header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Vietnam

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

 

Vietnam (Vietnamees, = Land van het Zuiden) (officieel: ViÍt Nam CŰng HÚa Xa HŰi Chu' Nghi„ = Socialistische Republiek Vietnam), republiek in Zuidoost-AziŽ, aan de oostkust van Achter-IndiŽ, 331.114 km2, met (schatting 1995) 73,5 miljoen inw. (222 inw. per km2), hoofdstad: Hanoi. Munteenheid is de dong (VND). Nationale feestdag is 2 september.

1. Fysische geografie
Het noorden van Vietnam omvat de delta van de rivier de Song Koi (Rode Rivier) en een uitgestrekt bergland (tot boven 3000 m) in het noorden en westen, dat een voortzetting is van het bergland van Zuidoost-China. Dit gebergte zet zich voort naar het zuiden in de Annamitische keten of Cordillera van Annam, met een gemiddelde breedte van ca. 160 km en op vele plaatsen hoger dan 2000 m; deze keten vormt de scheiding tussen de smalle kustvlakte van Vietnam en de Mekongvallei van Zuid-Laos en Oost-Cambodja. Dit gebergte heeft bovendien nog uitlopers in de kustvlakte. Het uiterste zuidwesten bestaat uit een laagvlakte, de delta van de rivier de Mekong.
Het grootste deel van Vietnam heeft een tropisch moessonklimaat; de delta van de Song Koi echter staat bloot aan koude noordelijke winden tijdens het seizoen van de noordoostmoesson en heeft van december tot maart een duidelijk koel seizoen. De gemiddelde neerslag bedraagt 1730 mm per jaar. Het kustgebied heeft veel te lijden van verwoestende wervelstormen (taifoens); het zuidoostelijk kustgedeelte is extreem droog.
De plantengroei is in zones in te delen. Vooral op de hoger gelegen gebieden domineert het tropisch regenwoud. In de drogere delen van Vietnam komen loofverliezende tropische moessonwouden en savannen voor, langs de kust mangrovebossen. De moerassen van de Mekongdelta en die langs de noordkust zijn voor een groot deel ontgonnen ten behoeve van de rijstbouw.
De dierenwereld behoort tot die van Indo-China en bestaat voornamelijk uit de fauna van het Aziatische tropische regenwoud. De meest bekende vertegenwoordigers hiervan zijn tijger, Indische olifant, herten, neushoorns en een aantal apen. Verscheidene diersoorten hebben een beperkte verspreiding goeddeels binnen Vietnam; men vermoedt dat de kouprey, een zeer zeldzaam wild rund, vrijwel uitgeroeid is, terwijl bepaalde slankapen steeds zeldzamer worden. Javaanse en Sumateraanse neushoorns zijn beide vermoedelijk al uitgeroeid. De Mekongrivier huisvest een interessante eigen fauna. De gevolgen van oorlogshandelingen en politieke onrust, maar ook een met kracht ter hand genomen ontwikkelingspolitiek, waardoor het natuurlijk milieu wordt teruggedrongen, vormen de grootste bedreigingen van de dierenwereld. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
nextDe bevolking bestaat voor ca. 87% uit Vietnamezen. Voorts zijn er Tho (of Tay), Chinezen, Thai, Khmer, Muong en Nung (allen tussen 1 en 2%). De kustvlakten en de Mekongdelta hebben de grootste bevolkingsdichtheid. Tussen april 1975 en aug. 1984 slaagden 554.000 Vietnamezen erin het land illegaal, meestal per boot (zgn. bootvluchtelingen), te verlaten. In febr. 1989 ging Vietnam akkoord met de terugkeer van deze vluchtelingen onder toezicht van de VN.
De jaarlijkse bevolkingsaanwas tussen 1985 en 1994 bedroeg 2, 1%. De grootste steden zijn: Ho Tsji Minhstad (het vroegere Saigon, 4,3 miljoen inw.), Hanoi (2,1 miljoen inw.) en Haiphong (1,5 miljoen inw.).
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Vietnamees, dat tot de Mon-Khmer-tak van de Austro-Aziatische taalfamilie behoort. Van 111 v. C. tot 939 n. C., toen Vietnam een provincie in het Chinese Keizerrijk was, diende het Chinees ook in Vietnam als de geschreven taal. Pas in de 8ste eeuw is het zgn. ch~u'nŰm-schrift ontworpen, een aangepaste vorm van het Chinese karakterschrift om het Vietnamees mee te schrijven. Thans wordt het Vietnamees geschreven in een op het Latijnse alfabet gebaseerd schrift, het ch~u'quŰc ng~u'. Naast het Vietnamees, het Muong en enige andere Mon-Khmer-talen worden door bevolkingsgroepen in Vietnam ook Kadai-, Sino-Tibetaanse en Austronesische talen gesproken. In de handel en in het onderwijs worden ook het Engels en het Frans gesproken.
2.3 Religie
De drie traditionele religies zijn het boeddhisme (Mahayana-boeddhisme), waartoe ca. 55% van de bevolking behoort, het tauÔsme en het confucianisme. Grote maatschappelijke invloed hebben de syncretistische religie Cao Dai (lett. = hoogste godheid; ca. 2 miljoen volgelingen) en de boeddhistische Hoa Hao-sekte (variant van Hinayana-boeddhisme; ruim 1,5 miljoen volgelingen). De Rooms-Katholieke Kerk (in Vietnam aanwezig sinds de 17de eeuw) telt ca. 6 miljoen leden en is bestuurlijk georganiseerd in drie aartsbisdommen (Hanoi, Huť en Ho Tsji Minhstad) met in totaal 21 bisdommen.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De nieuwe grondwet van april 1992 betekende een radicale breuk met de oude, communistische grondwet van 1980. Hoewel de leidende rol van de Communistische Partij van Vietnam (CPV) gehandhaafd bleef, werd de macht van de Nationale Assemblťe (het parlement), de premier en zijn kabinet, en de president aanzienlijk uitgebreid. De nieuwe grondwet formaliseerde voorts de vrije-markthervormingen van het economisch systeem, die reeds vanaf het midden der jaren tachtig waren doorgevoerd. De oude Staatsraad (het collectieve presidentschap) werd vervangen door de functie van een president, gekozen door en uit de 395 afgevaardigden van het parlement. De president is tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten en voorzitter van een (nieuwe) Nationale Defensie- en Veiligheidsraad. De Ministerraad werd vervangen door een kabinet, geleid door een minister-president. De CPV zou de politiek mogen blijven sturen, zonder echter bij de dagelijkse praktijk van regeren betrokken te raken. De CPV is de enig toegestane politieke partij. Wel mogen onafhankelijke kandidaten aan de parlementsverkiezingen meedoen. Vietnam is bestuurlijk ingedeeld in 50 provincies (tinh) en drie stadsgebieden (Hanoi, Haiphong en Ho Tsji Minhstad).
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Vietnam is lid van de Verenigde Naties, de Asian Development Bank, het Colombo Plan, de Organisatie van Niet Gebonden Landen en de ASEAN.

4. Economie
4.1 Algemeen
nextIn 1986 besloot de Communistische Partij van Vietnam (CPV) tot een proces van economische hervorming (doi moi) en openstelling voor handelscontacten met het Westen. In de nieuwe grondwet van 1992 werd iedere Vietnamees het recht toegezegd productiemiddelen te bezitten, een eigen onderneming op te richten en joint ventures aan te gaan. Grondbezit bleef verboden. Ook buitenlandse investeerders kregen het recht kapitaal of goederen in Vietnam te bezitten en bedrijven waarin zij geld investeren, mogen niet genationaliseerd worden. De economie bleef overigens in naam 'socialistisch georiŽnteerd'. Als gevolg van de doi moi heeft de Vietnamese economie sinds 1986 een opmerkelijke groei doorgemaakt. Het Bruto Nationaal Product (per hoofd van de bevolking $ 190 in 1994) groeide tussen 1990 en 1994 met gemiddeld 8% per jaar. Buitenlandse investeringen beliepen tot op heden een totaalbedrag van $ 10 miljard, vnl. in aardolie en -gas, bosbouw- en visserijproducten en in toerisme. De inflatie en de werkloosheid (resp. 12,7% en 6,1% in 1995) zijn aan de hoge kant.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Het zwaartepunt van de landbouw ligt in de vruchtbare Mekongdelta. Ten gevolge van de succesvolle liberalisering van de landbouw neemt Vietnam inmiddels een derde plaats op de wereldranglijst van rijstexporterende landen in. Overige belangrijke landbouwproducten zijn: maÔs, katoen, fruit, suikerriet, cassave, koffie, thee en rubber. De veehouderij omvat varkens-, kippen- en buffelfokkerij en de omvang ervan is sinds 1980 verdubbeld. Ca. 50% van het oppervlak van het noorden is met wouden bedekt, waardoor de houtwinning commercieel zeer aantrekkelijk is. De kust- en verre visserij zijn goed ontwikkeld, evenals de visserij op de rivieren en de viskwekerijen in de rijstvelden, die een belangrijke bijdrage aan het voedselpakket leveren.
4.3 Energievoorziening
De energievoorziening komt voor ruim 50% van waterkrachtcentrales, naast thermische centrales op olie, gas en steenkool. Vietnams eerste kerncentrale trad in werking in 1984.
4.4 Mijnbouw
In het noorden zijn de steenkoolbekkens in het achterland van de havenstad Hong Gai van groot belang. De bodem bevat voorts ijzer, tin, zink, chroom, koper, wolfraam, lood, goud en mangaanertsen. Met hulp van de Sovjet-Unie werd er sinds 1984 voor de zuidkust olie gewonnen, maar sinds het uiteenvallen van dat land in 1991 wordt de olie vnl. door westerse maatschappijen als Shell en BP gewonnen. Wel behield de Russische Federatie een belang in de Vietnamese olie, o.m. via de joint venture Vietsorpetro. Vietnam produceerde in 1994 7 miljoen t ruwe olie, die in zijn geheel geŽxporteerd werd (80% naar Japan). Er is een olieraffinaderij in aanbouw bij Ho Tsji Minhstad.
4.5 Industrie
De industriŽle activiteiten zijn geconcentreerd in het noorden en rond Ho Tsji Minhstad. De voornaamste takken daarvan zijn de ijzer- en staalindustrie, de voedingsmiddelen- en de textielindustrie.
4.6 Handel
De handelsbalans is negatief en het saldotekort wordt steeds groter. De voornaamste handelspartners waren tot het eind van de jaren tachtig de voormalige Oostbloklanden en m.n. de Sovjet-Unie. In 1989 ging 70% van de Vietnamese export naar dat land, in 1990 nog 40%. In 1991 kelderde de import uit de voormalige Sovjet-Unie met 84%. Thans zijn Japan, Singapore, Hong Kong, Zuid-Korea, Taiwan en de EU de belangrijkste handelspartners. Uitgevoerd worden aardolie (vooral naar Japan), landbouwproducten, rubber en textiel. Ingevoerd worden machines, aardolieproducten, voedingsmiddelen en medicamenten. Een belangrijke bron van inkomsten leveren de honderdduizenden in het buitenland werkzame Vietnamezen (zgn. Viet Kieu genaamd, veelal bootvluchtelingen).
4.7 Ontwikkelingshulp
De Vietnamese economie is in hoge mate afhankelijk geweest van de hulp uit het buitenland. De Oostbloklanden en in bescheidener mate enkele westerse landen, waaronder Frankrijk, Nederland en Zweden, gaven hulp. Na de invasie in Cambodja in 1979 richtte de westerse hulp zich nog slechts op het humanitaire vlak en werden de kredieten van de Wereldbank onder druk van de Verenigde Staten stopgezet. Eind jaren tachtig staakte de Sovjet-Unie de economische hulp aan Vietnam. In 1992 stond nog een schuld van 10 miljard roebel van Vietnam aan Rusland, de opvolger van de Sovjet-Unie. De belangrijkste geldschieters zijn Japan, Frankrijk en Zweden, naast tal van internationale fondsen.
4.8 Bankwezen
Centrale bank is de Vietnamese Staatsbank, die tevens de functie van handelsbank heeft.
4.9 Verkeer
Met name het zuiden heeft een uitgebreid wegennet, dat in totaal 350.000 km meet. Van groot belang voor het verkeer is de spoorlijn Ho Tsji Minhstad-Hanoi (totale lengte spoornet: 3260 km). In de uitgebreide Mekongdelta is de binnenscheepvaart van groot belang voor transport van goederen en mensen. De Vietnam Ocean Shipping Agency houdt zich bezig met het vervoer over zee. Belangrijkste havens zijn Haiphong, Ho Tsji Minhstad en Da Nang. De nationale luchtvaartmaatschappij is Vietnam Airlines; Hanoi en Ho Tsji Minhstad hebben internationale luchthavens.

5. Geschiedenis
Het grondgebied van het huidige Vietnam, bestaande uit de protectoraten Annam en Cochin-China en voorts Tonkin, werd in 1886/1887 samen met de protectoraten Cambodja en Laos verenigd in Frans Indo-China. De keizers van de Nguyen-dynastie werden tot Franse vazallen. In 1941 werd het gebied door de Japanners bezet. Door Frankrijks pogingen tot herstel van zijn koloniaal gezag en door het verzet daartegen van de op 2 sept. 1945 tot stand gekomen Democratische Republiek Vietnam (DRV) en de verzetsbewegingen in Laos en Cambodja ontstond de Eerste Indo-Chinese Oorlog, die tot 1954 zou duren.
5.1 De Eerste Indo-Chinese Oorlog en de Conferentie van GenŤve
Na de Tweede Wereldoorlog was de Viet Minh, een samenwerkingsverband tussen verzetsbewegingen tegen de Japanse bezetting, in feite de enige politieke en militaire machtsfactor in het land. De door Japan op 11 maart 1945 opgezette onafhankelijke staat Vietnam (dwz. Annam en Tonkin) onder leiding van Bao Dai, de laatste Nguyen, speelde geen rol van betekenis. Drie dagen na de Japanse capitulatie in aug. 1945 werd het bestuur over heel Vietnam overgedragen aan de Voorlopige Commissie van de Viet Minh. Op 25 aug. 1945 kwam een alliantie tot stand tussen het (burgerlijke) Nationale Verenigde Front en de Viet Minh, terwijl een onder communistische leiding staande Voorlopige Uitvoerende Commissie voor Cochin-China werd ingesteld. Vier dagen later volgde de instelling van een voorlopige regering van Vietnam, gevestigd te Hanoi, met Ho Tsji Minh als president en Bao Dai als Hoge Adviseur. De officiŽle proclamatie door Ho Tsji Minh van de onafhankelijkheid van Vietnam en de stichting van de Democratische Republiek Vietnam (DRV) vond plaats op 2 sept. 1945, na de formele capitulatie van de Japanse troepen. Op 9 okt. 1945 werd in Londen een officiŽle overeenkomst getekend, waarbij het Franse burgerlijk bestuur voor Indo-China ten zuiden van de 16de breedtegraad door Groot-BrittanniŽ werd erkend. Met ingang van 1 jan. 1946 aanvaardde Frankrijk de volledige militaire verantwoordelijkheid voor Indo-China ten zuiden van genoemde breedtegraad.
De verdeling van Vietnam had tot gevolg dat gedurende de eerste maanden na de Japanse capitulatie de Franse invloed in het noorden uiterst gering was. Onder pressie van het Chinese Kwo-min-tang-commando vond de samenstelling plaats van een regering voor 'Eenheid en Verzet', waaraan werd deelgenomen door de VNQDD (de Nationalistische Partij van Vietnam) en de Viet Minh. Langs diplomatieke weg wisten de Fransen de Chinese regering te bewegen in te stemmen met terugtrekking van de Chinese troepen in ruil voor de Franse toezegging afstand te doen van de Franse extraterritoriale rechten in China. Op 9 maart 1946 kwam een overeenkomst tot stand (het akkoord van Hanoi) tussen de Franse Hoge Commissaris in Tonkin en Ho Tsji Minh, waarbij de Vietnamese regering ermee instemde dat Franse troepen de plaats zouden innemen van de vertrekkende Chinese eenheden, terwijl Frankrijk de DRV erkende als een 'onafhankelijke staat met een eigen regering, een eigen parlement, een eigen leger en eigen financiŽn, als deel van de Indo-Chinese Federatie en de Franse Unie'. De Franse conceptie van de Indo-Chinese Federatie, waarvan naast Vietnam ook Cambodja en Laos deel zouden uitmaken, en van de Franse Unie, zou centraal staan in de politieke strijd tussen Frankrijk en de naar onafhankelijkheid strevende gebieden van Indo-China. In de overeenkomst werd verder bepaald dat na beŽindiging van de plaatselijke vijandelijkheden tussen Franse en Vietnamese troepen een referendum zou worden gehouden over de vraag of Tonkin, Annam en Cochin-China zouden worden verenigd. In een annex tot de overeenkomst werd verder gezegd dat de Franse troepen in 1952 uit Vietnam zouden worden teruggetrokken. Al snel bleek dat de Franse en de Vietnamese interpretaties van de overeenkomst aanzienlijk van elkaar afweken. In mei 1946 nam de Franse Constituerende Vergadering een wet aan tot stichting van de Franse Unie 'op basis van vrijwilligheid', maar op het einde van dezelfde maand werd door de Franse Hoge Commissaris d'Argenlieu zonder voorkennis van Parijs de Voorlopige Republiek van Cochin-China, met Frankrijk geassocieerd in de Indo-Chinese Federatie en de Franse Unie, geproclameerd. De ontstemming van de Vietnamese regering over de proclamatie, die zij beschouwde als een schending van de overeenkomst van Hanoi, was een van de voornaamste oorzaken van de mislukking van de Frans-Vietnamese onderhandelingen. Ho Tsji Minh kwam met de Fransen een modus vivendi overeen (14 sept. 1946), inhoudend dat aan beide zijden 'alle vijandelijkheden in Cochin-China en Zuid-Annam van 30 okt. 1946 af een einde zouden nemen'. Hij vormde op 31 okt. 1946 een nieuwe regering zonder deelneming van de VNQDD. De op 9 nov. 1946 door de Nationale Vergadering te Hanoi aanvaarde grondwet was vrij liberaal van opzet. Het grondgebied van de DRV omvatte volgens deze grondwet Noord-, Midden- en Zuid-Vietnam. Een Frans ultimatum dat de Vietnamese troepen zich zouden terugtrekken uit het Chinese deel van Haiphong, werd gevolgd door een Frans bombardement op Haiphong (23 nov.). Op 19 dec. 1946 deden Vietnamese troepen een aanval op de Fransen in Hanoi en in andere garnizoenen van Noord- en Midden-Vietnam. Deze gebeurtenissen leidden tot de uitbreiding van de in sept. 1945 reeds begonnen Frans-Vietnamese oorlog over geheel Vietnam. In het noorden waren de Franse troepen er in enkele maanden tijds in geslaagd de voornaamste steden van Tonkin en Noord-Annam te bezetten. Op het platteland bleef de Vietnamese regering echter heer en meester. In Huť, even benoorden de 16de breedtegraad, werd met Franse steun in april 1947 een Voorlopige Bestuurscommissie ingesteld, bestaande uit anticommunistische nationalisten. Ongeveer terzelfder tijd vond de oprichting plaats van een soortgelijke anticommunistische tegenregering in Hanoi. De Franse militaire autoriteiten benaderden in dezelfde periode Ho Tsji Minh met het voorstel een wapenstilstand te sluiten, welke de strekking zou hebben dat de Franse troepen zich vrij zouden kunnen bewegen in heel Noord- en Midden-Vietnam, terwijl de Viet Minh-eenheden zich slechts zouden mogen ophouden in door de Franse militaire autoriteiten aangewezen gebieden. Deze eis werd door Ho Tsji Minh afgewezen. Onderhandelingen tussen Frankrijk en Bao Dai leidden ten slotte tot een akkoord dat de erkenning van de eenheid en onafhankelijkheid van Tonkin, Annam en Cochin-China inhield.
In maart 1949 erkende Frankrijk Bao Dai's regering als geassocieerd lid van de Franse Unie en verklaarde dat geen de jure of de facto bezwaren zouden worden ingebracht tegen vereniging van Tonkin, Annam en Cochin-China, mits van tevoren de bevolking van Cochin-China zou worden geraadpleegd. In april 1949 werd in Cochin-China een vertegenwoordigend lichaam in het leven geroepen, dat besloot dat Cochin-China niet langer een Franse kolonie was en deel zou uitmaken van Vietnam, indien dit land geassocieerd lid van de Franse Unie zou zijn. Op 21 mei 1949 keurde het Franse parlement de aansluiting van Cochin-China bij Vietnam goed. Begin 1950 verklaarde Ho Tsji Minh dat de DRV de enige wettige regering van Vietnam vormde. In jan. 1950 erkenden de Chinese Volksrepubliek en de Sovjet-Unie de DRV, terwijl Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten in februari de regering van Bao Dai erkenden. In dezelfde maand confisqueerde Ho Tsji Minh de bezittingen van gevluchte landeigenaren en verdeelde de grond onder de boeren. De strijd tussen de Franse en de Vietnamese troepen ging intussen voort. Op 9 okt. 1950 leden de Fransen een zware nederlaag bij Cao Bang, waarna zij gedwongen waren een groot aantal grensposten in Noordoost-Vietnam te ontruimen. In dec. 1950 werd generaal De Lattre de Tassigny benoemd tot opperbevelhebber en Hoge Commissaris in Indo-China. In dezelfde maand werd in Saigon een Frans-Amerikaanse overeenkomst gesloten waarbij de Amerikaanse economische en militaire hulp ter beschikking werd gesteld van het Franse Hoge Commando. In dec. 1952 nam de NAVO-Raad een resolutie aan waarin steun werd toegezegd aan Frankrijk, dat het in het noorden zwaar te verduren had. In de 'Staat Vietnam' van Bao Dai ontwikkelde zich intussen een sterke anti-Franse tendens, vooral ook als gevolg van Frankrijks streven om zeggenschap te houden over de hulp door de Verenigde Staten verleend ten behoeve van Bao Dai's tegenregering. Het Franse parlement sprak zich uit voor versterking van de troepen van de 'Staat Vietnam' ter vervanging van de Franse troepen. In het noorden wisten de Fransen Dien Bien Phu te veroveren (8 mei 1954).
In Frankrijk traden duidelijke symptomen van oorlogsmoeheid op en Parijs stemde in met het denkbeeld om in GenŤve een conferentie te houden waar zowel Korea (de oorlog was daar net beŽindigd) als Indo-China zou worden behandeld. Voor deze conferentie werd zowel Bao Dai als Ho Tsji Minh uitgenodigd. De verovering van Dien Bien Phu droeg er niet weinig toe bij dat de Indo-Chinese kwestie het hoofdonderwerp werd van de bijeenkomst. Frankrijk stemde in met de tijdelijke verdeling van Vietnam in een noordelijke en een zuidelijke militaire hergroeperingszone (scheidingslijn de 17de breedtegraad). Ook China, de Sovjet-Unie, Groot-BrittanniŽ, de DRV, Cambodja en Laos stemden ermee in. Een uit India, Polen en Canada bestaande Internationale Controle Commissie zou toezien op de uitvoering van de overeenkomst. De Verenigde Staten volstonden met 'kennis te nemen' van de overeenkomst en verklaarden dat Washington iedere nieuwe agressie ernstig zou nemen. Washington zou zich onthouden van maatregelen die de uitvoering van de overeenkomst in gevaar zouden kunnen brengen. Verder verklaarde de conferentie dat in 1956 algemene verkiezingen in heel Vietnam zouden worden gehouden om te beslissen door welke regering het land zou worden geregeerd.
5.2 Het ontstaan van twee staten
De Amerikanen hadden weinig vertrouwen in het vermogen van de regeringen van Bao Dai en van Cambodja en Laos om een verder opdringen van de communisten op eigen kracht te weerstaan. Om aan dat opdringen weerstand te bieden, werd te Manila de SEATO (Zuidoost-Aziatische Verdrags Organisatie) opgericht, waarbij de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, de Filippijnen, Thailand, AustraliŽ, Nieuw-Zeeland en Pakistan de onafhankelijkheid van Zuid-Vietnam, Cambodja en Laos garandeerden. Intussen waren begin oktober 800!000 Tonkinezen (onder wie 110!000 Vietnamese militairen en hun gezinnen), merendeels katholieken, uit Noord-Vietnam geŽvacueerd en overgebracht naar Zuid-Vietnam. In Zuid-Vietnam manifesteerden zich de eerste symptomen van verzet tegen het bewind van Bao Dai en diens premier Ngo Dinh Diem. De religieuze sekten - de Cao Dai, Hoa Hao - en de onderwereldorganisatie Binh Xuyen eisten en verkregen participatie in de regering. De Verenigde Staten en Frankrijk kwamen overeen dat Amerika's financiŽle hulp niet langer via Frankrijk zou lopen, maar direct aan de lid-staten van de Franse Unie zou worden afgedragen. Voor de overdracht van Hanoi en Haiphong aan de regering van Ho Tsji Minh ontmantelden de Fransen de hele onder Frans beheer staande industrie en verscheepten zij alle machinerieŽn en onderdelen via Haiphong naar het buitenland. Terwijl de Amerikanen $ 100 miljoen steun toezegden aan Zuid-Vietnam, beloofde China de DRV materiŽle steun. In Saigon werd onmiddellijk na de overdracht van het militaire commando door de Fransen aan de regering van Ngo Dinh Diem (febr. 1955) de financiŽle steun aan de Cao Dai en de Hoa Hao voor het onderhoud van hun troepen stopgezet, waarop de vertegenwoordigers van de Cao Dai en de Hoa Hao uit de regering traden. De Zuid-Vietnamese regeringstroepen vernietigden de Binh Xuyen-eenheden in Cholon, de Chinese voorstad van Saigon. Nadat de hergroepering van de troepen in heel Vietnam, geregeld in het Geneefse akkoord, was voltooid (18 mei 1955), begon de actie voor het houden van algemene verkiezingen. De regering van de DRV verklaarde zich bereid tot het houden van besprekingen over algemene verkiezingen. Maar hoewel ook premier Ngo Dinh Diem het beginsel van vrije verkiezingen niet verwierp, stelde hij de voorwaarde dat de Viet Minh het bewijs zou leveren dat Hanoi het nationaal belang zou stellen boven de beginselen van het communisme. China en de Sovjet-Unie zegden financiŽle steun toe aan Hanoi, alsmede technische en educatieve hulp. Pham Van Dong, de minister van Buitenlandse Zaken van de DRV, deed een beroep op Eden en Molotov, de voorzitters van de Geneefse conferentie, om de stappen te nemen die noodzakelijk waren voor de tenuitvoerlegging van de Geneefse akkoorden. In de loop van okt. 1955 werd in Zuid-Vietnam een referendum gehouden waarbij de kiezers zich uitspraken vůůr het afzetten van Bao Dai als hoofd van de staat en diens vervanging door Ngo Dinh Diem als president: de Staat Vietnam werd vervangen door de Republiek Vietnam. In het voorjaar van 1956 werden op verzoek van de regering in Saigon alle Franse troepen uit Zuid-Vietnam teruggetrokken en werd het Franse Hoge Commando opgeheven.
Terwijl in het zuiden politieke en sociale onrust hoogtij vierde, werd in Noord-Vietnam tegen het midden van het jaar het programma voor de landhervorming voltooid (in 1953 aangevangen). De regering in Hanoi zette er alles op om te komen tot de in de Geneefse akkoorden voorziene verkiezingen met de eenmaking van noord en zuid als inzet. De daartoe gedane voorstellen werden telkens opnieuw afgewezen door Ngo Dinh Diem met als motief dat vrije verkiezingen onder de in Noord-Vietnam bestaande verhoudingen onmogelijk waren. De onrust in Zuid-Vietnam, speciaal in het gebied van het grootgrondbezit, waar Ho Tsji Minh veel aanhangers had, nam in de loop der jaren sterk toe. Ook in de steden nam het verzet tegen Ngo Dinh Diem snel toe. Op 20 dec. 1960 richtten guerrillero's het Vietnamese Nationale Bevrijdingsfront (NLF, Viet Cong), dat door Hanoi werd gesteund, op. In Saigon nam de spanning in okt. 1961 zo sterk toe dat Ngo Dinh Diem bijzondere volmachten kreeg en voortaan bij decreet kon regeren.
5.3 Amerikaanse militaire inmenging en de Amerikaans-Vietnamese of Tweede Indo-Chinese Oorlog
In dec. 1961 volgde een briefwisseling tussen de Amerikaanse president Kennedy en Ngo Dinh Diem over maatregelen die genomen konden worden om Zuid-Vietnam beter in staat te stellen zich te verdedigen tegen de communistische bedreiging: twee maanden later werd het Amerikaanse Militaire Hulp Commando (MAC) ingesteld. Een in juni 1962 uitgebracht verslag van de Internationale Controle Commissie (niet getekend door het Poolse lid) maakte gewag van gewapend personeel uit het noorden en van wapenzendingen die gebruikt werden in de strijd tegen de Zuid-Vietnamese regeringstroepen. In hetzelfde rapport werd ook de vestiging van de MAC en de aanwezigheid van een groot aantal Amerikaanse militairen in Zuid-Vietnam in strijd verklaard met de Geneefse akkoorden. Medio 1963 brak een ernstig conflict uit tussen de regering in Saigon en de boeddhistische organisaties (zelfverbrandingen). In nov. 1963 werd een coup tegen Ngo Dinh Diem uitgevoerd door hoge legerofficieren, waarbij Ngo Dinh Diem en zijn broer en adviseur Ngo Dinh Nhoe omkwamen. Een tweede coup volgde eind jan. 1964. Het aantal militairen in Zuid-Vietnam nam regelmatig toe en de Verenigde Staten vergrootten voortdurend hun steun aan Saigon.
In hetzelfde jaar kondigde president Johnson het besluit aan de bases van Noord-Vietnamese torpedoboten en opslagplaatsen van aardolie te bombarderen. Aanleiding hiertoe waren rapporten over het feit dat de torpedobootjager Maddox op 2 aug. 1964 in internationale wateren in de Golf van Tonkin was aangevallen door Noord-Vietnamese torpedoboten. Het Amerikaanse Congres keurde Johnsons besluit goed en schonk hem tevens volmachten voor verdere militaire acties, indien die noodzakelijk zouden zijn. Steunend op deze volmachten voerde president Johnson in ca. vier jaar tijds de sterkte van de strijdkrachten van de Verenigde Staten in Vietnam op tot meer dan 550.000 man. De Amerikanen gingen nu over tot toepassing van de meest moderne strijdmiddelen, met als gevolg verwoesting van een aanzienlijk deel van het land. Hun strijdkrachten werden aangevuld met contingenten uit Zuid-Korea, de Filippijnen, Thailand, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland, tezamen ca. 71.000 man sterk. Toen eenheden van de Viet Cong een verrassende aanval deden op Zuid-Vietnamese vliegvelden, op de stad Hoey Toa en Amerikaanse kampen, werden de luchtbombardementen verhevigd (febr. 1965). Ze werden ook uitgevoerd op grote steden als Hanoi en Haiphong en lokten scherpe protesten uit, niet alleen in het neutrale buitenland, maar ook in de Verenigde Staten zelf, waar in vrijwel alle steden felle demonstraties gehouden werden tegen de Vietnamoorlog. De buitenwereld was weinig gelukkig met het Amerikaanse optreden en drong vrijwel eensgezind op onderhandelingen aan zonder voorwaarden vooraf. De Verenigde Staten weigerden in een tot Groot-BrittanniŽ gerichte nota de Viet Cong te erkennen als partij bij de te voeren onderhandelingen. Maanden van besprekingen achter de schermen volgden, maar Ho Tsji Minh bleef bij zijn eis van terugtrekking van de Amerikaanse troepen en erkenning van de Viet Cong als vertegenwoordiger van het volk van Zuid-Vietnam. Op 14 juli 1967 kondigde Johnson aan dat de omvang van de Amerikaanse strijdkrachten met nog eens 45!000 man zou worden opgevoerd. Pham Van Dong, de Noord-Vietnamese premier, verklaarde dat stopzetting van de bombardementen voorwaarde was voor het beginnen van onderhandelingen. Nadat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties U Thant op 17 aug. 1967 bij de Verenigde Staten had aangedrongen op staking van de bombardementen voor drie of vier weken, verklaarde president Johnson op 29 aug. 1967 dat de Verenigde Staten bereid waren de bombardementen te staken, indien zulks tot besprekingen zou kunnen leiden. Niettemin werd aan het einde van de Honolulu-conferentie op 21 dec. 1967 tussen Johnson en Nguyen Van Thieu, de nieuwe president van Zuid-Vietnam, een communiquť uitgegeven, waarin de vastbeslotenheid werd uitgesproken de communistische agressie te verslaan. Begin jan. 1968 deelde president Johnson mee dat de regering van Zuid-Vietnam bereid was tot informele besprekingen met de Viet Cong. Tijdens het Tet-feest (Nieuwjaarsfeest) van eind jan. 1968 voerden Viet Cong en Noord-Vietnamese troepen onder leiding van generaal Vo Nguyen Giap hevige aanvallen uit op de voornaamste steden en bases in Zuid-Vietnam. Huť werd tijdelijk bezet en in Saigon zelf werden regeringsgebouwen en de Amerikaanse ambassade aangevallen. De aan de zijde van de Viet Cong gekoesterde hoop dat de bevolking in opstand zou komen, ging niet in vervulling. Het was in deze periode dat de revolutionaire strijd zijn derde fase inging: (na terreur en guerrilla) tactische eenheden. Bij de aanval op Lang Vei werden voor het eerst tanks ingezet. De Amerikaanse verliescijfers liepen hoog op, terwijl het lot van de Amerikaanse krijgsgevangenen in handen van Hanoi steeds meer zorg ging baren. Op 31 maart 1968 deelde president Johnson mee de bombardementen ten noorden van de 20ste breedtegraad te staken. Op 3 april 1968 verklaarde Hanoi zich bereid vertegenwoordigers aan te wijzen om met Amerikaanse gedelegeerden voorbesprekingen te houden over onvoorwaardelijke stopzetting van de bombardementen en andere oorlogshandelingen tegen de DRV. Op 13 mei 1968 begonnen in Parijs onderhandelingen waaraan werd deelgenomen door de Verenigde Staten, Zuid-Vietnam, Noord-Vietnam en de Viet Cong. De resultaten van de bijeenkomsten waren uiterst gering. Noord-Vietnam en de Viet Cong bleven bij hun eis dat alle Amerikaanse troepen zouden moeten worden teruggetrokken voor er van eigenlijke vredesbesprekingen sprake zou kunnen zijn.
In juni 1969 maakte president Nixon, die herstel van de vrede in Vietnam tot zijn voornaamste verkiezingsleuze had gemaakt, bekend dat spoedig een begin gemaakt zou worden met de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Zuid-Vietnam. Sedert aug. 1969 werden door zijn persoonlijke adviseur H. Kissinger te Parijs geheime besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers van Noord-Vietnam. Het tempo van de door Nixon aangekondigde troepenvermindering zou vooral worden bepaald door het snel toenemend vermogen van Zuid-Vietnam om zelfstandig de verdediging van zijn grondgebied tegen de Viet Cong ter hand te nemen. Deze 'vietnamisering' van de oorlog eiste betere training en betere bewapening van de troepen van Saigon. Eind aug. 1969 waren reeds de eerste 25.000 Amerikanen uit Vietnam vertrokken en was de sterkte van de Amerikaanse troepenmacht teruggebracht tot 511.000 man. In maart 1972 stonden nog slechts 60.000 man Amerikaanse grondtroepen op Vietnamese bodem, terwijl de Amerikanen niet meer deelnamen aan gevechtshandelingen op de grond. De regering in Saigon kreeg intussen van Washington de verzekering dat zij bij de verdediging van het land zou kunnen blijven rekenen op de steun van de Amerikaanse luchtmacht. De Verenigde Staten continueerden inmiddels het - reeds in 1965 aangevangen - gebruik van chemische ontbladeringsmiddelen ( 'Agent Orange') in Vietnam.
Op 30 maart 1972 begonnen de Noord-Vietnamezen en de Viet Cong een groot offensief, dat tot grote Zuid-Vietnamese verliezen leidde en tot de bezetting in het noorden van Quang Tri en Huť, in Midden-Vietnam van Kontum en Dak To, terwijl de aanval op An Loc de Noord-Vietnamezen en de troepen van de Viet Cong dicht bij Saigon bracht. De steun van de Amerikaanse luchtmacht en van de Amerikaanse vloot voorkwam een Zuid-Vietnamese debacle. Op 6 april 1972 besloot Washington de op 31 maart 1968 door president Johnson stopgezette, maar door Nixon in dec. 1971 hervatte luchtbombardementen op Noord-Vietnam te verhevigen, o.a. met hernieuwde aanvallen op de dijken, en de maritieme strijdkrachten in te zetten (bemijning van havens). In mei 1972 vonden in de Franse hoofdstad gesprekken tussen Kissinger en de speciale Noord-Vietnamese afgezant Le Duc Tho plaats. Begin okt. 1972 kwam een ontwerp-overeenkomst tot stand. Het akkoord voorzag in een onmiddellijk staken van het vuren en in de bereidheid tot het aanvangen van onderhandelingen tussen de in 1969 gevormde Voorlopige Revolutionaire Regering van Zuid-Vietnam (VRRZ) enerzijds en het Thieu-bewind anderzijds. De VRRZ zou met Thieu c.s. onderhandelen over de toekomst van Zuid-Vietnam. De overeenkomst hield in: 1. eerbiediging door de Verenigde Staten van de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale onschendbaarheid van Vietnam, erkend door de Geneefse Conferentie van 1954. 2. Staakt-het-vuren binnen 24 uur na ondertekening van de overeenkomst. BeŽindiging door de Verenigde Staten van alle militaire activiteiten. Volledige terugtrekking binnen 60 dagen van alle Amerikaanse troepen en personeel en die van de bondgenoten van de Verenigde Staten en van Zuid-Vietnam. Een voor de beide Zuid-Vietnamese partijen geldend verbod om militaire adviseurs, personeel, wapens, munitie en oorlogsmaterieel in Zuid-Vietnam in te voeren (wel mochten periodiek wapens, munitie en oorlogsmaterieel worden vervangen op basis van gelijkheid). Voorts zouden de Verenigde Staten hun militaire bemoeienissen niet voortzetten en zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden. 3. Vrijlating van gevangenen en geÔnterneerden van de drie partijen gelijktijdig met de terugtrekking van de Amerikaanse troepen. 4. Zelfbeschikkingsrecht van het Zuid-Vietnamese volk, tot gelding komend in werkelijk vrije en democratische verkiezingen, te organiseren door een Nationale Raad van Verzoening en Nationale Eendracht. Beide Zuid-Vietnamese partijen moesten voorts op zo kort mogelijke termijn een overeenkomst tekenen over de binnenlandse problemen van Zuid-Vietnam, bij voorkeur binnen drie maanden na het staakt-het-vuren. 5. Vereniging van Noord- en Zuid-Vietnam, stap voor stap en met vreedzame middelen. 6. Toezicht door een gemengde internationale commissie op de uitvoering van de overeenkomst. 7. Erkenning door Noord-Vietnam, de VRRZ, de Verenigde Staten en Zuid-Vietnam van de fundamentele nationale rechten van Cambodja en Laos. In nov. 1972 werden door de regering van de Verenigde Staten eisen gesteld aan Noord-Vietnam (erkenning van de 17de breedtegraad als politieke scheidslijn, erkenning soevereiniteit van Zuid-Vietnam, terugtrekking van Noord-Vietnamese troepen uit Zuid-Vietnam, specifiŽring van het karakter van de Nationale Raad). Op 14 dec. zond de Amerikaanse regering Noord-Vietnam een ultimatum waarin zij dreigde de luchtaanvallen benoorden de 20ste breedtegraad te zullen hervatten als niet binnen drie dagen op haar eisen was ingegaan. Hiertoe was Hanoi niet bereid. In opdracht van president Nixon begonnen nu op 18 dec. massale bombardementen op de Noord-Vietnamese grote steden, waarbij voor het eerst op grote schaal B52-bommenwerpers werden ingeschakeld. Twaalf dagen lang werden o.a. Hanoi en Haiphong blootgesteld aan zware luchtaanvallen, die enorme verwoestingen aanrichtten en in Hanoi alleen al meer dan duizend doden eisten.
Het akkoord werd op 23 jan. 1973 door Kissinger en door Le Duc Tho geparafeerd en op 27 jan. 1973 door de ministers van Buitenlandse Zaken van de VS en de DRV getekend. Officieel maakte de overeenkomst een einde aan de oorlog, die met korte tussenpozen van sept. 1945 (de Franse herovering van Saigon) tot eind jan. 1973, dus meer dan 27 jaar, had geduurd en die grote delen van het land had verwoest.
De invloed van deze oorlog op de binnenlandse politiek van de Verenigde Staten en op de internationale politieke verhoudingen is zeer groot geweest. Zowel binnen de Verenigde Staten als daarbuiten zijn tegen de door dit land in de oorlog gebezigde methoden (o.m. de chemische wapens en de elektronische oorlogvoering) felle protesten aangetekend, o.a. door het Vietnam-tribunaal te Stockholm-Roskilde (zie Russell-tribunaal). De mensonwaardige behandeling van politieke gevangenen in Saigon en op Con Son (in tijgerkooien) wekte alom verontwaardiging.
5.4 De ontwikkelingen na het akkoord van Parijs
De vijandelijkheden in Zuid-Vietnam namen na sluiting van het akkoord niet af. Washington bleef het Thieu-bewind steunen in de vorm van wapens en geld. Thieu hield zich niet aan de bepalingen van het akkoord van Parijs, omdat te voorzien was dat de VRRZ de macht van Thieu in Zuid-Vietnam zou overnemen als de bepalingen van Parijs loyaal uitgevoerd zouden worden. De VRRZ en de neutralisten (de zgn. derde macht) ijverden voor de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam. Tegen het einde van 1974 begon het Thieu-bewind te wankelen. De Verenigde Staten stelden zich steeds gereserveerder op tegenover Thieu en ook uit eigen land had Thieu veel kritiek te verduren.
Toen Zuid-Vietnam genoodzaakt werd het Centrale Hoogland prijs te geven, werd de militaire situatie onhoudbaar: Thieu vluchtte naar Taiwan en Saigon (spoedig omgedoopt in Ho Tsji Minh-stad) werd op 30 april 1975 door VRRZ-troepen ingenomen. Een hereniging was nu mogelijk. In het kader hiervan werden op 25 april 1976 algemene verkiezingen gehouden voor een Nationale Vergadering voor heel Vietnam. Deze vergadering kondigde op 2 juli 1976 officieel de eenheid van Noord- en Zuid-Vietnam af. Staatshoofd van de Socialistische Republiek Vietnam werd Ton Duc Thang, Pham Van Dong werd tot premier benoemd.
5.5 Vietnam na de hereniging
Eind 1977 - begin 1978 begon de Derde Indo-Chinese Oorlog die de jaren tachtig zou beheersen, na grensincidenten tussen Vietnam en Cambodja rond de Papagaaienbek. De strijd werd heviger, Vietnam verdreef in jan. 1979 het Rode Khmer-bewind van Pol Pot en stelde de pro-Vietnamese Cambodjaan Heng Samrin als leider van de Revolutionaire Raad aan (zie voorts Cambodja ß 5). De verhouding met China, dat Cambodja steunde, verslechterde nog meer toen in 1978 200!000 Vietnamezen (vnl. van Chinese afkomst) naar China vluchtten. In febr. 1979 viel China Vietnam binnen (in april 1984 volgde nog een tweede invasie) en drong bij Vietnam aan op terugtrekking uit Cambodja. Ook de relatie met Thailand liep flinke schade op, omdat dat land toestond dat vanaf Thais grondgebied guerrilla-activiteiten tegen Heng Samrins bewind werden ondernomen.
In het land zelf was men inmiddels met de opbouw van de door de oorlog ontwrichte economie begonnen. Dat gebeurde met behulp van vijfjarenplannen en Amerikaanse financiŽle steun. De economie werd omgebouwd tot een socialistische en op grote schaal begon men onder de bevolking in het zuiden aan zgn. 'heropvoedingprogramma's'. De slechte economische situatie, nog verergerd door grote droogte in 1977 en overstromingen in 1978, brachten echter duizenden Vietnamezen, aanvankelijk vooral van Chinese afkomst, ertoe het land illegaal in kleine bootjes te verlaten. In 1982 werd het aantal vluchtelingen op 500!000 geschat. Veel van deze zgn. bootvluchtelingen kwamen in vluchtelingenkampen in Thailand, MaleisiŽ en Hong Kong terecht. Om deze landen te ontlasten toonden westerse landen zich bereid in grotere getallen dan voorheen vluchtelingen op te nemen. Pas in 1990 werd internationaal overeenstemming bereikt over de gedwongen terugkeer van deze boat people vanuit de vluchtelingenkampen naar Vietnam.
Vietnam koos in 1986 voor een gewijzigde koers: economische openheid (doi moi) maar met behoud van de politieke geslotenheid. Onder partijleider Nguyen Van Linh en de premiers Pham Hung (die in 1987 Pham Van Dong was opgevolgd), Do Muoi (1988-1991) en Vo Van Kiet wist het land zich uit de economische malaise te werken en een voorspoedige groei-economie op te bouwen. Op 15 april 1992 werd een nieuwe grondwet aangenomen die de oude van 1980 verving. De nieuwe constitutie voorzag in een radicale verandering van de structuur van het bestuursapparaat en bekrachtigde voorts de economische hervormingen die al vanaf 1986 waren doorgevoerd, terwijl de leidende politieke rol van de CPV gehandhaafd bleef (zie ook ß 3.1). In sept. 1992 werd generaal Le Duc Anh als opvolger van Vo Chi Cong tot president gekozen. Vo Van Kiet werd als premier herkozen.
Op het terrein van de buitenlandse politiek bleven vanwege het pro-Vietnamese bewind in Cambodja de relaties met Thailand en China in de loop van de jaren tachtig op gespannen voet staan. In 1987 leidde dat zelfs tot opnieuw een gewapend conflict met China. Een ander regionaal conflict ontspon zich met China omtrent beider claims op de Spratly-eilanden in de Zuid-Chinese Zee. De Verenigde Staten, en in navolging daarvan de EG, Japan en de ASEAN-landen, stelden hun economische hulp afhankelijk van Vietnams vertrek uit Cambodja. Onder druk van bondgenoot de Sovjet-Unie en de slechte economie, die de kostbare militaire aanwezigheid in Cambodja niet langer kon dragen, trok Vietnam in 1989 zijn troepen uit Cambodja terug. In nov. 1991 werden de betrekkingen met China genormaliseerd. Ook die met de Verenigde Staten verbeterden, mede omdat Vietnam bereid was het probleem van vermiste Amerikaanse krijgsgevangenen uit de Vietnamoorlog op te lossen. Deze toenadering bracht ook de opheffing van het Amerikaanse handelsembargo (reeds vanaf 1975 in werking) dichterbij.
5.6 Nieuwe koers
In april 1992 werd een nieuwe grondwet aanvaard, die een duidelijke breuk met het verleden en een grotere scheiding tussen regering en partij inhield. De regerende Communistische Partij bleef echter leidinggevend. Voorts benadrukte het document de sinds het midden van de jaren tachtig ingezette markt-georiŽnteerde hervormingskoers en werd voor de eerste keer gewag gemaakt van de gegarandeerde respectering van de mensenrechten.
In juli werden verkiezingen gehouden voor de Nationale Vergadering, zij het dat onafhankelijke kandidaten nauwelijks een kans kregen mee te doen. De benoeming in sept. van Vo Van Kiet tot premier en zijn rechterhand Pham Van Kai tot een van de drie vice-premiers werd algemeen gezien als een bevestiging van de hervormingskoers. Generaal Le Duc Anh, een vertegenwoordiger van het conservatieve militaire establishment en tweede man van het Politburo van de Partij, kreeg de nieuwe post van president van de republiek. De politieke oppositie tegen de regering bleef actief, hetgeen leidde tot arrestaties, veroordelingen en verscherping van de perscensuur. Ook op religieus gebied werden de vrijheden opnieuw aan banden gelegd. Positief was echter de vrijlating van vrijwel alle in heropvoedingskampen verblijvende voormalige Zuid-Vietnamese leger- en overheidsfunctionarissen.
De slechte infrastructuur en toenemende werkloosheid, mede veroorzaakt door een verdere instorting van de staatssector, zorgden ook in 1992 voor een vertraging van de economische ontwikkeling. In april en mei kondigde de Amerikaanse regering het herstel aan van alle telecommunicatieverbindingen met Vietnam en de ongehinderde import van handelsgoederen voor humanitaire doeleinden. Ook beŽindigde zij het verbod op ontwikkelingshulp van Amerikaanse particuliere instellingen en werd een uitbreiding van humanitaire hulp toegezegd. In juli 1993 keurde de Nationale Vergadering een wet op het grondeigendom goed, waarmee een einde kwam aan de onzekere economische situatie van ongeveer 57 miljoen boeren. De nieuwe wet regelt het vruchtgebruik van grond voor 20 jaar, voor grond met meerjarige gewassen zelfs 50 jaar. Particulier eigendom bleef echter uitgesloten.
Evenals in voorgaande jaren ging de stormachtige groei van de economie (ongeveer 8%) in 1993 door. Prijsstijgingen zorgden voor een afnemende koopkracht, vooral op het platteland. Door de voortdurende begunstiging van de staatssector werd ook in 1993 de verdere privatisering van de economie afgeremd. Ook bleek de regering niet bij machte de snel om zich heen grijpende corruptie en smokkel een halt toe te roepen.
De opheffing in febr. 1994 van het 19-jarige Amerikaanse handelsembargo had eerder symbolische waarde dan dat het het economische hervormingsproces ingrijpend beÔnvloedde. In dec. sloten Washington en Hanoi overeenkomsten over de regeling van eigendomsrechten daterend uit de periode van de Vietnamoorlog en werden zij het eens over de opening van handelskantoren in beide hoofdsteden. Op economisch gebied deden zich geen opvallende veranderingen voor: de groei bleef rond de 8% gehandhaafd en de inflatie lag op ruim 9%.
In de tweede helft van het jaar kostten de overstromingen in de Mekongdelta het leven aan meer dan 300 mensen en raakten meer dan een half miljoen mensen dakloos. Bij verkiezingen voor districts- en gemeenteraden werden voor het eerst onafhankelijke en niet-partijgebonden kandidaten toegelaten. De betrekkingen met de Chinese Volksrepubliek verbeterden in het midden van de jaren negentig aanzienlijk, vooral op economisch en militair gebied.
De snel groeiende economie vormde ook een bron van politieke zorgen. Binnen de machtsdriehoek van partijleider Du Muoi, premier Vo Van Kiet en staatshoofd Le Duc Anh werd in 1995 overeengekomen dat de 'socialistische markteconomie' niet ten koste mocht gaan van de politieke hiŽrarchie. De fiscale en financiŽle hervormingen bleven achter bij eerder gewekte verwachtingen en de privatiseringen, waarmee doorgaans joint-ventures met buitenlandse bedrijven waren gemoeid, verliepen traag. Ook in 1996 bleef die situatie ongewijzigd bij een groei van ruim 9%. Slechts eenderde van de in totaal 6000 staatsbedrijven bleek winstgevend, maar de overheid weigerde deze sector te saneren.
De oppositie binnen de Partij, maar ook dissidenten daarbuiten, zoals de boeddhistische monniken, kregen het in 1995 en 1996 zwaar te verduren. De gedwongen repatriŽring van Vietnamese vluchtelingen in Zuidoost-Aziatische kampen, die in 1995 was begonnen, werd in 1996 versneld voortgezet. Het achtste Partijcongres van juli 1996 consolideerde de macht van de drie topleiders en versterkte door een uitbreiding van het Politbureau de invloed van meer behoudende krachten, zonder dat dit evenwel het delicate machtsevenwicht tussen conservatieven en hervormers aantastte. Met Thailand werden uitgebreide culturele en handelsverdragen gesloten. De kloof tussen arm en rijk nam toe, vooral op het gebied van de gezondheidszorg.

Telefoongids Vietnam
Postcodes Vietnam

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009