|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Een
van de drie vanaf de gebergteknoop van Pamplona uitwaaierende uitlopers
van de Andes komt in het noordwesten Venezuela binnen, buigt als Sierra
Nevada de Mérida naar het noordoosten en loopt vervolgens langs de kust
naar het oosten; de Pico Bolívar is met 5002 m het hoogste punt van het
land. Het aanmerkelijk lagere kustgebergte bestaat uit een noordelijke
en een zuidelijke keten. De noordelijke wordt ten oosten van Caracas
onderbroken en zet zich voort op de schiereilanden Araya en Paria en
zelfs op Trinidad. Tussen deze ketens is een bekken waardoor de Río Tuy
naar zee stroomt. Meer naar het westen ligt bij Valencia het Lago de
Valencia, een zoetwatermeer dat sinds de daling van het waterniveau na
1900 met 5 m geen afvloeiing naar zee meer heeft. Ten westen van de
Sierra Nevada de Mérida ligt de laagte rondom het 14.344 km2 grote en
tot 250 m diepe Lago de Maracaibo (eigenlijk een binnenzee met open
verbinding met de Caribische Zee). De Río Catatumbo en de Río Escalante
monden erin uit. De nauwe uitweg naar zee, de Bahia de Tablazo, wordt
door de lage duineilanden vrijwel afgesloten en is moeilijk bevaarbaar.
Het schiereiland van Paraguaná is door een smalle duinenreeks verbonden
met de kust van Falcón. Tussen het hooggebergte en de Orinoco strekt
zich een betrekkelijk vlak terrein van Tertiaire en Kwartaire zanden
uit, de Llanos, dalend van west naar oost en gemiddeld 200 m hoog. Het
noordwestelijk deel is het droogst. De Orinoco, die tal van zijrivieren
opneemt, is de belangrijkste rivier van Venezuela. De voornaamste
mondingstak, de Boca Grande, is voor zeeschepen bevaarbaar. Ten zuiden
en ten oosten van de Orinoco ligt het Hoogland van Guyana, een grof
geplooide bergformatie met ruige bossen, de waterscheiding tussen
Orinoco en Amazone. Het oostelijk deel, La Gran Sabana (Roraima, 2810 m),
is bedekt met verbrokkelde horizontale zandsteenlagen: steile
tafelbergen gescheiden door golvende dalen. Ten noordwesten hiervan ligt
een tweede massief, Auyantepui (tot ca. 2400 m). Hier bevindt zich in de
Río Caroní, een zijrivier van de Orinoco, de hoogste waterval ter wereld
(Salto Angel of Angel Falls): het water wordt na een vrije val van 807 m
door een uitstekende richel opgevangen en dan volgt een tweede val van
172 m.
1.2 Klimaat
Venezuela heeft een tropisch klimaat; in de Llanos is dat een
savanneklimaat, terwijl het binnenland in het noordwesten, zuiden en
oosten tropisch heet is; het Maracaibobekken en de Orinocodelta zijn
even heet, maar vochtiger dan de rest van het binnenland. De
overheersende wind is de noordoostpassaat, waardoor vooral aan de kust
de temperaturen worden gematigd. Caracas heeft een gemiddelde
jaartemperatuur van 19,6°C en een jaarneerslag van 810 mm; deze cijfers
zijn voor La Guaira aan de kust ten noorden van Caracas 27,0°C resp. 490
mm en voor Ciudad Bolívar aan de Orinoco 19,6°C resp. 920 mm.
1.3 Plantengroei
Langs de kust zijn de naar het noordoosten gekeerde hellingen nat en
zwaar bebost; aan de andere zijde komt struikvegetatie voor. Verder naar
het zuiden, in de Llanos, veranderen in het natte seizoen (juni-oktober)
duizenden hectaren land in ondiepe meren. In het droge seizoen (december-maart)
verdroogt het gebied en verdort het gras. Hoewel de seizoenen in het
Hoogland van Guyana hetzelfde ritme volgen en er hier dus ook 's zomers
veel regen valt, terwijl er 's winters grote droogte heerst, is het
grootste gedeelte van dit gebied met dichte wouden bedekt. De onbeboste
delen zijn open, golvende savannen.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is een typisch Zuid-Amerikaanse, meer in het bijzonder
die van het tropisch regenwoud, hoewel ook savanneachtige vegetatietypen
met hun karakteristieke fauna (grote miereneter, herten) goed
vertegenwoordigd zijn. Van de beschermde gebieden is het Parque Nacional
Henri Pittier in het noorden van het land het belangrijkste; van zee tot
binnenland omvat dit vrijwel alle vegetatiezones van Venezuela met de
bijbehorende fauna. De vogelwereld telt er meer dan 500 soorten,
waaronder 30 soorten kolibri's en meer dan 50 vliegenvangers. Het
reservaat huisvest het bekende biologisch veldstation Rancho Grande.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ruim
tweederde van de bevolking bestaat uit mestiezen (van Indiaans-blanke
afkomst) en mulatten (van blank-negroïde afkomst); ca. 20% van de
bevolking beschouwt zich als blank (vnl. van Spaanse en Italiaanse
afkomst), 10% als neger. Naar schatting is nog slechts 1% te beschouwen
als autochtoon Indiaans; deze groep woont in het noordwesten (Goajira)
en in de Orinocodelta en het Guyanahoogland. Er is een aanzienlijk
aantal geïmmigreerde Colombianen, op zoek naar werk. In de periode van
1981-1994 is het inwonertal met gemiddeld 2,5% per jaar gestegen. De
bevolking woont vnl. geconcentreerd in het kustgebied. Stagnatie en
mechanisatie in de landbouw hebben geleid tot een grote trek naar de
steden; woonde in 1951 54% van de totale bevolking in de steden, in 1994
was dat percentage 92%. De grootste steden zijn (schatting 1995):
Caracas (stedelijk gebied 5 miljoen inw.), Maracaibo (1, 5 miljoen inw.),
Valencia (1,2 miljoen inw.), Barquisimeto (900.000 inw.) en Barcelona/Puerto
La Cruz (443.000 inw.).
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. Daarnaast worden Caribische (meng)talen
gesproken.
2.3 Religie
Volgens de grondwet is er vrijheid van godsdienst. De meerderheid van de
bevolking (ca. 95%) is rooms-katholiek. Er zijn zeven aartsbisdommen,
negentien bisdommen en vier apostolische vicariaten. De primaat van de
Venezolaanse kerk is de aartsbisschop van Caracas. Een kleine minderheid
vormen de ca. 50.000 protestanten (overwegend zevendedagsadventisten en
leden van pinkstergemeenten). De joodse gemeenschap telt ca. 15.000
leden. Een deel van de oorspronkelijke Indianenbevolking hangt
natuurreligies aan.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1961 is Venezuela een presidentiële federale
republiek. De wetgevende macht berust bij het Congres, bestaande uit een
Senaat (52 leden, 2 leden per deelstaat, terwijl ook alle ex-presidenten
lid zijn) en een Kamer van Afgevaardigden (203 leden, gekozen voor vijf
jaar; minstens 2 leden per deelstaat). De uitvoerende macht berust bij
de rechtstreeks voor een ambtstermijn van vijf jaar gekozen president,
die tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten is; hij is de eerste
tien jaar na het einde van zijn ambtstermijn niet herkiesbaar. De leden
van de ministerraad worden door de president aangewezen. Alle burgers
van achttien jaar en ouder hebben kiesrecht (stemplicht): de
verkiezingen worden uitgevoerd onder controle van de Consejo Supremo
Electoral.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Venezuela verdeeld in een Distrito Federal (de
hoofdstad), twintig deelstaten (estados) en twee federale territoria (territorios
federales); de 72 kleine eilanden in de Caribische Zee worden
rechtstreeks bestuurd door het ministerie van Binnenlandse Zaken (dependencias
federales). De deelstaten, met een beperkte autonomie, worden bestuurd
door een door de president benoemde gouverneur; ze hebben eigen
wetgeving en uitvoerende macht. In december 1989 werden voor het eerst
directe verkiezingen gehouden voor gouverneurs. De deelstaten zijn
onderverdeeld in 156 districten en deze weer in 613 municipios.
3.3 Rechtswezen
Hoogste rechtsprekende instantie is het federaal Hooggerechtshof (Corte
Suprema de Justicia), waarvan de vijftien leden voor een ambtstermijn
van negen jaar gekozen zijn door het Congres. Op deelstaat- en
gemeenteniveau zijn er gerechtshoven en gewone rechtbanken.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Venezuela is lid van de Verenigde Naties, de Organisatie van Amerikaanse
Staten (OAS), de Latijns-Amerikaanse Integratie Associatie (LAIA), het
Andes-Pact (Grupo Andino), van het Latijns-Amerikaans Economisch Systeem
(SELA) en van de OPEC.
3.5 Politieke organisatie; partijwezen en vakbeweging
De twee belangrijkste politieke partijen zijn de in 1946 opgerichte
christen-democratische COPEI (Comité de Organización Política Electoral
Independente) en de in 1941 opgerichte sociaal-democratische AD (Acción
Democrática). Voorts spelen nog een rol de in 1988 opgerichte Nueva
Generación Democrática (NGD; rechts van het midden), La Causa Radical
(1972), Convergencia Nacional (1993) en Movimiento al Socialismo (1972).
De sinds 1944 in de CTV (Confederación de Trabajadores de Venezuela)
verenigde vakbonden van vooral industriearbeiders hebben door hun banden
met de politici duidelijk bijgedragen aan de arbeidsrust en de belangen
van arbeiders hieraan nogal eens ondergeschikt gemaakt.
4. Economie
4.1 Algemeen
Tot de opkomst van
de aardoliewinning in de jaren twintig was de landbouw de belangrijkste
economische activiteit, waarbij vooral de export van koffie een grote
rol speelde. De commerciële aardolie-exploitatie ging in 1917 van start
en sedertdien heeft de winning een explosieve ontwikkeling doorgemaakt;
tussen 1928 en 1969 was Venezuela de belangrijkste aardolie-exporteur
ter wereld en sinds 1975 de vierde (na Saoedi-Arabië, Iran en Irak).
Vooral sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog vormt aardolie de
basis van de economie. Na de nationalisatie van de ijzerertswinning en
-verwerking (1975) en van de buitenlandse oliemaatschappijen (1976) had
de overheid haar toch al grote invloed op de economie nog versterkt; op
bijna alle terreinen van de economie had de overheid via semi-autonome
instituten (Institutos Autónomos) direct of indirect belangen in
productie en handel. Vanaf 1989 heeft de regering echter een
privatiseringsprogramma in gang gezet, bedoeld om buitenlandse
investeringen aan te trekken.
In 1993 was van de economisch actieve bevolking (6, 4 miljoen personen)
11% werkzaam in de landbouw (en de veehouderij), 1% in de mijnbouw, 26%
in de industrie en 62% in handel en dienstensector. Het aandeel van deze
sectoren in het bnp was: landbouw en veehouderij 5%, mijnbouw 24%,
industrie 18% en handel en dienstverlening 53%. De economie, die in de
periode 1970-1977 met gemiddeld 3,2% per jaar groeide, stagneert
sindsdien; tussen 1990 en 1994 groeide het bnp slechts met gemiddeld
3,2% per jaar (in 1994 2,8%).
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 20% geschikt voor agrarische
doeleinden, waarvan 70% in staatsbezit. Ter stimulering van de landbouw
werd in 1945 het Instituto Agrario Nacional (IAN) opgericht. In 1960
werd een landhervormingswet van kracht; sedertdien is 8,3 miljoen ha
grond verdeeld onder bijna 150!000 boerenfamilies. Ca. 25% van de grond
was afkomstig van onteigend grootgrondbezit. Het zwaartepunt bij de
landhervorming heeft steeds gelegen bij het ontginnen van nieuwe
gronden, de verbetering van de infrastructuur en kredietverlening. De
overheid steunt echter vooral het goed renderende middelgrote en
grootbedrijf, terwijl de kleine boeren moeilijk toegang krijgen tot
kredieten en andere steun voor hun bedrijf.
De belangrijkste landbouwgebieden liggen in de valleien in het
Andesgebied en aan de voet van dit gebergte, zowel aan de Llanos-kant
als aan de kant van het Meer van Maracaibo. De belangrijkste producten
zijn maïs, rijst, koffie, peulvruchten, diverse soorten bananen,
suikerriet, katoen en sesamzaad; voorts worden geproduceerd pinda's,
yuca, citrusvruchten, uien, tomaten, cacao, tabak en groenten. De
productie van een aantal gewassen is onvoldoende voor de binnenlandse
consumptie. Rundvee wordt vooral gehouden in de centrale Llanos, het
gebied ten zuiden van het Meer van Maracaibo ( 'Sur del Lago'), en bij
de grote steden langs de kust (vooral voor zuivel); het grootste deel
(vooral in de Llanos) is slachtvee, gehouden op extensieve
grootbedrijven. Voorts worden varkens, schapen, muilezels, paarden en
pluimvee gehouden. De grote houtreserves van het land - ca. een derde
van het totale landoppervlak is met bos en tropisch regenwoud bedekt -
worden in geringe mate en veelal onoordeelkundig geëxploiteerd, hetgeen
tot ontbossing en erosie (vooral aan de bovenloop van de rivieren in het
Llanosgebied) heeft geleid. Traditioneel is visserij een belangrijk
middel van bestaan voor de kustbewoners; de overheid stimuleert
modernisering van de vloot. Zeevis en garnalen worden gebruikt voor de
binnenlandse consumptie, verwerkt tot conserven en vismeel en voor een
deel uitgevoerd.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Venezuela is rijk aan delfstoffen, waarvan aardolie de belangrijkste is.
Oliewinning en exploitatie waren vanaf het begin in handen van
buitenlandse maatschappijen. Sedert de nationalisatie in 1976 werken de
grote maatschappijen als Shell, Gulf en Creole onder nieuwe namen (resp.
Maraven, Meneven en Lagoven) als Venezolaanse bedrijven, onderdeel van
het in 1975 opgerichte staatsbedrijf PDVSA (Petróleos de Venezuela), dat
de exploratie, productie, verwerking en verkoop regelt. De meeste
aardolie komt vanouds uit het gebied in en rond het Meer van Maracaibo
uit de velden van Lagunillas, Cabimas en Mene Grande; verder uit het
oostelijke oliegebied (Anaco, El Tigre en Caripito); er zijn voorts nog
kleinere velden in Barinas, Falcón en Guárico. De productie bedroeg in
1995 gemiddeld 3,3 miljoen vaten aardolie per dag (in 1970 nog gemiddeld
3,7 miljoen vaten per dag), waarvan ca. de helft voor de binnenlandse
consumptie bestemd is. De totale reserves aan aardolie werden in 1994
geschat op 9,1 miljard ton, bij het huidige productieniveau genoeg tot
ver na het jaar 2000. Wel is het merendeel hiervan middelzware tot zware
olie, welke minder makkelijk te winnen en te verwerken is dan de lichte.
Of de enorme reserves aan bitumineuze olie (de tar sands) in het Faja
Petrolífera del Orinoco in het oosten van Venezuela ooit zullen worden
ontgonnen is niet alleen een financieel, maar ook een technisch
probleem. Tegelijk met de winning van aardolie worden enorme
hoeveelheden aardgas gewonnen (24 miljard m3 in 1994), in toenemende
mate een belangrijke energiebron voor de industrie. Een tweede
belangrijk mijnbouwproduct is ijzererts, waarvan de naar schatting 2
miljard ton hoogwaardige reserves (62% Fe-gehalte) bij El Pao en Cerro
Bolívar pas in 1950 konden worden ontgonnen na voltooiing van ertshavens
aan de Orinoco en het benodigde smalspoor. De combinatie van deze rijke
ertslagen met goedkope energie (waterkracht, aardolie en aardgas) en
diep vaarwater (bereikbaar voor zeeschepen) legde de grondslag voor een
hoogovencomplex, dat vooral voor de export van verrijkt erts en
staalproducten produceert. De Noord-Amerikaanse eigenaars (U.S. Steel en
Bethlehem Steel) werden in 1975 schadeloos gesteld voor de overneming
van de activiteiten door de Venezolaanse staat. De winning van steenkool
gebeurt nog in Lobatera (in de deelstaat Táchira); de exploitatie van de
mijn bij Naricual is in 1979 gestaakt. Van groot belang zijn de enorme
bauxietvoorraden in het district Cedeño in de deelstaat Bolívar (Los
Pijiguaos); de in 1979 opgerichte staatsonderneming BAUXIVEN begon in
1986 met de productie van bauxieterts. Voorts wordt in Venezuela goud
gevonden (El Callao) en is de winning van diamanten en zeezout van
belang; in de toekomst zullen ook nog zwavel, fosfaat, mangaan en nikkel
worden gewonnen.
4.4 Industrie
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de traditioneel op de verwerking van
agrarische producten ingestelde economie langzaam uitgebreid. Rond 1960
werd begonnen aan een grootschalige ontwikkeling van natuurlijke
hulpbronnen en energie (waterkracht), met de ontwikkeling van de
Guayana-regio in het oosten van het land; Ciudad Guayana werd een
centrum van zware basisindustrie. Het hoogoven- en staalcomplex van
SIDOR (Siderúrgica del Orinoco; staatsbedrijf) verwerkt de nabijgelegen
ijzerertsvoorraden van El Pao en Cerro Bolívar tot buizen, plaatstaal
gietijzer en ertspellets. Aluminium wordt geproduceerd door de
staatsbedrijven ALCASA (Alumino del Caroní S.A.) en VENALUM (Venezolana
de Alumino), die het bij Pijiguaos gewonnen bauxiet o.a. verwerken in de
Interalumina-fabriek bij Puerto Ordaz, de grootste aluminiumsmelterij
van Latijns-Amerika. In 1995 werd 627.000 ton aluminium geproduceerd,
dat na aardolie en staal het voornaamste exportproduct is. Verder worden
in Ciudad Guayana nog cement, glas en cellulose geproduceerd. Een
belangrijk deel van de in het land gewonnen aardolie wordt in Venezuela
zelf geraffineerd; van de zeventien raffinaderijen zijn die bij Punta
Cardón (Maravén) en bij Amuay (Lagovén) op het schiereiland Paraguaná de
grootste. Behalve benzine en stookolie (deels rechtstreeks voor de
export) leveren deze raffinaderijen grondstoffen voor de sterk groeiende
petrochemische industrie. In de beide grote petrochemische bedrijven in
El Tablazo en bij Morón (NITROVEN; deels staatsbedrijf) worden behalve
chemische basisproducten (ammoniak, kaustische soda, ethaan, propaan,
propyleen en ethyleen) kunstmest, farmaceutische producten, explosieven,
kunstvezels en plastics vervaardigd. Een in 1991 gestart
investeringsprogramma tot een totaal van $ 5 miljard, deels gefinancierd
door buitenlandse investeerders, moet leiden tot de bouw van nieuwe
petrochemische complexen in de staat Zulia, in Morón en bij de stad José
in Noordoost-Venezuela. De cementproductie, nu nog niet in staat aan de
binnenlandse vraag te voldoen, zal worden uitgebreid met een nieuwe
fabriek (CEMENORCA). Een centrum van metaalverwerkende industrie wordt
ontwikkeld bij La Fría (deelstaat Táchira), waar de Fundición del
Táchira gietstukken voor motoren en machines produceert. De
metaalverwerkende industrie produceert verder auto's (assemblage in
Maracay en Valencia), tractoren (Ciudad Bolívar), machines,
gereedschappen, huishoudelijke elektrische apparaten en
constructiematerialen. Traditioneel is de textielindustrie van belang (Caracas,
Valencia, Barquisimeto, Valencia en Puerto Cabello). De voedings- en
genotmiddelenindustrie produceert bier, maïsmeel, visconserven,
zuivelproducten, veevoer, tabakswaren, vruchtenconserven, eetbare oliën
en vetten, suiker en sterkalcoholische dranken. Voorts produceert de
industrie glas, papier, rubber (binnen- en buitenbanden), farmaceutische
producten, lederwaren en verfstoffen. De belangrijkste industriecentra
zijn Valencia, Maracay, Caracas, Ciudad Guayana, Barquisimeto, Maracaibo
en San Cristóbal; in de regio's Capital en Central is ruim driekwart van
de industriële productie en de industriële werkgelegenheid
geconcentreerd.
4.5 Handel
Olie is het belangrijkste exportproduct; van de totale uitvoer in 1994
nam de export van ruwe olie en aardolieproducten 70% voor zijn rekening.
Sinds 1980 is de uitvoer van aluminium belangrijker dan die van
ijzererts. Onder de invoerproducten nemen machines, transportmiddelen,
grondstoffen, halffabrikaten en voedingsmiddelen de belangrijkste plaats
in. Vanouds zijn de Verenigde Staten de grootste handelspartner; andere
belangrijke partners zijn de Nederlandse Antillen (uitvoer van
aardolie), Colombia, Japan en Duitsland.
4.6 Bankwezen
De in 1939 opgerichte Banco Central de Venezuela is de centrale bank.
4.7 Verkeer
Venezuela
beschikt over een goed wegennet. Van de ca. 93.500 km weglengte is 80%
het gehele jaar te berijden; bijna 30.000 km is geasfalteerd of heeft
een betonnen wegdek. Zeer moderne autosnelwegen in en rond Caracas
verbinden de hoofdstad met alle belangrijke bevolkingscentra. Autobussen
nemen een groot deel van het vervoer op grotere afstand voor hun
rekening, terwijl in de steden en op de korte afstand de lijntaxi (por
puesto) niet weg te denken is. In 1989 werd een ondergronds spoorwegnet
in Caracas voltooid met een lengte van 50 km. Officieel was in 1990 nog
336 km spoorweg in gebruik, o.m. voor personenvervoer tussen
Barquisimeto en Puerto Cabello, maar slecht onderhoud maakte deze
verbinding allesbehalve betrouwbaar. Het staatsspoorwegbedrijf IAAFE (Instituto
Autónomo Administración de Ferrocarriles del Estado) heeft plannen voor
een grote uitbreiding van het net in het Llanosgebied. De belangrijkste
zeehavens zijn La Guaira (stukgoed), Puerto Cabello en Maracaibo; de
oliehavens zijn Punta Cardón, Amuay en Las Piedras, terwijl Puerto Ordaz
aan de Río Orinoco de voor zeeschepen bereikbare uitvoerhaven is van
ijzererts en aluminium. Sinds de kanalisering van de vaargeul tussen het
Meer van Maracaibo en de Caribische Zee is Maracaibo ook voor zeeschepen
bereikbaar. Voor het luchtverkeer zijn ca. 300 vliegvelden en
landingsstrips beschikbaar; hiervan zijn er vijf geschikt voor
internationaal luchtverkeer: de nationale luchthaven Aeropuerto
Internacional Simón Bolívar bij Maiquetía (op 35 km van Caracas),
Maracaibo, Maturín, Porlamar (op het eiland Margarita) en Barcelona.
Internationale vluchten worden verzorgd door de luchtvaartmaatschappij
VIASA (Venezolana Internacional de Aviación), terwijl naast AVENSA en
AEROPOSTAL in toenemende mate privévliegtuigen het binnenlandse
luchtverkeer verzorgen. Voor het transport van ruwe olie en aardgas
beschikt het land over ruim 8500 km pijpleidingen.
5. Geschiedenis
5.1 Vanaf de ontdekking
Venezuela werd door
Columbus ontdekt tijdens diens derde reis (1498). Het land kreeg in
1499 van Ojeda en
Vespucci de naam Venezuela (d.i. Klein-Venetië) wegens de
paalwoningen van de inboorlingen die zij in de streek van het
tegenwoordige Meer van Maracaibo aantroffen. De omvang van de toenmalige
inheemse bevolking was gering; ook hun cultuur was weinig ontwikkeld. In
de loop des tijds is deze Indianenbevolking dan ook, met uitzondering
van de half geciviliseerde Goajira's ten westen van Maracaibo,
teruggedrongen tot bezuiden de rivier de Orinoco. Op bescheiden schaal
werden groepen negerslaven ingevoerd, waarvan enkele lokale
nederzettingen nu nog aan de noordkust van Venezuela te vinden zijn. Na
een mislukte concessie tot exploitatie door het Duitse bankiershuis
Welser (1528-1556), viel het land terug aan de Spaanse Kroon, nadat de
door de El Dorado-legende ingegeven pogingen tot goudproductie
vruchteloos waren gebleken. In 1567 werd de hoofdstad Caracas gesticht
door Diego de Losada. Pas in de 18de eeuw werd begonnen met de cultuur
van koffie, cacao en indigo, die echter veel hinder ondervond van het
Spaanse handelsmonopolie. In 1777 werd het land een
kapitein-generaalschap, dat in ca. 1800 een bevolking van ca. 800.000
zielen telde.
Zoals elders in Latijns-Amerika, vormden de revolutionaire
ontwikkelingen in Europa en de daaruit voortvloeiende liberale
stromingen, alsook de groeiende weerstand tegen de economische
beperkingen van het Spaanse koloniale bestuur, de onmiddellijke
aanleiding tot het streven naar onafhankelijkheid, dat reeds in enkele
verspreide opstanden, m.n. in 1797 en 1806, een uitdrukking zocht. Toch
was de beweging die - ondernomen door de lokale elite: grondbezitters,
handelslieden en intellectuelen - in 1811 de stoot gaf tot de
onafhankelijkheid, aanvankelijk slechts bedoeld om te getuigen van de
blijvende loyaliteit aan de koning van Spanje, die in 1808 onder Franse
druk tot aftreden gedwongen was ten gunste van de nieuwe koning Jozef
Bonaparte. Zeer snel echter groeide deze opstand uit tot een
revolutionaire beweging, die, na op 5 juli 1811 de formele
onafhankelijkheid geproclameerd te hebben, nog tot 1821 verwikkeld bleef
in het gewapend verzet tegen de Spaanse troepen. Het leiderschap van
deze beweging berustte bij Francisco de Miranda en de later tot vader
des vaderlands uitgeroepen Simón Bolívar, die de onafhankelijkheid wist
veilig te stellen. Zijn streven om andere onafhankelijk geworden staten
te verenigen in de zgn. Groot-Colombiaanse Federatie mislukte. Na zijn
dood (1830) kreeg het land gedurende een groot deel van de 19de eeuw te
lijden van aanhoudende burgertwisten, die zich vooral toespitsten op de
verdeeldheid omtrent de centralistische versus federalistische
bestuursvorm, een probleem dat in de jaren tussen 1859 en 1863 leidde
tot de zgn. Federale Oorlog. Maar ook nadien bleven onder de regimes van
de gebroeders Monagas, Guzmán Blanco, Joaquín Crespo en Cipriano Castro
uiteenlopende vormen van autocratie en despotisme elkaar opvolgen. De
ongeregelde houding die Castro aan den dag legde tegen buitenlandse
firma's leidde tot vijandelijkheden met verscheidene naties, waaronder
de Verenigde Staten, Frankrijk en Nederland, dat in 1908 ter bescherming
van de handelspositie van de West tot militaire acties overging.
Castro's val leidde uiteindelijk tot de zeer langdurige dictatuur van
Juan Vicente Gómez (1908-1935). Het is in deze periode dat het land als
gevolg van de ca. 1920 plaatsvindende olieontdekkingen tot een -
overigens zeer ongelijk verdeelde - welvaart kwam. Onder de meer
gematigde presidenten López Contreras (1935-1941) en Medina Angarita
(1941-1945) werden de eerste stappen gezet op de weg van de politieke
democratie. Vanuit de oppositie hadden zich echter al in de nadagen van
Gómez' bewind nieuwe sociale en politieke krachten gevormd, die er in de
revolutie van 1945 in slaagden om tezamen met jonge legerofficieren de
macht over te nemen. De nieuwe gematigd socialistische Acción
Democrática (AD) van de latere president Rómulo Bétancourt schreef in
1947 verkiezingen uit, die het presidentschap met een grote
stemmenmeerderheid deden toevallen aan de met deze partij verwante
Rómulo Gallegos. Hij werd echter zeer kort daarna (1948) ten val
gebracht door een militaire staatsgreep, waarna het land voor een
periode van tien jaar terugkeerde tot een militaire dictatuur, geleid
door generaal Pérez Jiménez. Onder zijn bewind werd de economische groei
sterk gestimuleerd, maar de onderdrukking van politieke vrijheden leidde
tot groeiende protestbewegingen, die er in jan. 1958 met de steun van
het leger in slaagden om Pérez Jiménez te verdrijven. Het
sociaal-democratische bestel heeft zich sindsdien zonder onderbreking
kunnen handhaven, ondanks diverse pogingen tot weerwraak van de
aanhangers van de vroegere dictatuur en ondanks de gewapende acties van
de linkse guerrillabewegingen, gestimuleerd door het succes van de
Cubaanse revolutie.
5.2 De jaren zestig tot negentig
Rafael Caldera bracht na de opeenvolgende ambtstermijnen van Bétancourt
(1959-1964) en Raúl Leoni (1964-1969) de COPEI - zij het in een
minderheidsregering - aan de macht. Caldera's politiek van samenwerking
met de AD leidde tot een aantal hervormingen, waarvan de vergroting van
de staatsinkomsten uit de aardolie en de voorgenomen nationalisatie van
de oliemaatschappijen met ingang van 1984 de belangrijkste waren. Na hem
leverden de AD (1974-1979: Carlos Andrés Pérez; 1984-1989: Jaime
Lusinchi) en de COPEI (1979-1984: Luis Herrera Campíns) om de beurt de
president. De ambtstermijn van president Lusinchi werd beheerst door
economische stagnatie als gevolg van de gedaalde prijzen voor aardolie
op de wereldmarkt. Binnen de AD ontstonden diepgaande meningsverschillen
over het te voeren economisch beleid. Tegen de wil van Lusinchi koos de
partijleiding in 1988 C.A. Pérez als kandidaat voor de
presidentsverkiezingen. Door een ruime overwinning op de kandidaat van
de COPEI verwierf Pérez voor de tweede maal het presidentschap, nu
echter onder minder gunstige omstandigheden. In een poging de
economische teruggang te stoppen voerde Pérez een aanpassingsprogramma
door, waarbij de overheidsuitgaven teruggedrongen werden en een begin
werd gemaakt met de liberalisering van de economie. Een verhoging van de
voedsel- en brandstofprijzen leidde begin 1989 tot grootscheepse
plunderingen en gevechten met de politie, waarbij zeker 300 doden
vielen. Ook de daaropvolgende jaren duurde de sociale onrust voort. In
februari 1992 werd een poging tot staatsgreep van opstandige militairen
neergeslagen door loyale strijdkrachtonderdelen. Drijfveer van de
rebellen was de toenemende armoede onder de bevolking en de corruptie
bij de overheid. Door een aantal leden van de COPEI op te nemen in zijn
regering trachtte Pérez zijn wankele positie te verstevigen.
Vanaf het einde van de jaren tachtig werd Venezuela een belangrijk
doorvoerland voor de smokkel van cocaïne. Regelmatig vonden
schermutselingen plaats tussen drugssmokkelaars en Venezolaanse
militairen in het grensgebied met Colombia, waardoor de historische
grensgeschillen tussen beide landen nog verscherpt werden.
Door scherpe bezuinigingsprogramma's en de corruptie is de politieke
stabiliteit in gevaar gekomen. Twee pogingen tot staatsgreep en een
moordaanslag op president Carlos Andrés Pérez karakteriseerden de
politieke instabiliteit van het land in 1992. In mei 1993 werd Pérez
afgezet op grond van beschuldigingen van o.a. misbruik van
overheidsgelden. Hij werd opgevolgd door interimpresident Ramón José
Velásguez. Deze verkreeg in aug. speciale volmacht om bij decreet te
regeren teneinde de economische crisis te kunnen bestrijden.
In febr. 1994 trad Rafael Caldera aan als president, nadat hij ook al
van 1969 tot 1974 president was geweest. Caldera moest regeren met zeer
kleine marges. Hij benoemde Venezuela's bekendste
anticorruptiemagistraat, Ramòn Escovar Salom, tot minister van
Binnenlandse Zaken. De regionale verkiezingen van dec. 1995 vielen
vooral op door een zeer lage opkomst (nog geen 40%) en beschuldigingen
van fraude. De uitslagen wezen op een bevestiging van de status-quo.
In febr. 1995 kondigde de regering een reddingsplan aan om één grote en
vier kleinere banken voor de ondergang te behoeden. Sinds jan. 1994
heeft de regering al 18 van de ruim 40 Venezolaanse particuliere banken
overgenomen, waarmee in totaal een bedrag was gemoeid van 7 miljard
dollar. De economie herstelde zich in het najaar van 1995 licht van de
klap van 1994 (toen het land door de bankcrisis in een recessie
terechtkwam, waarbij de inflatie opliep naar 80% en de economische
teruggang 4% bedroeg), vooral door de stijgende export.
De inflatie bleef echter met ruim 50% zeer hoog. In dec. werd de
nationale munt, de bolívar, met 40% gedevalueerd. De enorme toename van
misdaad en geweld (het aantal moorden was in 1995 opgelopen tot 5000 per
jaar) leidde in mei tot een golf van burgerprotesten.
In jan. 1996 opende de regering de mogelijkheid voor buitenlandse
ondernemingen om mee te dingen naar de exploitatierechten voor
oliewinning, waardoor de Venezolaanse olie-industrie voor het eerst in
20 jaar werd geopend voor buitenlandse bedrijven. Na weken van
protesten
en stakingsdreigingen tegen het bezuinigingsbeleid van de regering
voerde president Caldera in maart 1996 een aantal kabinetswijzigingen
door en kondigde hij in april een nieuw economisch herstelprogramma af
onder de naam 'Agenda Venezuela'. Na twee jaar van recessie was er in
1996 weer sprake van een lichte groei van ruim 2%.
Eind mei werd oud-president Carlos Andrés Pérez - zie foto
veroordeeld tot ruim twee jaar gevangenisstraf voor het misbruiken van
17 miljoen dollar aan geheime binnenlandse veiligheidsfondsen, waarmee
hij zijn verkiezingscampagne in 1991 zou hebben gefinancierd. In okt.
vonden ten minste 30 gevangenen de dood in de la Plantagegevangenis van
Caracas na een oproer. Sinds 1991 zijn bij gevangenisopstanden ten
minste 360 gedetineerden om het leven gekomen.
Telefoongids Venezuela
Postcodes
Venezuela
|