Intensieve
veehouderij of bio-industrie zijn vormen van veehouderij, vooral
van pluimvee, varkens en vleeskalveren, die worden gekenmerkt door
hun grote omvang en de sterk op efficiëntie gerichte
bedrijfsvoering.
Door
het gebruik van veevoeders kunnen op een beperkte oppervlakte veel
meer dieren worden gehouden dan bij gebruik van gewassen van eigen
land. Hierdoor is het grondgebonden karakter van deze vormen van
veehouderij grotendeels verloren gegaan.
Wel is het zo mogelijk geworden dat deze veehouders een
arbeidsinkomen kunnen verwerven, dat in redelijke verhouding staat
tot dat van andere groepen in onze maatschappij. Bovendien speelt de
intensieve veehouderij een grote rol bij de export van Nederland en
België en vinden velen werk in deze sector.
Deze door economische overwegingen opgetreden schaalvergroting heeft
echter vragen opgeroepen omtrent welzijn en gezondheid van het vee
en de aantasting van het milieu; het gaat daarbij vooral om het
houden van leghennen in legbatterijen, het houden van vleeskalveren
in individuele hokken en het houden van varkens op roostervloeren,
waardoor deze dieren minder de kans krijgen tot een natuurlijk
gedrag te komen. Tevens is de economische kwetsbaarheid van zulke
sterk gespecialiseerde bedrijven toegenomen. Met name tijdens de
varkenspestepidemie die Zuid-en Oost-Nederland teisterde in 1997
kwam dit tot uitdrukking. Ook wordt wel bezwaar aangetekend tegen
het gebruik van veevoedergrondstoffen in de intensieve veehouderij,
die daardoor aan directe consumptie door de mens worden onttrokken.
Vooral de productie van grote hoeveelheden mest en de uitstoot van
ammoniak daaruit krijgen in verband met het milieu grote aandacht.
Een aantal beleidsmaatregelen (in Nederland o.a. de Hinderwet, de
Wet bodembescherming, de Meststoffenwet en de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren) en een deel van het (landbouwkundig) onderzoek
zijn daarom gericht op het opheffen van deze bezwaren. Zo is gewerkt
aan aangepaste vormen van huisvesting (zie ook scharrelveehouderij),
terwijl het aandeel van niet voor menselijke consumptie geschikte
grondstoffen in het veevoeder sterk is toegenomen. Tegelijkertijd is
de hoeveelheid mineralen in de veevoeders teruggebracht. |
|
|
|
|
|