|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap en rivieren
Uruguay
bestaat in het noorden en oosten uit een zacht golvend landschap van
Krijtgesteenten op een kristallijne ondergrond die de voortzetting is
van het Braziliaanse precambrische massief. Het westelijk deel is geheel
bedekt met donker gekleurde, horizontaal liggende basaltlagen, een
onderdeel van het grote Paranáplateau; de oostrand hiervan vormt een
scherpe cuestarand. Van het noorden naar het zuidwesten lopen twee
gebergterichels: de Cuchilla de Haedo in het westen en de Cuchilla
Grande in het oosten. In deze laatste ligt aan de Braziliaanse grens de
Cerro Aceguá (621 m), de hoogste top van het land. Langs de oceaankust
komt een brede zandvlakte voor met duinen en lagunen, o.a. het Lagoa
Mirim. Langs de Río de la Plata en de Río Uruguay komen eveneens
zandafzettingen voor, maar ook löss.
De Cuchilla Grande is de belangrijkste waterscheiding. Naar het oosten
stromen korte rivieren naar de oceaan of naar de Cebollati, die in het
Lagoa Mirim uitmondt. Tussen Cuchilla de Haedo en Cuchilla Grande komen
de rivieren samen in de belangrijkste rivier van Uruguay, de Río Negro;
bij Rincón del Bonete wordt deze opgestuwd, waardoor het stuwmeer
Embalse del Río Negro is ontstaan. De benedenloop van de Río Negro is
bevaarbaar, bij Fray Bentos mondt zij uit in de Uruguay.
1.2 Klimaat
Het warme klimaat vormt de overgang van het subtropische klimaat van
Brazilië naar het gematigde klimaat van Argentinië. De constante passaat
wisselt tussen zuidoost, oost en noordoost en zorgt voor een regelmatige
neerslagverdeling over het gehele jaar, al zijn de verschillen van jaar
op jaar soms vrij groot; in het zuiden valt jaarlijks ca. 950 mm, in het
noorden 1250 mm neerslag. De gemiddelde temperatuur in Montevideo is in
juli 16 °C en in jan. 24 °C.
1.3 Plantengroei en dierenwereld
Het grootste deel van het land bestaat uit grasvlakten (pampa's),
geschikt voor de veeteelt. In de dalen groeit struikgewas op een
vochtige bodem. Langs de kust komen kokospalmen voor.
De dierenwereld is typisch die van de open vlakten van Zuid-Amerika, dus
een fauna van de grassavannen, die in het algemeen aansluit bij die van
Noordoost-Argentinië. Drie eeuwen extensieve veeteelt hebben echter hun
negatieve stempel op dieren- en plantenwereld gedrukt, waar het feit dat
Uruguay vier nationale parken bezit, weinig aan af doet. Regeling van
jacht en natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.
2. Bevolking
De
ruim 3 miljoen inwoners zijn overwegend blank (vooral van Spaanse en
Italiaanse afkomst); naar schatting is 5-10% mesties, mulat of
Afrikaans. De bevolking is vooral geconcentreerd in de departementen
langs de Río de la Plata; bijna de helft woont in en om de hoofdstad
Montevideo (1,3 miljoen inw.), daarnaast zijn de belangrijkste
bevolkingsconcentraties te vinden in de steden in het westen (Salto:
81.000 inw., Paysandú: 75.000 inw. en Mercedes: 53.000 inw.) en in het
noorden (Rivera: 57.000 inw.). Ruim 90% van de bevolking woont in
steden. Door het lage geboortecijfer (17‰ in 1993) bleef de jaarlijkse
groei van de bevolking tussen 1980 en 1994 beperkt tot gemiddeld 0,6%
per jaar. Ruim 25% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. 78% van de
bevolking is rooms-katholiek. Daarnaast bestaan enkele kleine
protestantse en joodse kerkgenootschappen. Ca. 20% hangt geen godsdienst
aan. De officiële taal is het Spaans.
3. Bestuur en samenleving
Volgens de grondwet van 1967, die gedurende de militaire dictatuur
(1973-1985) buiten werking was gesteld, berust de wetgevende macht bij
het Congres, dat bestaat uit een Senaat en een Kamer van Afgevaardigden.
De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door de president en de Raad van
ministers.
President, vice-president en de leden van het Congres worden om de vijf
jaar in directe verkiezingen gekozen.
Bestuurlijk is Uruguay onderverdeeld in 19 departementen met beperkt
zelfbestuur; tijdens de opschorting van de grondwet hadden de eigen
departementale wetgevende en bestuurlijke organen praktisch geen macht
en werden de departementen door militairen bestuurd.
Uruguay is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van
Amerikaanse Staten (OAS), mede-oprichter van de Latijns-Amerikaanse
Vrijhandels Associatie (LAFTA, inmiddels omgedoopt in LAIA) en lid van
het Latijns-Amerikaans Economisch Systeem (SELA).
Sinds hun oprichting in 1838 tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw
hebben twee grote partijen het politieke toneel beheerst: de
conservatieve Partido Nacional ( 'blancos'), met overwegend steun in de
agrarische sector, en de eertijds meer progressieve Partido Colorado ( 'colorados'),
steunend op belangengroepen in de steden. Beide partijen zijn intern
verdeeld in verschillende stromingen, die met eigen kandidaten aan de
verkiezingen deelnemen. In 1994 won Encuentro Progresista eveneens
eenderde van de zetels. Een aantal oppositiepartijen, waaronder de
christen-democraten, communisten en socialisten, richtte in 1971 het
Frente Amplio ( 'Breed Front') op, dat tijdens de dictatuur verboden
was. In 1989 splitsten de christen-democraten en sociaal-democraten zich
af van het Frente Amplio en vormden de groepering Nuevo Espacio (
'Nieuwe Ruimte'), die in 1994 niet verder dan 5% (1 zetel) kwam. De in
1964 opgerichte vakcentrale Convencion Nacional de Trabajadores (CNT)
werd in 1973 door het militaire regime verboden. Vanaf 1980 werden onder
strikte voorwaarden vakbondsactiviteiten toegestaan, waarna de
overkoepelende Plenario Intersindical de Trabajadores (PIT) gevormd
werd. Na het herstel van het recht op vakvereniging in 1985 ging de
nieuwe vakcentrale PIT-CNT heten.
4. Economie
Uruguay
heeft lange tijd gegolden als het 'Zwitserland' van Latijns-Amerika; het
had in de jaren zestig het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking
van alle Zuid-Amerikaanse landen. Al is dit als gevolg van de
economische crisis in de jaren zeventig en het door het IMF
geïnspireerde economische beleid niet langer het geval, toch is Uruguay
nog steeds een van de meer welvarende landen van het continent. De
inkomensverdeling is echter als gevolg van de gevoerde economische
politiek steeds ongelijker geworden. De inflatie is hoog: gemiddeld 60%
per jaar in de jaren tachtig, de werkloosheid eveneens (11,8% in 1994),
terwijl de arbeidsomstandigheden aanzienlijk verslechterd zijn en dat in
een land waar al in 1915 een arbeidswetgeving bestond die zelfs naar
Europese maatstaven zeer progressief was. Veel goed opgeleide arbeiders
en intellectuelen zoeken dan ook een beter betaalde baan in het
buitenland.
Al in de 19de eeuw was Uruguay een belangrijk exporteur van wol en
vlees, en in de 20ste eeuw lange tijd de grootste. Eerst na de Tweede
Wereldoorlog kwamen er in toenemende mate industrieproducten in het
exportpakket. In de jaren zestig en zeventig liep de export van wol en
vlees sterk terug en ontstond een crisistoestand. Herhaalde pogingen
deze te beteugelen en de economie te stabiliseren bleven zonder
resultaat. Omdat Uruguay zelf niet over oliebronnen beschikt, verergerde
de situatie na de enorme prijsstijgingen van de aardolie vanaf 1974.
Sinds 1975 werd gepoogd een economisch herstel op gang te brengen
volgens de principes van de vrijemarkteconomie: lonen en prijzen werden
vrijgelaten, de productie werd gericht op de export, tekorten van de
overheid en de staatsschuld moesten worden teruggedrongen en
invoerbelemmeringen voor buitenlandse producten werden afgeschaft. Deze
politiek heeft geleid tot een sterke stijging van de werkloosheid, veel
faillissementen, sterke daling van het levenspeil en van de koopkracht
van de bevolking, en tot een grote stroom van buitenlandse producten
waartegen de nationale industrie niet kan concurreren.
Van de totale landoppervlakte is ca. 10% in gebruik voor landbouw, 77%
is weidegrond en 3,5% is met bos bedekt; 52!000 ha wordt bevloeid.
Landbouwproducten, t.w. tarwe, rijst, maïs, gerst, suikerbieten, soja,
zonnebloempitten, bonen, tomaten, uien, suikerriet, groenten, fruit en
druiven, worden overwegend verbouwd in het westen en zuiden, terwijl de
veehouderij in het centrum plaatsvindt. De grote bedrijven overheersen.
Sterke mechanisatie heeft in de loop der jaren geleid tot grote
werkloosheid op het platteland en migratie naar de stad. Eens de basis
van de nationale economie, speelt ook nu nog de productie van rundvlees
en schapenwol een belangrijke rol: wol en vlees maakten in 1995 25% van
de exportwaarde uit, terwijl de verwerking van vlees al sinds het begin
van de eeuw een belangrijke industriële activiteit is. Als gevolg van
het beperkte bosareaal wordt praktisch alle hout ingevoerd (uit Brazilië
vooral); het grootste deel van de nationale houtproductie wordt voor
brandhout benut. Het Nationale Plan voor de ontwikkeling van de
Visserij, uitgevoerd door het staatsvisserijbedrijf INAPE, heeft ertoe
geleid dat de zeevisserij sinds 1991 snel gegroeid is: vis wordt
ingevroren of als conserven uitgevoerd.
Van de aangetoonde minerale delfstoffen wordt alleen kalksteen gebruikt
voor de cementindustrie; de winning van de overige delfstoffen wordt
mede door transportmoeilijkheden belemmerd. Aangetoond zijn reserves van
ijzererts, goud en zilver, koper en uraan (Cerro Largo).
Sinds Liebig in 1864 een vleesextractfabriek startte in Fray Bentos, is
de vleesverwerking de basis geweest van de industrie in het land;
slacht- en koelhuizen en vleesconservenfabrieken zijn er vooral in
Paysandú, Montevideo en Fray Bentos. Verbetering en uitbreiding van
bestaande en de vestiging van nieuwe industrieën werden gestimuleerd (Ley
de Promoción Industrial), hetgeen vooral voor de productie van textiel,
chemische producten, elektrische apparaten en voor de metaalverwerkende
industrie van belang is geweest. De industrie produceert voorts cement,
kunstmest, leerproducten (schoeisel), levensmiddelen, glas, papier,
zuivelproducten en motoren. De staatsolieraffinaderij ANCAP in La Teja
(bij Montevideo) verwerkt importolie.
Voor de energievoorziening was Uruguay tot 1979 overwegend afhankelijk
van thermische centrales die werkten op steeds duurder wordende
importolie. Sinds juli 1979, het moment waarop de eerste turbines van
het gezamenlijke Argentijns-Uruguayaanse Salto Grande-project begonnen
te draaien, wordt 73% van de geïnstalleerde capaciteit door
waterkrachtcentrales geleverd. Sinds het in werking treden van het in
samenwerking met Brazilië uitgevoerde El Palmar-project (in de Río Negro)
is Uruguay zelfs elektriciteit gaan exporteren. De
elektriciteitsvoorziening is in handen van het staatsbedrijf Usinas y
Transmisiones Eléctricas (UTE).
Wol en vlees zijn nog steeds de belangrijkste exportproducten, gevolgd
door huiden en lederwaren, textiel, vis en rijst. Bij de import neemt
ruwe olie de zesde plaats in; voorts worden ingevoerd transportmiddelen,
machines en voedingsmiddelen. De belangrijkste handelspartners zijn de
EU-landen, Argentinië, Brazilië, Venezuela en de Verenigde Staten.
Centrale bank is de Banco Central del Uruguay, terwijl aan- en verkoop
van buitenlandse valuta verlopen via de staatsbank Banco de la República
Oriental del Uruguay. De derde staatsbank is de Banco Hipotecario.
Voorts zijn er twaalf particuliere banken en evenveel vestigingen van
buitenlandse kredietinstellingen.
Het planningsbureau (Oficina de Planeamiento y Presupuesto) is
verantwoordelijk voor het opstellen van ontwikkelingsplannen en de
begrotingen van overheidsbedrijven. De nationale
ontwikkelingsmaatschappij (Corporación Nacional para el Desarrollo)
voert met particuliere en overheidsfondsen ontwikkelingsprojecten uit.
Uruguay ontvangt ontwikkelingshulp (in 1990 $ 47 miljoen), vnl. van de
Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de Wereldbank, die programma's
ondersteunen gericht op de diversificering van de export en de
ontwikkeling van infrastructuur. De buitenlandse schuld beliep in 1994 $
5 miljard; de schuldendienst (afbetaling en rente) besloeg 41% van de
exportopbrengst.
Het in de vorige eeuw in hoofdzaak met Brits kapitaal aangelegde
spoorwegnet heeft een belangrijke rol gespeeld in de economische
ontwikkeling; het is thans sterk verouderd en werd in 1948
genationaliseerd; de exploitatie geschiedt door het staatsbedrijf
Administración de los Ferrocarriles del Estado (AFE). Het binnenlands
transport geschiedt grotendeels over de weg; het wegennet is met 52!000
km vrij dicht en verbindt de belangrijkste steden en havens via een ruim
10!000 km lang systeem van geasfalteerde snelwegen. Van groot belang is
de Río Uruguay, die tot Paysandú voor grote zeeschepen bevaarbaar is en
scheepvaart mogelijk maakt tot de haven Salto (export van de
vleesindustrie); ruim 95% van de buitenlandse handel wordt verscheept in
de haven van Montevideo. De nationale luchtvaartmaatschappij PLUNA
(Primeras Líneas Uruguayas de Navegación Aérea) onderhoudt het
binnenlandse luchtverkeer en enkele lijndiensten op de buurlanden. De
nationale luchthaven is Carrasco (bij Montevideo).
5. Geschiedenis
5.1 De periode tot 1900
In
de koloniale tijd besteedde het Spaanse bewind weinig aandacht aan het
gebied ten oosten van de Río de la Plata, waarvan bekend was dat het
niet over kostbare mineralen beschikte. Het leek slechts attractief als
weidegebied voor een zich snel uitbreidende veestapel waarop door zgn. 'gauchos'
jacht werd gemaakt en die een groeiend aantal van de andere rivieroever
afkomstige handelaren aantrok. Hoewel Spanje officieel geen territoriale
aanspraken had laten gelden, was het gebied tegen het einde van de 17de
eeuw toch voor een groot deel bezet door Spaanse afstammelingen,
hoofdzakelijk afkomstig uit het naburige Buenos Aires. Toen de
Portugezen in 1680 op grond van hun interpretatie van het Verdrag van
Tordesillas een expeditie organiseerden voor een plaatselijke
nederzetting bij Colonia, gingen de Spaanse autoriteiten tot actie over
voor het behoud van hun controle over handel en waterwegen. In 1726
bouwden zij een versterking op het punt waar later de hoofdstad
Montevideo tot stand kwam. Dit was het begin van de langdurige strijd
die, aanvankelijk ontketend tussen de moederlanden Portugal en Spanje,
later werd overgenomen door hun koloniale 'dochterlanden' Brazilië en
Argentinië. De onafhankelijkheidsverklaring van Buenos Aires in 1810
deed nieuwe vijandelijkheden ontstaan. Tijdens het verzet tegen de
Argentijnen die in 1811, na de afzetting van de Spaanse onderkoning van
Buenos Aires, ook het Spaanse garnizoen in Montevideo aanvielen, kwam de
lokale onafhankelijkheidsbeweging van Uruguay in handen van José Artigas.
De Portugezen, die door de Spaanse bevelhebber te hulp waren geroepen,
verdreven Artigas naar Paraguay. Na deze nederlaag werd het land
ingelijfd als een provincie van Brazilië (1816), maar op 25 aug. 1825
verklaarde Uruguay zich onafhankelijk. Onder druk van de Britse
regering, die als gevolg van de inlijving Braziliaans-Argentijnse
rivaliteiten vreesde die de bloeiende Britse handel ter plaatse in
gevaar zouden kunnen brengen, kwam in 1828 tussen Brazilië en Argentinië
een verdrag tot stand waarin Uruguays onafhankelijkheid door beide
buurlanden werd erkend en dat in 1830 grondwettelijk werd bekrachtigd.
In de nu volgende burgertwisten tekende zich spoedig de verdeeldheid af
tussen de op Argentinië georiënteerde Blancos (conservatieven, kerk en
grootgrondbezitters) en de met Brazilië sympathiserende Colorados (progressieven,
burgers, later ook arbeiders en boeren), een verdeeldheid waarin de nog
steeds op inlijving beluste buurstaten gaarne intervenieerden.
5.2 De twintigste eeuw
Vanaf het einde van de 19de eeuw werd het land, geleid door de krachtige
staatsman José Batlle y Ordoñez - een 'Colorado' - in korte tijd
omgevormd tot een opmerkelijk voorbeeld van democratische orde en
burgerlijk gezag. Niet alleen tijdens de ambtstermijnen van Batlle
(1903-1907 en 1911-1915), maar ook tijdens die van Williman (1907-1911)
en Viera (1915-1919) werd een aantal hervormingen doorgevoerd (sociale
voorzieningen, openbare nutsbedrijven, reorganisatie en laïcisering van
het onderwijs met name) die in de Latijns-Amerikaanse verhoudingen van
die tijd zeer geavanceerd waren. Batlle pleitte er lange tijd voor om
het presidentialisme te vervangen door een collegiale bestuursvorm
waarin de uitvoerende macht zou worden uitgeoefend door een uit negen
leden bestaande Nationale Raad waarin ook de oppositie, zij het in
minderheid, vertegenwoordigd zou zijn. Nadat deze hervorming
uiteindelijk in 1952 was doorgevoerd, bleek echter al spoedig dat deze
meer democratische bestuursformule de besluitvorming op regeringsniveau
ernstig vertraagde, zodat het land in 1966 via een ter zake doend
plebisciet weer naar de presidentiële regeringsvorm terugkeerde.
In de jaren zestig nam de sociale onrust als gevolg van de verslechterde
economie (zie ook § 4) toe, hetgeen o.m. tot uiting kwam in het
revolutionaire optreden van de Tupamaros, een in 1963 opgerichte
stadsguerrillabeweging die nogal aanhang vond onder de bevolking (zie
ook terrorisme), tegen de opeenvolgende regeringen van de presidenten J.
Pacheco Areco (1967-1972) en J.M. Bordaberry (1972-1976). Deze laatste
werd in juni 1973 door het leger gedwongen het Congres te ontbinden. De
werkelijke macht kwam nu te liggen bij de militairen, die aan de
democratische traditie van Uruguay een einde maakten. De Tupamaros
werden geliquideerd. Op 12 juni 1976 werd bij een staatsgreep een
militair regime gevestigd. De grondwet werd buiten werking gesteld.
In september 1981 benoemde de militaire leiding voormalig
opperbevelhebber lt.-generaal G. Alvarez tot president. Deze stond vanaf
juni 1982 de traditionele partijen toe om politieke activiteiten te
ontplooien. Ten slotte kwamen politici en militairen overeen om op 25
nov. 1984 verkiezingen voor parlement en burgerpresident te houden. De
voormannen van het linkse Frente Amplio (Liber Seregni) en van de
Blancos (W. Ferreira Aldunate) werd het verboden zich kandidaat te
stellen voor het presidentschap. De winnaar van de verkiezingen,
ex-minister J.M. Sanguinetti van de Colorados, liet na zijn aantreden de
politieke gevangenen vrij en herstelde de politieke en burgerrechten.
Het liberale economisch programma van de regering, die steunde op
fracties van zowel de Colorado- als de Blancopartij, stuitte op hevig
verzet van de zich opnieuw organiserende vakbonden. De algemene
verkiezingen van 26 nov. 1989 werden gewonnen door de Blancos, wier
kandidaat L.A. Lacalle Herrera op 1 maart 1990 aantrad als president. De
conservatief Lacalle formeerde een coalitieregering met fracties van de
Colorados, maar botste tijdens zijn ambtsperiode voortdurend met het
gemeentebestuur van Montevideo, waarin het Frente Amplio de grootste
partij was.
In een referendum verwierp een meerderheid van de kiezers in aug. 1994
een door de regering voorgestelde grondwetsherziening, waarin
wijzigingen waren opgenomen in de uitvoering van het pensioen- en
sociale zekerheidsstelsel. Bij de verkiezingen van 1994 behaalden de
Partido Colorado, de Partido Nacional (Blancos) en Encuentro Progresista
elk ruim eenderde van de stemmen. De nieuwe Senaat bestond uit 10
Colorados, 10 Blancos en 9 EP-leden. Winnaar van de
presidentsverkiezingen werd voormalig president Julio María Sanguinetti
(1985-1990). Om voldoende steun te krijgen in het parlement nam
Sanguinetti ook leden van de grootste oppositiepartij, de Partido
Nacional, in zijn kabinet op.
Het parlement bereikte in juli 1995 overeenstemming over een herziening
van het kiesstelsel, waardoor voortaan elke partij nog maar één
presidentskandidaat in de strijd mocht werpen.
In dec. werd in de badplaats Punte del Este een presidentiële
topbijeenkomst gehouden van de vier landen die zijn aangesloten bij de
Zuid-Amerikaanse Gemeenschappelijke markt (Mercosur): Argentinië,
Brazilië, Paraguay en Uruguay. Besloten werd Bolivia toe te laten als
geassocieerd lid en de onderhandelingen met Chili voort te zetten. Bijna
de helft van de Uruguyaanse handel vond plaats met Mercosur-leden. Als
gevolg van de economische recessie steeg de werkloosheid in 1996 tot
13%.
Telefoongids Uruguay
Postcodes
Uruguay
|