header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Venezuela

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 

Venezuela (República de Venezuela), republiek in Zuid-Amerika, 912.050 km2, met (1994) 21.378.000 inw. (23 inw. per km2); hoofdstad: Caracas. Tot Venezuela behoren 75 eilanden in de Caribische Zee; hiervan vormt het grootste eiland, Isla de Margarita, met twee eilandjes de deelstaat Nueva Esparta; de overige 72 eilanden vormen de Dependencias Federales.


Venezuela maakt sedert 1889 aanspraak op het gebied in Guyana ten westen van de Río Essequibo (ca. 130.000 km2), veelal aangeduid als 'zona en reclamación'. Munteenheid is de bolívar, onderverdeeld in 100 céntimos. Nationale feestdag is 5 juli, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Venezuela 1 - Canaima 2 pictureEen van de drie vanaf de gebergteknoop van Pamplona uitwaaierende uitlopers van de Andes komt in het noordwesten Venezuela binnen, buigt als Sierra Nevada de Mérida naar het noordoosten en loopt vervolgens langs de kust naar het oosten; de Pico Bolívar is met 5002 m het hoogste punt van het land. Het aanmerkelijk lagere kustgebergte bestaat uit een noordelijke en een zuidelijke keten. De noordelijke wordt ten oosten van Caracas onderbroken en zet zich voort op de schiereilanden Araya en Paria en zelfs op Trinidad. Tussen deze ketens is een bekken waardoor de Río Tuy naar zee stroomt. Meer naar het westen ligt bij Valencia het Lago de Valencia, een zoetwatermeer dat sinds de daling van het waterniveau na 1900 met 5 m geen afvloeiing naar zee meer heeft. Ten westen van de Sierra Nevada de Mérida ligt de laagte rondom het 14.344 km2 grote en tot 250 m diepe Lago de Maracaibo (eigenlijk een binnenzee met open verbinding met de Caribische Zee). De Río Catatumbo en de Río Escalante monden erin uit. De nauwe uitweg naar zee, de Bahia de Tablazo, wordt door de lage duineilanden vrijwel afgesloten en is moeilijk bevaarbaar. Het schiereiland van Paraguaná is door een smalle duinenreeks verbonden met de kust van Falcón. Tussen het hooggebergte en de Orinoco strekt zich een betrekkelijk vlak terrein van Tertiaire en Kwartaire zanden uit, de Llanos, dalend van west naar oost en gemiddeld 200 m hoog. Het noordwestelijk deel is het droogst. De Orinoco, die tal van zijrivieren opneemt, is de belangrijkste rivier van Venezuela. De voornaamste mondingstak, de Boca Grande, is voor zeeschepen bevaarbaar. Ten zuiden en ten oosten van de Orinoco ligt het Hoogland van Guyana, een grof geplooide bergformatie met ruige bossen, de waterscheiding tussen Orinoco en Amazone. Het oostelijk deel, La Gran Sabana (Roraima, 2810 m), is bedekt met verbrokkelde horizontale zandsteenlagen: steile tafelbergen gescheiden door golvende dalen. Ten noordwesten hiervan ligt een tweede massief, Auyantepui (tot ca. 2400 m). Hier bevindt zich in de Río Caroní, een zijrivier van de Orinoco, de hoogste waterval ter wereld (Salto Angel of Angel Falls): het water wordt na een vrije val van 807 m door een uitstekende richel opgevangen en dan volgt een tweede val van 172 m.
1.2 Klimaat
Venezuela heeft een tropisch klimaat; in de Llanos is dat een savanneklimaat, terwijl het binnenland in het noordwesten, zuiden en oosten tropisch heet is; het Maracaibobekken en de Orinocodelta zijn even heet, maar vochtiger dan de rest van het binnenland. De overheersende wind is de noordoostpassaat, waardoor vooral aan de kust de temperaturen worden gematigd. Caracas heeft een gemiddelde jaartemperatuur van 19,6°C en een jaarneerslag van 810 mm; deze cijfers zijn voor La Guaira aan de kust ten noorden van Caracas 27,0°C resp. 490 mm en voor Ciudad Bolívar aan de Orinoco 19,6°C resp. 920 mm.
1.3 Plantengroei
Langs de kust zijn de naar het noordoosten gekeerde hellingen nat en zwaar bebost; aan de andere zijde komt struikvegetatie voor. Verder naar het zuiden, in de Llanos, veranderen in het natte seizoen (juni-oktober) duizenden hectaren land in ondiepe meren. In het droge seizoen (december-maart) verdroogt het gebied en verdort het gras. Hoewel de seizoenen in het Hoogland van Guyana hetzelfde ritme volgen en er hier dus ook 's zomers veel regen valt, terwijl er 's winters grote droogte heerst, is het grootste gedeelte van dit gebied met dichte wouden bedekt. De onbeboste delen zijn open, golvende savannen.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is een typisch Zuid-Amerikaanse, meer in het bijzonder die van het tropisch regenwoud, hoewel ook savanneachtige vegetatietypen met hun karakteristieke fauna (grote miereneter, herten) goed vertegenwoordigd zijn. Van de beschermde gebieden is het Parque Nacional Henri Pittier in het noorden van het land het belangrijkste; van zee tot binnenland omvat dit vrijwel alle vegetatiezones van Venezuela met de bijbehorende fauna. De vogelwereld telt er meer dan 500 soorten, waaronder 30 soorten kolibri's en meer dan 50 vliegenvangers. Het reservaat huisvest het bekende biologisch veldstation Rancho Grande.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Venezuela 1 - Ranchitos, Caracas pictureRuim tweederde van de bevolking bestaat uit mestiezen (van Indiaans-blanke afkomst) en mulatten (van blank-negroïde afkomst); ca. 20% van de bevolking beschouwt zich als blank (vnl. van Spaanse en Italiaanse afkomst), 10% als neger. Naar schatting is nog slechts 1% te beschouwen als autochtoon Indiaans; deze groep woont in het noordwesten (Goajira) en in de Orinocodelta en het Guyanahoogland. Er is een aanzienlijk aantal geïmmigreerde Colombianen, op zoek naar werk. In de periode van 1981-1994 is het inwonertal met gemiddeld 2,5% per jaar gestegen. De bevolking woont vnl. geconcentreerd in het kustgebied. Stagnatie en mechanisatie in de landbouw hebben geleid tot een grote trek naar de steden; woonde in 1951 54% van de totale bevolking in de steden, in 1994 was dat percentage 92%. De grootste steden zijn (schatting 1995): Caracas (stedelijk gebied 5 miljoen inw.), Maracaibo (1, 5 miljoen inw.), Valencia (1,2 miljoen inw.), Barquisimeto (900.000 inw.) en Barcelona/Puerto La Cruz (443.000 inw.).
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. Daarnaast worden Caribische (meng)talen gesproken.
2.3 Religie
Volgens de grondwet is er vrijheid van godsdienst. De meerderheid van de bevolking (ca. 95%) is rooms-katholiek. Er zijn zeven aartsbisdommen, negentien bisdommen en vier apostolische vicariaten. De primaat van de Venezolaanse kerk is de aartsbisschop van Caracas. Een kleine minderheid vormen de ca. 50.000 protestanten (overwegend zevendedagsadventisten en leden van pinkstergemeenten). De joodse gemeenschap telt ca. 15.000 leden. Een deel van de oorspronkelijke Indianenbevolking hangt natuurreligies aan.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1961 is Venezuela een presidentiële federale republiek. De wetgevende macht berust bij het Congres, bestaande uit een Senaat (52 leden, 2 leden per deelstaat, terwijl ook alle ex-presidenten lid zijn) en een Kamer van Afgevaardigden (203 leden, gekozen voor vijf jaar; minstens 2 leden per deelstaat). De uitvoerende macht berust bij de rechtstreeks voor een ambtstermijn van vijf jaar gekozen president, die tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten is; hij is de eerste tien jaar na het einde van zijn ambtstermijn niet herkiesbaar. De leden van de ministerraad worden door de president aangewezen. Alle burgers van achttien jaar en ouder hebben kiesrecht (stemplicht): de verkiezingen worden uitgevoerd onder controle van de Consejo Supremo Electoral.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Venezuela verdeeld in een Distrito Federal (de hoofdstad), twintig deelstaten (estados) en twee federale territoria (territorios federales); de 72 kleine eilanden in de Caribische Zee worden rechtstreeks bestuurd door het ministerie van Binnenlandse Zaken (dependencias federales). De deelstaten, met een beperkte autonomie, worden bestuurd door een door de president benoemde gouverneur; ze hebben eigen wetgeving en uitvoerende macht. In december 1989 werden voor het eerst directe verkiezingen gehouden voor gouverneurs. De deelstaten zijn onderverdeeld in 156 districten en deze weer in 613 municipios.
3.3 Rechtswezen
Hoogste rechtsprekende instantie is het federaal Hooggerechtshof (Corte Suprema de Justicia), waarvan de vijftien leden voor een ambtstermijn van negen jaar gekozen zijn door het Congres. Op deelstaat- en gemeenteniveau zijn er gerechtshoven en gewone rechtbanken.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Venezuela is lid van de Verenigde Naties, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Latijns-Amerikaanse Integratie Associatie (LAIA), het Andes-Pact (Grupo Andino), van het Latijns-Amerikaans Economisch Systeem (SELA) en van de OPEC.
3.5 Politieke organisatie; partijwezen en vakbeweging
De twee belangrijkste politieke partijen zijn de in 1946 opgerichte christen-democratische COPEI (Comité de Organización Política Electoral Independente) en de in 1941 opgerichte sociaal-democratische AD (Acción Democrática). Voorts spelen nog een rol de in 1988 opgerichte Nueva Generación Democrática (NGD; rechts van het midden), La Causa Radical (1972), Convergencia Nacional (1993) en Movimiento al Socialismo (1972). De sinds 1944 in de CTV (Confederación de Trabajadores de Venezuela) verenigde vakbonden van vooral industriearbeiders hebben door hun banden met de politici duidelijk bijgedragen aan de arbeidsrust en de belangen van arbeiders hieraan nogal eens ondergeschikt gemaakt.

4. Economie
4.1 Algemeen
Tot de opkomst van de aardoliewinning in de jaren twintig was de landbouw de belangrijkste economische activiteit, waarbij vooral de export van koffie een grote rol speelde. De commerciële aardolie-exploitatie ging in 1917 van start en sedertdien heeft de winning een explosieve ontwikkeling doorgemaakt; tussen 1928 en 1969 was Venezuela de belangrijkste aardolie-exporteur ter wereld en sinds 1975 de vierde (na Saoedi-Arabië, Iran en Irak). Vooral sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog vormt aardolie de basis van de economie. Na de nationalisatie van de ijzerertswinning en -verwerking (1975) en van de buitenlandse oliemaatschappijen (1976) had de overheid haar toch al grote invloed op de economie nog versterkt; op bijna alle terreinen van de economie had de overheid via semi-autonome instituten (Institutos Autónomos) direct of indirect belangen in productie en handel. Vanaf 1989 heeft de regering echter een privatiseringsprogramma in gang gezet, bedoeld om buitenlandse investeringen aan te trekken.
In 1993 was van de economisch actieve bevolking (6, 4 miljoen personen) 11% werkzaam in de landbouw (en de veehouderij), 1% in de mijnbouw, 26% in de industrie en 62% in handel en dienstensector. Het aandeel van deze sectoren in het bnp was: landbouw en veehouderij 5%, mijnbouw 24%, industrie 18% en handel en dienstverlening 53%. De economie, die in de periode 1970-1977 met gemiddeld 3,2% per jaar groeide, stagneert sindsdien; tussen 1990 en 1994 groeide het bnp slechts met gemiddeld 3,2% per jaar (in 1994 2,8%).
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 20% geschikt voor agrarische doeleinden, waarvan 70% in staatsbezit. Ter stimulering van de landbouw werd in 1945 het Instituto Agrario Nacional (IAN) opgericht. In 1960 werd een landhervormingswet van kracht; sedertdien is 8,3 miljoen ha grond verdeeld onder bijna 150!000 boerenfamilies. Ca. 25% van de grond was afkomstig van onteigend grootgrondbezit. Het zwaartepunt bij de landhervorming heeft steeds gelegen bij het ontginnen van nieuwe gronden, de verbetering van de infrastructuur en kredietverlening. De overheid steunt echter vooral het goed renderende middelgrote en grootbedrijf, terwijl de kleine boeren moeilijk toegang krijgen tot kredieten en andere steun voor hun bedrijf.
De belangrijkste landbouwgebieden liggen in de valleien in het Andesgebied en aan de voet van dit gebergte, zowel aan de Llanos-kant als aan de kant van het Meer van Maracaibo. De belangrijkste producten zijn maïs, rijst, koffie, peulvruchten, diverse soorten bananen, suikerriet, katoen en sesamzaad; voorts worden geproduceerd pinda's, yuca, citrusvruchten, uien, tomaten, cacao, tabak en groenten. De productie van een aantal gewassen is onvoldoende voor de binnenlandse consumptie. Rundvee wordt vooral gehouden in de centrale Llanos, het gebied ten zuiden van het Meer van Maracaibo ( 'Sur del Lago'), en bij de grote steden langs de kust (vooral voor zuivel); het grootste deel (vooral in de Llanos) is slachtvee, gehouden op extensieve grootbedrijven. Voorts worden varkens, schapen, muilezels, paarden en pluimvee gehouden. De grote houtreserves van het land - ca. een derde van het totale landoppervlak is met bos en tropisch regenwoud bedekt - worden in geringe mate en veelal onoordeelkundig geëxploiteerd, hetgeen tot ontbossing en erosie (vooral aan de bovenloop van de rivieren in het Llanosgebied) heeft geleid. Traditioneel is visserij een belangrijk middel van bestaan voor de kustbewoners; de overheid stimuleert modernisering van de vloot. Zeevis en garnalen worden gebruikt voor de binnenlandse consumptie, verwerkt tot conserven en vismeel en voor een deel uitgevoerd.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Venezuela is rijk aan delfstoffen, waarvan aardolie de belangrijkste is. Oliewinning en exploitatie waren vanaf het begin in handen van buitenlandse maatschappijen. Sedert de nationalisatie in 1976 werken de grote maatschappijen als Shell, Gulf en Creole onder nieuwe namen (resp. Maraven, Meneven en Lagoven) als Venezolaanse bedrijven, onderdeel van het in 1975 opgerichte staatsbedrijf PDVSA (Petróleos de Venezuela), dat de exploratie, productie, verwerking en verkoop regelt. De meeste aardolie komt vanouds uit het gebied in en rond het Meer van Maracaibo uit de velden van Lagunillas, Cabimas en Mene Grande; verder uit het oostelijke oliegebied (Anaco, El Tigre en Caripito); er zijn voorts nog kleinere velden in Barinas, Falcón en Guárico. De productie bedroeg in 1995 gemiddeld 3,3 miljoen vaten aardolie per dag (in 1970 nog gemiddeld 3,7 miljoen vaten per dag), waarvan ca. de helft voor de binnenlandse consumptie bestemd is. De totale reserves aan aardolie werden in 1994 geschat op 9,1 miljard ton, bij het huidige productieniveau genoeg tot ver na het jaar 2000. Wel is het merendeel hiervan middelzware tot zware olie, welke minder makkelijk te winnen en te verwerken is dan de lichte. Of de enorme reserves aan bitumineuze olie (de tar sands) in het Faja Petrolífera del Orinoco in het oosten van Venezuela ooit zullen worden ontgonnen is niet alleen een financieel, maar ook een technisch probleem. Tegelijk met de winning van aardolie worden enorme hoeveelheden aardgas gewonnen (24 miljard m3 in 1994), in toenemende mate een belangrijke energiebron voor de industrie. Een tweede belangrijk mijnbouwproduct is ijzererts, waarvan de naar schatting 2 miljard ton hoogwaardige reserves (62% Fe-gehalte) bij El Pao en Cerro Bolívar pas in 1950 konden worden ontgonnen na voltooiing van ertshavens aan de Orinoco en het benodigde smalspoor. De combinatie van deze rijke ertslagen met goedkope energie (waterkracht, aardolie en aardgas) en diep vaarwater (bereikbaar voor zeeschepen) legde de grondslag voor een hoogovencomplex, dat vooral voor de export van verrijkt erts en staalproducten produceert. De Noord-Amerikaanse eigenaars (U.S. Steel en Bethlehem Steel) werden in 1975 schadeloos gesteld voor de overneming van de activiteiten door de Venezolaanse staat. De winning van steenkool gebeurt nog in Lobatera (in de deelstaat Táchira); de exploitatie van de mijn bij Naricual is in 1979 gestaakt. Van groot belang zijn de enorme bauxietvoorraden in het district Cedeño in de deelstaat Bolívar (Los Pijiguaos); de in 1979 opgerichte staatsonderneming BAUXIVEN begon in 1986 met de productie van bauxieterts. Voorts wordt in Venezuela goud gevonden (El Callao) en is de winning van diamanten en zeezout van belang; in de toekomst zullen ook nog zwavel, fosfaat, mangaan en nikkel worden gewonnen.
4.4 Industrie
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de traditioneel op de verwerking van agrarische producten ingestelde economie langzaam uitgebreid. Rond 1960 werd begonnen aan een grootschalige ontwikkeling van natuurlijke hulpbronnen en energie (waterkracht), met de ontwikkeling van de Guayana-regio in het oosten van het land; Ciudad Guayana werd een centrum van zware basisindustrie. Het hoogoven- en staalcomplex van SIDOR (Siderúrgica del Orinoco; staatsbedrijf) verwerkt de nabijgelegen ijzerertsvoorraden van El Pao en Cerro Bolívar tot buizen, plaatstaal gietijzer en ertspellets. Aluminium wordt geproduceerd door de staatsbedrijven ALCASA (Alumino del Caroní S.A.) en VENALUM (Venezolana de Alumino), die het bij Pijiguaos gewonnen bauxiet o.a. verwerken in de Interalumina-fabriek bij Puerto Ordaz, de grootste aluminiumsmelterij van Latijns-Amerika. In 1995 werd 627.000 ton aluminium geproduceerd, dat na aardolie en staal het voornaamste exportproduct is. Verder worden in Ciudad Guayana nog cement, glas en cellulose geproduceerd. Een belangrijk deel van de in het land gewonnen aardolie wordt in Venezuela zelf geraffineerd; van de zeventien raffinaderijen zijn die bij Punta Cardón (Maravén) en bij Amuay (Lagovén) op het schiereiland Paraguaná de grootste. Behalve benzine en stookolie (deels rechtstreeks voor de export) leveren deze raffinaderijen grondstoffen voor de sterk groeiende petrochemische industrie. In de beide grote petrochemische bedrijven in El Tablazo en bij Morón (NITROVEN; deels staatsbedrijf) worden behalve chemische basisproducten (ammoniak, kaustische soda, ethaan, propaan, propyleen en ethyleen) kunstmest, farmaceutische producten, explosieven, kunstvezels en plastics vervaardigd. Een in 1991 gestart investeringsprogramma tot een totaal van $ 5 miljard, deels gefinancierd door buitenlandse investeerders, moet leiden tot de bouw van nieuwe petrochemische complexen in de staat Zulia, in Morón en bij de stad José in Noordoost-Venezuela. De cementproductie, nu nog niet in staat aan de binnenlandse vraag te voldoen, zal worden uitgebreid met een nieuwe fabriek (CEMENORCA). Een centrum van metaalverwerkende industrie wordt ontwikkeld bij La Fría (deelstaat Táchira), waar de Fundición del Táchira gietstukken voor motoren en machines produceert. De metaalverwerkende industrie produceert verder auto's (assemblage in Maracay en Valencia), tractoren (Ciudad Bolívar), machines, gereedschappen, huishoudelijke elektrische apparaten en constructiematerialen. Traditioneel is de textielindustrie van belang (Caracas, Valencia, Barquisimeto, Valencia en Puerto Cabello). De voedings- en genotmiddelenindustrie produceert bier, maïsmeel, visconserven, zuivelproducten, veevoer, tabakswaren, vruchtenconserven, eetbare oliën en vetten, suiker en sterkalcoholische dranken. Voorts produceert de industrie glas, papier, rubber (binnen- en buitenbanden), farmaceutische producten, lederwaren en verfstoffen. De belangrijkste industriecentra zijn Valencia, Maracay, Caracas, Ciudad Guayana, Barquisimeto, Maracaibo en San Cristóbal; in de regio's Capital en Central is ruim driekwart van de industriële productie en de industriële werkgelegenheid geconcentreerd.
4.5 Handel
Olie is het belangrijkste exportproduct; van de totale uitvoer in 1994 nam de export van ruwe olie en aardolieproducten 70% voor zijn rekening. Sinds 1980 is de uitvoer van aluminium belangrijker dan die van ijzererts. Onder de invoerproducten nemen machines, transportmiddelen, grondstoffen, halffabrikaten en voedingsmiddelen de belangrijkste plaats in. Vanouds zijn de Verenigde Staten de grootste handelspartner; andere belangrijke partners zijn de Nederlandse Antillen (uitvoer van aardolie), Colombia, Japan en Duitsland.
4.6 Bankwezen
De in 1939 opgerichte Banco Central de Venezuela is de centrale bank.
4.7 Verkeer
Venezuela 1 - Our transport, Los Andes pictureVenezuela beschikt over een goed wegennet. Van de ca. 93.500 km weglengte is 80% het gehele jaar te berijden; bijna 30.000 km is geasfalteerd of heeft een betonnen wegdek. Zeer moderne autosnelwegen in en rond Caracas verbinden de hoofdstad met alle belangrijke bevolkingscentra. Autobussen nemen een groot deel van het vervoer op grotere afstand voor hun rekening, terwijl in de steden en op de korte afstand de lijntaxi (por puesto) niet weg te denken is. In 1989 werd een ondergronds spoorwegnet in Caracas voltooid met een lengte van 50 km. Officieel was in 1990 nog 336 km spoorweg in gebruik, o.m. voor personenvervoer tussen Barquisimeto en Puerto Cabello, maar slecht onderhoud maakte deze verbinding allesbehalve betrouwbaar. Het staatsspoorwegbedrijf IAAFE (Instituto Autónomo Administración de Ferrocarriles del Estado) heeft plannen voor een grote uitbreiding van het net in het Llanosgebied. De belangrijkste zeehavens zijn La Guaira (stukgoed), Puerto Cabello en Maracaibo; de oliehavens zijn Punta Cardón, Amuay en Las Piedras, terwijl Puerto Ordaz aan de Río Orinoco de voor zeeschepen bereikbare uitvoerhaven is van ijzererts en aluminium. Sinds de kanalisering van de vaargeul tussen het Meer van Maracaibo en de Caribische Zee is Maracaibo ook voor zeeschepen bereikbaar. Voor het luchtverkeer zijn ca. 300 vliegvelden en landingsstrips beschikbaar; hiervan zijn er vijf geschikt voor internationaal luchtverkeer: de nationale luchthaven Aeropuerto Internacional Simón Bolívar bij Maiquetía (op 35 km van Caracas), Maracaibo, Maturín, Porlamar (op het eiland Margarita) en Barcelona. Internationale vluchten worden verzorgd door de luchtvaartmaatschappij VIASA (Venezolana Internacional de Aviación), terwijl naast AVENSA en AEROPOSTAL in toenemende mate privévliegtuigen het binnenlandse luchtverkeer verzorgen. Voor het transport van ruwe olie en aardgas beschikt het land over ruim 8500 km pijpleidingen.

5. Geschiedenis
5.1 Vanaf de ontdekking
Venezuela werd door Columbus ontdekt tijdens diens derde reis (1498). Het land kreeg in 1499 van Ojeda en Vespucci de naam Venezuela (d.i. Klein-Venetië) wegens de paalwoningen van de inboorlingen die zij in de streek van het tegenwoordige Meer van Maracaibo aantroffen. De omvang van de toenmalige inheemse bevolking was gering; ook hun cultuur was weinig ontwikkeld. In de loop des tijds is deze Indianenbevolking dan ook, met uitzondering van de half geciviliseerde Goajira's ten westen van Maracaibo, teruggedrongen tot bezuiden de rivier de Orinoco. Op bescheiden schaal werden groepen negerslaven ingevoerd, waarvan enkele lokale nederzettingen nu nog aan de noordkust van Venezuela te vinden zijn. Na een mislukte concessie tot exploitatie door het Duitse bankiershuis Welser (1528-1556), viel het land terug aan de Spaanse Kroon, nadat de door de El Dorado-legende ingegeven pogingen tot goudproductie vruchteloos waren gebleken. In 1567 werd de hoofdstad Caracas gesticht door Diego de Losada. Pas in de 18de eeuw werd begonnen met de cultuur van koffie, cacao en indigo, die echter veel hinder ondervond van het Spaanse handelsmonopolie. In 1777 werd het land een kapitein-generaalschap, dat in ca. 1800 een bevolking van ca. 800.000 zielen telde.
Zoals elders in Latijns-Amerika, vormden de revolutionaire ontwikkelingen in Europa en de daaruit voortvloeiende liberale stromingen, alsook de groeiende weerstand tegen de economische beperkingen van het Spaanse koloniale bestuur, de onmiddellijke aanleiding tot het streven naar onafhankelijkheid, dat reeds in enkele verspreide opstanden, m.n. in 1797 en 1806, een uitdrukking zocht. Toch was de beweging die - ondernomen door de lokale elite: grondbezitters, handelslieden en intellectuelen - in 1811 de stoot gaf tot de onafhankelijkheid, aanvankelijk slechts bedoeld om te getuigen van de blijvende loyaliteit aan de koning van Spanje, die in 1808 onder Franse druk tot aftreden gedwongen was ten gunste van de nieuwe koning Jozef Bonaparte. Zeer snel echter groeide deze opstand uit tot een revolutionaire beweging, die, na op 5 juli 1811 de formele onafhankelijkheid geproclameerd te hebben, nog tot 1821 verwikkeld bleef in het gewapend verzet tegen de Spaanse troepen. Het leiderschap van deze beweging berustte bij Francisco de Miranda en de later tot vader des vaderlands uitgeroepen Simón Bolívar, die de onafhankelijkheid wist veilig te stellen. Zijn streven om andere onafhankelijk geworden staten te verenigen in de zgn. Groot-Colombiaanse Federatie mislukte. Na zijn dood (1830) kreeg het land gedurende een groot deel van de 19de eeuw te lijden van aanhoudende burgertwisten, die zich vooral toespitsten op de verdeeldheid omtrent de centralistische versus federalistische bestuursvorm, een probleem dat in de jaren tussen 1859 en 1863 leidde tot de zgn. Federale Oorlog. Maar ook nadien bleven onder de regimes van de gebroeders Monagas, Guzmán Blanco, Joaquín Crespo en Cipriano Castro uiteenlopende vormen van autocratie en despotisme elkaar opvolgen. De ongeregelde houding die Castro aan den dag legde tegen buitenlandse firma's leidde tot vijandelijkheden met verscheidene naties, waaronder de Verenigde Staten, Frankrijk en Nederland, dat in 1908 ter bescherming van de handelspositie van de West tot militaire acties overging. Castro's val leidde uiteindelijk tot de zeer langdurige dictatuur van Juan Vicente Gómez (1908-1935). Het is in deze periode dat het land als gevolg van de ca. 1920 plaatsvindende olieontdekkingen tot een - overigens zeer ongelijk verdeelde - welvaart kwam. Onder de meer gematigde presidenten López Contreras (1935-1941) en Medina Angarita (1941-1945) werden de eerste stappen gezet op de weg van de politieke democratie. Vanuit de oppositie hadden zich echter al in de nadagen van Gómez' bewind nieuwe sociale en politieke krachten gevormd, die er in de revolutie van 1945 in slaagden om tezamen met jonge legerofficieren de macht over te nemen. De nieuwe gematigd socialistische Acción Democrática (AD) van de latere president Rómulo Bétancourt schreef in 1947 verkiezingen uit, die het presidentschap met een grote stemmenmeerderheid deden toevallen aan de met deze partij verwante Rómulo Gallegos. Hij werd echter zeer kort daarna (1948) ten val gebracht door een militaire staatsgreep, waarna het land voor een periode van tien jaar terugkeerde tot een militaire dictatuur, geleid door generaal Pérez Jiménez. Onder zijn bewind werd de economische groei sterk gestimuleerd, maar de onderdrukking van politieke vrijheden leidde tot groeiende protestbewegingen, die er in jan. 1958 met de steun van het leger in slaagden om Pérez Jiménez te verdrijven. Het sociaal-democratische bestel heeft zich sindsdien zonder onderbreking kunnen handhaven, ondanks diverse pogingen tot weerwraak van de aanhangers van de vroegere dictatuur en ondanks de gewapende acties van de linkse guerrillabewegingen, gestimuleerd door het succes van de Cubaanse revolutie.
5.2 De jaren zestig tot negentig
Rafael Caldera bracht na de opeenvolgende ambtstermijnen van Bétancourt (1959-1964) en Raúl Leoni (1964-1969) de COPEI - zij het in een minderheidsregering - aan de macht. Caldera's politiek van samenwerking met de AD leidde tot een aantal hervormingen, waarvan de vergroting van de staatsinkomsten uit de aardolie en de voorgenomen nationalisatie van de oliemaatschappijen met ingang van 1984 de belangrijkste waren. Na hem leverden de AD (1974-1979: Carlos Andrés Pérez; 1984-1989: Jaime Lusinchi) en de COPEI (1979-1984: Luis Herrera Campíns) om de beurt de president. De ambtstermijn van president Lusinchi werd beheerst door economische stagnatie als gevolg van de gedaalde prijzen voor aardolie op de wereldmarkt. Binnen de AD ontstonden diepgaande meningsverschillen over het te voeren economisch beleid. Tegen de wil van Lusinchi koos de partijleiding in 1988 C.A. Pérez als kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Door een ruime overwinning op de kandidaat van de COPEI verwierf Pérez voor de tweede maal het presidentschap, nu echter onder minder gunstige omstandigheden. In een poging de economische teruggang te stoppen voerde Pérez een aanpassingsprogramma door, waarbij de overheidsuitgaven teruggedrongen werden en een begin werd gemaakt met de liberalisering van de economie. Een verhoging van de voedsel- en brandstofprijzen leidde begin 1989 tot grootscheepse plunderingen en gevechten met de politie, waarbij zeker 300 doden vielen. Ook de daaropvolgende jaren duurde de sociale onrust voort. In februari 1992 werd een poging tot staatsgreep van opstandige militairen neergeslagen door loyale strijdkrachtonderdelen. Drijfveer van de rebellen was de toenemende armoede onder de bevolking en de corruptie bij de overheid. Door een aantal leden van de COPEI op te nemen in zijn regering trachtte Pérez zijn wankele positie te verstevigen.
Vanaf het einde van de jaren tachtig werd Venezuela een belangrijk doorvoerland voor de smokkel van cocaïne. Regelmatig vonden schermutselingen plaats tussen drugssmokkelaars en Venezolaanse militairen in het grensgebied met Colombia, waardoor de historische grensgeschillen tussen beide landen nog verscherpt werden.
Door scherpe bezuinigingsprogramma's en de corruptie is de politieke stabiliteit in gevaar gekomen. Twee pogingen tot staatsgreep en een moordaanslag op president Carlos Andrés Pérez karakteriseerden de politieke instabiliteit van het land in 1992. In mei 1993 werd Pérez afgezet op grond van beschuldigingen van o.a. misbruik van overheidsgelden. Hij werd opgevolgd door interimpresident Ramón José Velásguez. Deze verkreeg in aug. speciale volmacht om bij decreet te regeren teneinde de economische crisis te kunnen bestrijden.
In febr. 1994 trad Rafael Caldera aan als president, nadat hij ook al van 1969 tot 1974 president was geweest. Caldera moest regeren met zeer kleine marges. Hij benoemde Venezuela's bekendste anticorruptiemagistraat, Ramòn Escovar Salom, tot minister van Binnenlandse Zaken. De regionale verkiezingen van dec. 1995 vielen vooral op door een zeer lage opkomst (nog geen 40%) en beschuldigingen van fraude. De uitslagen wezen op een bevestiging van de status-quo.
In febr. 1995 kondigde de regering een reddingsplan aan om één grote en vier kleinere banken voor de ondergang te behoeden. Sinds jan. 1994 heeft de regering al 18 van de ruim 40 Venezolaanse particuliere banken overgenomen, waarmee in totaal een bedrag was gemoeid van 7 miljard dollar. De economie herstelde zich in het najaar van 1995 licht van de klap van 1994 (toen het land door de bankcrisis in een recessie terechtkwam, waarbij de inflatie opliep naar 80% en de economische teruggang 4% bedroeg), vooral door de stijgende export.
De inflatie bleef echter met ruim 50% zeer hoog. In dec. werd de nationale munt, de bolívar, met 40% gedevalueerd. De enorme toename van misdaad en geweld (het aantal moorden was in 1995 opgelopen tot 5000 per jaar) leidde in mei tot een golf van burgerprotesten.
In jan. 1996 opende de regering de mogelijkheid voor buitenlandse ondernemingen om mee te dingen naar de exploitatierechten voor oliewinning, waardoor de Venezolaanse olie-industrie voor het eerst in 20 jaar werd geopend voor buitenlandse bedrijven. Na weken van
cap3.jpg (6401 bytes)protesten en stakingsdreigingen tegen het bezuinigingsbeleid van de regering voerde president Caldera in maart 1996 een aantal kabinetswijzigingen door en kondigde hij in april een nieuw economisch herstelprogramma af onder de naam 'Agenda Venezuela'. Na twee jaar van recessie was er in 1996 weer sprake van een lichte groei van ruim 2%.
Eind mei werd oud-president Carlos Andrés Pérez - zie foto veroordeeld tot ruim twee jaar gevangenisstraf voor het misbruiken van 17 miljoen dollar aan geheime binnenlandse veiligheidsfondsen, waarmee hij zijn verkiezingscampagne in 1991 zou hebben gefinancierd. In okt. vonden ten minste 30 gevangenen de dood in de la Plantagegevangenis van Caracas na een oproer. Sinds 1991 zijn bij gevangenisopstanden ten minste 360 gedetineerden om het leven gekomen.

Telefoongids Venezuela
Postcodes Venezuela

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009