|

1. Fysische geografie
1.1
Landschap
Het
hoogland van Anatolië kan als het kernlandschap van Turkije worden
beschouwd. Het bestaat uit een ca. 2000-2500 m hoge, boomloze, deels
woestijnachtige hoogvlakte, in het noorden en in het zuiden door hoge
randgebergten, resp. het Pontisch Gebergte en de Taurus, omgeven, beide
met een groot aantal toppen van 3000 m en meer. Naar de Egeïsche zijde
lost het hoogland zich op in een aantal kleinere gebergten, diep
ingesneden door in oost-westrichting verlopende dalen. Op het hoogland,
doch in een opmerkelijk excentrische, zuidwestelijke ligging, bevindt
zich een gebied zonder afvloeiing, dat ongeveer eenderde van het gehele
hoogland in beslag neemt. Het bestaat voor een groot deel uit
zoutsteppen, afgewisseld met zoutmoerassen en zoutpannen, en vormt het
overblijfsel van een zoetwaterbinnenzee, die sedert het Tertiair
Anatolië geheel bedekte, doch die na een periode van uitdroging geheel
is verdwenen. Het door uitlogen vrijgekomen bodemzout werd met het
overblijvende water naar het laagste punt van het gebied gevoerd, waar
het op 940 m hoogte het Tuz Gölü (= Zoutmeer; ca. 1650 km2) vormde. Ook
in het zuidwesten van het afvoerloze gebied vormden zich zoutmeren.
Langs de gehele kust van het schiereiland loopt een smalle vlakte die
zich slechts op twee punten verbreedt, nl. bij Adana, in de bocht van de
Middellandse Zee bij de Syrische grens, waar zij een alluviale
riviervlakte vormt, en vooral aan de Egeïsche kust, waar de rivieren
brede en diep in het land dringende dalen hebben gevormd.
Het Armeense Hoogland begint ongeveer op de lijn waar het schiereiland
Klein-Azië uit de continentale hoofdmassa naar voren treedt; de ketens
van Pontisch Gebergte en Antitaurus komen hier tot een nauwe bundel
samen en waaieren daarop weer naar het oosten zodanig uit dat een groot,
vrijwel geheel uit vulkanische gesteenten bestaand hoogland wordt
gevormd: Armenië. De gemiddelde hoogte hiervan bedraagt ca. 1650 m; in
het noorden en zuiden stijgt het echter in zijn randgebergten tot meer
dan 4000 m. De begrenzing van Armenië als natuurlandschap ligt deels
buiten de Turkse grens (in Iran, Georgië en Azerbajdzjan). In het
uiterste oosten ligt Turkijes hoogste berg, de Ararat (5156 m). In het
zuidoosten van Armenië bevindt zich evenals in Anatolië een afvoerloos
gebied, met in het midden op ca. 1718 m het Vanmeer (3750 km2). De
sterke tektonische activiteit in het gebied waarin Turkije ligt, blijkt
uit het veelvuldig optreden van aardbevingen, dikwijls van zeer
verwoestend karakter. Vulkanisme is eveneens over heel Turkije verbreid,
doch het sterkst geconcentreerd in Armenië. In West-Anatolië begon de
vulkanische activiteit na een lange rustpoos sedert 1924 opnieuw.
Europees Turkije is een grotendeels laag gelegen landschap met talrijke
moerassen.
1.2 Rivieren en meren
Turkije bezit weinig rivieren, die bovendien vrijwel geen van alle
geschikt zijn voor de scheepvaart; alleen in Koerdistan is een deel van
de bovenloop van de Eufraat met kleine vaartuigen en vlotten bevaarbaar.
Globaal gezien stromen de rivieren naar alle zijden van het Anatolisch
plateau af en doorbreken op weg naar zee de randgebergten. Zij hebben
een groot verval (tot 11%) en ontwikkelen derhalve een sterke
erosiewerking; aan de monding vormen zij dikwijls deltalandschappen uit
het meegevoerde materiaal. Zij meanderen daar vaak sterk. De grootste
geheel op Turks gebied stromende rivier is de Kizil Irmak (= Rode
Rivier). De Turkse meren liggen grotendeels in de beide afvoerloze
gebieden en hebben deels zout, deels brak, op plaatsen met ondergrondse
waterafvoer voor een deel zelfs zoet water.
1.3 Klimaat
Het klimaat vertoont grote plaatselijke verschillen, die vooral
samenhangen met de ligging ten opzichte van de zee en de hoogte. Het
binnenland bezit een sterk continentaal klimaat, terwijl het klimaat van
de kusten een maritiem karakter heeft. Depressies, gemiddeld ongeveer
vijf per jaar, komen uitsluitend in het koude jaargetijde voor en
trekken dan over de Zwarte Zee of over de Middellandse Zee, maar nooit
over het centrale hoogland. Hun invloed doet zich niet meer dan enige
tientallen kilometers landinwaarts gevoelen. Daardoor kunnen in het
binnenland, ondanks de lage geografische breedte, zeer lage temperaturen
voorkomen. Aan de voorzijde van de Middellandse-Zeedepressies voeren
woestijnwinden droge, warme lucht ook naar het binnenland, speciaal in
het voorjaar. 's Zomers waaien onder invloed van de lage druk boven Azië
etesische winden (Turks enkelv.: meltem). De kusten zijn dan koeler dan
het binnenland, juist tegengesteld aan de wintersituatie. Behalve langs
de kust, m.n. van de Zwarte Zee, is de neerslag gering en sterk
variabel.
1.4 Plantengroei
Het centrale plateau vormt de toegang tot de steppen van Centraal-Azië.
Behalve in het droge hart is er veel grasland. Tegen de flanken van
uitgedoofde vulkanen, zoals de Kara Dag en de Erciyas Dagi, waarvan de
hogere hellingen vaak bebost zijn, komen steppen voor, evenals op de
plateaus van Oost-Turkije tussen de gebergten, bijv. rond Erzurum en
Kars. Op de hellingen van de Taurus en de Antitaurus komt in lente en
zomer een weelderige grasgroei tot stand. Eeuwen van houthakken en
grazen hebben de bossen uitgedund en teruggedrongen (van 70% tot 26% van
de oppervlakte) en hebben zelfs hun samenstelling veranderd. Het
aanhoudend grazen van geiten in de westelijke kustgebergten verklaart
het daar overheersende struikgewas. De rijkste bossen van Turkije liggen
in het noorden, op de noordelijke hellingen van het Pontisch Gebergte
die de Zwarte Zee flankeren. Eiken en hazelaars hebben van het zeeniveau
tot aan het rododendronstruikgewas net onder de sneeuwlijn de overhand.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld behoort tot die van de Palaearctische Regio en is
goeddeels circummediterraan van karakter met enige westwaarts
opdringende Aziatische elementen. Bruine beer, wolf, wild zwijn en
panter komen hier en daar nog voor; de tijger is uitgeroeid, de leeuw is
al heel lang geleden verdwenen. Voor de vogelwereld is Turkije een
belangrijke passeerplaats in de trek; de Bosporus is bekend om de grote
stuwing van trekvogels in herfst en voorjaar. Talrijke roofvogels,
aalscholvers en pelikanen broeden in Turkije; de kaalkopibis of waldrapp
is helaas een uitstervende broedvogel. De natuurbescherming staat nog in
de kinderschoenen, hoewel er een aanzet toe is. Een bekend reservaat is
o.a. het Manyasmeer in westelijk Aziatisch Turkije, een belangrijke
broed- en overwinteringsplaats voor vogels.
2. Bevolking
2.1
Samenstelling en spreiding
De bevolking bestond in 1983 voor 85, 7% uit Turken, 10, 6% waren
Koerden (die hoofdzakelijk in de zuidoostelijke provincies [Koerdistan]
en de steden wonen). Daarnaast zijn er nog kleine minderheden Arabieren
(in het zuidoosten), Grieken en Armeniërs (in de grote steden),
Tsjerkessen, Georgiërs en Lazaren (bij de Zwarte Zee). De
bevolkingsaanwas bedroeg tussen 1985 en 1990 gemiddeld 20,6‰ per jaar.
37% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De dichtstbevolkte
provincies zijn de westelijke, die langs de Zwarte Zee en de provincies
Adana en Hatay aan de Middellandse Zee. Ruim 55% van de bevolking woont
in de steden. De grootste steden zijn: Istanbul (4 miljoen, met
voorsteden 6,6 miljoen inw.), Ankara (2,5 miljoen, met voorsteden 4
miljoen inw.), Izmir (1,7 miljoen inw.), Adana (916.150 inw.), Bursa
(834.576 inw.), Gaziantep (603.400 inw.), Konya (513.350 inw.), Kayseri
(421.300 inw.), Eskisehir (413.080 inw.), Mersin (422.357 inw.) en
Diyarbakir (381.144 inw.). Ca. 1,5 miljoen Turken werken in het
buitenland, vooral in West-Europa (van wie ca. 1 miljoen in Duitsland en
ca. 180!000 in Nederland) en in landen van het Midden-Oosten.
2.2 Taal
De officiële taal is Turks (zie verder Turkse talen). In Turks
Koerdistan worden Koerdische dialecten gesproken. De tot dan toe
verboden Koerdische taal mocht door de overheid in jan. 1991 weer in het
openbaar worden gebruikt.
2.3 Religie
Ca. 98% van de bevolking behoort tot de islam. Hoewel Turkije sinds 1923
een geseculariseerde staat is, heeft de islam vooral op het platteland
nog grote invloed op het maatschappelijk leven. Ruim 85% van de Turkse
en Koerdische islamieten behoort tot de soennitische richting. Onder hen
hebben soefi-sekten en fundamentalistische stromingen als de Nurçus en
de Süleymancis een vrij grote aanhang. Daarnaast zijn er nog de sekte
van de Jezidi's en de sji'itische Alawietensekte in het oosten van het
land. Van de tot de Eerste Wereldoorlog tamelijk talrijke christelijke
en joodse gemeenschappen is niet veel meer over. In de grote steden
wonen naar schatting 15!000 Grieks- en 45!000 Armeens-orthodoxe
christenen. Voorts zijn er kleine katholieke en protestantse
gemeenschappen. In het zuidoosten wonen nog ca. 20!000
Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en enkele duizenden Arabisch-orthodoxen
en nestorianen. Naar West-Europa gevluchte jakobieten kregen in de jaren
zeventig bekendheid als 'christen-Turken'. Turkije heeft een gemeenschap
van ca. 25.000 sefardische joden.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de in nov. 1982 per referendum goedgekeurde grondwet
(geamendeerd in 1995) wordt de president voor een periode van zeven jaar
gekozen door het parlement, hij benoemt de ministers en de rechters en
is tevens hoofd van de invloedrijke Nationale Veiligheidsraad. De
grondwet voorziet in één kamer, de Nationale Assemblee, bestaande uit
550 leden, met algemeen kiesrecht gekozen voor een periode van vijf
jaar. Politieke partijen die communisme, fascisme of religieus
fundamentalisme in hun vaandel schrijven, zijn verboden, evenals de
Koerdische partijen PKK en DEP.
3.2 Administratieve indeling
Administratief is Turkije verdeeld in 76 provincies (iller), bestuurd
door een door de regering benoemde gouverneur. De provincies zijn
onderverdeeld in 838 districten. Er zijn 187 steden en ruim 36.000
dorpen (bestuurd door een muhtar, een door de dorpsvergadering gekozen
dorpshoofd). De steden zijn onderverdeeld in mahalleler (wijken).
3.3 Rechtswezen
Het juridisch stelsel, voorheen gebaseerd op de sjari'a, werd na 1923
geseculariseerd. In 1926 werden het Zwitserse burgerlijk wetboek en het
Italiaanse wetboek van strafrecht, aangepast aan Turkse gewoonten en
tradities, ingevoerd. Het Constitutionele Hof heeft het toetsingsrecht
van alle wetten. De Staatsraad is het hoogste administratief rechtelijke
orgaan. Hoogste beroepsorgaan is het Hof van Cassatie. Daarnaast
functioneren administratieve, militaire en burgerlijke gerechtshoven en
rechtbanken.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Turkije is lid van de Verenigde Naties en enkele van haar suborganen, de
Islamitische Conferentie, de NAVO (sinds 1952), de Raad van Europa en de
organisatie van Zwarte-Zeestaten (1992). Sinds 1963 is Turkije
geassocieerd lid van de EG (douane-unie sinds 1 jan. 1996).
3.5 Defensie
De krijgsmacht staat onder opperbevel van de president. Daarnaast
bestaat er een paramilitaire gendarmerie. De Turkse strijdkrachten zijn
hoofdzakelijk voorzien van Amerikaans militair materieel en in mindere
mate van wapens uit Duitsland en uit Frankrijk. Het leger telt 640!000
man. Er bevinden zich Amerikaanse militaire bases op Turks grondgebied.
3.6 Sociale situatie
De sociale verhoudingen op het Turkse platteland, vooral in het
achtergebleven en onderontwikkelde oosten, worden in hoge mate bepaald
door islam en traditie. De familie functioneert dikwijls nog als
productie- en consumptie-eenheid. De mannen- en de vrouwenwereld zijn
vaak streng gescheiden en bij huwelijken is de bruidsprijs nog alom
gebruikelijk. In de dorpssamenleving spelen de imam (de voorganger in
het gebed) en de aga (stamhoofd, grootgrondbezitter) vaak een grote rol.
In veel gevallen vervult de aga in het kader van heersende
patronageverhoudingen een rol als intermediair tussen dorp en centrale
overheid. De toenemende migratie (naar de steden en naar het buitenland)
brengt wijzigingen in dit patroon. In de steden woont ongeveer 25% van
de bevolking in de krottenwijken (Turks enkv.: gecekondu). De
geregistreerde werkloosheid bedroeg in 1995 10%, maar aangenomen mag
worden dat de reële werkloosheid rond de 20% ligt. Daarnaast is er nogal
wat verborgen werkloosheid en kent Turkije een omvangrijke informele
sector van straatventers en andere marginale beroepen.
3.7 Sociale en medische voorzieningen
Tot de sociale voorzieningen behoren een wettelijk minimumloon,
beperking van de arbeidsduur, een ziekte- en ongevallenverzekering en
oudedagsvoorzieningen. In de praktijk functioneert het
sociale-voorzieningenstelsel gebrekkig door de omvangrijke informele
sector (zie § 3.6), administratieve tekortkomingen en beperkte omvang.
Zo vallen bedrijven met minder dan vijf werknemers niet onder de
verplichte verzekeringen. De voorzieningen op het gebied van de
volksgezondheid laten vooral op het platteland nog ernstig te wensen
over. Van de artsen werkt 70% in de steden. Slechte milieuhygiënische
omstandigheden, eenzijdige voeding en gebrek aan medische voorzieningen
beïnvloeden het gezondheidspeil van de bevolking. Veel voorkomende
ziekten zijn: tyfus, tuberculose, malaria en geslachtsziekten. Sinds
1977 bestaat er een nationaal gezondheidssysteem, dat voorlichtings- en
inentingscampagnes voert op het platteland. De levensverwachting bij
geboorte is 65 jaar voor mannen en 69 jaar voor vrouwen.
3.8 Politieke partijen en vakbonden
Na de staatsgreep van sept. 1980 werden de politieke partijen ontbonden.
Bij de verkiezingen van 1983 werden nieuwe politieke partijen
toegelaten, mits goedgekeurd door de Nationale Veiligheidsraad.
Voormalige politici waren tot 1987 van politieke activiteit uitgesloten.
ln de praktijk keerde een aantal oude politieke partijen onder een
nieuwe naam terug. De voornaamste partijen zijn: de Anavatan Partisi (ANAP)
of Moederlandpartij (liberaal-conservatief; in 1983 opgericht door o.a.
Turgut Özal), de Dogru Yol Partisi (DYP) of Partij van het Juiste Pad (centrum-rechts;
o.l.v. Süleyman Demirel; voortzetting van de Gerechtigheidspartij [AP]),
de Sosyal Demokratik Halkçi Parti of Sociaal Democratische Populistische
Partij (SHP) van prof. Erdal Inönü (sociaal-democratisch), de Partij van
Democratisch Links (DSP) o.l.v. Bülent Ecevit (centrum-links;
voortzetting van de in 1923 door Mustafa Kemal [Atatürk] opgerichte
Republikeinse Volkspartij [Cumhuriyet Halk Partisi, CHP], die in de
jaren zeventig in socialistische richting evolueerde). In de Refah
Partisi of Welvaartspartij zijn opgegaan de Partij voor Nationale
Redding van Necmettin Erbakan (traditionalistisch islamitisch) en de
Nationale Actie Partij (later Nationalistische Partij van de Arbeid, MÇP)
van Alparslan Türkes (seculier en ultranationalistisch; hieraan was de
strijdgroep van de 'Grijze Wolven' verbonden). Voorts zijn er de
Milliyetçi Demokrasi Partisi (MDP) of Partij van de Nationalistische
Democratie (na 1980 door het leger naar voren geschoven) en de Halkin
Emek Partisi (HEP) of Arbeiders Partij van het Volk, met vooral
Koerdische leden (verbonden aan de SHP).
De grondwet van 1982 erkent het recht op vakbondsvorming en het
stakingsrecht, maar legt stringente beperkingen op aan de activiteiten
van de vakbondsorganisaties, m.n. op politiek terrein. Het grootste
overkoepelende vakverbond is Türk-is (Confederatie van Turkse
vakbonden), opgericht in 1952 en lid van de Internationale Federatie van
Vakverenigingen. De voornaamste Turkse werkgevers zijn verenigd in
TUSIAD (Turkse Associatie van Industriëlen en Zakenlieden).
3.9 Onderwijs
Het onderwijs is sinds 1923 een staatsaangelegenheid, hoewel daarnaast
koranscholen bestaan. Het analfabetisme beloopt ca. 20%, maar is op het
platteland en onder vrouwen hoger. Er is tot 14 jaar leerplicht,
onderwijs is gratis. Vooral op het platteland in het oosten en onder
oudere meisjes is het werkelijke schoolbezoek echter niet algemeen. Op
het platteland heeft men te kampen met een tekort aan leermiddelen en
een gebrek aan leerkrachten. Na vijf jaar lager onderwijs volgen een
middenschool en een lyceum van elk drie jaar, die worden afgerond met
staatsexamens. Er zijn meer dan 200 universiteiten (de grootste in
Istanbul, Ankara, Izmir, Erzurum en Trabzon). Er zijn ruim 400
instellingen voor hoger beroepsonderwijs en ongeveer 1600 technische
beroepsopleidingen. Om het analfabetisme te bestrijden, zijn overal in
het land leeszalen en bibliotheken gevestigd, waar ook aan volwassenen
lees- en schrijfcursussen worden gegeven.
3.10 Pers en omroep
De Turkse nationale omroep, de Türkiye Radyo Televizyon Kurumu, verzorgt
via een groot aantal lokale zenders radio- en televisie-uitzendingen. De
Voice of Turkey verzorgt uitzendingen voor het buitenland. Turkije kent
enkele honderden dagbladen en tijdschriften. De grootste kranten zijn:
Günaydin (sensatieblad; oplage 300.000), Hürriyet (neutraal; opl.
540.000), Sabah (sensatieblad; opl. 507.000), Milliyet (liberaal; opl.
335.000), Cumhuriyet (links-liberaal; opl. 72.000), Türkiye
(nationalistisch) en Tercüman. De belangrijkste Engelstalige krant heet
Turkish Daily News (opl. 38.000). Het belangrijkste Turkse persbureau is
Anatolia in Ankara. Volgens de grondwet kan voor radio, televisie en
film preventieve censuur worden ingesteld.
4. Economie
4.1 Algemeen
Turkije heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector
overheerst. Door de associatie met de EG, een planmatig
ontwikkelingsbeleid en toenemende inkomsten uit gastarbeid werd vanaf
1965 jaarlijks een bevredigende economische groei gerealiseerd. Na de
coup van 1980 werd volgens IMF-recept een drastisch economisch
herstructureringsprogramma doorgevoerd. Dit was gericht op
exportbevordering, beteugeling van de inflatie en bezuinigingen. De
rente werd verhoogd en de lonen bevroren en subsidies op
landbouwproducten afgeschaft. Turkije wilde buitenlandse investeringen
aanmoedigen. De overheidsuitgaven werden vooral gericht op investeringen
in de infrastructuur (grote stuwdam- en wegenbouwcomplexen) en het
toerisme. Deze economische politiek leverde aanvankelijk succes op: de
export groeide, het tekort op de betalingsbalans liep terug en de
inflatie daalde. Maar na 1985 namen inflatie en werkloosheid weer toe en
daalde de koopkracht. De buitenlandse investeringen vielen tegen en de
buitenlandse schuldenlast was opgelopen tot $ 65 miljard in 1994. Van de
bevolking is ongeveer de helft werkzaam in de agrarische sector, waarvan
de productiviteit (16% van het bnp) niet erg hoog is. Ongeveer 20% van
de beroepsbevolking werkt in industrie en mijnbouw, die ca. 30%
bijdraagt aan het bnp. De dienstensector en het overheidsapparaat zijn
relatief omvangrijk. Veel inkomsten krijgt Turkije uit het toerisme en
de overmakingen van gastarbeiders.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De productie van de agrarische sector maakt Turkije vrijwel autarkisch
op het gebied van de voedselvoorziening. Ongeveer eenderde deel van het
totale grondgebied is in cultuur gebracht, waarvan echter grote delen te
lijden hebben onder erosie en verwaarlozing. Er wordt relatief weinig
gebruik gemaakt van irrigatie. De meeste bedrijven zijn vrij klein; 50%
van de boeren bezit minder dan 5 ha land. Ongeveer eenderde deel van de
agrarische beroepsbevolking bestaat uit pachters of landloze arbeiders.
Ondanks landhervormingen (bijv. in 1945 en 1973) is de ongelijke
verdeling van grond blijven bestaan. De versnippering staat
grootschalige gemechaniseerde landbouw vaak in de weg. Sinds 1963
bestaan er verschillende vormen van agrarische coöperaties. De
agrarische productie, overwegend voor de binnenlandse markt, groeide in
de jaren tachtig gemiddeld 4% per jaar. Het aandeel van
landbouwproducten in het exportpakket daalde. Met de voltooiing van de
Atatürkdam in Oost-Turkije hoopt men in de jaren negentig het
landbouwareaal en daarmee de productie aanzienlijk te kunnen uitbreiden.
De helft van de landbouwgronden, vooral op het centrale hoogland, wordt
benut voor de verbouw van granen, vooral tarwe en in mindere mate gerst,
rogge en haver. Langs de Zwarte-Zeekust worden maïs en thee verbouwd.
Lokaal produceert men rijst en suikerbieten. In de vruchtbare streken
langs de Egeïsche en de Zwarte Zee is groenteteelt en worden druiven,
vijgen en olijven verbouwd. Bij Trabzon worden op grote schaal
hazelnoten geteeld, terwijl Samsun bekend is om zijn tabaksproductie. De
productie van papaver voor de farmaceutische industrie (opium), tussen
1972 en 1974 verboden, geschiedt onder staatstoezicht, vooral nabij
Afyon. Vooral de productie van het belangrijkste exportproduct katoen
(omgeving Izmir en Adana) neemt mede door de mechanisatie toe.
Veehouderij heeft vooral plaats op de hoogvlakte. Bijna 50 miljoen
schapen van het Karamantype leveren melk, vlees en huiden. Een betere
kwaliteit wol leveren de bij Bursa geïntroduceerde merinoschapen. De
angorageit levert de mohairwol. Overbegrazing vormt in Turkije een
probleem. Bosbouw is van betekenis voor de productie van timmer- en
brandhout. Ongeveer eenvierde deel van het landoppervlak bestaat uit
bosgebied. 85% van alle bossen zijn staatsbezit. Visserij rond Istanbul,
langs de Zwarte-Zeekust en de Golf van Iskenderun is van geringe
betekenis, mede door eerdere overbevissing.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Vooral het oostelijk gedeelte van Turkije is rijk aan delfstoffen.
Chroom wordt hoofdzakelijk gewonnen in het zuidoosten (bij Iskenderun),
bij Antalya en rond Eskishehir. De Turkish Iron and Steel Corporation
exploiteert ijzererts tussen Sivas en Erzurum. Langs de kust van de
Zwarte Zee wordt een slechte kwaliteit steenkool gedolven. In
West-Anatolië vindt in dagbouw bruinkool(ligniet)winning plaats. De
betekenis van de bauxietwinning is aanzienlijk toegenomen. Voorts worden
er nog koper, zink, fosfaat, wolfraam, magnesium en kwik gedolven. In
het zuidoosten, bij Iskenderun en Batman, wordt aardolie gewonnen, maar
de reserves zijn niet groot. Er zijn aardolieraffinaderijen te Mersin,
Izmit, Batman en Aliaga (bij Iskenderun). Een pijpleiding verbindt de
olievelden van Batman met de haven Dörtyol. Sinds 1977 is er een
pijpleiding die de olievelden van Kirkuk (Irak) verbindt met Iskenderun.
Volgens een wet uit 1980 zijn buitenlandse investeringen in de winning
van delfstoffen in Turkije mogelijk tot 49%. De staat is bij de
delfstofwinning betrokken via o.a. de Mining Investment Bank en de
Turkish Petroleum Corporation.
De energievoorziening vindt plaats door eigen en bovenal geïmporteerde
aardolie (vooral uit Irak en Iran), brandhout en steenkool. In
toenemende mate wordt ook energie opgewekt door middel van
waterkrachtcentrales. Het Grote Anatolië Project, (GAP) met de bouw van
een stuwdammencomplex in de Eufraat, moet voor een aanzienlijke
uitbreiding van de productie van hydro-energie leiden (Keban-, Karakaya-
en Atatürkdam). Er zijn contracten gesloten met een aantal voormalige
sovjetrepublieken betreffende de levering van aardolie en -gas.
4.4 Industrie
In de jaren tachtig bereikte de industriesector een jaarlijkse groei
tussen de 5 en 10%, dit betrof vooral de grote, op export gerichte
industrie (textiel en metaal). In de tweede helft van de jaren tachtig
had de industrie te kampen met een gebrek aan kapitaal. Het kleinbedrijf
(minder dan vijf werknemers) overheerst. De voornaamste bedrijfstakken
zijn de katoen- en de confectie-industrie, die tevens een groot deel van
de industriële export voor hun rekening nemen. Grote ijzer- en
staalfabrieken bevinden zich in Iskenderun, Eregli en Karabük. Er zijn
enkele tientallen cementfabrieken. De suiker- en papierindustrie (Izmir)
zijn in staatshanden, evenals de petrochemische industrieën in Izmit en
Aliaga. De auto-industrie, vnl. assemblage, komt op in de grote steden.
De meeste industrie (tabak, chemie, farmacie, kunstmest, leer, glas,
frisdranken, verwerkende industrie) is geconcentreerd in de grote steden
Istanbul, Ankara en Izmir. Nieuwe industriële centra zijn Iskenderun en
Adana. Naast de gemechaniseerde industrie is het traditionele ambacht
nog sterk vertegenwoordigd.
4.5 Handel
De tekorten op de handelsbalans worden voor een belangrijk deel
goedgemaakt door inkomsten uit toerisme en gastarbeid. De export, die
vroeger hoofdzakelijk bestond uit landbouwproducten (katoen, graan,
noten, tabak) is in de jaren tachtig gediversifieerd. Vooral de export
van textiel en metaal nam toe. De voornaamste afnemers zijn Duitsland
(22%), Italië (6%), de Verenigde Staten en landen in het Midden-Oosten
(8%). De voornaamste importartikelen zijn aardolie, machines, auto's en
chemische producten. De belangrijkste leveranciers zijn Duitsland (16%),
de Verenigde Staten (10%) en de EU-landen.
4.6 Bankwezen
Het bankwezen wordt sinds 1931 beheerst door de Merkez Bankasi, de
centrale bank. Er zijn ca. 60 grote (ook internationale)
bankinstellingen. De Etibank verschaft kredieten voor mijnbouw en
energie, de Sümerbank voor industrie. Ook voor landbouwkredieten bestaat
een staatsbank. De grootste commerciële bank is de Türkiye Is Bankasi.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Economische planning geschiedt sinds 1963 door de Staats Planning
Organisatie. In het vierde vijfjarenplan (1977-1982) lag de nadruk op
het bestrijden van de inflatie, het aantrekken van investeringen, de
energievoorziening en de verbetering van onderwijs en openbaar bestuur.
Voor de realisatie van de ontwikkelingsplannen is Turkije voor een groot
deel afhankelijk van buitenlandse hulp. Deze bestaat hoofdzakelijk uit
leningen van het IMF, de Wereldbank, de Verenigde Staten, de EG en het
Internationaal Consortium voor Turkije. Ook de Arabische oliestaten
leveren bijdragen.
4.8 Verkeer
Er is een uitgebreid net van verkeersverbindingen. Het spoorwegnet van
ca. 9000 km wordt beheerd door de staatsspoorwegmaatschappij TCDD. Er is
een wegennet van ca. 60.700 km geasfalteerde en 172.000 km verharde weg.
Sinds 1978 zijn er nieuwe bruggen over de Gouden Hoorn en de Bosporus in
Istanbul. Het interlokale wegverkeer wordt verzorgd door een reeks
efficiënt werkende particuliere busondernemingen en (groeps)taxi's. Er
zijn internationale luchthavens te Yesilkoy (Istanbul), Esenbôga
(Ankara), Adnan Menderes (Izmir), Adana, Dalaman, Erzurum en Antalya en
17 vliegvelden voor binnenlandse vluchten. De nationale
luchtvaartmaatschappij is Türk Hava Yollari (THY, Turkish Airlines).
5. Toeristische gegevens
Turkije
heeft een zeer rijk cultureel verleden met als hoogtepunten de
neolithische cultuur van Çatal Hüyük bij Konya, het koninkrijk van de
Hettieten, dat van de Oerarteeërs, het koninkrijk Phrygië, de cultuur
van de Griekse Ioniërs, de ontwikkeling van het hellenisme met name op
stedenbouwkundig en sculpturaal gebied (Pergamum, Priene), en, na de
oudheid, de cultuur van de Seldjoeken (11de-13de eeuw) die overging in
die van de Turken onder de dynastie van de Osmanen; in Europees Turkije
was Istanbul onder de naam Constantinopel de hoofdstad van het
Byzantijnse Rijk en het Osmaanse Rijk. Naast vele islamitische
monumenten bezit deze stad het hoofdwerk van de Byzantijnse bouwkunst,
de Aya Sophia (6de eeuw). Een andere bezienswaardige stad in Europees
Turkije is Edirne met o.a. de moskee van de hand van Turkijes
belangrijkste architect, Sinan (16de eeuw). In Aziatisch Turkije (Anatolië)
is om te beginnen de Egeïsche kust interessant. Izmir, het antieke
Smyrna, is het uitgangspunt voor het bezichtigen van de imposante ruïnes
van de Griekse en hellenistische centra van weleer: behalve Priene en
Pergamum o.a. Efeze, Milete, Didyma, Halicarnassus, Sardes en Hiërapolis,
vlak bij Pamukkale, dat vermaard is om de terrasvormige kalkafzettingen
van het warme, kalkrijke bronwater. Izmir zelf bezit een belangrijk
Hettitisch museum. Manisa is het voornaamste Turks-islamitische
cultuurcentrum in het Egeïsche gebied, met o.a. vele moskeeën. De
badplaats Çesme heeft een middeleeuws fort. Kusadasi (Vogeleiland) is
een moderne, drukbezochte badplaats. Van de Middellandse-Zeekust is de
badplaats Antalya het toeristisch centrum. Ook in dit kustgebied
bevinden zich resten uit de antieke tijd, o.a. een aantal vnl. Romeinse
theaters, in Aspendos (voor 15!000 toeschouwers; jaarlijks
voorstellingen in juni), Demre, Side, Perge, Kas, Termessos (Grieks) en
Xanthos. Bij Demre bevinden zich voorts de ruïnes van Myra, de stad van
Nicolaas van Myra (Sinterklaas), boven wiens graf een (Byzantijnse) kerk
is gebouwd. In Perge bevindt zich behalve een theater ook een antiek
stadion, bestemd voor 27!000 toeschouwers. Meer in oostelijke richting
zijn toeristische plaatsen: Alanya, een vesting uit de Seldjoekentijd
met binnen de - dubbele - muren moskeeën, een overdekte bazar, een
karavanserai en een paleis; de Damlatas-druipsteengrot nabij Alanya; de
badplaats Anamur met een groot middeleeuws kasteel; de badplaats Silifke
met een kruisvaardersburcht; Mut met een 14de-eeuwse vesting; Adana;
Antakya (het antieke Antiochië) met een befaamde collectie Romeinse
mozaïeken in het museum. De Zwarte-Zeekust heeft een mild klimaat. Hier
valt de meeste neerslag van Turkije, zodat er uitgestrekte
(sparren)bossen zijn. Tot de meer moderne badplaatsen behoort Giresun.
Interessante architectuur heeft Trabzon (het Trebizonde uit de
Byzantijnse tijd). Ten zuiden hiervan ligt boven een steile afgrond het
14de-eeuwse klooster van Sumela (Byzantijnse fresco's). In West-Anatolië
zijn Bursa en Iznik bezienswaardig. Bij Çanakkale ligt de ruïneheuvel
van Troje. In Centraal-Anatolië liggen in de - wijde - omgeving van
Ankara (musea, o.m. met de vondsten uit Alaca Hüyük): Bogazkale met de
ruïnes van de Hettitische stad Hattusa en Yazilikaya met een Hettitisch
heiligdom met beroemde reliëfs (13de eeuw v.C.); voorts de ruïnes van de
Hettitisch-Phrygische stad Gordium, waar Alexander de Grote de
'gordiaanse knoop' zou hebben doorgehakt (zie ook Gordias) en de
ruïneheuvel Alacahüyük. Amasya bezit o.a. moskeeën en rotsgraven van
Pontische koningen. In het zuiden is de bedevaartplaats Konya bekend om
de 'dansende derwisjen'. Het zuiden van Oost-Anatolië wordt ingenomen
door het (historische) landschap Cappadocië, dat vooral bekend is om
groepen grillige rotsen met vele natuurlijke grotten, die hebben gediend
als woning, kerk of klooster. Men vindt ze o.a. bij Kayseri, Ürgüp,
Göreme (kloostercomplex uit de 10de-11de eeuw met fresco's) en Derinkuyu
(onderaardse steden). In Kayseri, Kirsehir en Nigde zijn fraaie
voorbeelden van Seldjoekse en latere bouwkunst. O.a. hier kan men aan de
portalen van de moskeeën en medressen (= islamitische hogescholen) de
Turks-islamitische beeldhouwkunst bewonderen, die vooral vanaf de 13de
eeuw bestaat uit uitermate fijne, filigraanachtige arabesken en
geometrische figuren; het beroemdste voorbeeld is de sculptuur van de
Grote Moskee (13de eeuw) in Divrigi. In de overige delen van
Oost-Anatolië zijn bezienswaardig: Tokat met een kasteel met 28 torens
en moskeeën uit de 12de-16de eeuw; Kars met resten van de Armeense stad
Ani (10de-11de eeuw); Diyarbakir met talrijke oude bouwwerken, o.a. een
moskee uit ca. 1090 en een 5 km lange basalten (dus zwarte) stadsmuur
met 72 torens; Van aan het Vanmeer, waar rotsgraven van de Oerarteeërs
zijn gevonden; in het Vanmeer het eiland Ahtamar met de resten van een
Armeens klooster (10de eeuw). Op de tegenover Van gelegen oever van het
meer rijst de Nemrud Dag op, op welks 2150 m hoge top zich de resten
bevinden van een heiligdom en graf (van Antiochus I van Commagene),
bestaande uit o.a. een 50 m hoge piramide en vijf ca. 9 m hoge, tronende
godenbeelden.
6. Geschiedenis
6.1 Osmaanse Rijk
De bakermat van Turkije was een van de vele kleine
vorstendommetjes die zich na het uiteenvallen van het Seldjoekenrijk in
Klein-Azië hadden gevormd. Hierover aanvaardde ca. 1300 Osman de macht
(vandaar de namen Osmaanse of Ottomaanse Rijk en Osmaanse of Ottomaanse
Turken; zie ook Osmanen). Allengs breidde Osman het staatje uit, vooral
ten koste van Byzantijns gebied. Omstreeks 1326 werd Broessa (Bursa)
ingenomen, dat tot hoofdstad werd uitgeroepen. Osmans zoon en opvolger
Orhan (regeerde 1323/1324-1360) ondernam de eerste invallen aan de
overkant van de Hellespont. Moerad (Murad) I (1360-1389) en Bajezid (Bayezid)
I (1389-1402) maakten in deze richting geweldige veroveringen
(Bulgarije, Servië; Slag bij Kosovo Polje, 1389). Edirne, veroverd in
1362, werd de Europese hoofdstad. Bajezid breidde de veroveringen uit
tot Griekenland en in het noorden tot de Donau, waar hij in 1396 bij
Nikopolis de verbonden Franse, Hongaarse en Duitse legers versloeg. In
Klein-Azië werden de meeste Turkse vorstendommetjes geannexeerd of
veroverd. In de Slag bij Ankara (1402) werd Bajezid echter door Timoer
Lenk gevangen genomen, waarna zijn zoons vluchtten.
Bajezids zoon Mehmed I wist in 1413 het rijk te herstellen (regeerde tot
1421). Onder Moerad (Murad) II (1421-1444; 1446-1451) werd de
restauratie voltooid en begonnen de veroveringen weer (Saloniki). In
Albanië waren de Osmanen intussen met Venetië en aan de Donau met
Hongarije in conflict geraakt. Een belangrijke uitbreiding van het
grondgebied brachten de veroveringen van Mehmed II (1444-1446;
1451-1481). In 1453 nam hij Constantinopel in, gevolgd door de
verovering van de rest van het Byzantijnse gebied. In 1467 breidde hij
de Turkse macht uit naar het oosten (Kastamonu, Trebizonde = Trabzon).
Op het Balkanschiereiland ontnam hij Venetië grondgebied. Voorts maakte
hij Moldavië en Walachije voorgoed schatplichtig. Onder Selim I
(1512-1520) kwam het rijk in conflict met Perzië. In 1514 werd de
Perzische sjah bij Tsjaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in
Koerdistan en het noorden van Mesopotamië bevestigde. In 1516 veroverde
Selim Syrië op Egypte en in 1517 Egypte zelf. Arabië (met Mekka en
Medina) erkende de Osmaanse opperheerschappij.
Onder sultan Süleyman I (1520-1566) kreeg het Osmaanse Rijk zijn
grootste uitbreiding en kwam tevens het regeringssysteem tot volle
ontplooiing. Hongarije werd veroverd (Slag bij Mohács, 1526) en Wenen
belegerd (1529). Tegen Perzië ondernam Süleyman met succes een aantal
veldtochten. Voorts beheerste hij de Middellandse Zee. De sultan bezat
absolute macht (voor behoud van de eenheid doodde een nieuwe sultan zijn
broers) en regeerde met zijn gunstelingen door middel van de twee
keurkorpsen: janitsaren en sipahi's (ruiterij van leenmannen). Een
zekere sociale onafhankelijkheid genoot de geestelijke stand van de
oelama's. De talrijke christelijke en joodse onderdanen van de sultan
waren onder hun eigen religieuze hoofden georganiseerd. Ditzelfde gold
voor de vreemdelingen, vooral kooplieden, die door hun consuls en
gezanten werden geadministreerd, tot de rechtspraak toe.
Onder Süleymans opvolgers stagneerde de uitbreiding van het rijk. Zijn
opvolger Selim II (1566-1574) liet de leiding van de regering aan de
grootvizier Mehmed Sokolli over; onder hem leed de Turkse vloot bij
Lepanto in 1571 een gevoelige nederlaag tegen o.m. de Spanjaarden en
Venetianen. De belangrijkste buitenlandse tegenstanders waren echter tot
in het begin der 18de eeuw Oostenrijk en Perzië. De naar beide zijden
gevoerde oorlogen maakten onophoudelijk veldtochten nodig. In de loop
van de 17de eeuw werd het rijk door slecht bestuur en militaire
opstanden verzwakt. De grootviziersfamilie van de Köprülü wist sedert
1656 krachtiger leiding te geven; in 1669 werd Kreta op de Venetianen
veroverd. Aan de westelijke en noordelijke grenzen had het Osmaanse Rijk
steeds met geweld of diplomatie haar autoriteit weten te handhaven,
zozeer, dat ook Polen en Rusland sterk onder Osmaanse invloed kwamen.
Een ommekeer in de machtsverhouding volgde na de in 1683 ondernomen
veldtocht tegen Oostenrijk. Deze begon met de tweede belegering van
Wenen. Nadat de stad door de Polen ontzet was, werden de terugtrekkende
Turken keer op keer verslagen, zodat zelfs een deel van Hongarije door
de Oostenrijkers werd heroverd. Een lange krijgsperiode volgde, waarin
de Turken tevens met Venetië, Polen en Rusland in oorlog raakten. Bij de
Vrede van Karlowitz (1699) moest Turkije ten slotte zijn aanspraken op
een groot deel van Hongarije opgeven, terwijl ook de andere vijanden
gebiedsvoordeel verkregen. Aan Oostenrijk ging ook de rest van Hongarije
verloren (Vrede van Passarowitz, 1718) en op den duur bleef de Donau de
grens.
6.2 De negentiende eeuw
In het midden van de 18de eeuw ontstond weer een heftig conflict met
Perzië. De gevaarlijkste tegenstander van de Turken werd echter Rusland.
De in 1768 uitgebroken oorlog bracht in 1774 de Vrede van Küçük Kaynarca,
waarbij de Krim en Azov voor het Osmaanse Rijk verloren gingen. Na een
nieuwe oorlog (1784-1792) werd de Dnepr de grens tussen beide rijken.
Mahmoed (Mahmud) II (1808-1839) hervormde het leger en liet in 1826 het
voor de sultan inmiddels gevaarlijk geworden, conservatieve
janitsarenkorps uitmoorden. Onder hem begon ook de Griekse opstand, die
in 1830 met de afscheiding van Griekenland eindigde, terwijl de Vrede
van Edirne (1829) Ruslands meerderheid bewees.
In 1839 begon een nieuwe periode, Tanzimat, waarbij van hogerhand
hervormingen werden ingevoerd om het rijk te moderniseren. Rusland bleef
de gevaarlijkste tegenstander. In 1853 kwam het met dit land tot de
Krimoorlog, waarin Frankrijk en Groot-Brittannië aan de zijde van
Turkije stonden. Het einde van deze oorlog, de Vrede van Parijs (1856),
toonde de machteloosheid van de sultan (Walachije, Moldavië en Servië
werden autonoom). Hervormingen in westerse zin, geproclameerd door
Abdül-Medjid (Abdül-Meeid) (1839-1861), werden niet doorgevoerd en
wekten onlusten in vele delen van het rijk, die, zoals Syrië en Arabië,
naar onafhankelijkheid streefden. Sultan Abdül-Hamid II (1876-1909)
beloofde onder drang van de mogendheden en van enkele liberalen wel
hervormingen (grondwet 1876), maar regeerde in feite reactionair en
tiranniek. Opstanden op de Balkan leidden tot ingrijpen van Rusland (Russisch-Turkse
Oorlog 1877-1878), dat tot vlak bij Constantinopel doordrong. Het
Congres van Berlijn (1878) bracht voor de sultan wel enige verlichting,
maar deze was nu geheel afhankelijk van de mogendheden. Cyprus kwam
onder Brits bestuur, Bosnië onder dat van Oostenrijk-Hongarije,
Griekenland kreeg uitbreiding van gebied. Roemenië werd geheel
onafhankelijk en Bulgarije werd een autonome provincie. Daarna volgden
nieuwe moeilijkheden: in 1882 werd Egypte onder Brits beheer geplaatst;
in 1897 ontstond oorlog met Griekenland, waardoor Kreta onder een
Griekse gouverneur kwam. In 1905 werd de Balkankwestie buiten de sultan
om geregeld. Een Jong-Turkse beweging , die door liberale hervormingen
de nationale kracht wilde versterken, werd gesteund door de mogendheden:
in 1908 moest Abdül-Hamid de grondwet van 1876 werkelijk invoeren (hij
werd in 1909 afgezet, omdat hij de reactie weer steunde).
Turkije was inmiddels financieel geheel afhankelijk van de mogendheden
en ging gebukt onder een zware schuldenlast. Duitse officieren waren
intussen belast met de hervorming van het leger. In 1911 viel Italië
Turkije in Tripoli aan, een oorlog die leidde tot het verlies van dit
land en van de Dodekanesos. Griekenland, Bulgarije en Servië ontketenden
de Eerste Balkanoorlog (1912-1913), die na een korte vrede het Turkse
Rijk in Europa reduceerde tot een klein gebied rondom Constantinopel. In
de Eerste Wereldoorlog koos Turkije, onder aandrang van de toen machtige
Jong-Turken, de zijde van Duitsland. De Dardanellen werden met succes
verdedigd, op de Balkan en in het oosten werden eerst enige successen
behaald, maar ten slotte drongen de geallieerden in het oosten op.
Arabië maakte zich onafhankelijk en in okt. 1918 moest Turkije
capituleren. Bij het Vredesverdrag van Sèvres behield het alleen
Constantinopel en Klein-Azië zonder de westelijke kuststrook. In de
oorlog (1915) waren naar schatting een miljoen Armeniërs stelselmatig
vermoord .
Tegen de afloop van de oorlog kwam het nationalisme in verzet. Hierin
vervulde Mustafa Kemal Pasa (na 1934 Kemal Atatürk geheten) de hoofdrol.
Een in Ankara bijeengekomen Nationale Vergadering proclameerde zich tot
staatshoofd en begon de strijd tegen de Grieken (1920), die eindigde met
de verovering van Izmir. De geallieerden legden zich hierbij neer, en
bij het (nieuwe) verdrag, vastgesteld op de Conferentie van Lausanne
(1923), behield het volledig onafhankelijke Turkije het in de
wereldoorlog veroverde en ook Edirne en Cilicië. Intussen had een tweede
Nationale Vergadering sultan Mehmed VI (1918-1922) afgezet.
6.3 De republiek tot 1950
Op 29 okt. 1923 werd een republikeinse grondwet geproclameerd. Atatürk
werd president, Ankara hoofdstad. Atatürk wilde door modernisering naar
westers voorbeeld cultuur en welvaart herstellen. Er kwam een scheiding
tussen moskee en staat; het kalifaat werd afgeschaft, evenals andere uit
de islam voortvloeiende functies. Andere verboden betroffen de
derwisj-orden en het dragen van sluier en fez. Het Latijnse alfabet werd
ingevoerd en vooral aan het volksonderwijs werd grote zorg besteed. Met
het oog op de economische ontwikkeling werd begonnen met de aanleg van
een spoorwegnet in Anatolië. In 1932 trad Turkije toe tot de Volkenbond
en in 1934 sloot het zich aan bij het Balkan-pact tegenover het op de
Balkan opdringende Italië. In 1936 verwierf Turkije het recht van
militarisatie van de zee-engten. In okt. 1939 sloot Turkije met
Frankrijk en Groot-Brittannië een wederzijds bijstandsverdrag. Inmiddels
was in 1938 Atatürk overleden. Hij werd als president opgevolgd door
Ismet Inönü. Hij zette de politiek van Atatürk voort: antireligieuze
maatregelen en begunstiging van de officiële politieke partij, de
Republikeinse Volkspartij.
In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije tot kort voor het eind militair
neutraal. Wel zag het zich gedwongen tot het sluiten van een
niet-aanvalsverdrag en van handelsverdragen met Duitsland. In 1944
wisten de geallieerden Turkije aan hun zijde te brengen, maar eerst in
febr. 1945 verklaarde het de oorlog aan Duitsland. Daardoor kon Turkije
direct lid worden van de Verenigde Naties. De eerste jaren na 1945 was
er voortdurend sprake van een gespannen verhouding met de Sovjet-Unie.
Op militair, economisch en financieel (Marshallhulp) gebied raakte het
land meer en meer afhankelijk van de Verenigde Staten. In 1949 trad
Turkije toe tot de Raad van Europa.
Op binnenlands politiek terrein deed zich tussen 1945 en 1950 een aantal
belangrijke veranderingen voor. In 1946 werd de kieswet herzien, waarbij
de vorming van nieuwe politieke partijen werd toegestaan. Bij de
verkiezingen van dat jaar verzekerde de Volkspartij zich weliswaar van
de meerderheid van de zetels, maar de Democratische Partij onder leiding
van Celâl Bayar boekte met 65 zetels een aanmerkelijk succes. Op
instigatie van de Democratische Partij kwam in juli 1948 een nieuwe
kieswet tot stand, met geheime verkiezingen en openbare stemmentelling.
In de periode tot 1950 kwam voorts een einde aan de antireligieuze
maatregelen.
6.4 De republiek na 1950
Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten een enorme
meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale Vergadering. Bayar
volgde Inönü als president op en er werd een nieuwe regering gevormd met
Adnan Menderes als premier. Deze volgde een wat liberalere economische
politiek en trad krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van
bereikte hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien.
Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten opnieuw een
overwinning. De regering voerde daarna een aantal wetten door die haar
bevoegdheden sterk uitbreidden. De persvrijheid werd sterk aan banden
gelegd. Dit alles bracht een gespannen verhouding teweeg tussen de
regering en de oppositie. O.m. door de verslechterende economische
situatie en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni 1956
(o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht op openbare
vergadering) werd de relatie tussen de Democraten en de oppositie nog
gespannener.
De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid dat sterk op
het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, in
1955 tot het Pact van Bagdad (later Centrale Verdragsorganisatie). In
het begin van de jaren zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie
beter.
Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen de regering
van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep officieren onder leiding
van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep. De regering werd vervangen
door een Comité van Nationale Eenheid onder leiding van Gürsel, die de
functies van president, premier en minister van Defensie op zich nam. In
jan. 1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als tijdelijk
parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd een nieuwe grondwet
goedgekeurd, die o.m. voorzag in een twee kamers tellende wetgevende
macht. Inmiddels werd een groot aantal leden van het afgezette
Menderesregime tijdens een monsterproces berecht. Op 15 sept. werden er
o.m. vijftien mensen ter dood veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van
hen, onder wie president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes
werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie verleend,
o.a. aan Bayar). Op 25 okt. 1961 werd het Parlement geopend en werd de
macht door de militairen overgedragen aan de burgers.
Op 26 okt. werd generaal Gürsel, als enige kandidaat, gekozen tot
president van de republiek. Inönü, de leider van de Volkspartij, zou aan
het hoofd van drie achtereenvolgende kabinetten tot febr. 1965 aan het
bewind blijven. Hij werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus (zie
Cyprus § 6), die binnenslands leidde tot gewelddadige protesten tegen de
Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste
Grieken uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen met
betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus.
Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de verkiezingen van
okt. 1965 bracht de leider van die partij, Süleyman Demirel, aan het
bewind. Hij slaagde er niet in de economische problemen het hoofd te
bieden. Demirel knoopte betere betrekkingen aan met verscheidene
Oost-Europese en Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe
defensieovereenkomst gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije
meer zeggenschap kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije.
Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie van binnen
uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen kwamen
herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen streefden o.m.
naar het verbreken van de militaire banden met het Westen, bepaalde
extreem rechtse groeperingen verlangden de terugkeer naar een theocratie
en een totalitair systeem, gebaseerd op de islam en pan-turkisme.
Botsingen tussen deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot
grote binnenlandse politieke spanningen. De verslechterde economische
toestand veroorzaakte grote onrust. Demonstraties van studenten en
arbeiders tegen de voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden
deden de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen.
In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de activiteiten van
de Koerdische afscheidingsbeweging (de Turkse regering weigerde een
eigen nationale identiteit van de Koerden te erkennen). In de steden
opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging, het Turkse
Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten sympathie
ontmoette. Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de
regering-Demirel werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw
coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier. Binnen het
leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats. In april 1971 werd de staat
van beleg afgekondigd voor 11 van de 67 provincies. In maart 1972 werden
57 officieren uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben
verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een maand later nam
Erim ontslag.
In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling van een
nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging van de sedert
1966 zittende president C. Sunay ontstond een politieke strijd tussen
het parlement en het leger. Ten slotte werd een compromiskandidaat,
senator en oud-admiraal Fahri Korotürk, tot president gekozen (april
1973). Op 25 jan. 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij,
CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering. Na
een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op 20 juli 1974 in
ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar. De invasie en de
daaropvolgende Turkse bezetting van een deel van het eiland brachten een
verkoeling teweeg in de betrekkingen met de Verenigde Staten. Deze
besloten tot een wapenembargo tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden
opgeheven. De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald en
er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie. In sept. 1974
kwam het kabinet-Ecevit door een conflict tussen de coalitiepartners ten
val. Pas op 31 maart 1975 slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te
vormen met de NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse
splinterpartij. Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De
spanning met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens de
kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal plat in
de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen.
In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links- en
rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. Vooral de
strijdorganisatie van de NAP, de Grijze Wolven, manifesteerde zich
steeds duidelijker. De 1-mei-viering in 1977 in Istanbul liep uit op een
bloedbad. Bij de gewelddadig verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni
1977 behaalde de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid.
Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot hij in dec.
1977 bij een tussentijdse verkiezing de kamermeerderheid verloor. Ook
het nieuwe kabinet, dat Ecevit op 5 jan. 1978 met dissidenten uit de AP
vormde, bleek niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het
najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen tegen de
links-georiënteerde Alawieten (26 dec. 1978 bloedbad van Kahramanmaras).
Ook onder de Koerden was het onrustig. In steeds meer provincies en
steden werd de staat van beleg afgekondigd. Na een nederlaag bij
tussentijdse verkiezingen bood Ecevit op 14 okt. 1979 zijn ontslag aan.
Op 12 nov. vormde Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend
AP-ministers.
6.5 De jaren tachtig en negentig
In 1979 bereikte de Turkse economie een dieptepunt met een inflatie van
bijna 100%, gigantische werkloosheid en gebrek aan eerste
levensbehoeften. Het overheidsgezag werd door straatterreur en politiek
geweld steeds verder ondermijnd. De door de overheid nauwelijks
bestreden activiteiten van de Grijze Wolven en die van de marxistische
Dev Sol eisten honderden slachtoffers (onder wie op 19 juli 1980
oud-premier Nihat Erim). In jan. 1980 was het tot een bloedige opstand
gekomen in Izmir. Na het verstrijken van de ambtstermijn van president
Korotürk in april 1980 kon men het in het parlement echter niet eens
worden over de keuze van een nieuwe president. Na een militaire
staatsgreep op 12 sept. 1980 nam een Nationale Veiligheidsraad onder
stafchef generaal Kenan Evren de macht over. Voor het hele land werd de
staat van beleg afgekondigd en alle politieke activiteiten werden
verboden. Evren, die zelf president werd, stelde zich ten doel de
politieke terreur te bestrijden en de economie te saneren. Er werden
talrijke zoekacties naar wapens gehouden en tienduizenden arrestaties
verricht. Tal van politici, vakbondsleiders en politieke activisten
moesten zich voor militaire rechtbanken verantwoorden.
Op 7 nov. 1982 werd een nieuwe grondwet per referendum goedgekeurd (zie
§ 3.1), hieraan was de verkiezing van generaal Kenan Evren tot president
gekoppeld. Er was veel kritiek op beperkingen die aan politieke partijen
en vakbonden waren opgelegd, het trage tempo van de democratisering en
op de situatie van de mensenrechten. Niettemin werd aanvankelijk een
tamelijk succesvol economisch beleid gevoerd door minister van
Economische Zaken, Turgut Özal, en konden orde en rust in het land
goeddeels hersteld worden. In mei 1983 konden binnen de beperkingen van
een Wet op de Politieke Partijen weer partijen worden opgericht. In nov.
1983 behaalde de Moederlandpartij van Özal een absolute meerderheid,
waardoor deze benoemd werd tot premier en de macht van het leger wat
verder kon terugdringen. Per referendum werd in sept. 1987 het verbod op
politieke activiteiten van de oude partijleiders opgeheven, waarbij
vooral oud-premier Demirel op grote electorale steun bleek te kunnen
bogen. Door de economische teruggang en toenemende problemen daalde in
de tweede helft van de jaren tachtig de populariteit van Özal. Eind 1989
liet hij zich door het, toen nog door zijn Moederlandpartij beheerste,
parlement tot president kiezen. De persoonlijke leiderschapsstijl, zijn
eigenmachtig optreden in de buitenlandse politiek en de groeiende
invloed van de islam leverden Özal ook binnen zijn eigen partij steeds
meer kritiek op.
ln 1990 sloot Turkije in verband met de Golfcrisis de lraakse
oliepijpleiding over zijn grondgebied af. Tijdens de Tweede Golfoorlog
(1991) opereerde de geallieerde luchtmacht vanaf Turks grondgebied.
Bij de parlementsverkiezingen van 1991 werd de Partij van het Juiste Pad
van Demirel de grootste partij. Deze vormde een coalitie met de
Sociaal-Democratische Populistische Partij van prof. Erdal Inönü. Bij de
verkiezingen had voor het eerst de Koerdische factor een belangrijke rol
gespeeld. De HEP kwam op voor de belangen van de Koerden in het oosten
van het land. Deze hadden zich vanaf 1984 steeds meer verzet tegen het
centrale gezag in Ankara. De marxistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK)
van Abdullah Ocalan begon met een reeks aanslagen, die steeds meer het
karakter van een guerrilla ging aannemen. Bovendien werd de Koerdische
kwestie actueel door de tienduizenden Koerdische vluchtelingen uit Irak,
die in 1988 en 1991 naar Oost-Turkije kwamen. De overheid besloot
enerzijds de PKK hard te bestrijden, maar anderzijds concessies te doen
op het gebied van de Koerdische taal, enz.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie knoopte Ankara nauwe banden aan
met de Turks sprekende voormalige sovjetrepublieken (Azerbajdzjan,
Toerkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië). President Özal stierf
in april 1993. Demirel volgde hem op. De plaats van Demirel als premier
werd ingenomen door Tansa Çiller, de eerste vrouwelijke premier.
De regering van de econome Tansu Çiller - een coalitie van haar Partij
van het Juiste Pad (DYP) en de kleinere Sociaal-Democratische
Populistische Partij (SDHP) - bleek niet opgewassen tegen de economische
problemen van het land. De begroting voor 1994 vertoonde een
financieringstekort van ongeveer 10% van het BNP, waardoor de inflatie
sterk werd aangewakkerd, de koers van de lira zwaar onder druk kwam te
staan en de inflatie steeg tot boven de 100%.
Bij de in maart gehouden gemeentelijke verkiezingen boekte de
fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij grote winst en veroverde
in 28 steden het burgemeesterschap. De regering ging krachtig voort met
haar pogingen een einde te maken aan het onafhankelijkheidsstreven van
de Koerdische bevolking in het zuidoosten van het land. De aldaar
gelegerde strijdmacht werd tot 150.000 man uitgebreid en de acties tegen
de gewapende opstandelingen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK)
werden verhevigd. Hierbij vielen duizenden slachtoffers, ook onder de
burgerbevolking. Desondanks pleegden de Koerdische verzetsstrijders een
groot aantal aanslagen om het toerisme in het nauw te brengen en zo de
economische problemen te vergroten. PKK-leider Abdullah Ocalan toonde
zich in aug. 1994 bereid tot onderhandelingen over een vreedzame
regeling van het conflict. De flagrante schending van de democratische
beginselen stond voorlopig het door Turkije zo gewenste lidmaatschap van
de EU in de weg. Hoewel plaatselijke verkiezingen in juni 1995 winst
opleverden voor de DYP van Çiller, nam de oppositie tegen haar bewind
toe. Van rechts werd zij bedreigd door het opkomend islamitisch
fundamentalisme, terwijl ter linkerzijde veel kritiek was op het
economische beleid, dat tot een buitensporige inflatie (meer dan 70%) en
verlies van koopkracht had geleid. Ook kwam de premier in opspraak door
het enorme vermogen dat zij en haar echtgenoot in korte tijd hadden
opgebouwd.
Strubbelingen binnen de regeringscoalitie leidden in sept. 1995 tot de
val van het kabinet-Çiller en tot vervroegde parlementsverkiezingen in
dec., waarbij de fundamentalistische Welvaartspartij (RP) van Necmittin
Erbakan als sterkste uit de bus kwam. De twee rechtse partijen, de
Moederlandpartij van Yilmaz en de Partij van het Juiste Pad van Çiller,
beschikten niet over een meerderheid, terwijl zij een coalitie met
Erbakan niet aandurfden uit angst voor reacties uit het bedrijfsleven en
vooral van het leger, dat vanouds de beschermer is van het seculiere
politieke leven in Turkije. Uiteindelijk slaagden de gezworen vijanden
Yilmaz en Çiller erin de steun te verkrijgen van de Democratische Linkse
Partij van Ecevit en in maart 1995 werd Yilmaz premier. In juni echter
al moest Yilmaz het ontslag van zijn regering indienen, nadat het
Constitutioneel Hof de vertrouwensstem waarmee de coalitie aan de macht
was gekomen, ongrondwettelijk had verklaard. President Demirel belastte
daarop Erbakan met de formatieopdracht. De leider van de Welvaartspartij
slaagde erin een coalitie tot stand te brengen met de Partij van het
Juiste Pad van Çiller.
Erbakan werd de eerste islamitisch georiënteerde premier in de
geschiedenis van het seculiere Turkije. De groei van de Welvaartspartij,
de best georganiseerde politieke partij in Turkije, werd in verband
gebracht met de snelle verstedelijking en de opkomst, vanaf 1960, van
een zich gezwind ontwikkelende middenklasse van ondernemers in de
provinciesteden. In maart was het Turkse leger begonnen met een nieuw
grootscheeps offensief tegen de PKK. Zowel bij deze actie als opnieuw in
juli drong het leger ver door op Iraaks-Koerdisch grondgebied om bases
van de PKK aan te vallen, wat niet alleen tot Iraakse protesten leidde,
maar ook resulteerde in afkeuring van Europese landen. Ook in Turkije
zelf bleef het leger hard optreden tegen de Koerdische verzetsbeweging,
waarbij opnieuw honderden doden vielen. In april richtten Koerdische
ballingen in Den Haag een parlement in ballingschap op, waartegen de
Turkse regering krachtig protesteerde. De strijd tussen de PKK en het
leger, de politie en plaatselijke paramilitaire groepen duurde ook in
1996 onverminderd voort. Sinds 1984 waren daarbij ruim 20.000 doden
gevallen, minstens 330.000 mensen waren gevlucht en ruim 2200 Koerdische
dorpen waren ontruimd. Premier Erbakan probeerde een dialoog te beginnen
met de PKK, wat hem op een scherpe reprimande kwam te staan van het
leger, dat elke concessie aan de PKK onaanvaardbaar achtte.
Eind jan. 1996 kwam het bijna tot een oorlog met Griekenland om een
onbewoond Grieks eilandje voor de Turkse kust. De toch al gespannen
relatie met Syrië verslechterde, toen Ankara Syrië beschuldigde van
steun aan de PKK en Damascus klaagde over beperking van de waterstroom
door de Eufraat en Turkije aansprakelijk stelde voor enkele bomaanslagen
in Syrië. Een in Turkije zeer omstreden bezoek van Erbakan aan Libië, in
okt., liep uit op een schandaal toen de Liberische leider Kaddafi
verklaarde dat het Koerdische volk recht had op een eigen staat. In
febr. 1997 dreigde Turkije zijn veto uit te spreken over de beoogde
uitbreiding van de NAVO als het land zelf niet werd opgenomen in de
uitbreidingsplannen van de Europese Unie.
Telefoongids Turkije
Postcodes
Turkije
|