header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Verenigde Staten
deel I

 

Terug naar overzicht Noord-Amerika >>

 

Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America, vaak afgekort tot V.S. of US[A]; ook vaak kortweg Amerika genoemd), federale republiek in Noord-Amerika, omvattend het District of Columbia en 50 staten, waarvan 49 op het vasteland van Noord-Amerika en ťťn (HawaÔ) in de Grote Oceaan, 9.809.155 km2, met (census 1996) 265.185.000 inw. (27 inw. per km2); hoofdstad: WashingtonD.C.
Munteenheid van de Verenigde Staten is de Amerikaanse dollar (US $), onderverdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 4 juli, Onafhankelijkheidsdag.

Onder jurisdictie van de Verenigde Staten vallen: de Commonwealth of Puerto Rico (Porto Rico), de Virgin Islands, Guam, American Samoa, een aantal kleine, deels onbewoonde eilandjes in de Grote Oceaan, het Trust Territory of the Pacific Islands en de Commonwealth of the Northern Marianas, in totaal ca. 11.155 km2.

1. Bevolking
1.1 Samenstelling
De huidige bevolking omvat een - zowel naar ras als naar land van herkomst - grote verscheidenheid van groepen. De Amerikaanse samenleving is een pluriforme samenleving. Sedert het einde van de jaren zestig kwam een massale immigratie uit Latijns-Amerika, AziŽ en Afrika op gang, terwijl in dezelfde periode de immigratie uit Europa afnam. Het aandeel van etnische minderheden aan de totale bevolking is daardoor sterk gestegen.
De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, maken slechts een klein deel van de bevolking uit. Hun aantal is echter in de 20ste eeuw toegenomen door een hoog geboortecijfer; in 1960 bedroeg hun aantal 547.000, in 1995 was dat gestegen tot ca. 2,2 miljoen. Een deel van hen woont in door de overheid gestichte reservaten, overwegend in de westelijke staten. In 1924 kregen de Indianen het volledige Amerikaanse staatsburgerschap, terwijl de Indian Reorganization Act van 1934 de in stamverband levende Indianen de mogelijkheid tot een hoge mate van zelfbestuur gaf.  (foto rechts : the white house)
Na de ontdekking van het land door de Europeanen vestigden zich al spoedig kolonisten, vnl. Spanjaarden, aanvankelijk op bescheiden schaal in het zuidoosten. Deze kolonisatie werd voortgezet door de vestiging in de 17de eeuw aan de oostkust van vnl. Engelsen, Schotten en in mindere mate Nederlanders en Duitsers. Zij zorgden ervoor dat de koloniale samenleving een protestants-puriteins karakter kreeg, wat het ook lange tijd heeft behouden. (In 1790 bestond de blanke bevolking voor ca. 89% uit Engelsen en Schotten, voor ca. 5% uit Duitsers, voor ca. 2,5% uit Nederlanders en 1% uit Ieren.) Vanuit de oostkust drongen zij langzaam op naar het midden en westen, daarbij de zgn. frontier vormend. In de 17de en 18de eeuw ontstonden Franse nederzettingen in het Mississippidal.
In de 19de eeuw zou het bevolkingsaantal een spectaculaire groei te zien geven. Telde het grondgebied in 1800 nog ca. vijf miljoen inwoners, aan het eind van de eeuw bood het plaats aan ruim 75 miljoen mensen, die wat hun etnische achtergrond betrof, een aanzienlijk gevarieerder beeld opleverden dan de oude koloniale samenleving. Deze bevolkingsaanwas was vnl. het gevolg van massale immigratie uit Europa, die zich voordeed in enkele 'golven'. Bij de eerste golf, die omstreeks 1830 begon, kwamen nog vnl. Britten, Duitsers, ScandinaviŽrs, Ieren en Nederlanders. Zij assimileerden zich snel aan de bestaande samenleving, waarmee zij in vele opzichten nauw verwant waren. Hun afstammelingen, tezamen met die van de eerste groep kolonisten, zijn nog steeds de in vele opzichten toonaangevende groep die wel als WASP (White Anglo Saxon Protestants) wordt aangeduid.
Anders verging het de immigranten van de tweede golf die na de Burgeroorlog op gang kwam. Deze omvatte vnl. inwoners van Oost- en Zuidoosteuropa (Polen, Russen, Tsjechen, Hongaren, Italianen, OekraÔners, enz.). Zij waren afkomstig uit verarmde streken, ongeschoold en hadden daardoor een grote achterstand in een land dat in de tweede helft van de 19de eeuw al grotendeels geÔndustrialiseerd was. Zij concentreerden zich vaak in de grote steden en vormden daar gesloten groepen, die bleven vasthouden aan hun eigen taal en gewoonten, terwijl ze in economisch en sociaal opzicht achterbleven. Vermenging met andere groepen vond vrijwel niet plaats, waardoor de assimilatie haar beslag niet kreeg. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de economische en sociale emancipatie van deze, wel als 'ethnics' aangeduide, groep op gang, maar velen blijven vasthouden aan hun gewoonten of de religie van hun land van herkomst. Het totaal aantal Amerikaanse blanken bedroeg in 1995 193,3 miljoen (74% van de bevolking).
Een aanzienlijke immigrantengroep, die echter niet uit eigen vrije wil kwam, vormden de vanaf de 17de tot in de 19de eeuw het land binnengevoerde negerslaven, afkomstig uit Afrika, die vnl. in het zuidoosten op plantages te werk gesteld werden. Zij bleven ook na de afschaffing van de slavernij in 1863 een in vele opzichten achtergestelde groepering. Als gevolg van de mechanisatie van de landbouw moesten velen naar een andere bron van inkomsten uitzien en miljoenen (naar schatting vier miljoen) trokken vooral na de Tweede Wereldoorlog naar het noorden, waar zij in de grote steden, veelal in afzonderlijke woonwijken, onder vaak zeer slechte economische en sociale omstandigheden verblijven. In 1995 woonden ca. 33 miljoen zwarten in het land (13% van de bevolking).
Een bevolkingsgroep die eerst in de jaren zestig de publieke aandacht kreeg, hoewel een deel ervan al generaties op het grondgebied woont, wordt gevormd door de Spaanstalige Amerikanen (Hispanics): Mexicaanse Amerikanen, Portoricanen, Cubanen en kleinere groepen zoals HaÔtianen. Het merendeel, met uitzondering van de meeste Cubanen, heeft een lage opleiding en is bijgevolg in de slecht betaalde beroepen te vinden, terwijl ze ook in vele andere opzichten een tweederangs positie innemen. Zij wonen veelal in speciale wijken (barrios) en houden vast aan hun eigen gewoonten. In bijna de helft van de gezinnen is het Spaans de voertaal. De tienduizenden Cubanen die in 1980 hun land mochten verlaten en naar de Verenigde Staten kwamen (en daar de Marielitos, bootvluchtelingen, worden genoemd) komen wat hun opleiding en bijgevolg hun sociale situatie betreft meer overeen met de andere Spaanstalige Amerikanen. De 'hispanics' vormen met 26, 8 miljoen zielen 10% van de bevolking.
Een veel minder op de voorgrond tredende groep van naar schatting in 1995 9, 2 miljoen (4% van de bevolking) vormen de Amerikanen van Aziatische afkomst, vnl. Japanners, Chinezen, Filippinos, Vietnamezen en Koreanen.
1.2 Immigratie
Oorspronkelijk gold het principe van vrije immigratie voor iedereen, ongeacht huidskleur of nationaliteit; na de Eerste Wereldoorlog werden limieten gesteld. In 1921 en 1924 werden immigratiewetten ingesteld, die jaarlijkse quota per land van toe te laten immigranten vastlegden, aanvankelijk alleen voor landen van het oostelijk halfrond, sedert 1968 ook voor landen van het westelijk halfrond. In 1978 werd dit systeem opgeheven. Sinds 1981 mogen jaarlijks 270.000 buitenlanders worden toegelaten en niet meer dan 20.000 uit ťťn land. De nieuwe immigratiewet voorziet verder in een jaarlijkse toelating van 50.000 politieke vluchtelingen, terwijl zowel de president als het Congres de bevoegdheid bezit om deze limiet onder speciale omstandigheden te overschrijden. In 1995 namen de Verenigde Staten 152.200 buitenlanders legaal op, van wie 2600 uit Cuba.
1.3 Spreiding en ontwikkeling
De bevolkingsspreiding is uiterst ongelijk. Alaska en de droge gebieden in het westen hebben een bevolkingsdichtheid van minder dan 10 inw. per km2, terwijl het oosten, de gebieden om de Grote Meren en delen van Texas en CaliforniŽ een zeer hoge bevolkingsdichtheid hebben. De aantrekkingskracht van de staten in het zuiden (de sunshine belt) ligt in het klimaat (veel gepensioneerden vestigden zich er) en in de economische opbloei die deze staten in de jaren zeventig en tachtig kenden (vestiging van technisch zeer geavanceerde bedrijven).
Ca. 76% van de bevolking woonde in 1994 in een stedelijk gebied (dwz. een plaats van 2500 inw. of meer). CaliforniŽ en sommige noordoostelijke staten hebben de grootste verstedelijking. Relatief het minst verstedelijkt zijn de zuidelijke staten.
De al jaren bestaande opschuiving van het bevolkingszwaartepunt (center of population) van oost naar west heeft zich in de jaren tachtig voortgezet.
De gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg over de periode 1985-1994 1%. Het geboortecijfer bedroeg in 1993 16Č; het sterftecijfer 9Č. Het huwelijkscijfer bedroeg in 1991 9, 5Č. Het echtscheidingscijfer steeg en was in 1991 4,6Č, vergeleken met 3,7Č in 1971. De levensverwachting bij geboorte bedroeg in 1994 73 jaar voor blanke mannen, 67,5 jaar voor zwarte en gekleurde mannen, 79 jaar voor blanke vrouwen en 75 jaar voor zwarte en gekleurde vrouwen.
1.4 Taal
Het overgrote deel van de bevolking heeft het Engels (zie Amerikaans Engels) als moedertaal, maar er worden diverse andere, Europese en niet-Europese, talen gesproken. In de grote steden treft men groeperingen aan die vaak vele generaties lang de taal van herkomst hebben behouden (vaak ook hebben zij een krant in de eigen taal). In gedeelten van Louisiana wordt een Frans dialect gesproken en sommige Frans-Canadezen in New England hebben eveneens de taal van hun buren in Canada behouden. De Portoricanen en tal van personen van Spaanse afkomst spreken Spaans. De Eskimo's in Alaska hebben hun eigen taal; op Hawaii wordt nog een Polynesische taal gesproken.
1.5 Religie
Na de Vrijheidsoorlog werd de godsdienstvrijheid in de grondwet opgenomen en een volledige scheiding van kerk en staat doorgevoerd (1791). Ca. 28% van de bevolking is protestant. Het protestantisme is sterk gepolariseerd met als extremen fundamentalisme en liberalisme (vrijzinnigheid). Er is een grote verscheidenheid van christelijke denominaties (meer dan 250 kerken, geloofsgemeenschappen en religieuze groeperingen), deels ontstaan door immigratie en sociale verschillen, deels door activiteiten van predikers, waardoor verschillende opwekkingsbewegingen ontstonden. De voornaamste kerktypen zijn: baptisten, methodisten, lutheranen, pinkstergemeenten, Heiligen der laatste dagen, presbyterianen en hervormden, anglicanen (episcopaalse kerk) en churches of Christ. Tot de kleinere kerkgenootschappen behoren o.a. de (zevendedag)adventisten, Christian Science, Broederenkerk, Jehova's getuigen, Quakers, Leger des Heils, unitarische kerken. In de jaren zeventig kwamen verschillende anti-institutionele bewegingen als Youth for Christ en Jesus people sterk in de belangstelling; in de jaren tachtig werd in steeds toenemende mate door kerken van uiterst fundamentalistische signatuur geŽvangeliseerd via de televisie (de electronic church). Tot de Rooms-Katholieke Kerk behoort ca. 26% van de bevolking. Er waren in 1991 32 aartsbisdommen met in totaal 138 bisdommen. Ca. 2,6% van de bevolking is joods. Naast de groepering van de orthodoxe joden kent de joodse gemeenschap van de Verenigde Staten twee van het traditionele orthodoxe jodendom afwijkende richtingen nl. die van het reformjodendom en die van het conservative judaism. Boeddhisten, islamieten en hindoes vormen kleine minderheden.

2. Bestuur en samenleving
2.1 Staatsinrichting
White HouseIn de staten van Amerika deed rond de onafhankelijkheidsverklaring in 1776 de geschreven Constitutie - een beginselenwet van staatsinrichting, die hoger recht inhoudt en minder gemakkelijk te wijzigen is dan gewoon recht - haar intrede in de geschiedenis. De Amerikaanse grondwet, die van 17 sept. 1787 dateert en als de 'moeder der constituties' wordt beschouwd, combineerde de Angelsaksische traditie in het openbaar bestuur met hoogtepunten van het denken van de Verlichting: de idee van volkssoevereiniteit (Rousseau), de scheiding der machten (die Montesquieu toeschreef aan het Engelse staatsbestel), de gedachte van federalisme (ontleend aan de ervaringen van de dertien Amerikaanse koloniŽn tijdens het Britse bewind) en de idee van 'bestuur door het recht' - government by law - (van Locke). Dit staatsstuk is vooral een bron van inspiratie geworden door de vrijheidsgedachte die erin belichaamd is, dwz. in de Bill of Rights, de eerste tien van de 26 amendementen die tot 1992 (de laatste in 1970) op de grondwet zijn aangebracht. Deze kwamen in 1791 tot stand, maar zijn geen wijzigingen in strikte zin en worden algemeen tot de originele Constitutie gerekend. In deze Bill of Rights zijn rechten van de mens vastgelegd. Om enkele te noemen: vrijheid van godsdienst en pers (1ste amendement), verbod van onredelijke onderzoeking en beslagneming wat betreft het huis en de persoon (IV), garanties voor een eerlijke berechting in strafzaken, inclusief het recht niet tegen zichzelf te getuigen (V, VI), verbod van wrede en ongebruikelijke straffen (VII). Later werd een verbod van slavernij toegevoegd (XIII) en het beginsel van gelijkheid voor de wet (XIV). Centraal staat ook de eenheidsgedachte. De aanhef van de grondwet zegt dat dit stuk is vastgesteld o.m. 'om aldus een volmaakter eenheid te vormen' (to form a more perfect union). Opmerkelijk is hoe dit gebeurt door een systeem dat het touwtrekken heeft geÔnstitutionaliseerd. Het doel van de meer volmaakte eenheid is op een allesbehalve uniformerende manier vertaald in een stelsel waarin 'checks and balances' (onderlinge controle en tegenwicht) centraal staan: in de verhouding tussen de federatie en de deelstaten, in de verhouding tussen de drie gescheiden machten in de staat: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Daarmee zijn tevens de voornaamste onderdelen van het Amerikaanse staatsbestel genoemd.
De wetgevende macht is opgedragen aan het Congress (Congres), dat bestaat uit twee Kamers. De Senate (Senaat) telt twee leden voor iedere staat (sinds 1969: 100 leden), die een zittingstermijn van zes jaar hebben. Om de twee jaar worden verkiezingen gehouden voor een derde van de senatoren, die beschouwd worden als 'vertegenwoordigers van de duurzaamheid'. Het House of Representatives (Huis van Afgevaardigden) heeft een zittingstermijn van twee jaar. Het ledental is in 1929 vastgesteld op 435, met dien verstande dat iedere staat ten minste ťťn afgevaardigde heeft. De verdeling van de overblijvende zetels over de staten geschiedt afhankelijk van het inwonertal. De indeling van de kiesdistricten (opgedragen aan de parlementen van de deelstaten) heeft nogal eens geleid tot zgn. gerrymandering, genoemd naar de afgevaardigde van Massachusetts, Elbridge Gerry, die in 1811 zo bekwaam een district formeerde dat zijn tegenstanders geen schijn van kans meer hadden. ( 'Dat district lijkt op een salamander', riep een van hen verontwaardigd uit, waarop een ander zei: 'zeg liever een Gerrymander'.) Alle leden van Huis en Senaat kunnen wetsontwerpen indienen; financiŽle wetten kunnen alleen van het Huis uitgaan. De Senaat heeft in dat laatste geval echter een vrijwel onbeperkt recht van amendement. Bij bijna alle belangrijke ontwerpen ontstaan in Huis en Senaat verschillende versies. Deze worden dan verzoend in een conferentie, een paritair samengestelde commissie. Om wet te worden moet een voorstel door beide Kamers aanvaard zijn en door de president ondertekend worden. Deze laatste heeft het recht van veto, maar dat kan door een twee derde meerderheid in beide Kamers van het Congres overstemd worden.
Het Congres heeft ook andere dan wetgevende functies. Zo beslist het Huis van Afgevaardigden (op basis van ťťn stem per staat), indien bij de presidentsverkiezingen geen kandidaat de meerderheid krijgt. Een quasi rechterlijke functie is het impeachment, een speciale procedure om de president en andere hoge functionarissen (federale rechters bijv.) uit hun ambt te ontzetten. Daarbij beslist het Huis over de beschuldiging en de Senaat geeft (bij twee derde meerderheid) het eindoordeel. In de executieve sfeer heeft de Senaat een goedkeuringsrecht (advise and consent) ten aanzien van het sluiten van traktaten (twee derde meerderheid vereist) en ten aanzien van benoemingen in - meest hogere - overheidsfuncties door de president. Gewoonterecht maakt de Congresleden ten slotte tot behartigers van individuele belangen van hun kiezers bij de nationale administratie.
Afgeleid van de wetgevende taak - maar in de praktijk van zelfstandige betekenis - is het onderzoekswerk van het Congres, zich veelal uitend in hoorzittingen (hearings). In de periode 1792-1925 besloot het Congres tot 285 enquÍtes, in de periode 1950-1952 alleen al tot 225. Zowel wat betreft de onderzoekingen als het eigenlijke wetgevende werk wordt de werkwijze van beide Kamers gekenmerkt door voorbereiding in commissies, die daardoor een sleutelfunctie vervullen. Nog steeds geldt de karakteristiek van Woodrow Wilson (1885): 'Congress in its Committee rooms, is Congress at work'. Ondanks herhaalde pogingen het aantal commissies binnen de perken te houden, blijft het commissiesysteem onveranderd doorgaan. In 1991 had de Senaat 16 vaste Kamercommissies, het Huis had er 22, maar er zijn talrijke subcommissies in beide Kamers. Het instellen van afzonderlijke subcommissies blijkt voor veel congresleden verleidelijk om een eigen forum te scheppen. In de loop der tijd is ook de betekenis van de congressionele staven toegenomen. Congresleden beschikken over een groot aantal persoonlijke assistenten. AnciŽnniteit was van oudsher de belangrijkste factor bij de verdeling van de commissiefuncties, m.n. de voorzitterschappen. In de periode van het Watergate-affaire (1973-1975) zijn echter hervormingen doorgevoerd die de rol van de fractievergadering (caucus) hebben vergroot. Ook is de geheimhouding, die veel congreswerk kenmerkte, afgezwakt. In de praktijk berust de macht in het Congres bij de voorzitters van de belangrijkste commissies en bij het leadership. Dit laatste bestaat uit de fractievoorzitters en hun rechterhanden (whips) en de gekozen voorzitter van het Huis, de Speaker. Deze is de voorman van de meerderheidspartij en van oudsher de machtigste figuur in het Huis. De Senaat heeft als voorzitter (president pro tempore) de vice-president van de Verenigde Staten, die een minder centrale positie inneemt. Het Huis kent voorts een Rules Committee, dat o.m. de agenda vaststelt en daarmee in sterke mate de gang van zaken bepaalt. Een traditioneel machtsmiddel voor individuele Congresleden is de filibuster: het houden van lange redevoeringen (doorgaans in afwisseling door een groepje) om zo de totstandkoming van een ongewenst voorstel te blokkeren. Dit is vooral in de Senaat voorgekomen, maar recente hervormingen maken het makkelijker het debat te sluiten (cloture). Talloze speciale belangen laten zich bij het Congres vertegenwoordigen door lobbies (pressiegroepen). Tegen het eind van de jaren zeventig kwam het gebruik van grote computeradressystemen in zwang om fondsen voor lobbying te werven en om handtekeningenacties te ontketenen.
De uitvoerende macht is opgedragen aan de president. Deze wordt voor vier jaar gekozen (herverkiezing is slechts eenmaal mogelijk) in algemene verkiezingen (kiesgerechtigde leeftijd vanaf 18 jaar) via een college van kiesmannen, die per staat benoemd worden naar rato van het aantal zetels van de staat in het Congres. De stembuswinnaar in een staat krijgt alle kiesmannen, hoe klein zijn marge ook was. Ook de plaatsvervanger van de president, de vice-president - die verder een ondergeschikte functie vervult -, wordt zo gekozen. De opvolging berust verder bij: de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, de plaatsvervangend president van de Senaat (de vice-president is eerste voorzitter van de Senaat), de minister van Buitenlandse Zaken en vervolgens andere leden van het kabinet. Het XXVste Amendement (1967) bevat een regeling voor het geval de president ongesteld raakt en maakt het mogelijk in een vacature van het vice-presidentschap te voorzien. De president benoemt dan een opvolger onder goedkeuring van een meerderheid in beide Kamers van het Congres.
De functie van president is het 'donkere continent' van de Constitutie genoemd. De onbepaaldheid van deze functie wordt hierdoor geÔllustreerd dat zij door niet minder dan vier amendementen is gewijzigd (XII, XX, XXII, XXV) terwijl slechts ťťn - ondergeschikt - amendement betrekking heeft op de rechterlijke macht (XI) en een op de wetgevende macht (XVII). De president combineert een politiek en moreel leiderschap. Hij is 'caesar en paus tegelijk' genoemd. Naar de woorden van president Th. Roosevelt is hij ook 'bijna koning en eerste-minister in ťťn' - waarbij zij aangetekend dat de angst voor het koningschap en de vrees voor caesarisme in het Witte Huis een van de primaire drijfveren bij het opstellen van de grondwet was. Naar een bekende uitspraak van president Harry S. Truman heeft de president zes 'hoeden', zes functies of bevoegdheden:
a. Hij is staatshoofd. Hieronder valt o.m. het afkondigen van wetten en het gratierecht. Als staatshoofd wordt de president ook beschouwd als 'woordvoerder van de natie' en heeft hij als weinig anderen toegang tot de massamedia.
b. Hij is hoofd van de uitvoerende macht. Juist op dit punt is de specificatie die de grondwet geeft, niet uitputtend. De president is regeringsleider, hij heeft de taak erop toe te zien dat de wetten worden uitgevoerd, hij is hoofd van het federale bestuursapparaat. De president heeft ook het recht van benoeming en ontslag ten aanzien van (sleutel)functies in het bestuur. Van oudsher is dit een bron van patronage - een geducht politiek machtsmiddel -, al is deze mogelijkheid successievelijk door het Congres ingedamd. Het meritsysteem geeft thans ca. 90% van de federale ambtenaren een eigen rechtspositie.
c. Hij is opperbevelhebber van alle strijdkrachten en heeft oorlogsbevoegdheden (war-powers). Hij beslist over het inzetten van troepen in het buitenland en in het eigen land (president Eisenhower in Little Rock, 1957, in verband met de rassenintegratie). Het 'recht oorlog te verklaren' is voorbehouden aan het Congres, maar het recht oorlog te 'maken' aan de president. Presidenten hebben in totaal zeker 149 maal troepen in actie gestuurd zonder een formele machtiging van het Congres.
d. Bij de president berust het bestuur van de buitenlandse betrekkingen. Ook op dit punt heeft het Congres in beginsel belangrijke bevoegdheden, m.n. het goedkeuringsrecht inzake verdragen van de Senaat. De president kan dit echter omzeilen door niet een verdrag in formele zin, maar een 'executieve overeenkomst' te sluiten, die zich aan deze inspraak onttrekt. Bovendien heeft het Hooggerechtshof uitgemaakt dat hij op dit gebied een 'inherente macht' heeft. Zo is van oudsher de positie van de president op dit vlak overheersend: van de Monroeleer ( 'Amerika voor de Amerikanen') tot de Nixon-doctrine (inzake het subsidiaire karakter van Amerika's 'politierol' in de wereld) is de Amerikaanse buitenlandse politiek bepaald door het Witte Huis.
e. Hij is initiator van wetgeving. Hoewel de wetgevende macht, inclusief het recht van initiatief, bij het Congres ligt, vervult de president op dit terrein toch een belangrijke rol. De grondwet draagt hem op zich periodiek tot het Congres te richten (m.n. door de jaarlijkse 'troonrede': State of the Union-boodschap) en voorziet daarnaast ook in het doen van specifieke voorstellen. In de praktijk vinden belangrijke wetsontwerpen hun oorsprong in de uitvoerende macht. Tegenhanger, op het eind van het wetgevend proces, is het vetorecht van de president en zijn bevoegdheid tot impounding: bevriezing van door het Congres gevoteerde fondsen.
f. Hij is hoofd van een politieke partij. De president is automatisch leider van de politieke partij die hem kandidaat heeft gesteld. Dit gebeurt in een 'nationale conventie' van die partij. De afgevaardigden naar die bijeenkomst worden vaak aangesteld op basis van partijpolitieke voorverkiezingen (primaries) in diverse staten.
De leer van de machtenscheiding brengt mee dat parlementaire verantwoordelijkheid van de regering, zoals West-Europa die kent, in Amerika niet bestaat. De president is onafzetbaar (behoudens impeachment) en dat beheerst ook zijn optreden als regeringsleider. De grondwet noemt 'de hoofden der departementen', maar het kabinet heeft (behoudens het goedkeuringsrecht van de Senaat op benoemingen) een volledig van de president afgeleide functie. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het belang van het kabinet afgenomen. Allerlei afzonderlijke federale instellingen (zoals de NASA wat betreft de ruimtevaart) kwamen op buiten het kabinet. Maar vooral groeide de eigen staf van de president tot het werkelijke centrum van de regering: het Executive Office kreeg een apart kantoorgebouw op het terrein van het Witte Huis. Een speciale - en belangrijke - positie nemen de onafhankelijke regelgevende commissies (independent regulatory commissions) in. Deze combineren ten aanzien van bepaalde takken van nijverheid uitvoerende, rechterlijke en wetgevende functies en zijn in hoge mate autonoom. De oudste is de Interstate Commerce Commission (voor tussenstaatse handel) 1887. Andere belangrijke commissies zijn: de Security and Exchange Commission (toezicht op de effectenhandel), de Food and Drugs Administration (toezicht op productie van voedsel en farmaceutische producten), de Federal Communications Commission (toezicht op radio, televisie en telefoon), de Environmental Protection Agency (toezicht op naleving van milieubeschermingsmaatregelen) en de Consumer Product Safety Commission, die een consumentenbeschermende functie heeft.
Het Amerikaanse staatsbestel gaat uit van een voortdurend constitutioneel touwtrekken tussen de drie machten in de staat. Vooral tussen president en volksvertegenwoordiging is dat het geval. Het presidentschap is daarbij zeer expansief gebleken. Steeds meer kan gesproken worden van een presidentiŽle democratie. In het algemeen geldt de traditionele stelregel dat alles tot de uitvoerende macht behoort wat niet uitdrukkelijk aan andere organen van de Unie is opgedragen. Het Hooggerechtshof verbood in 1952 overigens inbeslagneming door president Truman van de staalindustrie tijdens een arbeidsconflict en stelde zo een grens aan de beweerde 'inherente uitvoerende macht' van algemene aard.
2.2 Administratieve indeling
De Unie bestaat uit vijftig staten plus het District Columbia met hoofdstad Washington, elk met een eigen grondwet. De staat ontleent zijn bevoegdheden niet aan de federale regering, maar aan het volk van de staat. Een bron van strijd is de verdeling van bevoegdheid tussen de deelstaten en de Unie. De federale trias politica vindt haar spiegelbeeld in de staatsinrichting van de deelstaten: een governor als uitvoerende macht, een uit twee Kamers bestaande volksvertegenwoordiging als wetgevende macht en een rechterlijke macht die veelal een geleding meer heeft dan de federale: Justice of the Peace (vrederechter) of Magistrate als 'kantongerecht', Circuit Court of Superior Court (unus judex) als 'rechtbank', Court of Appeal (vijf rechters) als appelrechter, State Supreme Court (zeven rechters) als hoogste instantie, met beroep op het federale Hooggerechtshof wanneer de uitspraak in strijd is met de Constitutie of met een federale wet. Op vrijwel alle gebieden overlappen de sferen van Unie en deelstaten elkaar. De grondwet bepaalt echter dat deze geldt als 'de hoogste wet in het land' en deze supremacy clause is in de praktijk nog versterkt door de toenemende financiŽle afhankelijkheid van de staten van het nationaal bestuur. Zo is ook de regulerende bevoegdheid van het Congres - die ten opzichte van de staten in de grondwet beperkt wordt - via de elastic clause (artikel I, sectie 8) tot diep in de sfeer van de staten doorgedrongen. De gedachte van competitive federalism (bondsstaat) heeft plaatsgemaakt voor die van co-operative federalism (gedecentraliseerde eenheidsstaat).
De gouverneur wordt direct door de inwoners van een staat gekozen. Zijn ambtstermijn varieert van twee tot vier jaar. Zijn bevoegdheden variŽren eveneens van staat tot staat. In alle staten, behalve North Carolina, heeft de gouverneur het recht van veto op de door het Congres van de staat aangenomen wetgeving, dat echter in alle gevallen door dat Congres 'overruled' kan worden.
In vrijwel alle staten worden de hoge functionarissen van de administratieve organen eveneens door de burgers gekozen. De staten zijn onderverdeeld in graafschappen (counties), die eigen bevoegdheden hebben. Louisiana is onderverdeeld in parochies (parishes), Alaska in divisions.
2.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
De Verenigde Staten zijn lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de NAVO, de OESO, het Colomboplan, het North American Free Trade Agreement (NAFTA) tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico en het ANZUS-pact (sinds 1986 alleen nog contacten met AustraliŽ).
2.4 Sociale situatie, sociale en medische voorzieningen
De Verenigde Staten behoren tot de rijkste landen ter wereld, maar een niet gering deel van de Amerikanen (in 1995 36,4 miljoen) heeft een inkomen dat onder de armoedegrens (= $ 15!596 voor een huishouden van vier personen in 1995) ligt. In deze groep zijn de etnische minderheden, m.n. de zwarten en de Spaanstaligen, oververtegenwoordigd (zie ook Mexicaanse Amerikanen). Het gemiddelde jaarinkomen van de zwarte bevolking bedroeg in 1988 $ 16.407, slechts 57% van dat van de blanke bevolking. De hispanics zitten gemiddeld op 71% van het blanke inkomen. De werkloosheid onder zwarten en Spaanstaligen is hoger dan onder blanken. Scholing en huisvesting en gemiddelde levensverwachting van deze groepen wijken in negatieve zin af van die van de blanke bevolking. De grote verschillen in werkgelegenheid, criminaliteit en welstand tussen blanken enerzijds en zwarten of kleurlingen anderzijds leidden in het begin van de jaren negentig tot ernstige ongeregeldheden en rassenrellen in de grote steden (o.a. in Washington, mei 1991, en in Los Angeles, april 1992). Het door de regeringen-Reagan en -Bush gevoerde bezuinigingsbeleid op het gebied van de sociale zekerheid en hulpverlening heeft de bestaande verschillen alleen nog maar vergroot. De federale overheid probeert door middel van wetgeving en andere maatregelen bijv. de discriminatie bij de tewerkstelling tegen te gaan. Zo is er het 'Affirmitive Action Program', waarmee de overheid achtergebleven groepen een voorkeursbehandeling geeft. In 1991 werd een nieuwe wet op de burgerrechten aangenomen, die vooral discriminatie op de werkvloer moet tegengaan. In de jaren zeventig zijn de antidiscriminatiemaatregelen uitgebreid tot buiten de overheidssfeer, o.a. door middel van de Civil Rights Act en de instelling van de Equal Employment Opportunity Commission, die de bevoegdheid heeft om bedrijven die zich schuldig maken aan discriminatie voor de rechter te brengen (zie ook segregatie).
2.5 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De Verenigde Staten kennen sedert de onafhankelijkheid een tweepartijenstelsel. De huidige twee partijen, de Republikeinen (Republican Party, symbool: de olifant) en de Democraten (Democratic Party, symbool: de ezel) stammen van vůůr de Burgeroorlog. Sedertdien hebben zij het politieke leven gedomineerd. Iedere president sedert 1860 is gekozen als kandidaat van ťťn van beide partijen. Ook bij de keuze van de gouverneurs en van de vertegenwoordigende organen in de staten geven deze partijen de toon aan. Wel stellen bijv. de Socialist Party, de Socialist Labor Party of de Prohibition Party bij allerlei verkiezingen ook kandidaten, maar in de praktijk is het vrijwel onmogelijk om gekozen te worden zonder de steun van ťťn van beide partijen. De Amerikaanse communisten, verenigd in de Socialist Workers Party, spelen geen rol van betekenis. Op nationaal niveau zijn beide partijen evenwel niet veel meer dan losse, voortdurend veranderende electorale coalities, die om de vier jaar met veel moeite geactiveerd moeten worden om zich eensgezind achter een presidentskandidaat te scharen. Op het niveau van de federale staten en lager vertonen de partijen meer samenhang, maar zij verschillen in een aantal opzichten aanzienlijk van bijv. de grote politieke partijen in Europa. Zo kennen zij bijv. bijna geen betalende leden en worden partijbijeenkomsten, zo zij al belegd worden, door weinig mensen bezocht. Ook doen de partijen niet aan voorlichtings- of vormingswerk en ontbreekt een beginselprogramma. Er is geen partijbureaucratie en zowel op nationaal niveau als op dat van de staten beschikken de partijen slechts over een kleine staf van betaalde krachten. De partijorganisaties zijn er vnl. om bij verkiezingen kandidaten te steunen en dat maakt dat hun activiteiten heel tijdelijk zijn. Beide partijen hebben weliswaar een nationaal comitť waarin ťťn man en ťťn vrouw uit ieder van de vijftig staten zitting hebben, maar dit comitť heeft zeer beperkte bevoegdheden, evenals de nationale voorzitter die door het comitť wordt aangewezen. De voorzitter is geen partijleider in de Europese betekenis van het woord. Is de partij op nationaal niveau aan de macht, dan bepaalt het Witte Huis de partijlijn. Is zij in de oppositie dan hebben invloedrijke leden van het Congres of gouverneurs het voor het zeggen. De structurele en ideologische zwakte van beide partijen heeft haar weerslag in het Congres. Niet zelden stemmen bijv. rechtse Republikeinen en Democraten uit het zuiden samen vůůr of tegen een wetsontwerp. Vertegenwoordigers van minderheden vormen stemblokken ongeacht hun partijachtergrond. De activiteiten van de lobbyisten, m.n. in de Senaat, hebben meer invloed dan de partijdiscipline.
De grootste overkoepelende vakbondsorganisatie is de American Federation of Labor-Congress of Industrial Organizations (AFL-CIO) met 13, 9 miljoen van de in totaal 16,7 miljoen vakbondsleden (18% van de totale beroepsbevolking). Enkele zeer machtige categorale bonden, de bond van mijnwerkers en de bond van vrachtwagenchauffeurs (teamsters), zijn niet bij de AFL-CIO aangesloten.

3. Economie
3.1 Inleiding

De economie berust in hoge mate op de beginselen van de vrije markt en het particuliere ondernemerschap, waarbij de invloed van de overheid tot een minimum is beperkt. Openbare nutsbedrijven als spoorwegen, elektriciteitsbedrijven, telefoon e.d. zijn grotendeels in particuliere handen. Toch houdt de overheid zich allerminst afzijdig van beÔnvloeding van het economische leven. Zo heeft zij een beslissende stem in de hoogte van de tarieven die de nutsbedrijven aan hun klanten berekenen en is het centrale bankwezen door een wet van 1913 in de overheidssfeer getrokken (zie Federal Reserve System), terwijl er in de loop van de tijd tevens een streng toezicht is gekomen op trustvorming. Verder beÔnvloedt de overheid het economisch leven door belastingheffing, arbeidsbeschermende wetten, kwaliteitseisen en consumentenbeschermende bepalingen. Als directe deelnemer aan het economisch leven, bijv. in de vorm van staatsbedrijven, treedt de Amerikaanse overheid echter niet op.
Als gevolg van een combinatie van factoren zijn de Verenigde Staten het welvarendste land ter wereld geworden. De enorme uitgestrektheid, de vele mogelijkheden voor de landbouw, de aanwezigheid van vrijwel alle belangrijke delfstoffen en een ondernemende en vindingrijke bevolking, die juist naar het land was gekomen om zich materieel te verbeteren, hebben het land tot de machtigste economische natie ter wereld gemaakt. Door de opkomst van Japan als grote economische mogendheid worden de Verenigde Staten echter thans in deze positie bedreigd. Met een bevolking die nog geen 5% van de wereldbevolking uitmaakt en een oppervlakte van 7% van het wereldoppervlak, nemen de Verenigde Staten bijna een kwart van de wereldproductie voor hun rekening. Met uitzondering van aardolie en enkele andere delfstoffen zijn de Verenigde Staten geheel onafhankelijk van het buitenland wat hun grondstoffen betreft.
Na de zware recessie van 1982 kende de Amerikaanse economie een aantal jaren lang een periode van ononderbroken expansie met een gemiddelde groei van 4% per jaar. Een complex van factoren lag hieraan ten grondslag. Het nieuwe economische overheidsbeleid was geŽnt op de theorieŽn van de supply-side economen, die veel verwachten van het stimuleren van de aanbodzijde op de markt. Lagere belastingen en deregulering leidden tot meer investeringen van het bedrijfsleven. Er werd bezuinigd op verschillende federale programma's, m.n. op die in de sociale sector. De daling van de olieprijs, van de rente en van de dollar droeg verder bij tot het herstel van de economie. Maar tegelijk liep ook het begrotingstekort enorm op, tot boven de $ 200 miljard in 1984 (6,3% van het bnp). De economische situatie van de jaren tachtig stond in het algemeen in het teken van onevenwichtigheden. Bedrijfstakken als staal, landbouw en textiel kampten met verslechterde concurrentieposities. Voor het eerst sinds 1914 hadden de Verenigde Staten meer schulden in het buitenland (vooral in Japan) dan andersom. Het tekort op de handelsbalans groeide van $ 35 miljard in 1982 tot $ 174 miljard in 1995. Om de steeds langzamer groeiende economie uit het slop te halen werd een strakker monetair beleid gevoerd, mede om de inflatie in toom te houden. Maar eind 1990 belandde de Amerikaanse economie opnieuw in een recessie. Oorzaken waren het stijgen van de olieprijs en het teruglopen van het vertrouwen van de consument (mede ten gevolge van de Iraakse invasie in Koeweit). Het Bruto Nationaal Product (bnp) daalde (in 1990 $ 5465,1 miljard oftewel $ 21.970 per hoofd van de bevolking), de werkloosheid steeg tot boven de zeven procent en ook de industriŽle productie daalde, voor het eerst sinds 1982. Daarentegen trok de export met een groei van 7% in 1991 flink aan.
In 1995 was het consumentenvertrouwen weer gestegen en herstelde de economie zich redelijk voorspoedig. Het bnp beliep $ 7247, 7 miljard ($ 25.860 p.p.). De beroepsbevolking was actief voor 4% in de landbouw, voor 24% in de industrie en voor 72% in de dienstverlening.
3.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
In de jaren tachtig was het grootste probleem van de landbouw de overproductie. Veel boeren slaagden er hierdoor niet in hun oogsten met de geraamde winst te verkopen. De staat geeft jaarlijks grote sommen subsidie voor export van agrarische grondstoffen en producten. In het kader van de GATT-onderhandelingen dringen de Verenigde Staten er al langer op aan de handelsbeperkingen voor agrarische producten en exportsubsidies af te schaffen ten behoeve van een eerlijker concurrentie op de wereldmarkt. Hierover bestaat echter grote onenigheid met de EU.
De Verenigde Staten zijn reeds lange tijd de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, een positie die zij in de jaren tachtig nog verder konden uitbreiden. Middelgrote en grote landbouwbedrijven overheersen; verregaande mechanisatie en toepassing van de nieuwste landbouwmethoden zijn voor deze bedrijven kenmerkend. De klimatologische en fysisch-geografische omstandigheden hebben verschillende landbouwzones doen ontstaan. De noordoostelijke staten en de gebieden om de Grote Meren behoren tot de zuivelzone, de dairy belt. De oostkust kent vele tuinbouw, fruitteelt en pluimveehouderij. Ten zuiden van de dairy belt worden de voor de veehouderij zo belangrijke gewassen maÔs en sojabonen in de corn soy belt verbouwd. De grote katoenplantages in de eens zo beroemde cotton belt, die in het zuiden van de Atlantische Oceaan tot diep in Texas liep, hebben nu grotendeels plaatsgemaakt voor gemengde agrarische bedrijven, maar als gevolg van de betere landbouwmethoden is de opbrengst van de nog bestaande katoencultures hoger dan vroeger. Aan de kust van Florida en Texas worden citrusvruchten, suikerriet en rijst verbouwd. Het Midden-Westen is de graanschuur, bekend onder de naam de wheat belt. CaliforniŽ heeft uitgebreide groente- en fruitkwekerijen, terwijl de wijnbouw daar van inmiddels grote betekenis is geworden. Het enigszins vochtige noordoosten heeft gemengde bedrijven, terwijl de fruitteelt daar ook een belangrijke rol speelt.
Ook in de veehouderij zijn de Verenigde Staten de grootste producent ter wereld, maar een aantal veehouderijproducten moet ingevoerd worden. Rundveehouderij vindt plaats in Texas, Iowa, Nebraska, Kansas, Missouri, Oklahoma en Wisconsin. In het westen wordt de veehouderij op extensieve wijze bedreven. In het zuiden en het westen wordt vnl. slachtvee gehouden, in het noorden en noordoosten en bij de grote steden melkvee. De varkenshouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Van grote betekenis is de pluimveehouderij (kippen en kalkoenen), die in CaliforniŽ, New England, North Carolina en Georgia is geconcentreerd.
Ca. 30% van het oppervlak van het land is met bossen bedekt, waarmee de Verenigde Staten na de Russische Federatie en BraziliŽ tot de bosrijkste landen ter wereld behoren. Tweederde daarvan kan commercieel geŽxploiteerd worden en daarvan bevindt zich 73% in privťbezit. De houtindustrie bezit aanzienlijke bosarealen en spant zich ook in voor de uitbreiding daarvan. De commerciŽle bosbouw vindt vnl. plaats in de grote naaldwouden van Noord-CaliforniŽ, Washington en Oregon, waar ook de grootste zagerijen ter wereld zijn, die vnl. voor de papierindustrie werken en in de gemengde bossen van het zuidoosten. Een derde belangrijk bosgebied is de Rocky Mountains.
De Verenigde Staten beschikken over rijke visgronden in de Atlantische Oceaan (kabeljauw, makreel, haring en tong), in de Grote Oceaan, voor de kust van Alaska (tonijn, sardines, haring en kabeljauw) en in de binnenwateren. De Fishery Conservation and Management Act van 1976 heeft een zone van 200 mijl vanuit de kust verboden verklaard voor buitenlandse vissers. De helft van de totale vangst wordt geŽxporteerd.
3.3 Mijnbouw en energievoorziening
De Verenigde Staten zijn een van de aan bodemschatten rijkste en tevens belangrijkste mijnbouwlanden ter wereld. In de winning van magnesium, fosfaat en molybdeen nemen zij de eerste plaats in; in de winning van aardgas, aardolie, koper, zilver, steenkool en uranium een tweede plaats. Over het algemeen is de mijnbouw sterk gemechaniseerd. De Verenigde Staten hebben de grootste steenkoolvoorraad ter wereld. Het zwaartepunt van de winning ligt in Pennsylvania. Verder wordt in de Rocky Mountains steenkool gewonnen. Er is een bewezen aardoliereserve van 3,529 miljard barrels, dwz. 2,6% van de wereldreserve aan aardolie. Een reserve die rond het jaar 2000 zal zijn uitgeput. De aardoliewinning is echter te klein om de binnenlandse behoefte te dekken; 45% van het totaal moet geÔmporteerd worden. De belangrijkste aardgasvoorraden liggen in Texas en Louisiana. IJzerertswinning, vnl. in het noorden en in de Appalachen, Utah, Nevada en Zuid-CaliforniŽ, is niet meer voldoende om de binnenlandse vraag te dekken. Dit geldt ook voor de winning van kopererts die plaatsvindt in Arizona, Utah, New Mexico, Nevada en Montana, waar ook goud en zilver gedolven worden. Bauxiet wordt vnl. in Arkansas en Georgia gevonden, maar niet voldoende om aan de vraag van de aluminiumindustrie te voldoen. Uraniumerts komt voor in de Rocky Mountains.
De Verenigde Staten, met 5% van de wereldbevolking, gebruiken ruim een kwart van de totale wereldproductie aan energie. Het verbruik per hoofd van de bevolking is bijna vier keer zo hoog als het wereldgemiddelde. De energievoorziening geschiedt vnl. door warmtekrachtcentrales, waarvan de meerderheid door aardolie (42,6%), aardgas (23,3%) en steenkool (23,5%) wordt gevoed. Kernenergie voorziet in 7,1% van het totale energieaanbod. Met 109 kernreactoren beschikken de Verenigde Staten over de grootste geÔnstalleerde capaciteit ter wereld (610.291 MkWh). Waterkrachtcentrales, zoals die in de Tennessee River, leveren eveneens een aandeel aan de energievoorziening.
3.4 Industrie
De Verenigde Staten zijn de grootste industriŽle natie ter wereld. Het kerngebied van de industrie is de manufacturing belt, in de door New York, Chicago en St. Louis gevormde driehoek. Texas is het centrum van de petrochemische industrie, terwijl de westelijke staten en in het bijzonder de gebieden rond Los Angeles, San Francisco en Seattle de laatste decennia veel industriŽle vestigingen hebben aangetrokken. Kenmerkend voor de Amerikaanse industrie zijn de grote industriŽle bedrijven die vaak weer in omvangrijke concerns zijn samengevoegd. Deze concentraties hebben zich m.n. in de auto-industrie, de telefoon-, vliegtuigbouw, staal en sigarettenindustrie voorgedaan.
3.5 Handel
De buitenlandse handel is - in vergelijking met de binnenlandse - gering van omvang. Ca. 90% van alle agrarische en industriŽle producten wordt in de Verenigde Staten zelf verbruikt. Sinds het midden van de jaren tachtig neemt de handel met het buitenland toe. De Verenigde Staten zijn een van de grootste exporterende landen ter wereld: in 1995 werd ter waarde van $ 575 miljard (14% van de wereldexport) geŽxporteerd. Sedert het midden van de jaren zeventig is er een tekort op de handelsbalans (in 1995 $ 174, 5 miljard). Voornaamste uitvoerproducten zijn: machines, auto's en auto-onderdelen, vliegtuigen, chemische producten en voedselproducten, waaronder graan. Voornaamste afnemers zijn: Canada, Japan, de EU-landen en Mexico. Ingevoerd worden: auto's en auto-onderdelen, elektrische apparaten, aardolie en aardolieproducten, chemische en agrarische producten. Belangrijkste leveranciers zijn: Japan, Canada, de EU-landen, Mexico en Taiwan. In aug. 1992 werd met Canada en Mexico het North American Free Trade Agreement (NAFTA) gesloten. Hiermee kwam de grootste vrijhandelszone ter wereld tot stand.
3.6 Bankwezen
Het bankwezen is in de Verenigde Staten voor het grootste gedeelte eerder onderworpen aan de jurisdictie van de afzonderlijke staten dan aan die van de federale overheid. In het algemeen mag een bank geen filialen openen of andere banken overnemen in andere staten dan waarin zij gevestigd is. Dit is er ook de oorzaak van dat de Verenigde Staten naar verhouding geen grote banken kent (zie ook bank [economie]). Het organisatieverband van de centrale banken is het Federal Reserve System. De banken spelen een belangrijke rol in het economisch leven, m.n. in het betalingsverkeer, door het sterk ontwikkelde chequestelsel.
3.7 Ontwikkelingssamenwerking
De Verenigde Staten verstrekken op grote schaal financiŽle en materiŽle hulp aan andere landen, zowel in de vorm van bijdragen aan multinationale organisaties als op bilateraal niveau. Op grond van de Foreign Assistance Act van 1961 geschiedt de steun in de vorm van schenkingen (vnl. militair materieel en diensten) vaak in ruil voor tegenprestaties, bijv. de vestiging van militaire bases, kredieten en andere bijstand. In 1993 bedroeg de buitenlandse hulp in totaal $ 14,644 miljard.
3.8 Verkeer
De Verenigde Staten hebben het grootste wegennet en de hoogste motoriseringsgraad ter wereld. Er waren in 1993 143 miljoen geregistreerde personenauto's en 194 miljoen vrachtwagens. De voorzieningen die hiervoor nodig zijn, hebben diepingrijpende gevolgen voor m.n. de stedenbouw gehad. Door het grote aantal particuliere auto's en het veelvuldige gebruik dat daarvan wordt gemaakt (o.a. voor het woon-werkverkeer) is in sommige stedelijke gebieden (bijv. Los Angeles) het openbaar vervoer slecht ontwikkeld. Ook de vrije-tijdsbesteding van de Amerikanen wordt - geheel in de geest van de American dream - beÔnvloed door de auto. M.n. het oosten heeft een zeer dicht wegennet. Voor de grotere afstanden zijn de highways van belang, waarvan een groot aantal het karakter van een tolweg heeft. Het busverkeer speelt m.n. voor het vervoer over grotere afstanden een belangrijke rol (Greyhound en Continental Trailways).
De betekenis van de spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer is na de opkomst van de auto snel teruggelopen. Door een complex van oorzaken, o.m. door de wetgeving die fusies verbood, verloren de particuliere spoorwegmaatschappijen de concurrentieslag met de auto en later het vliegtuig. Investeringen, uitbreidingen en aanpassing van het net en vernieuwing van het materieel bleven achterwege, waardoor het passagiers- en goederenaanbod nog verder terugliep. In 1971 greep de federale overheid in. Om het personenvervoer tussen de grote steden veilig te stellen, werd de National Railroad Passenger Corporation (Amtrak) opgericht. In 1976 richtte de overheid de Consolidated Rail Corporation (Conrail) op die het vrachtvervoer van een aantal failliet gegane maatschappijen, vnl. in het noordoosten, overnam (1987 geprivatiseerd). Daarna fuseerde een aantal particuliere spoorwegmaatschappijen tot grotere en vooral sterkere maatschappijen, o.a. de CSX Transportation in Florida (1980).
De binnenscheepvaart is van groot belang voor het goederentransport, m.n. in het stroomgebied van de Ohio, de Missouri en de Mississippi en op de Grote Meren. Haar staat een waterwegennet van in totaal 40.000 km lengte ter beschikking. Een aantal grote kanalen verbindt belangrijke zeehavens en industriegebieden met elkaar, zoals de St. Laurence Seaway, de Illinois Waterway en de Intracoastal Waterway. Chicago is de grootste binnenhaven. De grootste zeehavens zijn: New York, New Orleans, Houston, Baltimore, Newport, San Francisco en Los Angeles.
De luchtvaart is voor het binnenlandse personenvervoer van de grootste betekenis. Er bestaat een groot aantal luchtvaartmaatschappijen en meer dan vijfhonderd steden zijn in het vliegnet opgenomen. De drukste vliegvelden zijn (in volgorde van afnemende grootte): Chicago, Dallas, Los Angeles, Atlanta, New York (J.F. Kennedy), San Francisco, Denver, Miami, New York (La Guardia) en Boston. In de loop van de jaren tachtig kwam een groot aantal gevestigde luchtvaartmaatschappijen in financiŽle moeilijkheden, toen de regering-Reagan tot deregulering besloot en de prijzen in de luchtvaart drastisch daalden door een sterk toegenomen onderlinge concurrentie. Deze ontwikkeling werd o.a. Pan American Airlines, het paradepaard van de Amerikaanse luchtvaart, fataal. Panam ging in 1992 failliet.
3.9 Toerisme
Het toerisme naar de Verenigde Staten is een belangrijke bron van inkomsten. In 1994 bezochten ruim 45 miljoen mensen van buiten het land (in 1985 nog 25 miljoen) en gaven ruim $ 57 miljard uit (in 1985 $ 14, 3 miljard). Ruim 47 miljoen Amerikanen bezochten in 1995 het buitenland (van wie ruim de helft naar Europa ging), zij gaven daar bijna $ 50 miljard uit.

Telefoongids Verenigde Staten
Postcodes Verenigde Staten

 

Klik door naar de geschiedenis van de Verenigde Staten >>

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009