assemblage, komt op in de grote steden. De meeste industrie (tabak, chemie, farmacie, kunstmest, leer, glas, frisdranken, verwerkende industrie) is geconcentreerd in de grote steden Istanbul, Ankara en Izmir. Nieuwe industriële centra zijn Iskenderun en Adana. Naast de gemechaniseerde industrie is het traditionele ambacht nog sterk vertegenwoordigd.
4.5 Handel
De tekorten op de handelsbalans worden voor een belangrijk deel goedgemaakt door inkomsten uit toerisme en gastarbeid. De export, die vroeger hoofdzakelijk bestond uit landbouwproducten (katoen, graan, noten, tabak) is in de jaren tachtig gediversifieerd. Vooral de export van textiel en metaal nam toe. De voornaamste afnemers zijn Duitsland (22%), Italië (6%), de Verenigde Staten en landen in het Midden-Oosten (8%). De voornaamste importartikelen zijn aardolie, machines, auto's en chemische producten. De belangrijkste leveranciers zijn Duitsland (16%), de Verenigde Staten (10%) en de EU-landen.
4.6 Bankwezen
Het bankwezen wordt sinds 1931 beheerst door de Merkez Bankasi, de centrale bank. Er zijn ca. 60 grote (ook internationale) bankinstellingen. De Etibank verschaft kredieten voor mijnbouw en energie, de Sümerbank voor industrie. Ook voor landbouwkredieten bestaat een staatsbank. De grootste commerciële bank is de Türkiye Is Bankasi.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Economische planning geschiedt sinds 1963 door de Staats Planning Organisatie. In het vierde vijfjarenplan (1977-1982) lag de nadruk op het bestrijden van de inflatie, het aantrekken van investeringen, de energievoorziening en de verbetering van onderwijs en openbaar bestuur. Voor de realisatie van de ontwikkelingsplannen is Turkije voor een groot deel afhankelijk van buitenlandse hulp. Deze bestaat hoofdzakelijk uit leningen van het IMF, de Wereldbank, de Verenigde Staten, de EG en het Internationaal Consortium voor Turkije. Ook de Arabische oliestaten leveren bijdragen.
4.8 Verkeer
Er is een uitgebreid net van verkeersverbindingen. Het spoorwegnet van ca. 9000 km wordt beheerd door de staatsspoorwegmaatschappij TCDD. Er is een wegennet van ca. 60.700 km geasfalteerde en 172.000 km verharde weg. Sinds 1978 zijn er nieuwe bruggen over de Gouden Hoorn en de Bosporus in Istanbul. Het interlokale wegverkeer wordt verzorgd door een reeks efficiënt werkende particuliere busondernemingen en (groeps)taxi's. Er zijn internationale luchthavens te Yesilkoy (Istanbul), Esenbôga (Ankara), Adnan Menderes (Izmir), Adana, Dalaman, Erzurum en Antalya en 17 vliegvelden voor binnenlandse vluchten. De nationale luchtvaartmaatschappij is Türk Hava Yollari (THY, Turkish Airlines).

5. Toeristische gegevens
Turkije heeft een zeer rijk cultureel verleden met als hoogtepunten de neolithische cultuur van Çatal Hüyük bij Konya, het koninkrijk van de Hettieten, dat van de Oerarteeërs, het koninkrijk Phrygië, de cultuur van de Griekse Ioniërs, de ontwikkeling van het hellenisme met name op stedenbouwkundig en sculpturaal gebied (Pergamum, Priene), en, na de oudheid, de cultuur van de Seldjoeken (11de-13de eeuw) die overging in die van de Turken onder de dynastie van de Osmanen; in Europees Turkije was Istanbul onder de naam Constantinopel de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk en het Osmaanse Rijk. Naast vele islamitische monumenten bezit deze stad het hoofdwerk van de Byzantijnse bouwkunst, de Aya Sophia (6de eeuw). Een andere bezienswaardige stad in Europees Turkije is Edirne met o.a. de moskee van de hand van Turkijes belangrijkste architect, Sinan (16de eeuw). In Aziatisch Turkije (Anatolië) is om te beginnen de Egeïsche kust interessant. Izmir, het antieke Smyrna, is het uitgangspunt voor het bezichtigen van de imposante ruïnes van de Griekse en hellenistische centra van weleer: behalve Priene en Pergamum o.a. Efeze, Milete, Didyma, Halicarnassus, Sardes en Hiërapolis, vlak bij Pamukkale, dat vermaard is om de terrasvormige kalkafzettingen van het warme, kalkrijke bronwater. Izmir zelf bezit een belangrijk Hettitisch museum. Manisa is het voornaamste Turks-islamitische cultuurcentrum in het Egeïsche gebied, met o.a. vele moskeeën. De badplaats Çesme heeft een middeleeuws fort. Kusadasi (Vogeleiland) is een moderne, drukbezochte badplaats. Van de Middellandse-Zeekust is de badplaats Antalya het toeristisch centrum. Ook in dit kustgebied bevinden zich resten uit de antieke tijd, o.a. een aantal vnl. Romeinse theaters, in Aspendos (voor 15!000 toeschouwers; jaarlijks voorstellingen in juni), Demre, Side, Perge, Kas, Termessos (Grieks) en Xanthos. Bij Demre bevinden zich voorts de ruïnes van Myra, de stad van Nicolaas van Myra (Sinterklaas), boven wiens graf een (Byzantijnse) kerk is gebouwd. In Perge bevindt zich behalve een theater ook een antiek stadion, bestemd voor 27!000 toeschouwers. Meer in oostelijke richting zijn toeristische plaatsen: Alanya, een vesting uit de Seldjoekentijd met binnen de - dubbele - muren moskeeën, een overdekte bazar, een karavanserai en een paleis; de Damlatas-druipsteengrot nabij Alanya; de badplaats Anamur met een groot middeleeuws kasteel; de badplaats Silifke met een kruisvaardersburcht; Mut met een 14de-eeuwse vesting; Adana; Antakya (het antieke Antiochië) met een befaamde collectie Romeinse mozaïeken in het museum. De Zwarte-Zeekust heeft een mild klimaat. Hier valt de meeste neerslag van Turkije, zodat er uitgestrekte (sparren)bossen zijn. Tot de meer moderne badplaatsen behoort Giresun. Interessante architectuur heeft Trabzon (het Trebizonde uit de Byzantijnse tijd). Ten zuiden hiervan ligt boven een steile afgrond het 14de-eeuwse klooster van Sumela (Byzantijnse fresco's). In West-Anatolië zijn Bursa en Iznik bezienswaardig. Bij Çanakkale ligt de ruïneheuvel van Troje. In Centraal-Anatolië liggen in de - wijde - omgeving van Ankara (musea, o.m. met de vondsten uit Alaca Hüyük): Bogazkale met de ruïnes van de Hettitische stad Hattusa en Yazilikaya met een Hettitisch heiligdom met beroemde reliëfs (13de eeuw v.C.); voorts de ruïnes van de Hettitisch-Phrygische stad Gordium, waar Alexander de Grote de 'gordiaanse knoop' zou hebben doorgehakt (zie ook Gordias) en de ruïneheuvel Alacahüyük. Amasya bezit o.a. moskeeën en rotsgraven van Pontische koningen. In het zuiden is de bedevaartplaats Konya bekend om de 'dansende derwisjen'. Het zuiden van Oost-Anatolië wordt ingenomen door het (historische) landschap Cappadocië, dat vooral bekend is om groepen grillige rotsen met vele natuurlijke grotten, die hebben gediend als woning, kerk of klooster. Men vindt ze o.a. bij Kayseri, Ürgüp, Göreme (kloostercomplex uit de 10de-11de eeuw met fresco's) en Derinkuyu (onderaardse steden). In Kayseri, Kirsehir en Nigde zijn fraaie voorbeelden van Seldjoekse en latere bouwkunst. O.a. hier kan men aan de portalen van de moskeeën en medressen (= islamitische hogescholen) de Turks-islamitische beeldhouwkunst bewonderen, die vooral vanaf de 13de eeuw bestaat uit uitermate fijne, filigraanachtige arabesken en geometrische figuren; het beroemdste voorbeeld is de sculptuur van de Grote Moskee (13de eeuw) in Divrigi. In de overige delen van Oost-Anatolië zijn bezienswaardig: Tokat met een kasteel met 28 torens en moskeeën uit de 12de-16de eeuw; Kars met resten van de Armeense stad Ani (10de-11de eeuw); Diyarbakir met talrijke oude bouwwerken, o.a. een moskee uit ca. 1090 en een 5 km lange basalten (dus zwarte) stadsmuur met 72 torens; Van aan het Vanmeer, waar rotsgraven van de Oerarteeërs zijn gevonden; in het Vanmeer het eiland Ahtamar met de resten van een Armeens klooster (10de eeuw). Op de tegenover Van gelegen oever van het meer rijst de Nemrud Dag op, op welks 2150 m hoge top zich de resten bevinden van een heiligdom en graf (van Antiochus I van Commagene), bestaande uit o.a. een 50 m hoge piramide en vijf ca. 9 m hoge, tronende godenbeelden.

6. Geschiedenis
6.1 Osmaanse Rijk
De bakermat van Turkije was een van de vele kleine vorstendommetjes die zich na het uiteenvallen van het Seldjoekenrijk in Klein-Azië hadden gevormd. Hierover aanvaardde ca. 1300 Osman de macht (vandaar de namen Osmaanse of Ottomaanse Rijk en Osmaanse of Ottomaanse Turken; zie ook Osmanen). Allengs breidde Osman het staatje uit, vooral ten koste van Byzantijns gebied. Omstreeks 1326 werd Broessa (Bursa) ingenomen, dat tot hoofdstad werd uitgeroepen. Osmans zoon en opvolger Orhan (regeerde 1323/1324-1360) ondernam de eerste invallen aan de overkant van de Hellespont. Moerad (Murad) I (1360-1389) en Bajezid (Bayezid) I (1389-1402) maakten in deze richting geweldige veroveringen (Bulgarije, Servië; Slag bij Kosovo Polje, 1389). Edirne, veroverd in 1362, werd de Europese hoofdstad. Bajezid breidde de veroveringen uit tot Griekenland en in het noorden tot de Donau, waar hij in 1396 bij Nikopolis de verbonden Franse, Hongaarse en Duitse legers versloeg. In Klein-Azië werden de meeste Turkse vorstendommetjes geannexeerd of veroverd. In de Slag bij Ankara (1402) werd Bajezid echter door Timoer Lenk gevangen genomen, waarna zijn zoons vluchtten.
Bajezids zoon Mehmed I wist in 1413 het rijk te herstellen (regeerde tot 1421). Onder Moerad (Murad) II (1421-1444; 1446-1451) werd de restauratie voltooid en begonnen de veroveringen weer (Saloniki). In Albanië waren de Osmanen intussen met Venetië en aan de Donau met Hongarije in conflict geraakt. Een belangrijke uitbreiding van het grondgebied brachten de veroveringen van Mehmed II (1444-1446; 1451-1481). In 1453 nam hij Constantinopel in, gevolgd door de verovering van de rest van het Byzantijnse gebied. In 1467 breidde hij de Turkse macht uit naar het oosten (Kastamonu, Trebizonde = Trabzon). Op het Balkanschiereiland ontnam hij Venetië grondgebied. Voorts maakte hij Moldavië en Walachije voorgoed schatplichtig. Onder Selim I (1512-1520) kwam het rijk in conflict met Perzië. In 1514 werd de Perzische sjah bij Tsjaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in Koerdistan en het noorden van Mesopotamië bevestigde. In 1516 veroverde Selim Syrië op Egypte en in 1517 Egypte zelf. Arabië (met Mekka en Medina) erkende de Osmaanse opperheerschappij.
Onder sultan Süleyman I (1520-1566) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding en kwam tevens het regeringssysteem tot volle ontplooiing. Hongarije werd veroverd (Slag bij Mohács, 1526) en Wenen belegerd (1529). Tegen Perzië ondernam Süleyman met succes een aantal veldtochten. Voorts beheerste hij de Middellandse Zee. De sultan bezat absolute macht (voor behoud van de eenheid doodde een nieuwe sultan zijn broers) en regeerde met zijn gunstelingen door middel van de twee keurkorpsen: janitsaren en sipahi's (ruiterij van leenmannen). Een zekere sociale onafhankelijkheid genoot de geestelijke stand van de oelama's. De talrijke christelijke en joodse onderdanen van de sultan waren onder hun eigen religieuze hoofden georganiseerd. Ditzelfde gold voor de vreemdelingen, vooral kooplieden, die door hun consuls en gezanten werden geadministreerd, tot de rechtspraak toe.
Onder Süleymans opvolgers stagneerde de uitbreiding van het rijk. Zijn opvolger Selim II (1566-1574) liet de leiding van de regering aan de grootvizier Mehmed Sokolli over; onder hem leed de Turkse vloot bij Lepanto in 1571 een gevoelige nederlaag tegen o.m. de Spanjaarden en Venetianen. De belangrijkste buitenlandse tegenstanders waren echter tot in het begin der 18de eeuw Oostenrijk en Perzië. De naar beide zijden gevoerde oorlogen maakten onophoudelijk veldtochten nodig. In de loop van de 17de eeuw werd het rijk door slecht bestuur en militaire opstanden verzwakt. De grootviziersfamilie van de Köprülü wist sedert 1656 krachtiger leiding te geven; in 1669 werd Kreta op de Venetianen veroverd. Aan de westelijke en noordelijke grenzen had het Osmaanse Rijk steeds met geweld of diplomatie haar autoriteit weten te handhaven, zozeer, dat ook Polen en Rusland sterk onder Osmaanse invloed kwamen.
Een ommekeer in de machtsverhouding volgde na de in 1683 ondernomen veldtocht tegen Oostenrijk. Deze begon met de tweede belegering van Wenen. Nadat de stad door de Polen ontzet was, werden de terugtrekkende Turken keer op keer verslagen, zodat zelfs een deel van Hongarije door de Oostenrijkers werd heroverd. Een lange krijgsperiode volgde, waarin de Turken tevens met Venetië, Polen en Rusland in oorlog raakten. Bij de Vrede van Karlowitz (1699) moest Turkije ten slotte zijn aanspraken op een groot deel van Hongarije opgeven, terwijl ook de andere vijanden gebiedsvoordeel verkregen. Aan Oostenrijk ging ook de rest van Hongarije verloren (Vrede van Passarowitz, 1718) en op den duur bleef de Donau de grens.
6.2 De negentiende eeuw
In het midden van de 18de eeuw ontstond weer een heftig conflict met Perzië. De gevaarlijkste tegenstander van de Turken werd echter Rusland. De in 1768 uitgebroken oorlog bracht in 1774 de Vrede van Küçük Kaynarca, waarbij de Krim en Azov voor het Osmaanse Rijk verloren gingen. Na een nieuwe oorlog (1784-1792) werd de Dnepr de grens tussen beide rijken. Mahmoed (Mahmud) II (1808-1839) hervormde het leger en liet in 1826 het voor de sultan inmiddels gevaarlijk geworden, conservatieve janitsarenkorps uitmoorden. Onder hem begon ook de Griekse opstand, die in 1830 met de afscheiding van Griekenland eindigde, terwijl de Vrede van Edirne (1829) Ruslands meerderheid bewees.
In 1839 begon een nieuwe periode, Tanzimat, waarbij van hogerhand hervormingen werden ingevoerd om het rijk te moderniseren. Rusland bleef de gevaarlijkste tegenstander. In 1853 kwam het met dit land tot de Krimoorlog, waarin Frankrijk en Groot-Brittannië aan de zijde van Turkije stonden. Het einde van deze oorlog, de Vrede van Parijs (1856), toonde de machteloosheid van de sultan (Walachije, Moldavië en Servië werden autonoom). Hervormingen in westerse zin, geproclameerd door Abdül-Medjid (Abdül-Meeid) (1839-1861), werden niet doorgevoerd en wekten onlusten in vele delen van het rijk, die, zoals Syrië en Arabië, naar onafhankelijkheid streefden. Sultan Abdül-Hamid II (1876-1909) beloofde onder drang van de mogendheden en van enkele liberalen wel hervormingen (grondwet 1876), maar regeerde in feite reactionair en tiranniek. Opstanden op de Balkan leidden tot ingrijpen van Rusland (Russisch-Turkse Oorlog 1877-1878), dat tot vlak bij Constantinopel doordrong. Het Congres van Berlijn (1878) bracht voor de sultan wel enige verlichting, maar deze was nu geheel afhankelijk van de mogendheden. Cyprus kwam onder Brits bestuur, Bosnië onder dat van Oostenrijk-Hongarije, Griekenland kreeg uitbreiding van gebied. Roemenië werd geheel onafhankelijk en Bulgarije werd een autonome provincie. Daarna volgden nieuwe moeilijkheden: in 1882 werd Egypte onder Brits beheer geplaatst; in 1897 ontstond oorlog met Griekenland, waardoor Kreta onder een Griekse gouverneur kwam. In 1905 werd de Balkankwestie buiten de sultan om geregeld. Een Jong-Turkse beweging , die door liberale hervormingen de nationale kracht wilde versterken, werd gesteund door de mogendheden: in 1908 moest Abdül-Hamid de grondwet van 1876 werkelijk invoeren (hij werd in 1909 afgezet, omdat hij de reactie weer steunde).
Turkije was inmiddels financieel geheel afhankelijk van de mogendheden en ging gebukt onder een zware schuldenlast. Duitse officieren waren intussen belast met de hervorming van het leger. In 1911 viel Italië Turkije in Tripoli aan, een oorlog die leidde tot het verlies van dit land en van de Dodekanesos. Griekenland, Bulgarije en Servië ontketenden de Eerste Balkanoorlog (1912-1913), die na een korte vrede het Turkse Rijk in Europa reduceerde tot een klein gebied rondom Constantinopel. In de Eerste Wereldoorlog koos Turkije, onder aandrang van de toen machtige Jong-Turken, de zijde van Duitsland. De Dardanellen werden met succes verdedigd, op de Balkan en in het oosten werden eerst enige successen behaald, maar ten slotte drongen de geallieerden in het oosten op. Arabië maakte zich onafhankelijk en in okt. 1918 moest Turkije capituleren. Bij het Vredesverdrag van Sèvres behield het alleen Constantinopel en Klein-Azië zonder de westelijke kuststrook. In de oorlog (1915) waren naar schatting een miljoen Armeniërs stelselmatig vermoord .
Tegen de afloop van de oorlog kwam het nationalisme in verzet. Hierin vervulde Mustafa Kemal Pasa (na 1934 Kemal Atatürk geheten) de hoofdrol. Een in Ankara bijeengekomen Nationale Vergadering proclameerde zich tot staatshoofd en begon de strijd tegen de Grieken (1920), die eindigde met de verovering van Izmir. De geallieerden legden zich hierbij neer, en bij het (nieuwe) verdrag, vastgesteld op de Conferentie van Lausanne (1923), behield het volledig onafhankelijke Turkije het in de wereldoorlog veroverde en ook Edirne en Cilicië. Intussen had een tweede Nationale Vergadering sultan Mehmed VI (1918-1922) afgezet.
6.3 De republiek tot 1950
Op 29 okt. 1923 werd een republikeinse grondwet geproclameerd. Atatürk werd president, Ankara hoofdstad. Atatürk wilde door modernisering naar westers voorbeeld cultuur en welvaart herstellen. Er kwam een scheiding tussen moskee en staat; het kalifaat werd afgeschaft, evenals andere uit de islam voortvloeiende functies. Andere verboden betroffen de derwisj-orden en het dragen van sluier en fez. Het Latijnse alfabet werd ingevoerd en vooral aan het volksonderwijs werd grote zorg besteed. Met het oog op de economische ontwikkeling werd begonnen met de aanleg van een spoorwegnet in Anatolië. In 1932 trad Turkije toe tot de Volkenbond en in 1934 sloot het zich aan bij het Balkan-pact tegenover het op de Balkan opdringende Italië. In 1936 verwierf Turkije het recht van militarisatie van de zee-engten. In okt. 1939 sloot Turkije met Frankrijk en Groot-Brittannië een wederzijds bijstandsverdrag. Inmiddels was in 1938 Atatürk overleden. Hij werd als president opgevolgd door Ismet Inönü. Hij zette de politiek van Atatürk voort: antireligieuze maatregelen en begunstiging van de officiële politieke partij, de Republikeinse Volkspartij.
In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije tot kort voor het eind militair neutraal. Wel zag het zich gedwongen tot het sluiten van een niet-aanvalsverdrag en van handelsverdragen met Duitsland. In 1944 wisten de geallieerden Turkije aan hun zijde te brengen, maar eerst in febr. 1945 verklaarde het de oorlog aan Duitsland. Daardoor kon Turkije direct lid worden van de Verenigde Naties. De eerste jaren na 1945 was er voortdurend sprake van een gespannen verhouding met de Sovjet-Unie. Op militair, economisch en financieel (Marshallhulp) gebied raakte het land meer en meer afhankelijk van de Verenigde Staten. In 1949 trad Turkije toe tot de Raad van Europa.
Op binnenlands politiek terrein deed zich tussen 1945 en 1950 een aantal belangrijke veranderingen voor. In 1946 werd de kieswet herzien, waarbij de vorming van nieuwe politieke partijen werd toegestaan. Bij de verkiezingen van dat jaar verzekerde de Volkspartij zich weliswaar van de meerderheid van de zetels, maar de Democratische Partij onder leiding van Celâl Bayar boekte met 65 zetels een aanmerkelijk succes. Op instigatie van de Democratische Partij kwam in juli 1948 een nieuwe kieswet tot stand, met geheime verkiezingen en openbare stemmentelling. In de periode tot 1950 kwam voorts een einde aan de antireligieuze maatregelen.
6.4 De republiek na 1950
Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten een enorme meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale Vergadering. Bayar volgde Inönü als president op en er werd een nieuwe regering gevormd met Adnan Menderes als premier. Deze volgde een wat liberalere economische politiek en trad krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van bereikte hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien. Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten opnieuw een overwinning. De regering voerde daarna een aantal wetten door die haar bevoegdheden sterk uitbreidden. De persvrijheid werd sterk aan banden gelegd. Dit alles bracht een gespannen verhouding teweeg tussen de regering en de oppositie. O.m. door de verslechterende economische situatie en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni 1956 (o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht op openbare vergadering) werd de relatie tussen de Democraten en de oppositie nog gespannener.
De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid dat sterk op het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, in 1955 tot het Pact van Bagdad (later Centrale Verdragsorganisatie). In het begin van de jaren zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie beter.
Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen de regering van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep officieren onder leiding van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep. De regering werd vervangen door een Comité van Nationale Eenheid onder leiding van Gürsel, die de functies van president, premier en minister van Defensie op zich nam. In jan. 1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als tijdelijk parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.m. voorzag in een twee kamers tellende wetgevende macht. Inmiddels werd een groot aantal leden van het afgezette Menderesregime tijdens een monsterproces berecht. Op 15 sept. werden er o.m. vijftien mensen ter dood veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van hen, onder wie president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie verleend, o.a. aan Bayar). Op 25 okt. 1961 werd het Parlement geopend en werd de macht door de militairen overgedragen aan de burgers.
Op 26 okt. werd generaal Gürsel, als enige kandidaat, gekozen tot president van de republiek. Inönü, de leider van de Volkspartij, zou aan het hoofd van drie achtereenvolgende kabinetten tot febr. 1965 aan het bewind blijven. Hij werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus (zie Cyprus § 6), die binnenslands leidde tot gewelddadige protesten tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste Grieken uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen met betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus.
Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de verkiezingen van okt. 1965 bracht de leider van die partij, Süleyman Demirel, aan het bewind. Hij slaagde er niet in de economische problemen het hoofd te bieden. Demirel knoopte betere betrekkingen aan met verscheidene Oost-Europese en Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe defensieovereenkomst gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije meer zeggenschap kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije.
Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie van binnen uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen kwamen herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen streefden o.m. naar het verbreken van de militaire banden met het Westen, bepaalde extreem rechtse groeperingen verlangden de terugkeer naar een theocratie en een totalitair systeem, gebaseerd op de islam en pan-turkisme. Botsingen tussen deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot grote binnenlandse politieke spanningen. De verslechterde economische toestand veroorzaakte grote onrust. Demonstraties van studenten en arbeiders tegen de voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden deden de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen. In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de activiteiten van de Koerdische afscheidingsbeweging (de Turkse regering weigerde een eigen nationale identiteit van de Koerden te erkennen). In de steden opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging, het Turkse Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten sympathie ontmoette. Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de regering-Demirel werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier. Binnen het leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats. In april 1971 werd de staat van beleg afgekondigd voor 11 van de 67 provincies. In maart 1972 werden 57 officieren uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een maand later nam Erim ontslag.
In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling van een nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging van de sedert 1966 zittende president C. Sunay ontstond een politieke strijd tussen het parlement en het leger. Ten slotte werd een compromiskandidaat, senator en oud-admiraal Fahri Korotürk, tot president gekozen (april 1973). Op 25 jan. 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij, CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering. Na een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op 20 juli 1974 in ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar. De invasie en de daaropvolgende Turkse bezetting van een deel van het eiland brachten een verkoeling teweeg in de betrekkingen met de Verenigde Staten. Deze besloten tot een wapenembargo tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden opgeheven. De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald en er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie. In sept. 1974 kwam het kabinet-Ecevit door een conflict tussen de coalitiepartners ten val. Pas op 31 maart 1975 slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te vormen met de NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse splinterpartij. Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De spanning met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens de kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal plat in de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen.
In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links- en rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. Vooral de strijdorganisatie van de NAP, de Grijze Wolven, manifesteerde zich steeds duidelijker. De 1-mei-viering in 1977 in Istanbul liep uit op een bloedbad. Bij de gewelddadig verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni 1977 behaalde de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid. Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot hij in dec. 1977 bij een tussentijdse verkiezing de kamermeerderheid verloor. Ook het nieuwe kabinet, dat Ecevit op 5 jan. 1978 met dissidenten uit de AP vormde, bleek niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen tegen de links-georiënteerde Alawieten (26 dec. 1978 bloedbad van Kahramanmaras). Ook onder de Koerden was het onrustig. In steeds meer provincies en steden werd de staat van beleg afgekondigd. Na een nederlaag bij tussentijdse verkiezingen bood Ecevit op 14 okt. 1979 zijn ontslag aan. Op 12 nov. vormde Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend AP-ministers.
6.5 De jaren tachtig en negentig
In 1979 bereikte de Turkse economie een dieptepunt met een inflatie van bijna 100%, gigantische werkloosheid en gebrek aan eerste levensbehoeften. Het overheidsgezag werd door straatterreur en politiek geweld steeds verder ondermijnd. De door de overheid nauwelijks bestreden activiteiten van de Grijze Wolven en die van de marxistische Dev Sol eisten honderden slachtoffers (onder wie op 19 juli 1980 oud-premier Nihat Erim). In jan. 1980 was het tot een bloedige opstand gekomen in Izmir. Na het verstrijken van de ambtstermijn van president Korotürk in april 1980 kon men het in het parlement echter niet eens worden over de keuze van een nieuwe president. Na een militaire staatsgreep op 12 sept. 1980 nam een Nationale Veiligheidsraad onder stafchef generaal Kenan Evren de macht over. Voor het hele land werd de staat van beleg afgekondigd en alle politieke activiteiten werden verboden. Evren, die zelf president werd, stelde zich ten doel de politieke terreur te bestrijden en de economie te saneren. Er werden talrijke zoekacties naar wapens gehouden en tienduizenden arrestaties verricht. Tal van politici, vakbondsleiders en politieke activisten moesten zich voor militaire rechtbanken verantwoorden.
Op 7 nov. 1982 werd een nieuwe grondwet per referendum goedgekeurd (zie § 3.1), hieraan was de verkiezing van generaal Kenan Evren tot president gekoppeld. Er was veel kritiek op beperkingen die aan politieke partijen en vakbonden waren opgelegd, het trage tempo van de democratisering en op de situatie van de mensenrechten. Niettemin werd aanvankelijk een tamelijk succesvol economisch beleid gevoerd door minister van Economische Zaken, Turgut Özal, en konden orde en rust in het land goeddeels hersteld worden. In mei 1983 konden binnen de beperkingen van een Wet op de Politieke Partijen weer partijen worden opgericht. In nov. 1983 behaalde de Moederlandpartij van Özal een absolute meerderheid, waardoor deze benoemd werd tot premier en de macht van het leger wat verder kon terugdringen. Per referendum werd in sept. 1987 het verbod op politieke activiteiten van de oude partijleiders opgeheven, waarbij vooral oud-premier Demirel op grote electorale steun bleek te kunnen bogen. Door de economische teruggang en toenemende problemen daalde in de tweede helft van de jaren tachtig de populariteit van Özal. Eind 1989 liet hij zich door het, toen nog door zijn Moederlandpartij beheerste, parlement tot president kiezen. De persoonlijke leiderschapsstijl, zijn eigenmachtig optreden in de buitenlandse politiek en de groeiende invloed van de islam leverden Özal ook binnen zijn eigen partij steeds meer kritiek op.
ln 1990 sloot Turkije in verband met de Golfcrisis de lraakse oliepijpleiding over zijn grondgebied af. Tijdens de Tweede Golfoorlog (1991) opereerde de geallieerde luchtmacht vanaf Turks grondgebied.
Bij de parlementsverkiezingen van 1991 werd de Partij van het Juiste Pad van Demirel de grootste partij. Deze vormde een coalitie met de Sociaal-Democratische Populistische Partij van prof. Erdal Inönü. Bij de verkiezingen had voor het eerst de Koerdische factor een belangrijke rol gespeeld. De HEP kwam op voor de belangen van de Koerden in het oosten van het land. Deze hadden zich vanaf 1984 steeds meer verzet tegen het centrale gezag in Ankara. De marxistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) van Abdullah Ocalan begon met een reeks aanslagen, die steeds meer het karakter van een guerrilla ging aannemen. Bovendien werd de Koerdische kwestie actueel door de tienduizenden Koerdische vluchtelingen uit Irak, die in 1988 en 1991 naar Oost-Turkije kwamen. De overheid besloot enerzijds de PKK hard te bestrijden, maar anderzijds concessies te doen op het gebied van de Koerdische taal, enz.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie knoopte Ankara nauwe banden aan met de Turks sprekende voormalige sovjetrepublieken (Azerbajdzjan, Toerkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië). President Özal stierf in april 1993. Demirel volgde hem op. De plaats van Demirel als premier werd ingenomen door Tansa Çiller, de eerste vrouwelijke premier.
De regering van de econome Tansu Çiller - een coalitie van haar Partij van het Juiste Pad (DYP) en de kleinere Sociaal-Democratische Populistische Partij (SDHP) - bleek niet opgewassen tegen de economische problemen van het land. De begroting voor 1994 vertoonde een financieringstekort van ongeveer 10% van het BNP, waardoor de inflatie sterk werd aangewakkerd, de koers van de lira zwaar onder druk kwam te staan en de inflatie steeg tot boven de 100%.
Bij de in maart gehouden gemeentelijke verkiezingen boekte de fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij grote winst en veroverde in 28 steden het burgemeesterschap. De regering ging krachtig voort met haar pogingen een einde te maken aan het onafhankelijkheidsstreven van de Koerdische bevolking in het zuidoosten van het land. De aldaar gelegerde strijdmacht werd tot 150.000 man uitgebreid en de acties tegen de gewapende opstandelingen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) werden verhevigd. Hierbij vielen duizenden slachtoffers, ook onder de burgerbevolking. Desondanks pleegden de Koerdische verzetsstrijders een groot aantal aanslagen om het toerisme in het nauw te brengen en zo de economische problemen te vergroten. PKK-leider Abdullah Ocalan toonde zich in aug. 1994 bereid tot onderhandelingen over een vreedzame regeling van het conflict. De flagrante schending van de democratische beginselen stond voorlopig het door Turkije zo gewenste lidmaatschap van de EU in de weg. Hoewel plaatselijke verkiezingen in juni 1995 winst opleverden voor de DYP van Çiller, nam de oppositie tegen haar bewind toe. Van rechts werd zij bedreigd door het opkomend islamitisch fundamentalisme, terwijl ter linkerzijde veel kritiek was op het economische beleid, dat tot een buitensporige inflatie (meer dan 70%) en verlies van koopkracht had geleid. Ook kwam de premier in opspraak door het enorme vermogen dat zij en haar echtgenoot in korte tijd hadden opgebouwd.
Strubbelingen binnen de regeringscoalitie leidden in sept. 1995 tot de val van het kabinet-Çiller en tot vervroegde parlementsverkiezingen in dec., waarbij de fundamentalistische Welvaartspartij (RP) van Necmittin Erbakan als sterkste uit de bus kwam. De twee rechtse partijen, de Moederlandpartij van Yilmaz en de Partij van het Juiste Pad van Çiller, beschikten niet over een meerderheid, terwijl zij een coalitie met Erbakan niet aandurfden uit angst voor reacties uit het bedrijfsleven en vooral van het leger, dat vanouds de beschermer is van het seculiere politieke leven in Turkije. Uiteindelijk slaagden de gezworen vijanden Yilmaz en Çiller erin de steun te verkrijgen van de Democratische Linkse Partij van Ecevit en in maart 1995 werd Yilmaz premier. In juni echter al moest Yilmaz het ontslag van zijn regering indienen, nadat het Constitutioneel Hof de vertrouwensstem waarmee de coalitie aan de macht was gekomen, ongrondwettelijk had verklaard. President Demirel belastte daarop Erbakan met de formatieopdracht. De leider van de Welvaartspartij slaagde erin een coalitie tot stand te brengen met de Partij van het Juiste Pad van Çiller.
Erbakan werd de eerste islamitisch georiënteerde premier in de geschiedenis van het seculiere Turkije. De groei van de Welvaartspartij, de best georganiseerde politieke partij in Turkije, werd in verband gebracht met de snelle verstedelijking en de opkomst, vanaf 1960, van een zich gezwind ontwikkelende middenklasse van ondernemers in de provinciesteden. In maart was het Turkse leger begonnen met een nieuw grootscheeps offensief tegen de PKK. Zowel bij deze actie als opnieuw in juli drong het leger ver door op Iraaks-Koerdisch grondgebied om bases van de PKK aan te vallen, wat niet alleen tot Iraakse protesten leidde, maar ook resulteerde in afkeuring van Europese landen. Ook in Turkije zelf bleef het leger hard optreden tegen de Koerdische verzetsbeweging, waarbij opnieuw honderden doden vielen. In april richtten Koerdische ballingen in Den Haag een parlement in ballingschap op, waartegen de Turkse regering krachtig protesteerde. De strijd tussen de PKK en het leger, de politie en plaatselijke paramilitaire groepen duurde ook in 1996 onverminderd voort. Sinds 1984 waren daarbij ruim 20.000 doden gevallen, minstens 330.000 mensen waren gevlucht en ruim 2200 Koerdische dorpen waren ontruimd. Premier Erbakan probeerde een dialoog te beginnen met de PKK, wat hem op een scherpe reprimande kwam te staan van het leger, dat elke concessie aan de PKK onaanvaardbaar achtte.
Eind jan. 1996 kwam het bijna tot een oorlog met Griekenland om een onbewoond Grieks eilandje voor de Turkse kust. De toch al gespannen relatie met Syrië verslechterde, toen Ankara Syrië beschuldigde van steun aan de PKK en Damascus klaagde over beperking van de waterstroom door de Eufraat en Turkije aansprakelijk stelde voor enkele bomaanslagen in Syrië. Een in Turkije zeer omstreden bezoek van Erbakan aan Libië, in okt., liep uit op een schandaal toen de Liberische leider Kaddafi verklaarde dat het Koerdische volk recht had op een eigen staat. In febr. 1997 dreigde Turkije zijn veto uit te spreken over de beoogde uitbreiding van de NAVO als het land zelf niet werd opgenomen in de uitbreidingsplannen van de Europese Unie.



Telefoongids Turkije
Postcodes T
urkije

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009