header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Uruguay

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 


Uruguay (officieel: República Oriental del Uruguay), republiek in Zuid-Amerika, 176.215 km2, met (1994) 3.167.000 inw. (18 inw. per km2); hoofdstad: Montevideo. Munteenheid is de Uruguayaanse nuevo peso (N$). Nationale feestdagen zijn 25 augustus, de dag waarop het land zich in 1825 van Brazilië losmaakte, en 18 juli, de dag van de grondwet.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap en rivieren
Uruguay bestaat in het noorden en oosten uit een zacht golvend landschap van Krijtgesteenten op een kristallijne ondergrond die de voortzetting is van het Braziliaanse precambrische massief. Het westelijk deel is geheel bedekt met donker gekleurde, horizontaal liggende basaltlagen, een onderdeel van het grote Paranáplateau; de oostrand hiervan vormt een scherpe cuestarand. Van het noorden naar het zuidwesten lopen twee gebergterichels: de Cuchilla de Haedo in het westen en de Cuchilla Grande in het oosten. In deze laatste ligt aan de Braziliaanse grens de Cerro Aceguá (621 m), de hoogste top van het land. Langs de oceaankust komt een brede zandvlakte voor met duinen en lagunen, o.a. het Lagoa Mirim. Langs de Río de la Plata en de Río Uruguay komen eveneens zandafzettingen voor, maar ook löss.
De Cuchilla Grande is de belangrijkste waterscheiding. Naar het oosten stromen korte rivieren naar de oceaan of naar de Cebollati, die in het Lagoa Mirim uitmondt. Tussen Cuchilla de Haedo en Cuchilla Grande komen de rivieren samen in de belangrijkste rivier van Uruguay, de Río Negro; bij Rincón del Bonete wordt deze opgestuwd, waardoor het stuwmeer Embalse del Río Negro is ontstaan. De benedenloop van de Río Negro is bevaarbaar, bij Fray Bentos mondt zij uit in de Uruguay.
1.2 Klimaat
Het warme klimaat vormt de overgang van het subtropische klimaat van Brazilië naar het gematigde klimaat van Argentinië. De constante passaat wisselt tussen zuidoost, oost en noordoost en zorgt voor een regelmatige neerslagverdeling over het gehele jaar, al zijn de verschillen van jaar op jaar soms vrij groot; in het zuiden valt jaarlijks ca. 950 mm, in het noorden 1250 mm neerslag. De gemiddelde temperatuur in Montevideo is in juli 16 °C en in jan. 24 °C.
1.3 Plantengroei en dierenwereld
Het grootste deel van het land bestaat uit grasvlakten (pampa's), geschikt voor de veeteelt. In de dalen groeit struikgewas op een vochtige bodem. Langs de kust komen kokospalmen voor.
De dierenwereld is typisch die van de open vlakten van Zuid-Amerika, dus een fauna van de grassavannen, die in het algemeen aansluit bij die van Noordoost-Argentinië. Drie eeuwen extensieve veeteelt hebben echter hun negatieve stempel op dieren- en plantenwereld gedrukt, waar het feit dat Uruguay vier nationale parken bezit, weinig aan af doet. Regeling van jacht en natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.

2. Bevolking
De ruim 3 miljoen inwoners zijn overwegend blank (vooral van Spaanse en Italiaanse afkomst); naar schatting is 5-10% mesties, mulat of Afrikaans. De bevolking is vooral geconcentreerd in de departementen langs de Río de la Plata; bijna de helft woont in en om de hoofdstad Montevideo (1,3 miljoen inw.), daarnaast zijn de belangrijkste bevolkingsconcentraties te vinden in de steden in het westen (Salto: 81.000 inw., Paysandú: 75.000 inw. en Mercedes: 53.000 inw.) en in het noorden (Rivera: 57.000 inw.). Ruim 90% van de bevolking woont in steden. Door het lage geboortecijfer (17‰ in 1993) bleef de jaarlijkse groei van de bevolking tussen 1980 en 1994 beperkt tot gemiddeld 0,6% per jaar. Ruim 25% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. 78% van de bevolking is rooms-katholiek. Daarnaast bestaan enkele kleine protestantse en joodse kerkgenootschappen. Ca. 20% hangt geen godsdienst aan. De officiële taal is het Spaans.

3. Bestuur en samenleving
Volgens de grondwet van 1967, die gedurende de militaire dictatuur (1973-1985) buiten werking was gesteld, berust de wetgevende macht bij het Congres, dat bestaat uit een Senaat en een Kamer van Afgevaardigden. De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door de president en de Raad van ministers.
President, vice-president en de leden van het Congres worden om de vijf jaar in directe verkiezingen gekozen.
Bestuurlijk is Uruguay onderverdeeld in 19 departementen met beperkt zelfbestuur; tijdens de opschorting van de grondwet hadden de eigen departementale wetgevende en bestuurlijke organen praktisch geen macht en werden de departementen door militairen bestuurd.
Uruguay is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), mede-oprichter van de Latijns-Amerikaanse Vrijhandels Associatie (LAFTA, inmiddels omgedoopt in LAIA) en lid van het Latijns-Amerikaans Economisch Systeem (SELA).
Sinds hun oprichting in 1838 tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw hebben twee grote partijen het politieke toneel beheerst: de conservatieve Partido Nacional ( 'blancos'), met overwegend steun in de agrarische sector, en de eertijds meer progressieve Partido Colorado ( 'colorados'), steunend op belangengroepen in de steden. Beide partijen zijn intern verdeeld in verschillende stromingen, die met eigen kandidaten aan de verkiezingen deelnemen. In 1994 won Encuentro Progresista eveneens eenderde van de zetels. Een aantal oppositiepartijen, waaronder de christen-democraten, communisten en socialisten, richtte in 1971 het Frente Amplio ( 'Breed Front') op, dat tijdens de dictatuur verboden was. In 1989 splitsten de christen-democraten en sociaal-democraten zich af van het Frente Amplio en vormden de groepering Nuevo Espacio ( 'Nieuwe Ruimte'), die in 1994 niet verder dan 5% (1 zetel) kwam. De in 1964 opgerichte vakcentrale Convencion Nacional de Trabajadores (CNT) werd in 1973 door het militaire regime verboden. Vanaf 1980 werden onder strikte voorwaarden vakbondsactiviteiten toegestaan, waarna de overkoepelende Plenario Intersindical de Trabajadores (PIT) gevormd werd. Na het herstel van het recht op vakvereniging in 1985 ging de nieuwe vakcentrale PIT-CNT heten.

4. Economie
Uruguay heeft lange tijd gegolden als het 'Zwitserland' van Latijns-Amerika; het had in de jaren zestig het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking van alle Zuid-Amerikaanse landen. Al is dit als gevolg van de economische crisis in de jaren zeventig en het door het IMF geïnspireerde economische beleid niet langer het geval, toch is Uruguay nog steeds een van de meer welvarende landen van het continent. De inkomensverdeling is echter als gevolg van de gevoerde economische politiek steeds ongelijker geworden. De inflatie is hoog: gemiddeld 60% per jaar in de jaren tachtig, de werkloosheid eveneens (11,8% in 1994), terwijl de arbeidsomstandigheden aanzienlijk verslechterd zijn en dat in een land waar al in 1915 een arbeidswetgeving bestond die zelfs naar Europese maatstaven zeer progressief was. Veel goed opgeleide arbeiders en intellectuelen zoeken dan ook een beter betaalde baan in het buitenland.
Al in de 19de eeuw was Uruguay een belangrijk exporteur van wol en vlees, en in de 20ste eeuw lange tijd de grootste. Eerst na de Tweede Wereldoorlog kwamen er in toenemende mate industrieproducten in het exportpakket. In de jaren zestig en zeventig liep de export van wol en vlees sterk terug en ontstond een crisistoestand. Herhaalde pogingen deze te beteugelen en de economie te stabiliseren bleven zonder resultaat. Omdat Uruguay zelf niet over oliebronnen beschikt, verergerde de situatie na de enorme prijsstijgingen van de aardolie vanaf 1974. Sinds 1975 werd gepoogd een economisch herstel op gang te brengen volgens de principes van de vrijemarkteconomie: lonen en prijzen werden vrijgelaten, de productie werd gericht op de export, tekorten van de overheid en de staatsschuld moesten worden teruggedrongen en invoerbelemmeringen voor buitenlandse producten werden afgeschaft. Deze politiek heeft geleid tot een sterke stijging van de werkloosheid, veel faillissementen, sterke daling van het levenspeil en van de koopkracht van de bevolking, en tot een grote stroom van buitenlandse producten waartegen de nationale industrie niet kan concurreren.
Van de totale landoppervlakte is ca. 10% in gebruik voor landbouw, 77% is weidegrond en 3,5% is met bos bedekt; 52!000 ha wordt bevloeid. Landbouwproducten, t.w. tarwe, rijst, maïs, gerst, suikerbieten, soja, zonnebloempitten, bonen, tomaten, uien, suikerriet, groenten, fruit en druiven, worden overwegend verbouwd in het westen en zuiden, terwijl de veehouderij in het centrum plaatsvindt. De grote bedrijven overheersen. Sterke mechanisatie heeft in de loop der jaren geleid tot grote werkloosheid op het platteland en migratie naar de stad. Eens de basis van de nationale economie, speelt ook nu nog de productie van rundvlees en schapenwol een belangrijke rol: wol en vlees maakten in 1995 25% van de exportwaarde uit, terwijl de verwerking van vlees al sinds het begin van de eeuw een belangrijke industriële activiteit is. Als gevolg van het beperkte bosareaal wordt praktisch alle hout ingevoerd (uit Brazilië vooral); het grootste deel van de nationale houtproductie wordt voor brandhout benut. Het Nationale Plan voor de ontwikkeling van de Visserij, uitgevoerd door het staatsvisserijbedrijf INAPE, heeft ertoe geleid dat de zeevisserij sinds 1991 snel gegroeid is: vis wordt ingevroren of als conserven uitgevoerd.
Van de aangetoonde minerale delfstoffen wordt alleen kalksteen gebruikt voor de cementindustrie; de winning van de overige delfstoffen wordt mede door transportmoeilijkheden belemmerd. Aangetoond zijn reserves van ijzererts, goud en zilver, koper en uraan (Cerro Largo).
Sinds Liebig in 1864 een vleesextractfabriek startte in Fray Bentos, is de vleesverwerking de basis geweest van de industrie in het land; slacht- en koelhuizen en vleesconservenfabrieken zijn er vooral in Paysandú, Montevideo en Fray Bentos. Verbetering en uitbreiding van bestaande en de vestiging van nieuwe industrieën werden gestimuleerd (Ley de Promoción Industrial), hetgeen vooral voor de productie van textiel, chemische producten, elektrische apparaten en voor de metaalverwerkende industrie van belang is geweest. De industrie produceert voorts cement, kunstmest, leerproducten (schoeisel), levensmiddelen, glas, papier, zuivelproducten en motoren. De staatsolieraffinaderij ANCAP in La Teja (bij Montevideo) verwerkt importolie.
Voor de energievoorziening was Uruguay tot 1979 overwegend afhankelijk van thermische centrales die werkten op steeds duurder wordende importolie. Sinds juli 1979, het moment waarop de eerste turbines van het gezamenlijke Argentijns-Uruguayaanse Salto Grande-project begonnen te draaien, wordt 73% van de geïnstalleerde capaciteit door waterkrachtcentrales geleverd. Sinds het in werking treden van het in samenwerking met Brazilië uitgevoerde El Palmar-project (in de Río Negro) is Uruguay zelfs elektriciteit gaan exporteren. De elektriciteitsvoorziening is in handen van het staatsbedrijf Usinas y Transmisiones Eléctricas (UTE).
Wol en vlees zijn nog steeds de belangrijkste exportproducten, gevolgd door huiden en lederwaren, textiel, vis en rijst. Bij de import neemt ruwe olie de zesde plaats in; voorts worden ingevoerd transportmiddelen, machines en voedingsmiddelen. De belangrijkste handelspartners zijn de EU-landen, Argentinië, Brazilië, Venezuela en de Verenigde Staten.
Centrale bank is de Banco Central del Uruguay, terwijl aan- en verkoop van buitenlandse valuta verlopen via de staatsbank Banco de la República Oriental del Uruguay. De derde staatsbank is de Banco Hipotecario. Voorts zijn er twaalf particuliere banken en evenveel vestigingen van buitenlandse kredietinstellingen.
Het planningsbureau (Oficina de Planeamiento y Presupuesto) is verantwoordelijk voor het opstellen van ontwikkelingsplannen en de begrotingen van overheidsbedrijven. De nationale ontwikkelingsmaatschappij (Corporación Nacional para el Desarrollo) voert met particuliere en overheidsfondsen ontwikkelingsprojecten uit. Uruguay ontvangt ontwikkelingshulp (in 1990 $ 47 miljoen), vnl. van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de Wereldbank, die programma's ondersteunen gericht op de diversificering van de export en de ontwikkeling van infrastructuur. De buitenlandse schuld beliep in 1994 $ 5 miljard; de schuldendienst (afbetaling en rente) besloeg 41% van de exportopbrengst.
Het in de vorige eeuw in hoofdzaak met Brits kapitaal aangelegde spoorwegnet heeft een belangrijke rol gespeeld in de economische ontwikkeling; het is thans sterk verouderd en werd in 1948 genationaliseerd; de exploitatie geschiedt door het staatsbedrijf Administración de los Ferrocarriles del Estado (AFE). Het binnenlands transport geschiedt grotendeels over de weg; het wegennet is met 52!000 km vrij dicht en verbindt de belangrijkste steden en havens via een ruim 10!000 km lang systeem van geasfalteerde snelwegen. Van groot belang is de Río Uruguay, die tot Paysandú voor grote zeeschepen bevaarbaar is en scheepvaart mogelijk maakt tot de haven Salto (export van de vleesindustrie); ruim 95% van de buitenlandse handel wordt verscheept in de haven van Montevideo. De nationale luchtvaartmaatschappij PLUNA (Primeras Líneas Uruguayas de Navegación Aérea) onderhoudt het binnenlandse luchtverkeer en enkele lijndiensten op de buurlanden. De nationale luchthaven is Carrasco (bij Montevideo).

5. Geschiedenis
5.1 De periode tot 1900
In de koloniale tijd besteedde het Spaanse bewind weinig aandacht aan het gebied ten oosten van de Río de la Plata, waarvan bekend was dat het niet over kostbare mineralen beschikte. Het leek slechts attractief als weidegebied voor een zich snel uitbreidende veestapel waarop door zgn. 'gauchos' jacht werd gemaakt en die een groeiend aantal van de andere rivieroever afkomstige handelaren aantrok. Hoewel Spanje officieel geen territoriale aanspraken had laten gelden, was het gebied tegen het einde van de 17de eeuw toch voor een groot deel bezet door Spaanse afstammelingen, hoofdzakelijk afkomstig uit het naburige Buenos Aires. Toen de Portugezen in 1680 op grond van hun interpretatie van het Verdrag van Tordesillas een expeditie organiseerden voor een plaatselijke nederzetting bij Colonia, gingen de Spaanse autoriteiten tot actie over voor het behoud van hun controle over handel en waterwegen. In 1726 bouwden zij een versterking op het punt waar later de hoofdstad Montevideo tot stand kwam. Dit was het begin van de langdurige strijd die, aanvankelijk ontketend tussen de moederlanden Portugal en Spanje, later werd overgenomen door hun koloniale 'dochterlanden' Brazilië en Argentinië. De onafhankelijkheidsverklaring van Buenos Aires in 1810 deed nieuwe vijandelijkheden ontstaan. Tijdens het verzet tegen de Argentijnen die in 1811, na de afzetting van de Spaanse onderkoning van Buenos Aires, ook het Spaanse garnizoen in Montevideo aanvielen, kwam de lokale onafhankelijkheidsbeweging van Uruguay in handen van José Artigas. De Portugezen, die door de Spaanse bevelhebber te hulp waren geroepen, verdreven Artigas naar Paraguay. Na deze nederlaag werd het land ingelijfd als een provincie van Brazilië (1816), maar op 25 aug. 1825 verklaarde Uruguay zich onafhankelijk. Onder druk van de Britse regering, die als gevolg van de inlijving Braziliaans-Argentijnse rivaliteiten vreesde die de bloeiende Britse handel ter plaatse in gevaar zouden kunnen brengen, kwam in 1828 tussen Brazilië en Argentinië een verdrag tot stand waarin Uruguays onafhankelijkheid door beide buurlanden werd erkend en dat in 1830 grondwettelijk werd bekrachtigd. In de nu volgende burgertwisten tekende zich spoedig de verdeeldheid af tussen de op Argentinië georiënteerde Blancos (conservatieven, kerk en grootgrondbezitters) en de met Brazilië sympathiserende Colorados (progressieven, burgers, later ook arbeiders en boeren), een verdeeldheid waarin de nog steeds op inlijving beluste buurstaten gaarne intervenieerden.
5.2 De twintigste eeuw
Vanaf het einde van de 19de eeuw werd het land, geleid door de krachtige staatsman José Batlle y Ordoñez - een 'Colorado' - in korte tijd omgevormd tot een opmerkelijk voorbeeld van democratische orde en burgerlijk gezag. Niet alleen tijdens de ambtstermijnen van Batlle (1903-1907 en 1911-1915), maar ook tijdens die van Williman (1907-1911) en Viera (1915-1919) werd een aantal hervormingen doorgevoerd (sociale voorzieningen, openbare nutsbedrijven, reorganisatie en laïcisering van het onderwijs met name) die in de Latijns-Amerikaanse verhoudingen van die tijd zeer geavanceerd waren. Batlle pleitte er lange tijd voor om het presidentialisme te vervangen door een collegiale bestuursvorm waarin de uitvoerende macht zou worden uitgeoefend door een uit negen leden bestaande Nationale Raad waarin ook de oppositie, zij het in minderheid, vertegenwoordigd zou zijn. Nadat deze hervorming uiteindelijk in 1952 was doorgevoerd, bleek echter al spoedig dat deze meer democratische bestuursformule de besluitvorming op regeringsniveau ernstig vertraagde, zodat het land in 1966 via een ter zake doend plebisciet weer naar de presidentiële regeringsvorm terugkeerde.
In de jaren zestig nam de sociale onrust als gevolg van de verslechterde economie (zie ook § 4) toe, hetgeen o.m. tot uiting kwam in het revolutionaire optreden van de Tupamaros, een in 1963 opgerichte stadsguerrillabeweging die nogal aanhang vond onder de bevolking (zie ook terrorisme), tegen de opeenvolgende regeringen van de presidenten J. Pacheco Areco (1967-1972) en J.M. Bordaberry (1972-1976). Deze laatste werd in juni 1973 door het leger gedwongen het Congres te ontbinden. De werkelijke macht kwam nu te liggen bij de militairen, die aan de democratische traditie van Uruguay een einde maakten. De Tupamaros werden geliquideerd. Op 12 juni 1976 werd bij een staatsgreep een militair regime gevestigd. De grondwet werd buiten werking gesteld.
In september 1981 benoemde de militaire leiding voormalig opperbevelhebber lt.-generaal G. Alvarez tot president. Deze stond vanaf juni 1982 de traditionele partijen toe om politieke activiteiten te ontplooien. Ten slotte kwamen politici en militairen overeen om op 25 nov. 1984 verkiezingen voor parlement en burgerpresident te houden. De voormannen van het linkse Frente Amplio (Liber Seregni) en van de Blancos (W. Ferreira Aldunate) werd het verboden zich kandidaat te stellen voor het presidentschap. De winnaar van de verkiezingen, ex-minister J.M. Sanguinetti van de Colorados, liet na zijn aantreden de politieke gevangenen vrij en herstelde de politieke en burgerrechten. Het liberale economisch programma van de regering, die steunde op fracties van zowel de Colorado- als de Blancopartij, stuitte op hevig verzet van de zich opnieuw organiserende vakbonden. De algemene verkiezingen van 26 nov. 1989 werden gewonnen door de Blancos, wier kandidaat L.A. Lacalle Herrera op 1 maart 1990 aantrad als president. De conservatief Lacalle formeerde een coalitieregering met fracties van de Colorados, maar botste tijdens zijn ambtsperiode voortdurend met het gemeentebestuur van Montevideo, waarin het Frente Amplio de grootste partij was.
In een referendum verwierp een meerderheid van de kiezers in aug. 1994 een door de regering voorgestelde grondwetsherziening, waarin wijzigingen waren opgenomen in de uitvoering van het pensioen- en sociale zekerheidsstelsel. Bij de verkiezingen van 1994 behaalden de Partido Colorado, de Partido Nacional (Blancos) en Encuentro Progresista elk ruim eenderde van de stemmen. De nieuwe Senaat bestond uit 10 Colorados, 10 Blancos en 9 EP-leden. Winnaar van de presidentsverkiezingen werd voormalig president Julio María Sanguinetti (1985-1990). Om voldoende steun te krijgen in het parlement nam Sanguinetti ook leden van de grootste oppositiepartij, de Partido Nacional, in zijn kabinet op.
Het parlement bereikte in juli 1995 overeenstemming over een herziening van het kiesstelsel, waardoor voortaan elke partij nog maar één presidentskandidaat in de strijd mocht werpen.
In dec. werd in de badplaats Punte del Este een presidentiële topbijeenkomst gehouden van de vier landen die zijn aangesloten bij de Zuid-Amerikaanse Gemeenschappelijke markt (Mercosur): Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay. Besloten werd Bolivia toe te laten als geassocieerd lid en de onderhandelingen met Chili voort te zetten. Bijna de helft van de Uruguyaanse handel vond plaats met Mercosur-leden. Als gevolg van de economische recessie steeg de werkloosheid in 1996 tot 13%.

Telefoongids Uruguay
Postcodes Uruguay

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009