|
1. Bevolking
1.1 Samenstelling
De
huidige bevolking omvat een - zowel naar ras als naar land van herkomst
- grote verscheidenheid van groepen. De Amerikaanse samenleving is een
pluriforme samenleving. Sedert het einde van de jaren zestig kwam een
massale immigratie uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika op gang, terwijl
in dezelfde periode de immigratie uit Europa afnam. Het aandeel van
etnische minderheden aan de totale bevolking is daardoor sterk gestegen.
De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, maken slechts een klein deel
van de bevolking uit. Hun aantal is echter in de 20ste eeuw toegenomen
door een hoog geboortecijfer; in 1960 bedroeg hun aantal 547.000, in
1995 was dat gestegen tot ca. 2,2 miljoen. Een deel van hen woont in
door de overheid gestichte reservaten, overwegend in de westelijke
staten. In 1924 kregen de Indianen het volledige Amerikaanse
staatsburgerschap, terwijl de Indian Reorganization Act van 1934 de in
stamverband levende Indianen de mogelijkheid tot een hoge mate van
zelfbestuur gaf. (foto rechts : the white house)
Na de ontdekking van het land door de Europeanen vestigden zich al
spoedig kolonisten, vnl. Spanjaarden, aanvankelijk op bescheiden schaal
in het zuidoosten. Deze kolonisatie werd voortgezet door de vestiging in
de 17de eeuw aan de oostkust van vnl. Engelsen, Schotten en in mindere
mate Nederlanders en Duitsers. Zij zorgden ervoor dat de koloniale
samenleving een protestants-puriteins karakter kreeg, wat het ook lange
tijd heeft behouden. (In 1790 bestond de blanke bevolking voor ca. 89%
uit Engelsen en Schotten, voor ca. 5% uit Duitsers, voor ca. 2,5% uit
Nederlanders en 1% uit Ieren.) Vanuit de oostkust drongen zij langzaam
op naar het midden en westen, daarbij de zgn. frontier vormend. In de
17de en 18de eeuw ontstonden Franse nederzettingen in het Mississippidal.
In de 19de eeuw zou het bevolkingsaantal een spectaculaire groei te zien
geven. Telde het grondgebied in 1800 nog ca. vijf miljoen inwoners, aan
het eind van de eeuw bood het plaats aan ruim 75 miljoen mensen, die wat
hun etnische achtergrond betrof, een aanzienlijk gevarieerder beeld
opleverden dan de oude koloniale samenleving. Deze bevolkingsaanwas was
vnl. het gevolg van massale immigratie uit Europa, die zich voordeed in
enkele 'golven'. Bij de eerste golf, die omstreeks 1830 begon, kwamen
nog vnl. Britten, Duitsers, Scandinaviërs, Ieren en Nederlanders. Zij
assimileerden zich snel aan de bestaande samenleving, waarmee zij in
vele opzichten nauw verwant waren. Hun afstammelingen, tezamen met die
van de eerste groep kolonisten, zijn nog steeds de in vele opzichten
toonaangevende groep die wel als WASP (White Anglo Saxon Protestants)
wordt aangeduid.
Anders verging het de immigranten van de tweede golf die na de
Burgeroorlog op gang kwam. Deze omvatte vnl. inwoners van Oost- en
Zuidoosteuropa (Polen, Russen, Tsjechen, Hongaren, Italianen, Oekraïners,
enz.). Zij waren afkomstig uit verarmde streken, ongeschoold en hadden
daardoor een grote achterstand in een land dat in de tweede helft van de
19de eeuw al grotendeels geïndustrialiseerd was. Zij concentreerden zich
vaak in de grote steden en vormden daar gesloten groepen, die bleven
vasthouden aan hun eigen taal en gewoonten, terwijl ze in economisch en
sociaal opzicht achterbleven. Vermenging met andere groepen vond vrijwel
niet plaats, waardoor de assimilatie haar beslag niet kreeg. Pas na de
Tweede Wereldoorlog kwam de economische en sociale emancipatie van deze,
wel als 'ethnics' aangeduide, groep op gang, maar velen blijven
vasthouden aan hun gewoonten of de religie van hun land van herkomst.
Het totaal aantal Amerikaanse blanken bedroeg in 1995 193,3 miljoen (74%
van de bevolking).
Een aanzienlijke immigrantengroep, die echter niet uit eigen vrije wil
kwam, vormden de vanaf de 17de tot in de 19de eeuw het land
binnengevoerde negerslaven, afkomstig uit Afrika, die vnl. in het
zuidoosten op plantages te werk gesteld werden. Zij bleven ook na de
afschaffing van de slavernij in 1863 een in vele opzichten
achtergestelde groepering. Als gevolg van de mechanisatie van de
landbouw moesten velen naar een andere bron van inkomsten uitzien en
miljoenen (naar schatting vier miljoen) trokken vooral na de Tweede
Wereldoorlog naar het noorden, waar zij in de grote steden, veelal in
afzonderlijke woonwijken, onder vaak zeer slechte economische en sociale
omstandigheden verblijven. In 1995 woonden ca. 33 miljoen zwarten in het
land (13% van de bevolking).
Een bevolkingsgroep die eerst in de jaren zestig de publieke aandacht
kreeg, hoewel een deel ervan al generaties op het grondgebied woont,
wordt gevormd door de Spaanstalige Amerikanen (Hispanics): Mexicaanse
Amerikanen, Portoricanen, Cubanen en kleinere groepen zoals Haïtianen.
Het merendeel, met uitzondering van de meeste Cubanen, heeft een lage
opleiding en is bijgevolg in de slecht betaalde beroepen te vinden,
terwijl ze ook in vele andere opzichten een tweederangs positie innemen.
Zij wonen veelal in speciale wijken (barrios) en houden vast aan hun
eigen gewoonten. In bijna de helft van de gezinnen is het Spaans de
voertaal. De tienduizenden Cubanen die in 1980 hun land mochten verlaten
en naar de Verenigde Staten kwamen (en daar de Marielitos,
bootvluchtelingen, worden genoemd) komen wat hun opleiding en bijgevolg
hun sociale situatie betreft meer overeen met de andere Spaanstalige
Amerikanen. De 'hispanics' vormen met 26, 8 miljoen zielen 10% van de
bevolking.
Een veel minder op de voorgrond tredende groep van naar schatting in
1995 9, 2 miljoen (4% van de bevolking) vormen de Amerikanen van
Aziatische afkomst, vnl. Japanners, Chinezen, Filippinos, Vietnamezen en
Koreanen.
1.2 Immigratie
Oorspronkelijk gold het principe van vrije immigratie voor
iedereen, ongeacht huidskleur of nationaliteit; na de Eerste
Wereldoorlog werden limieten gesteld. In 1921 en 1924 werden
immigratiewetten ingesteld, die jaarlijkse quota per land van toe te
laten immigranten vastlegden, aanvankelijk alleen voor landen van het
oostelijk halfrond, sedert 1968 ook voor landen van het westelijk
halfrond. In 1978 werd dit systeem opgeheven. Sinds 1981 mogen jaarlijks
270.000 buitenlanders worden toegelaten en niet meer dan 20.000 uit één
land. De nieuwe immigratiewet voorziet verder in een jaarlijkse
toelating van 50.000 politieke vluchtelingen, terwijl zowel de president
als het Congres de bevoegdheid bezit om deze limiet onder speciale
omstandigheden te overschrijden. In 1995 namen de Verenigde Staten
152.200 buitenlanders legaal op, van wie 2600 uit Cuba.
1.3 Spreiding en ontwikkeling
De bevolkingsspreiding is uiterst ongelijk. Alaska en de droge gebieden
in het westen hebben een bevolkingsdichtheid van minder dan 10 inw. per
km2, terwijl het oosten, de gebieden om de Grote Meren en delen van
Texas en Californië een zeer hoge bevolkingsdichtheid hebben. De
aantrekkingskracht van de staten in het zuiden (de sunshine belt) ligt
in het klimaat (veel gepensioneerden vestigden zich er) en in de
economische opbloei die deze staten in de jaren zeventig en tachtig
kenden (vestiging van technisch zeer geavanceerde bedrijven).
Ca. 76% van de bevolking woonde in 1994 in een stedelijk gebied (dwz.
een plaats van 2500 inw. of meer). Californië en sommige noordoostelijke
staten hebben de grootste verstedelijking. Relatief het minst
verstedelijkt zijn de zuidelijke staten.
De al jaren bestaande opschuiving van het bevolkingszwaartepunt (center
of population) van oost naar west heeft zich in de jaren tachtig
voortgezet.
De gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg over de periode
1985-1994 1%. Het geboortecijfer bedroeg in 1993 16‰; het sterftecijfer
9‰. Het huwelijkscijfer bedroeg in 1991 9, 5‰. Het echtscheidingscijfer
steeg en was in 1991 4,6‰, vergeleken met 3,7‰ in 1971. De
levensverwachting bij geboorte bedroeg in 1994 73 jaar voor blanke
mannen, 67,5 jaar voor zwarte en gekleurde mannen, 79 jaar voor blanke
vrouwen en 75 jaar voor zwarte en gekleurde vrouwen.
1.4 Taal
Het overgrote deel van de bevolking heeft het Engels (zie Amerikaans
Engels) als moedertaal, maar er worden diverse andere, Europese en
niet-Europese, talen gesproken. In de grote steden treft men
groeperingen aan die vaak vele generaties lang de taal van herkomst
hebben behouden (vaak ook hebben zij een krant in de eigen taal). In
gedeelten van Louisiana wordt een Frans dialect gesproken en sommige
Frans-Canadezen in New England hebben eveneens de taal van hun buren in
Canada behouden. De Portoricanen en tal van personen van Spaanse afkomst
spreken Spaans. De Eskimo's in Alaska hebben hun eigen taal; op Hawaii
wordt nog een Polynesische taal gesproken.
1.5 Religie
Na de Vrijheidsoorlog werd de godsdienstvrijheid in de grondwet
opgenomen en een volledige scheiding van kerk en staat doorgevoerd
(1791). Ca. 28% van de bevolking is protestant. Het protestantisme is
sterk gepolariseerd met als extremen fundamentalisme en liberalisme
(vrijzinnigheid). Er is een grote verscheidenheid van christelijke
denominaties (meer dan 250 kerken, geloofsgemeenschappen en religieuze
groeperingen), deels ontstaan door immigratie en sociale verschillen,
deels door activiteiten van predikers, waardoor verschillende
opwekkingsbewegingen ontstonden. De voornaamste kerktypen zijn:
baptisten, methodisten, lutheranen, pinkstergemeenten, Heiligen der
laatste dagen, presbyterianen en hervormden, anglicanen (episcopaalse
kerk) en churches of Christ. Tot de kleinere kerkgenootschappen behoren
o.a. de (zevendedag)adventisten, Christian Science, Broederenkerk,
Jehova's getuigen, Quakers, Leger des Heils, unitarische kerken. In de
jaren zeventig kwamen verschillende anti-institutionele bewegingen als
Youth for Christ en Jesus people sterk in de belangstelling; in de jaren
tachtig werd in steeds toenemende mate door kerken van uiterst
fundamentalistische signatuur geëvangeliseerd via de televisie (de
electronic church). Tot de Rooms-Katholieke Kerk behoort ca. 26% van de
bevolking. Er waren in 1991 32 aartsbisdommen met in totaal 138
bisdommen. Ca. 2,6% van de bevolking is joods. Naast de groepering van
de orthodoxe joden kent de joodse gemeenschap van de Verenigde Staten
twee van het traditionele orthodoxe jodendom afwijkende richtingen nl.
die van het reformjodendom en die van het conservative judaism.
Boeddhisten, islamieten en hindoes vormen kleine minderheden.
2. Bestuur en samenleving
2.1 Staatsinrichting
In de staten van Amerika deed rond de onafhankelijkheidsverklaring in
1776 de geschreven Constitutie - een beginselenwet van staatsinrichting,
die hoger recht inhoudt en minder gemakkelijk te wijzigen is dan gewoon
recht - haar intrede in de geschiedenis. De Amerikaanse grondwet, die
van 17 sept. 1787 dateert en als de 'moeder der constituties' wordt
beschouwd, combineerde de Angelsaksische traditie in het openbaar
bestuur met hoogtepunten van het denken van de Verlichting: de idee van
volkssoevereiniteit (Rousseau), de scheiding der machten (die
Montesquieu toeschreef aan het Engelse staatsbestel), de gedachte van
federalisme (ontleend aan de ervaringen van de dertien Amerikaanse
koloniën tijdens het Britse bewind) en de idee van 'bestuur door het
recht' - government by law - (van Locke). Dit staatsstuk is vooral een
bron van inspiratie geworden door de vrijheidsgedachte die erin
belichaamd is, dwz. in de Bill of Rights, de eerste tien van de 26
amendementen die tot 1992 (de laatste in 1970) op de grondwet zijn
aangebracht. Deze kwamen in 1791 tot stand, maar zijn geen wijzigingen
in strikte zin en worden algemeen tot de originele Constitutie gerekend.
In deze Bill of Rights zijn rechten van de mens vastgelegd. Om enkele te
noemen: vrijheid van godsdienst en pers (1ste amendement), verbod van
onredelijke onderzoeking en beslagneming wat betreft het huis en de
persoon (IV), garanties voor een eerlijke berechting in strafzaken,
inclusief het recht niet tegen zichzelf te getuigen (V, VI), verbod van
wrede en ongebruikelijke straffen (VII). Later werd een verbod van
slavernij toegevoegd (XIII) en het beginsel van gelijkheid voor de wet (XIV).
Centraal staat ook de eenheidsgedachte. De aanhef van de grondwet zegt
dat dit stuk is vastgesteld o.m. 'om aldus een volmaakter eenheid te
vormen' (to form a more perfect union). Opmerkelijk is hoe dit gebeurt
door een systeem dat het touwtrekken heeft geïnstitutionaliseerd. Het
doel van de meer volmaakte eenheid is op een allesbehalve uniformerende
manier vertaald in een stelsel waarin 'checks and balances' (onderlinge
controle en tegenwicht) centraal staan: in de verhouding tussen de
federatie en de deelstaten, in de verhouding tussen de drie gescheiden
machten in de staat: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
Daarmee zijn tevens de voornaamste onderdelen van het Amerikaanse
staatsbestel genoemd.
De wetgevende macht is opgedragen aan het Congress (Congres), dat
bestaat uit twee Kamers. De Senate (Senaat) telt twee leden voor iedere
staat (sinds 1969: 100 leden), die een zittingstermijn van zes jaar
hebben. Om de twee jaar worden verkiezingen gehouden voor een derde van
de senatoren, die beschouwd worden als 'vertegenwoordigers van de
duurzaamheid'. Het House of Representatives (Huis van Afgevaardigden)
heeft een zittingstermijn van twee jaar. Het ledental is in 1929
vastgesteld op 435, met dien verstande dat iedere staat ten minste één
afgevaardigde heeft. De verdeling van de overblijvende zetels over de
staten geschiedt afhankelijk van het inwonertal. De indeling van de
kiesdistricten (opgedragen aan de parlementen van de deelstaten) heeft
nogal eens geleid tot zgn. gerrymandering, genoemd naar de afgevaardigde
van Massachusetts, Elbridge Gerry, die in 1811 zo bekwaam een district
formeerde dat zijn tegenstanders geen schijn van kans meer hadden. (
'Dat district lijkt op een salamander', riep een van hen verontwaardigd
uit, waarop een ander zei: 'zeg liever een Gerrymander'.) Alle leden van
Huis en Senaat kunnen wetsontwerpen indienen; financiële wetten kunnen
alleen van het Huis uitgaan. De Senaat heeft in dat laatste geval echter
een vrijwel onbeperkt recht van amendement. Bij bijna alle belangrijke
ontwerpen ontstaan in Huis en Senaat verschillende versies. Deze worden
dan verzoend in een conferentie, een paritair samengestelde commissie.
Om wet te worden moet een voorstel door beide Kamers aanvaard zijn en
door de president ondertekend worden. Deze laatste heeft het recht van
veto, maar dat kan door een twee derde meerderheid in beide Kamers van
het Congres overstemd worden.
Het Congres heeft ook andere dan wetgevende functies. Zo beslist het
Huis van Afgevaardigden (op basis van één stem per staat), indien bij de
presidentsverkiezingen geen kandidaat de meerderheid krijgt. Een quasi
rechterlijke functie is het impeachment, een speciale procedure om de
president en andere hoge functionarissen (federale rechters bijv.) uit
hun ambt te ontzetten. Daarbij beslist het Huis over de beschuldiging en
de Senaat geeft (bij twee derde meerderheid) het eindoordeel. In de
executieve sfeer heeft de Senaat een goedkeuringsrecht (advise and
consent) ten aanzien van het sluiten van traktaten (twee derde
meerderheid vereist) en ten aanzien van benoemingen in - meest hogere -
overheidsfuncties door de president. Gewoonterecht maakt de Congresleden
ten slotte tot behartigers van individuele belangen van hun kiezers bij
de nationale administratie.
Afgeleid van de wetgevende taak - maar in de praktijk van zelfstandige
betekenis - is het onderzoekswerk van het Congres, zich veelal uitend in
hoorzittingen (hearings). In de periode 1792-1925 besloot het Congres
tot 285 enquêtes, in de periode 1950-1952 alleen al tot 225. Zowel wat
betreft de onderzoekingen als het eigenlijke wetgevende werk wordt de
werkwijze van beide Kamers gekenmerkt door voorbereiding in commissies,
die daardoor een sleutelfunctie vervullen. Nog steeds geldt de
karakteristiek van Woodrow Wilson (1885): 'Congress in its Committee
rooms, is Congress at work'. Ondanks herhaalde pogingen het aantal
commissies binnen de perken te houden, blijft het commissiesysteem
onveranderd doorgaan. In 1991 had de Senaat 16 vaste Kamercommissies,
het Huis had er 22, maar er zijn talrijke subcommissies in beide Kamers.
Het instellen van afzonderlijke subcommissies blijkt voor veel
congresleden verleidelijk om een eigen forum te scheppen. In de loop der
tijd is ook de betekenis van de congressionele staven toegenomen.
Congresleden beschikken over een groot aantal persoonlijke assistenten.
Anciënniteit was van oudsher de belangrijkste factor bij de verdeling
van de commissiefuncties, m.n. de voorzitterschappen. In de periode van
het Watergate-affaire (1973-1975) zijn echter hervormingen doorgevoerd
die de rol van de fractievergadering (caucus) hebben vergroot. Ook is de
geheimhouding, die veel congreswerk kenmerkte, afgezwakt. In de praktijk
berust de macht in het Congres bij de voorzitters van de belangrijkste
commissies en bij het leadership. Dit laatste bestaat uit de
fractievoorzitters en hun rechterhanden (whips) en de gekozen voorzitter
van het Huis, de Speaker. Deze is de voorman van de meerderheidspartij
en van oudsher de machtigste figuur in het Huis. De Senaat heeft als
voorzitter (president pro tempore) de vice-president van de Verenigde
Staten, die een minder centrale positie inneemt. Het Huis kent voorts
een Rules Committee, dat o.m. de agenda vaststelt en daarmee in sterke
mate de gang van zaken bepaalt. Een traditioneel machtsmiddel voor
individuele Congresleden is de filibuster: het houden van lange
redevoeringen (doorgaans in afwisseling door een groepje) om zo de
totstandkoming van een ongewenst voorstel te blokkeren. Dit is vooral in
de Senaat voorgekomen, maar recente hervormingen maken het makkelijker
het debat te sluiten (cloture). Talloze speciale belangen laten zich bij
het Congres vertegenwoordigen door lobbies (pressiegroepen). Tegen het
eind van de jaren zeventig kwam het gebruik van grote
computeradressystemen in zwang om fondsen voor lobbying te werven en om
handtekeningenacties te ontketenen.
De uitvoerende macht is opgedragen aan de president. Deze wordt voor
vier jaar gekozen (herverkiezing is slechts eenmaal mogelijk) in
algemene verkiezingen (kiesgerechtigde leeftijd vanaf 18 jaar) via een
college van kiesmannen, die per staat benoemd worden naar rato van het
aantal zetels van de staat in het Congres. De stembuswinnaar in een
staat krijgt alle kiesmannen, hoe klein zijn marge ook was. Ook de
plaatsvervanger van de president, de vice-president - die verder een
ondergeschikte functie vervult -, wordt zo gekozen. De opvolging berust
verder bij: de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, de
plaatsvervangend president van de Senaat (de vice-president is eerste
voorzitter van de Senaat), de minister van Buitenlandse Zaken en
vervolgens andere leden van het kabinet. Het XXVste Amendement (1967)
bevat een regeling voor het geval de president ongesteld raakt en maakt
het mogelijk in een vacature van het vice-presidentschap te voorzien. De
president benoemt dan een opvolger onder goedkeuring van een meerderheid
in beide Kamers van het Congres.
De functie van president is het 'donkere continent' van de Constitutie
genoemd. De onbepaaldheid van deze functie wordt hierdoor geïllustreerd
dat zij door niet minder dan vier amendementen is gewijzigd (XII, XX,
XXII, XXV) terwijl slechts één - ondergeschikt - amendement betrekking
heeft op de rechterlijke macht (XI) en een op de wetgevende macht (XVII).
De president combineert een politiek en moreel leiderschap. Hij is
'caesar en paus tegelijk' genoemd. Naar de woorden van president
Th. Roosevelt is hij ook 'bijna koning en eerste-minister in één' - waarbij
zij aangetekend dat de angst voor het koningschap en de vrees voor
caesarisme in het Witte Huis een van de primaire drijfveren bij het
opstellen van de grondwet was. Naar een bekende uitspraak van president
Harry S. Truman heeft de president zes 'hoeden', zes functies of
bevoegdheden:
a. Hij is staatshoofd. Hieronder valt o.m. het afkondigen van wetten en
het gratierecht. Als staatshoofd wordt de president ook beschouwd als
'woordvoerder van de natie' en heeft hij als weinig anderen toegang tot
de massamedia.
b. Hij is hoofd van de uitvoerende macht. Juist op dit punt is de
specificatie die de grondwet geeft, niet uitputtend. De president is
regeringsleider, hij heeft de taak erop toe te zien dat de wetten worden
uitgevoerd, hij is hoofd van het federale bestuursapparaat. De president
heeft ook het recht van benoeming en ontslag ten aanzien van
(sleutel)functies in het bestuur. Van oudsher is dit een bron van
patronage - een geducht politiek machtsmiddel -, al is deze mogelijkheid
successievelijk door het Congres ingedamd. Het meritsysteem geeft thans
ca. 90% van de federale ambtenaren een eigen rechtspositie.
c. Hij is opperbevelhebber van alle strijdkrachten en heeft
oorlogsbevoegdheden (war-powers). Hij beslist over het inzetten van
troepen in het buitenland en in het eigen land (president
Eisenhower in
Little Rock, 1957, in verband met de rassenintegratie). Het 'recht
oorlog te verklaren' is voorbehouden aan het Congres, maar het recht
oorlog te 'maken' aan de president. Presidenten hebben in totaal zeker
149 maal troepen in actie gestuurd zonder een formele machtiging van het
Congres.
d. Bij de president berust het bestuur van de buitenlandse betrekkingen.
Ook op dit punt heeft het Congres in beginsel belangrijke bevoegdheden,
m.n. het goedkeuringsrecht inzake verdragen van de Senaat. De president
kan dit echter omzeilen door niet een verdrag in formele zin, maar een
'executieve overeenkomst' te sluiten, die zich aan deze inspraak
onttrekt. Bovendien heeft het Hooggerechtshof uitgemaakt dat hij op dit
gebied een 'inherente macht' heeft. Zo is van oudsher de positie van de
president op dit vlak overheersend: van de Monroeleer ( 'Amerika voor de
Amerikanen') tot de
Nixon-doctrine (inzake het subsidiaire karakter van
Amerika's 'politierol' in de wereld) is de Amerikaanse buitenlandse
politiek bepaald door het Witte Huis.
e. Hij is initiator van wetgeving. Hoewel de wetgevende macht, inclusief
het recht van initiatief, bij het Congres ligt, vervult de president op
dit terrein toch een belangrijke rol. De grondwet draagt hem op zich
periodiek tot het Congres te richten (m.n. door de jaarlijkse
'troonrede': State of the Union-boodschap) en voorziet daarnaast ook in
het doen van specifieke voorstellen. In de praktijk vinden belangrijke
wetsontwerpen hun oorsprong in de uitvoerende macht. Tegenhanger, op het
eind van het wetgevend proces, is het vetorecht van de president en zijn
bevoegdheid tot impounding: bevriezing van door het Congres gevoteerde
fondsen.
f. Hij is hoofd van een politieke partij. De president is automatisch
leider van de politieke partij die hem kandidaat heeft gesteld. Dit
gebeurt in een 'nationale conventie' van die partij. De afgevaardigden
naar die bijeenkomst worden vaak aangesteld op basis van partijpolitieke
voorverkiezingen (primaries) in diverse staten.
De leer van de machtenscheiding brengt mee dat parlementaire
verantwoordelijkheid van de regering, zoals West-Europa die kent, in
Amerika niet bestaat. De president is onafzetbaar (behoudens impeachment)
en dat beheerst ook zijn optreden als regeringsleider. De grondwet noemt
'de hoofden der departementen', maar het kabinet heeft (behoudens het
goedkeuringsrecht van de Senaat op benoemingen) een volledig van de
president afgeleide functie. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het
belang van het kabinet afgenomen. Allerlei afzonderlijke federale
instellingen (zoals de NASA wat betreft de ruimtevaart) kwamen op buiten
het kabinet. Maar vooral groeide de eigen staf van de president tot het
werkelijke centrum van de regering: het Executive Office kreeg een apart
kantoorgebouw op het terrein van het Witte Huis. Een speciale - en
belangrijke - positie nemen de onafhankelijke regelgevende commissies
(independent regulatory commissions) in. Deze combineren ten aanzien van
bepaalde takken van nijverheid uitvoerende, rechterlijke en wetgevende
functies en zijn in hoge mate autonoom. De oudste is de Interstate
Commerce Commission (voor tussenstaatse handel) 1887. Andere belangrijke
commissies zijn: de Security and Exchange Commission (toezicht op de
effectenhandel), de Food and Drugs Administration (toezicht op productie
van voedsel en farmaceutische producten), de Federal Communications
Commission (toezicht op radio, televisie en telefoon), de Environmental
Protection Agency (toezicht op naleving van
milieubeschermingsmaatregelen) en de Consumer Product Safety Commission,
die een consumentenbeschermende functie heeft.
Het Amerikaanse staatsbestel gaat uit van een voortdurend
constitutioneel touwtrekken tussen de drie machten in de staat. Vooral
tussen president en volksvertegenwoordiging is dat het geval. Het
presidentschap is daarbij zeer expansief gebleken. Steeds meer kan
gesproken worden van een presidentiële democratie. In het algemeen geldt
de traditionele stelregel dat alles tot de uitvoerende macht behoort wat
niet uitdrukkelijk aan andere organen van de Unie is opgedragen. Het
Hooggerechtshof verbood in 1952 overigens inbeslagneming door president
Truman van de staalindustrie tijdens een arbeidsconflict en stelde zo
een grens aan de beweerde 'inherente uitvoerende macht' van algemene
aard.
2.2 Administratieve indeling
De Unie bestaat uit vijftig staten plus het District Columbia met
hoofdstad Washington, elk met een eigen grondwet. De staat ontleent zijn
bevoegdheden niet aan de federale regering, maar aan het volk van de
staat. Een bron van strijd is de verdeling van bevoegdheid tussen de
deelstaten en de Unie. De federale trias politica vindt haar
spiegelbeeld in de staatsinrichting van de deelstaten: een governor als
uitvoerende macht, een uit twee Kamers bestaande volksvertegenwoordiging
als wetgevende macht en een rechterlijke macht die veelal een geleding
meer heeft dan de federale: Justice of the Peace (vrederechter) of
Magistrate als 'kantongerecht', Circuit Court of Superior Court (unus
judex) als 'rechtbank', Court of Appeal (vijf rechters) als
appelrechter, State Supreme Court (zeven rechters) als hoogste
instantie, met beroep op het federale Hooggerechtshof wanneer de
uitspraak in strijd is met de Constitutie of met een federale wet. Op
vrijwel alle gebieden overlappen de sferen van Unie en deelstaten
elkaar. De grondwet bepaalt echter dat deze geldt als 'de hoogste wet in
het land' en deze supremacy clause is in de praktijk nog versterkt door
de toenemende financiële afhankelijkheid van de staten van het nationaal
bestuur. Zo is ook de regulerende bevoegdheid van het Congres - die ten
opzichte van de staten in de grondwet beperkt wordt - via de elastic
clause (artikel I, sectie 8) tot diep in de sfeer van de staten
doorgedrongen. De gedachte van competitive federalism (bondsstaat) heeft
plaatsgemaakt voor die van co-operative federalism (gedecentraliseerde
eenheidsstaat).
De gouverneur wordt direct door de inwoners van een staat gekozen. Zijn
ambtstermijn varieert van twee tot vier jaar. Zijn bevoegdheden variëren
eveneens van staat tot staat. In alle staten, behalve North Carolina,
heeft de gouverneur het recht van veto op de door het Congres van de
staat aangenomen wetgeving, dat echter in alle gevallen door dat Congres
'overruled' kan worden.
In vrijwel alle staten worden de hoge functionarissen van de
administratieve organen eveneens door de burgers gekozen. De staten zijn
onderverdeeld in graafschappen (counties), die eigen bevoegdheden
hebben. Louisiana is onderverdeeld in parochies (parishes), Alaska in
divisions.
2.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
De Verenigde Staten zijn lid van de Verenigde Naties en haar
suborganisaties, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de NAVO,
de OESO, het Colomboplan, het North American Free Trade Agreement
(NAFTA) tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico en het ANZUS-pact
(sinds 1986 alleen nog contacten met Australië).
2.4 Sociale situatie, sociale en medische voorzieningen
De Verenigde Staten behoren tot de rijkste landen ter wereld, maar een
niet gering deel van de Amerikanen (in 1995 36,4 miljoen) heeft een
inkomen dat onder de armoedegrens (= $ 15!596 voor een huishouden van
vier personen in 1995) ligt. In deze groep zijn de etnische minderheden,
m.n. de zwarten en de Spaanstaligen, oververtegenwoordigd (zie ook
Mexicaanse Amerikanen). Het gemiddelde jaarinkomen van de zwarte
bevolking bedroeg in 1988 $ 16.407, slechts 57% van dat van de blanke
bevolking. De hispanics zitten gemiddeld op 71% van het blanke inkomen.
De werkloosheid onder zwarten en Spaanstaligen is hoger dan onder
blanken. Scholing en huisvesting en gemiddelde levensverwachting van
deze groepen wijken in negatieve zin af van die van de blanke bevolking.
De grote verschillen in werkgelegenheid, criminaliteit en welstand
tussen blanken enerzijds en zwarten of kleurlingen anderzijds leidden in
het begin van de jaren negentig tot ernstige ongeregeldheden en
rassenrellen in de grote steden (o.a. in Washington, mei 1991, en in Los
Angeles, april 1992). Het door de regeringen-Reagan en -Bush gevoerde
bezuinigingsbeleid op het gebied van de sociale zekerheid en
hulpverlening heeft de bestaande verschillen alleen nog maar vergroot.
De federale overheid probeert door middel van wetgeving en andere
maatregelen bijv. de discriminatie bij de tewerkstelling tegen te gaan.
Zo is er het 'Affirmitive Action Program', waarmee de overheid
achtergebleven groepen een voorkeursbehandeling geeft. In 1991 werd een
nieuwe wet op de burgerrechten aangenomen, die vooral discriminatie op
de werkvloer moet tegengaan. In de jaren zeventig zijn de
antidiscriminatiemaatregelen uitgebreid tot buiten de overheidssfeer,
o.a. door middel van de Civil Rights Act en de instelling van de Equal
Employment Opportunity Commission, die de bevoegdheid heeft om bedrijven
die zich schuldig maken aan discriminatie voor de rechter te brengen
(zie ook segregatie).
2.5 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De Verenigde Staten kennen sedert de onafhankelijkheid een
tweepartijenstelsel. De huidige twee partijen, de Republikeinen (Republican
Party, symbool: de olifant) en de Democraten (Democratic Party, symbool:
de ezel) stammen van vóór de Burgeroorlog. Sedertdien hebben zij het
politieke leven gedomineerd. Iedere president sedert 1860 is gekozen als
kandidaat van één van beide partijen. Ook bij de keuze van de
gouverneurs en van de vertegenwoordigende organen in de staten geven
deze partijen de toon aan. Wel stellen bijv. de Socialist Party, de
Socialist Labor Party of de Prohibition Party bij allerlei verkiezingen
ook kandidaten, maar in de praktijk is het vrijwel onmogelijk om gekozen
te worden zonder de steun van één van beide partijen. De Amerikaanse
communisten, verenigd in de Socialist Workers Party, spelen geen rol van
betekenis. Op nationaal niveau zijn beide partijen evenwel niet veel
meer dan losse, voortdurend veranderende electorale coalities, die om de
vier jaar met veel moeite geactiveerd moeten worden om zich eensgezind
achter een presidentskandidaat te scharen. Op het niveau van de federale
staten en lager vertonen de partijen meer samenhang, maar zij
verschillen in een aantal opzichten aanzienlijk van bijv. de grote
politieke partijen in Europa. Zo kennen zij bijv. bijna geen betalende
leden en worden partijbijeenkomsten, zo zij al belegd worden, door
weinig mensen bezocht. Ook doen de partijen niet aan voorlichtings- of
vormingswerk en ontbreekt een beginselprogramma. Er is geen
partijbureaucratie en zowel op nationaal niveau als op dat van de staten
beschikken de partijen slechts over een kleine staf van betaalde
krachten. De partijorganisaties zijn er vnl. om bij verkiezingen
kandidaten te steunen en dat maakt dat hun activiteiten heel tijdelijk
zijn. Beide partijen hebben weliswaar een nationaal comité waarin één
man en één vrouw uit ieder van de vijftig staten zitting hebben, maar
dit comité heeft zeer beperkte bevoegdheden, evenals de nationale
voorzitter die door het comité wordt aangewezen. De voorzitter is geen
partijleider in de Europese betekenis van het woord. Is de partij op
nationaal niveau aan de macht, dan bepaalt het Witte Huis de partijlijn.
Is zij in de oppositie dan hebben invloedrijke leden van het Congres of
gouverneurs het voor het zeggen. De structurele en ideologische zwakte
van beide partijen heeft haar weerslag in het Congres. Niet zelden
stemmen bijv. rechtse Republikeinen en Democraten uit het zuiden samen
vóór of tegen een wetsontwerp. Vertegenwoordigers van minderheden vormen
stemblokken ongeacht hun partijachtergrond. De activiteiten van de
lobbyisten, m.n. in de Senaat, hebben meer invloed dan de
partijdiscipline.
De grootste overkoepelende vakbondsorganisatie is de American Federation
of Labor-Congress of Industrial Organizations (AFL-CIO) met 13, 9
miljoen van de in totaal 16,7 miljoen vakbondsleden (18% van de totale
beroepsbevolking). Enkele zeer machtige categorale bonden, de bond van
mijnwerkers en de bond van vrachtwagenchauffeurs (teamsters), zijn niet
bij de AFL-CIO aangesloten.
3. Economie
3.1 Inleiding
De economie berust in hoge mate op de beginselen van de vrije markt en
het particuliere ondernemerschap, waarbij de invloed van de overheid tot
een minimum is beperkt. Openbare nutsbedrijven als spoorwegen,
elektriciteitsbedrijven, telefoon e.d. zijn grotendeels in particuliere
handen. Toch houdt de overheid zich allerminst afzijdig van beïnvloeding
van het economische leven. Zo heeft zij een beslissende stem in de
hoogte van de tarieven die de nutsbedrijven aan hun klanten berekenen en
is het centrale bankwezen door een wet van 1913 in de overheidssfeer
getrokken (zie Federal Reserve System), terwijl er in de loop van de
tijd tevens een streng toezicht is gekomen op trustvorming. Verder
beïnvloedt de overheid het economisch leven door belastingheffing,
arbeidsbeschermende wetten, kwaliteitseisen en consumentenbeschermende
bepalingen. Als directe deelnemer aan het economisch leven, bijv. in de
vorm van staatsbedrijven, treedt de Amerikaanse overheid echter niet op.
Als gevolg van een combinatie van factoren zijn de Verenigde Staten het
welvarendste land ter wereld geworden. De enorme uitgestrektheid, de
vele mogelijkheden voor de landbouw, de aanwezigheid van vrijwel alle
belangrijke delfstoffen en een ondernemende en vindingrijke bevolking,
die juist naar het land was gekomen om zich materieel te verbeteren,
hebben het land tot de machtigste economische natie ter wereld gemaakt.
Door de opkomst van Japan als grote economische mogendheid worden de
Verenigde Staten echter thans in deze positie bedreigd. Met een
bevolking die nog geen 5% van de wereldbevolking uitmaakt en een
oppervlakte van 7% van het wereldoppervlak, nemen de Verenigde Staten
bijna een kwart van de wereldproductie voor hun rekening. Met
uitzondering van aardolie en enkele andere delfstoffen zijn de Verenigde
Staten geheel onafhankelijk van het buitenland wat hun grondstoffen
betreft.
Na de zware recessie van 1982 kende de Amerikaanse economie een aantal
jaren lang een periode van ononderbroken expansie met een gemiddelde
groei van 4% per jaar. Een complex van factoren lag hieraan ten
grondslag. Het nieuwe economische overheidsbeleid was geënt op de
theorieën van de supply-side economen, die veel verwachten van het
stimuleren van de aanbodzijde op de markt. Lagere belastingen en
deregulering leidden tot meer investeringen van het bedrijfsleven. Er
werd bezuinigd op verschillende federale programma's, m.n. op die in de
sociale sector. De daling van de olieprijs, van de rente en van de
dollar droeg verder bij tot het herstel van de economie. Maar tegelijk
liep ook het begrotingstekort enorm op, tot boven de $ 200 miljard in
1984 (6,3% van het bnp). De economische situatie van de jaren tachtig
stond in het algemeen in het teken van onevenwichtigheden.
Bedrijfstakken als staal, landbouw en textiel kampten met verslechterde
concurrentieposities. Voor het eerst sinds 1914 hadden de Verenigde
Staten meer schulden in het buitenland (vooral in Japan) dan andersom.
Het tekort op de handelsbalans groeide van $ 35 miljard in 1982 tot $
174 miljard in 1995. Om de steeds langzamer groeiende economie uit het
slop te halen werd een strakker monetair beleid gevoerd, mede om de
inflatie in toom te houden. Maar eind 1990 belandde de Amerikaanse
economie opnieuw in een recessie. Oorzaken waren het stijgen van de
olieprijs en het teruglopen van het vertrouwen van de consument (mede
ten gevolge van de Iraakse invasie in Koeweit). Het Bruto Nationaal
Product (bnp) daalde (in 1990 $ 5465,1 miljard oftewel $ 21.970 per
hoofd van de bevolking), de werkloosheid steeg tot boven de zeven
procent en ook de industriële productie daalde, voor het eerst sinds
1982. Daarentegen trok de export met een groei van 7% in 1991 flink aan.
In 1995 was het consumentenvertrouwen weer gestegen en herstelde de
economie zich redelijk voorspoedig. Het bnp beliep $ 7247, 7 miljard ($
25.860 p.p.). De beroepsbevolking was actief voor 4% in de landbouw,
voor 24% in de industrie en voor 72% in de dienstverlening.
3.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
In de jaren tachtig was het grootste probleem van de landbouw de
overproductie. Veel boeren slaagden er hierdoor niet in hun oogsten met
de geraamde winst te verkopen. De staat geeft jaarlijks grote sommen
subsidie voor export van agrarische grondstoffen en producten. In het
kader van de GATT-onderhandelingen dringen de Verenigde Staten er al
langer op aan de handelsbeperkingen voor agrarische producten en
exportsubsidies af te schaffen ten behoeve van een eerlijker
concurrentie op de wereldmarkt. Hierover bestaat echter grote onenigheid
met de EU.
De Verenigde Staten zijn reeds lange tijd de grootste exporteur van
landbouwproducten ter wereld, een positie die zij in de jaren tachtig
nog verder konden uitbreiden. Middelgrote en grote landbouwbedrijven
overheersen; verregaande mechanisatie en toepassing van de nieuwste
landbouwmethoden zijn voor deze bedrijven kenmerkend. De klimatologische
en fysisch-geografische omstandigheden hebben verschillende
landbouwzones doen ontstaan. De noordoostelijke staten en de gebieden om
de Grote Meren behoren tot de zuivelzone, de dairy belt. De oostkust
kent vele tuinbouw, fruitteelt en pluimveehouderij. Ten zuiden van de
dairy belt worden de voor de veehouderij zo belangrijke gewassen maïs en
sojabonen in de corn soy belt verbouwd. De grote katoenplantages in de
eens zo beroemde cotton belt, die in het zuiden van de Atlantische
Oceaan tot diep in Texas liep, hebben nu grotendeels plaatsgemaakt voor
gemengde agrarische bedrijven, maar als gevolg van de betere
landbouwmethoden is de opbrengst van de nog bestaande katoencultures
hoger dan vroeger. Aan de kust van Florida en Texas worden
citrusvruchten, suikerriet en rijst verbouwd. Het Midden-Westen is de
graanschuur, bekend onder de naam de wheat belt. Californië heeft
uitgebreide groente- en fruitkwekerijen, terwijl de wijnbouw daar van
inmiddels grote betekenis is geworden. Het enigszins vochtige
noordoosten heeft gemengde bedrijven, terwijl de fruitteelt daar ook een
belangrijke rol speelt.
Ook in de veehouderij zijn de Verenigde Staten de grootste producent ter
wereld, maar een aantal veehouderijproducten moet ingevoerd worden.
Rundveehouderij vindt plaats in Texas, Iowa, Nebraska, Kansas, Missouri,
Oklahoma en Wisconsin. In het westen wordt de veehouderij op extensieve
wijze bedreven. In het zuiden en het westen wordt vnl. slachtvee
gehouden, in het noorden en noordoosten en bij de grote steden melkvee.
De varkenshouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Van grote
betekenis is de pluimveehouderij (kippen en kalkoenen), die in
Californië, New England, North Carolina en Georgia is geconcentreerd.
Ca. 30% van het oppervlak van het land is met bossen bedekt, waarmee de
Verenigde Staten na de Russische Federatie en Brazilië tot de bosrijkste
landen ter wereld behoren. Tweederde daarvan kan commercieel
geëxploiteerd worden en daarvan bevindt zich 73% in privébezit. De
houtindustrie bezit aanzienlijke bosarealen en spant zich ook in voor de
uitbreiding daarvan. De commerciële bosbouw vindt vnl. plaats in de
grote naaldwouden van Noord-Californië, Washington en Oregon, waar ook
de grootste zagerijen ter wereld zijn, die vnl. voor de papierindustrie
werken en in de gemengde bossen van het zuidoosten. Een derde belangrijk
bosgebied is de Rocky Mountains.
De Verenigde Staten beschikken over rijke visgronden in de Atlantische
Oceaan (kabeljauw, makreel, haring en tong), in de Grote Oceaan, voor de
kust van Alaska (tonijn, sardines, haring en kabeljauw) en in de
binnenwateren. De Fishery Conservation and Management Act van 1976 heeft
een zone van 200 mijl vanuit de kust verboden verklaard voor
buitenlandse vissers. De helft van de totale vangst wordt geëxporteerd.
3.3 Mijnbouw en energievoorziening
De Verenigde Staten zijn een van de aan bodemschatten rijkste en tevens
belangrijkste mijnbouwlanden ter wereld. In de winning van magnesium,
fosfaat en molybdeen nemen zij de eerste plaats in; in de winning van
aardgas, aardolie, koper, zilver, steenkool en uranium een tweede
plaats. Over het algemeen is de mijnbouw sterk gemechaniseerd. De
Verenigde Staten hebben de grootste steenkoolvoorraad ter wereld. Het
zwaartepunt van de winning ligt in Pennsylvania. Verder wordt in de
Rocky Mountains steenkool gewonnen. Er is een bewezen aardoliereserve
van 3,529 miljard barrels, dwz. 2,6% van de wereldreserve aan aardolie.
Een reserve die rond het jaar 2000 zal zijn uitgeput. De aardoliewinning
is echter te klein om de binnenlandse behoefte te dekken; 45% van het
totaal moet geïmporteerd worden. De belangrijkste aardgasvoorraden
liggen in Texas en Louisiana. IJzerertswinning, vnl. in het noorden en
in de Appalachen, Utah, Nevada en Zuid-Californië, is niet meer
voldoende om de binnenlandse vraag te dekken. Dit geldt ook voor de
winning van kopererts die plaatsvindt in Arizona, Utah, New Mexico,
Nevada en Montana, waar ook goud en zilver gedolven worden. Bauxiet
wordt vnl. in Arkansas en Georgia gevonden, maar niet voldoende om aan
de vraag van de aluminiumindustrie te voldoen. Uraniumerts komt voor in
de Rocky Mountains.
De Verenigde Staten, met 5% van de wereldbevolking, gebruiken ruim een
kwart van de totale wereldproductie aan energie. Het verbruik per hoofd
van de bevolking is bijna vier keer zo hoog als het wereldgemiddelde. De
energievoorziening geschiedt vnl. door warmtekrachtcentrales, waarvan de
meerderheid door aardolie (42,6%), aardgas (23,3%) en steenkool (23,5%)
wordt gevoed. Kernenergie voorziet in 7,1% van het totale energieaanbod.
Met 109 kernreactoren beschikken de Verenigde Staten over de grootste
geïnstalleerde capaciteit ter wereld (610.291 MkWh).
Waterkrachtcentrales, zoals die in de Tennessee River, leveren eveneens
een aandeel aan de energievoorziening.
3.4 Industrie
De Verenigde Staten zijn de grootste industriële natie ter wereld. Het
kerngebied van de industrie is de manufacturing belt, in de door New
York, Chicago en St. Louis gevormde driehoek. Texas is het centrum van
de petrochemische industrie, terwijl de westelijke staten en in het
bijzonder de gebieden rond Los Angeles, San Francisco en Seattle de
laatste decennia veel industriële vestigingen hebben aangetrokken.
Kenmerkend voor de Amerikaanse industrie zijn de grote industriële
bedrijven die vaak weer in omvangrijke concerns zijn samengevoegd. Deze
concentraties hebben zich m.n. in de auto-industrie, de telefoon-,
vliegtuigbouw, staal en sigarettenindustrie voorgedaan.
3.5 Handel
De buitenlandse handel is - in vergelijking met de binnenlandse - gering
van omvang. Ca. 90% van alle agrarische en industriële producten wordt
in de Verenigde Staten zelf verbruikt. Sinds het midden van de jaren
tachtig neemt de handel met het buitenland toe. De Verenigde Staten zijn
een van de grootste exporterende landen ter wereld: in 1995 werd ter
waarde van $ 575 miljard (14% van de wereldexport) geëxporteerd. Sedert
het midden van de jaren zeventig is er een tekort op de handelsbalans
(in 1995 $ 174, 5 miljard). Voornaamste uitvoerproducten zijn: machines,
auto's en auto-onderdelen, vliegtuigen, chemische producten en
voedselproducten, waaronder graan. Voornaamste afnemers zijn: Canada,
Japan, de EU-landen en Mexico. Ingevoerd worden: auto's en
auto-onderdelen, elektrische apparaten, aardolie en aardolieproducten,
chemische en agrarische producten. Belangrijkste leveranciers zijn:
Japan, Canada, de EU-landen, Mexico en Taiwan. In aug. 1992 werd met
Canada en Mexico het North American Free Trade Agreement (NAFTA)
gesloten. Hiermee kwam de grootste vrijhandelszone ter wereld tot stand.
3.6 Bankwezen
Het bankwezen is in de Verenigde Staten voor het grootste gedeelte
eerder onderworpen aan de jurisdictie van de afzonderlijke staten dan
aan die van de federale overheid. In het algemeen mag een bank geen
filialen openen of andere banken overnemen in andere staten dan waarin
zij gevestigd is. Dit is er ook de oorzaak van dat de Verenigde Staten
naar verhouding geen grote banken kent (zie ook bank [economie]). Het
organisatieverband van de centrale banken is het Federal Reserve System.
De banken spelen een belangrijke rol in het economisch leven, m.n. in
het betalingsverkeer, door het sterk ontwikkelde chequestelsel.
3.7 Ontwikkelingssamenwerking
De Verenigde Staten verstrekken op grote schaal financiële en materiële
hulp aan andere landen, zowel in de vorm van bijdragen aan
multinationale organisaties als op bilateraal niveau. Op grond van de
Foreign Assistance Act van 1961 geschiedt de steun in de vorm van
schenkingen (vnl. militair materieel en diensten) vaak in ruil voor
tegenprestaties, bijv. de vestiging van militaire bases, kredieten en
andere bijstand. In 1993 bedroeg de buitenlandse hulp in totaal $ 14,644
miljard.
3.8 Verkeer
De Verenigde Staten hebben het grootste wegennet en de hoogste
motoriseringsgraad ter wereld. Er waren in 1993 143 miljoen
geregistreerde personenauto's en 194 miljoen vrachtwagens. De
voorzieningen die hiervoor nodig zijn, hebben diepingrijpende gevolgen
voor m.n. de stedenbouw gehad. Door het grote aantal particuliere auto's
en het veelvuldige gebruik dat daarvan wordt gemaakt (o.a. voor het
woon-werkverkeer) is in sommige stedelijke gebieden (bijv. Los Angeles)
het openbaar vervoer slecht ontwikkeld. Ook de vrije-tijdsbesteding van
de Amerikanen wordt - geheel in de geest van de American dream -
beïnvloed door de auto. M.n. het oosten heeft een zeer dicht wegennet.
Voor de grotere afstanden zijn de highways van belang, waarvan een groot
aantal het karakter van een tolweg heeft. Het busverkeer speelt m.n.
voor het vervoer over grotere afstanden een belangrijke rol (Greyhound
en Continental Trailways).
De betekenis van de spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer is
na de opkomst van de auto snel teruggelopen. Door een complex van
oorzaken, o.m. door de wetgeving die fusies verbood, verloren de
particuliere spoorwegmaatschappijen de concurrentieslag met de auto en
later het vliegtuig. Investeringen, uitbreidingen en aanpassing van het
net en vernieuwing van het materieel bleven achterwege, waardoor het
passagiers- en goederenaanbod nog verder terugliep. In 1971 greep de
federale overheid in. Om het personenvervoer tussen de grote steden
veilig te stellen, werd de National Railroad Passenger Corporation (Amtrak)
opgericht. In 1976 richtte de overheid de Consolidated Rail Corporation
(Conrail) op die het vrachtvervoer van een aantal failliet gegane
maatschappijen, vnl. in het noordoosten, overnam (1987 geprivatiseerd).
Daarna fuseerde een aantal particuliere spoorwegmaatschappijen tot
grotere en vooral sterkere maatschappijen, o.a. de CSX Transportation in
Florida (1980).
De binnenscheepvaart is van groot belang voor het goederentransport, m.n.
in het stroomgebied van de Ohio, de Missouri en de Mississippi en op de
Grote Meren. Haar staat een waterwegennet van in totaal 40.000 km lengte
ter beschikking. Een aantal grote kanalen verbindt belangrijke zeehavens
en industriegebieden met elkaar, zoals de St. Laurence Seaway, de
Illinois Waterway en de Intracoastal Waterway. Chicago is de grootste
binnenhaven. De grootste zeehavens zijn: New York, New Orleans, Houston,
Baltimore, Newport, San Francisco en Los Angeles.
De luchtvaart is voor het binnenlandse personenvervoer van de grootste
betekenis. Er bestaat een groot aantal luchtvaartmaatschappijen en meer
dan vijfhonderd steden zijn in het vliegnet opgenomen. De drukste
vliegvelden zijn (in volgorde van afnemende grootte): Chicago, Dallas,
Los Angeles, Atlanta, New York (J.F. Kennedy), San Francisco, Denver,
Miami, New York (La Guardia) en Boston. In de loop van de jaren tachtig
kwam een groot aantal gevestigde luchtvaartmaatschappijen in financiële
moeilijkheden, toen de regering-Reagan tot deregulering besloot en de
prijzen in de luchtvaart drastisch daalden door een sterk toegenomen
onderlinge concurrentie. Deze ontwikkeling werd o.a. Pan American
Airlines, het paradepaard van de Amerikaanse luchtvaart, fataal. Panam
ging in 1992 failliet.
3.9 Toerisme
Het toerisme naar de Verenigde Staten is een belangrijke bron van
inkomsten. In 1994 bezochten ruim 45 miljoen mensen van buiten het land
(in 1985 nog 25 miljoen) en gaven ruim $ 57 miljard uit (in 1985 $ 14, 3
miljard). Ruim 47 miljoen Amerikanen bezochten in 1995 het buitenland
(van wie ruim de helft naar Europa ging), zij gaven daar bijna $ 50
miljard uit.
Telefoongids Verenigde Staten
Postcodes Verenigde Staten
|