|
     
1. Fysische geografie
Het noorden van Vietnam omvat de delta van de rivier de Song Koi (Rode
Rivier) en een uitgestrekt bergland (tot boven 3000 m) in het noorden en
westen, dat een voortzetting is van het bergland van Zuidoost-China. Dit
gebergte zet zich voort naar het zuiden in de Annamitische keten of
Cordillera van Annam, met een gemiddelde breedte van ca. 160 km en op
vele plaatsen hoger dan 2000 m; deze keten vormt de scheiding tussen de
smalle kustvlakte van Vietnam en de Mekongvallei van Zuid-Laos en
Oost-Cambodja. Dit gebergte heeft bovendien nog uitlopers in de
kustvlakte. Het uiterste zuidwesten bestaat uit een laagvlakte, de delta
van de rivier de Mekong.
Het grootste deel van Vietnam heeft een tropisch moessonklimaat; de
delta van de Song Koi echter staat bloot aan koude noordelijke winden
tijdens het seizoen van de noordoostmoesson en heeft van december tot
maart een duidelijk koel seizoen. De gemiddelde neerslag bedraagt 1730
mm per jaar. Het kustgebied heeft veel te lijden van verwoestende
wervelstormen (taifoens); het zuidoostelijk kustgedeelte is extreem
droog.
De plantengroei is in zones in te delen. Vooral op de hoger gelegen
gebieden domineert het tropisch regenwoud. In de drogere delen van
Vietnam komen loofverliezende tropische moessonwouden en savannen voor,
langs de kust mangrovebossen. De moerassen van de Mekongdelta en die
langs de noordkust zijn voor een groot deel ontgonnen ten behoeve van de
rijstbouw.
De dierenwereld behoort tot die van Indo-China en bestaat voornamelijk
uit de fauna van het Aziatische tropische regenwoud. De meest bekende
vertegenwoordigers hiervan zijn tijger, Indische olifant, herten,
neushoorns en een aantal apen. Verscheidene diersoorten hebben een
beperkte verspreiding goeddeels binnen Vietnam; men vermoedt dat de
kouprey, een zeer zeldzaam wild rund, vrijwel uitgeroeid is, terwijl
bepaalde slankapen steeds zeldzamer worden. Javaanse en Sumateraanse
neushoorns zijn beide vermoedelijk al uitgeroeid. De Mekongrivier
huisvest een interessante eigen fauna. De gevolgen van
oorlogshandelingen en politieke onrust, maar ook een met kracht ter hand
genomen ontwikkelingspolitiek, waardoor het natuurlijk milieu wordt
teruggedrongen, vormen de grootste bedreigingen van de dierenwereld. De
natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestaat voor ca. 87% uit Vietnamezen. Voorts zijn er Tho (of
Tay), Chinezen, Thai, Khmer, Muong en Nung (allen tussen 1 en 2%). De
kustvlakten en de Mekongdelta hebben de grootste bevolkingsdichtheid.
Tussen april 1975 en aug. 1984 slaagden 554.000 Vietnamezen erin het
land illegaal, meestal per boot (zgn. bootvluchtelingen), te verlaten.
In febr. 1989 ging Vietnam akkoord met de terugkeer van deze
vluchtelingen onder toezicht van de VN.
De jaarlijkse bevolkingsaanwas tussen 1985 en 1994 bedroeg 2, 1%. De
grootste steden zijn: Ho Tsji Minhstad (het vroegere Saigon, 4,3 miljoen
inw.), Hanoi (2,1 miljoen inw.) en Haiphong (1,5 miljoen inw.).
2.2 Taal
Officiële taal is het Vietnamees, dat tot de Mon-Khmer-tak van de
Austro-Aziatische taalfamilie behoort. Van 111 v. C. tot 939 n. C., toen
Vietnam een provincie in het Chinese Keizerrijk was, diende het Chinees
ook in Vietnam als de geschreven taal. Pas in de 8ste eeuw is het zgn.
ch~u'nôm-schrift ontworpen, een aangepaste vorm van het Chinese
karakterschrift om het Vietnamees mee te schrijven. Thans wordt het
Vietnamees geschreven in een op het Latijnse alfabet gebaseerd schrift,
het ch~u'quôc ng~u'. Naast het Vietnamees, het Muong en enige andere
Mon-Khmer-talen worden door bevolkingsgroepen in Vietnam ook Kadai-,
Sino-Tibetaanse en Austronesische talen gesproken. In de handel en in
het onderwijs worden ook het Engels en het Frans gesproken.
2.3 Religie
De drie traditionele religies zijn het boeddhisme (Mahayana-boeddhisme),
waartoe ca. 55% van de bevolking behoort, het tauïsme en het
confucianisme. Grote maatschappelijke invloed hebben de syncretistische
religie Cao Dai (lett. = hoogste godheid; ca. 2 miljoen volgelingen) en
de boeddhistische Hoa Hao-sekte (variant van Hinayana-boeddhisme; ruim
1,5 miljoen volgelingen). De Rooms-Katholieke Kerk (in Vietnam aanwezig
sinds de 17de eeuw) telt ca. 6 miljoen leden en is bestuurlijk
georganiseerd in drie aartsbisdommen (Hanoi, Hué en Ho Tsji Minhstad)
met in totaal 21 bisdommen.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
De nieuwe grondwet van april 1992 betekende een radicale breuk met de
oude, communistische grondwet van 1980. Hoewel de leidende rol van de
Communistische Partij van Vietnam (CPV) gehandhaafd bleef, werd de macht
van de Nationale Assemblée (het parlement), de premier en zijn kabinet,
en de president aanzienlijk uitgebreid. De nieuwe grondwet formaliseerde
voorts de vrije-markthervormingen van het economisch systeem, die reeds
vanaf het midden der jaren tachtig waren doorgevoerd. De oude Staatsraad
(het collectieve presidentschap) werd vervangen door de functie van een
president, gekozen door en uit de 395 afgevaardigden van het parlement.
De president is tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten en
voorzitter van een (nieuwe) Nationale Defensie- en Veiligheidsraad. De
Ministerraad werd vervangen door een kabinet, geleid door een
minister-president. De CPV zou de politiek mogen blijven sturen, zonder
echter bij de dagelijkse praktijk van regeren betrokken te raken. De CPV
is de enig toegestane politieke partij. Wel mogen onafhankelijke
kandidaten aan de parlementsverkiezingen meedoen. Vietnam is bestuurlijk
ingedeeld in 50 provincies (tinh) en drie stadsgebieden (Hanoi, Haiphong
en Ho Tsji Minhstad).
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Vietnam is lid van de Verenigde Naties, de Asian Development Bank, het
Colombo Plan, de Organisatie van Niet Gebonden Landen en de ASEAN.
4. Economie
4.1 Algemeen
In
1986 besloot de Communistische Partij van Vietnam (CPV) tot een proces
van economische hervorming (doi moi) en openstelling voor
handelscontacten met het Westen. In de nieuwe grondwet van 1992 werd
iedere Vietnamees het recht toegezegd productiemiddelen te bezitten, een
eigen onderneming op te richten en joint ventures aan te gaan.
Grondbezit bleef verboden. Ook buitenlandse investeerders kregen het
recht kapitaal of goederen in Vietnam te bezitten en bedrijven waarin
zij geld investeren, mogen niet genationaliseerd worden. De economie
bleef overigens in naam 'socialistisch georiënteerd'. Als gevolg van de
doi moi heeft de Vietnamese economie sinds 1986 een opmerkelijke groei
doorgemaakt. Het Bruto Nationaal Product (per hoofd van de bevolking $
190 in 1994) groeide tussen 1990 en 1994 met gemiddeld 8% per jaar.
Buitenlandse investeringen beliepen tot op heden een totaalbedrag van $
10 miljard, vnl. in aardolie en -gas, bosbouw- en visserijproducten en
in toerisme. De inflatie en de werkloosheid (resp. 12,7% en 6,1% in
1995) zijn aan de hoge kant.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Het zwaartepunt van de landbouw ligt in de vruchtbare Mekongdelta. Ten
gevolge van de succesvolle liberalisering van de landbouw neemt Vietnam
inmiddels een derde plaats op de wereldranglijst van rijstexporterende
landen in. Overige belangrijke landbouwproducten zijn: maïs, katoen,
fruit, suikerriet, cassave, koffie, thee en rubber. De veehouderij omvat
varkens-, kippen- en buffelfokkerij en de omvang ervan is sinds 1980
verdubbeld. Ca. 50% van het oppervlak van het noorden is met wouden
bedekt, waardoor de houtwinning commercieel zeer aantrekkelijk is. De
kust- en verre visserij zijn goed ontwikkeld, evenals de visserij op de
rivieren en de viskwekerijen in de rijstvelden, die een belangrijke
bijdrage aan het voedselpakket leveren.
4.3 Energievoorziening
De energievoorziening komt voor ruim 50% van waterkrachtcentrales, naast
thermische centrales op olie, gas en steenkool. Vietnams eerste
kerncentrale trad in werking in 1984.
4.4 Mijnbouw
In het noorden zijn de steenkoolbekkens in het achterland van de
havenstad Hong Gai van groot belang. De bodem bevat voorts ijzer, tin,
zink, chroom, koper, wolfraam, lood, goud en mangaanertsen. Met hulp van
de Sovjet-Unie werd er sinds 1984 voor de zuidkust olie gewonnen, maar
sinds het uiteenvallen van dat land in 1991 wordt de olie vnl. door
westerse maatschappijen als Shell en BP gewonnen. Wel behield de
Russische Federatie een belang in de Vietnamese olie, o.m. via de joint
venture Vietsorpetro. Vietnam produceerde in 1994 7 miljoen t ruwe olie,
die in zijn geheel geëxporteerd werd (80% naar Japan). Er is een
olieraffinaderij in aanbouw bij Ho Tsji Minhstad.
4.5 Industrie
De industriële activiteiten zijn geconcentreerd in het noorden en rond
Ho Tsji Minhstad. De voornaamste takken daarvan zijn de ijzer- en
staalindustrie, de voedingsmiddelen- en de textielindustrie.
4.6 Handel
De handelsbalans is negatief en het saldotekort wordt steeds groter. De
voornaamste handelspartners waren tot het eind van de jaren tachtig de
voormalige Oostbloklanden en m.n. de Sovjet-Unie. In 1989 ging 70% van
de Vietnamese export naar dat land, in 1990 nog 40%. In 1991 kelderde de
import uit de voormalige Sovjet-Unie met 84%. Thans zijn Japan,
Singapore, Hong Kong, Zuid-Korea, Taiwan en de EU de belangrijkste
handelspartners. Uitgevoerd worden aardolie (vooral naar Japan),
landbouwproducten, rubber en textiel. Ingevoerd worden machines,
aardolieproducten, voedingsmiddelen en medicamenten. Een belangrijke
bron van inkomsten leveren de honderdduizenden in het buitenland
werkzame Vietnamezen (zgn. Viet Kieu genaamd, veelal bootvluchtelingen).
4.7 Ontwikkelingshulp
De Vietnamese economie is in hoge mate afhankelijk geweest van de hulp
uit het buitenland. De Oostbloklanden en in bescheidener mate enkele
westerse landen, waaronder Frankrijk, Nederland en Zweden, gaven hulp.
Na de invasie in Cambodja in 1979 richtte de westerse hulp zich nog
slechts op het humanitaire vlak en werden de kredieten van de Wereldbank
onder druk van de Verenigde Staten stopgezet. Eind jaren tachtig staakte
de Sovjet-Unie de economische hulp aan Vietnam. In 1992 stond nog een
schuld van 10 miljard roebel van Vietnam aan Rusland, de opvolger van de
Sovjet-Unie. De belangrijkste geldschieters zijn Japan, Frankrijk en
Zweden, naast tal van internationale fondsen.
4.8 Bankwezen
Centrale bank is de Vietnamese Staatsbank, die tevens de functie van
handelsbank heeft.
4.9 Verkeer
Met name het zuiden heeft een uitgebreid wegennet, dat in totaal 350.000
km meet. Van groot belang voor het verkeer is de spoorlijn Ho Tsji
Minhstad-Hanoi (totale lengte spoornet: 3260 km). In de uitgebreide
Mekongdelta is de binnenscheepvaart van groot belang voor transport van
goederen en mensen. De Vietnam Ocean Shipping Agency houdt zich bezig
met het vervoer over zee. Belangrijkste havens zijn Haiphong, Ho Tsji
Minhstad en Da Nang. De nationale luchtvaartmaatschappij is Vietnam
Airlines; Hanoi en Ho Tsji Minhstad hebben internationale luchthavens.
5. Geschiedenis
Het grondgebied van het huidige Vietnam, bestaande uit de protectoraten
Annam en Cochin-China en voorts Tonkin, werd in 1886/1887 samen met de
protectoraten Cambodja en Laos verenigd in Frans Indo-China. De keizers
van de Nguyen-dynastie werden tot Franse vazallen. In 1941 werd het
gebied door de Japanners bezet. Door Frankrijks pogingen tot herstel van
zijn koloniaal gezag en door het verzet daartegen van de op 2 sept. 1945
tot stand gekomen Democratische Republiek Vietnam (DRV) en de
verzetsbewegingen in Laos en Cambodja ontstond de Eerste Indo-Chinese
Oorlog, die tot 1954 zou duren.
5.1 De Eerste Indo-Chinese Oorlog en de Conferentie van Genève
Na de Tweede Wereldoorlog was de Viet Minh, een samenwerkingsverband
tussen verzetsbewegingen tegen de Japanse bezetting, in feite de enige
politieke en militaire machtsfactor in het land. De door Japan op 11
maart 1945 opgezette onafhankelijke staat Vietnam (dwz. Annam en Tonkin)
onder leiding van Bao Dai, de laatste Nguyen, speelde geen rol van
betekenis. Drie dagen na de Japanse capitulatie in aug. 1945 werd het
bestuur over heel Vietnam overgedragen aan de Voorlopige Commissie van
de Viet Minh. Op 25 aug. 1945 kwam een alliantie tot stand tussen het
(burgerlijke) Nationale Verenigde Front en de Viet Minh, terwijl een
onder communistische leiding staande Voorlopige Uitvoerende Commissie
voor Cochin-China werd ingesteld. Vier dagen later volgde de instelling
van een voorlopige regering van Vietnam, gevestigd te Hanoi, met Ho Tsji
Minh als president en Bao Dai als Hoge Adviseur. De officiële
proclamatie door Ho Tsji Minh van de onafhankelijkheid van Vietnam en de
stichting van de Democratische Republiek Vietnam (DRV) vond plaats op 2
sept. 1945, na de formele capitulatie van de Japanse troepen. Op 9 okt.
1945 werd in Londen een officiële overeenkomst getekend, waarbij het
Franse burgerlijk bestuur voor Indo-China ten zuiden van de 16de
breedtegraad door Groot-Brittannië werd erkend. Met ingang van 1 jan.
1946 aanvaardde Frankrijk de volledige militaire verantwoordelijkheid
voor Indo-China ten zuiden van genoemde breedtegraad.
De verdeling van Vietnam had tot gevolg dat gedurende de eerste maanden
na de Japanse capitulatie de Franse invloed in het noorden uiterst
gering was. Onder pressie van het Chinese Kwo-min-tang-commando vond de
samenstelling plaats van een regering voor 'Eenheid en Verzet', waaraan
werd deelgenomen door de VNQDD (de Nationalistische Partij van Vietnam)
en de Viet Minh. Langs diplomatieke weg wisten de Fransen de Chinese
regering te bewegen in te stemmen met terugtrekking van de Chinese
troepen in ruil voor de Franse toezegging afstand te doen van de Franse
extraterritoriale rechten in China. Op 9 maart 1946 kwam een
overeenkomst tot stand (het akkoord van Hanoi) tussen de Franse Hoge
Commissaris in Tonkin en Ho Tsji Minh, waarbij de Vietnamese regering
ermee instemde dat Franse troepen de plaats zouden innemen van de
vertrekkende Chinese eenheden, terwijl Frankrijk de DRV erkende als een
'onafhankelijke staat met een eigen regering, een eigen parlement, een
eigen leger en eigen financiën, als deel van de Indo-Chinese Federatie
en de Franse Unie'. De Franse conceptie van de Indo-Chinese Federatie,
waarvan naast Vietnam ook Cambodja en Laos deel zouden uitmaken, en van
de Franse Unie, zou centraal staan in de politieke strijd tussen
Frankrijk en de naar onafhankelijkheid strevende gebieden van Indo-China.
In de overeenkomst werd verder bepaald dat na beëindiging van de
plaatselijke vijandelijkheden tussen Franse en Vietnamese troepen een
referendum zou worden gehouden over de vraag of Tonkin, Annam en
Cochin-China zouden worden verenigd. In een annex tot de overeenkomst
werd verder gezegd dat de Franse troepen in 1952 uit Vietnam zouden
worden teruggetrokken. Al snel bleek dat de Franse en de Vietnamese
interpretaties van de overeenkomst aanzienlijk van elkaar afweken. In
mei 1946 nam de Franse Constituerende Vergadering een wet aan tot
stichting van de Franse Unie 'op basis van vrijwilligheid', maar op het
einde van dezelfde maand werd door de Franse Hoge Commissaris
d'Argenlieu zonder voorkennis van Parijs de Voorlopige Republiek van
Cochin-China, met Frankrijk geassocieerd in de Indo-Chinese Federatie en
de Franse Unie, geproclameerd. De ontstemming van de Vietnamese regering
over de proclamatie, die zij beschouwde als een schending van de
overeenkomst van Hanoi, was een van de voornaamste oorzaken van de
mislukking van de Frans-Vietnamese onderhandelingen. Ho Tsji Minh kwam
met de Fransen een modus vivendi overeen (14 sept. 1946), inhoudend dat
aan beide zijden 'alle vijandelijkheden in Cochin-China en Zuid-Annam
van 30 okt. 1946 af een einde zouden nemen'. Hij vormde op 31 okt. 1946
een nieuwe regering zonder deelneming van de VNQDD. De op 9 nov. 1946
door de Nationale Vergadering te Hanoi aanvaarde grondwet was vrij
liberaal van opzet. Het grondgebied van de DRV omvatte volgens deze
grondwet Noord-, Midden- en Zuid-Vietnam. Een Frans ultimatum dat de
Vietnamese troepen zich zouden terugtrekken uit het Chinese deel van
Haiphong, werd gevolgd door een Frans bombardement op Haiphong (23 nov.).
Op 19 dec. 1946 deden Vietnamese troepen een aanval op de Fransen in
Hanoi en in andere garnizoenen van Noord- en Midden-Vietnam. Deze
gebeurtenissen leidden tot de uitbreiding van de in sept. 1945 reeds
begonnen Frans-Vietnamese oorlog over geheel Vietnam. In het noorden
waren de Franse troepen er in enkele maanden tijds in geslaagd de
voornaamste steden van Tonkin en Noord-Annam te bezetten. Op het
platteland bleef de Vietnamese regering echter heer en meester. In Hué,
even benoorden de 16de breedtegraad, werd met Franse steun in april 1947
een Voorlopige Bestuurscommissie ingesteld, bestaande uit
anticommunistische nationalisten. Ongeveer terzelfder tijd vond de
oprichting plaats van een soortgelijke anticommunistische tegenregering
in Hanoi. De Franse militaire autoriteiten benaderden in dezelfde
periode Ho Tsji Minh met het voorstel een wapenstilstand te sluiten,
welke de strekking zou hebben dat de Franse troepen zich vrij zouden
kunnen bewegen in heel Noord- en Midden-Vietnam, terwijl de Viet
Minh-eenheden zich slechts zouden mogen ophouden in door de Franse
militaire autoriteiten aangewezen gebieden. Deze eis werd door Ho Tsji
Minh afgewezen. Onderhandelingen tussen Frankrijk en Bao Dai leidden ten
slotte tot een akkoord dat de erkenning van de eenheid en
onafhankelijkheid van Tonkin, Annam en Cochin-China inhield.
In maart 1949 erkende Frankrijk Bao Dai's regering als geassocieerd lid
van de Franse Unie en verklaarde dat geen de jure of de facto bezwaren
zouden worden ingebracht tegen vereniging van Tonkin, Annam en
Cochin-China, mits van tevoren de bevolking van Cochin-China zou worden
geraadpleegd. In april 1949 werd in Cochin-China een vertegenwoordigend
lichaam in het leven geroepen, dat besloot dat Cochin-China niet langer
een Franse kolonie was en deel zou uitmaken van Vietnam, indien dit land
geassocieerd lid van de Franse Unie zou zijn. Op 21 mei 1949 keurde het
Franse parlement de aansluiting van Cochin-China bij Vietnam goed. Begin
1950 verklaarde Ho Tsji Minh dat de DRV de enige wettige regering van
Vietnam vormde. In jan. 1950 erkenden de Chinese Volksrepubliek en de
Sovjet-Unie de DRV, terwijl Groot-Brittannië en de Verenigde Staten in
februari de regering van Bao Dai erkenden. In dezelfde maand
confisqueerde Ho Tsji Minh de bezittingen van gevluchte landeigenaren en
verdeelde de grond onder de boeren. De strijd tussen de Franse en de
Vietnamese troepen ging intussen voort. Op 9 okt. 1950 leden de Fransen
een zware nederlaag bij Cao Bang, waarna zij gedwongen waren een groot
aantal grensposten in Noordoost-Vietnam te ontruimen. In dec. 1950 werd
generaal De Lattre de Tassigny benoemd tot opperbevelhebber en Hoge
Commissaris in Indo-China. In dezelfde maand werd in Saigon een
Frans-Amerikaanse overeenkomst gesloten waarbij de Amerikaanse
economische en militaire hulp ter beschikking werd gesteld van het
Franse Hoge Commando. In dec. 1952 nam de NAVO-Raad een resolutie aan
waarin steun werd toegezegd aan Frankrijk, dat het in het noorden zwaar
te verduren had. In de 'Staat Vietnam' van Bao Dai ontwikkelde zich
intussen een sterke anti-Franse tendens, vooral ook als gevolg van
Frankrijks streven om zeggenschap te houden over de hulp door de
Verenigde Staten verleend ten behoeve van Bao Dai's tegenregering. Het
Franse parlement sprak zich uit voor versterking van de troepen van de
'Staat Vietnam' ter vervanging van de Franse troepen. In het noorden
wisten de Fransen Dien Bien Phu te veroveren (8 mei 1954).
In Frankrijk traden duidelijke symptomen van oorlogsmoeheid op en Parijs
stemde in met het denkbeeld om in Genève een conferentie te houden waar
zowel Korea (de oorlog was daar net beëindigd) als Indo-China zou worden
behandeld. Voor deze conferentie werd zowel Bao Dai als Ho Tsji Minh
uitgenodigd. De verovering van Dien Bien Phu droeg er niet weinig toe
bij dat de Indo-Chinese kwestie het hoofdonderwerp werd van de
bijeenkomst. Frankrijk stemde in met de tijdelijke verdeling van Vietnam
in een noordelijke en een zuidelijke militaire hergroeperingszone
(scheidingslijn de 17de breedtegraad). Ook China, de Sovjet-Unie,
Groot-Brittannië, de DRV, Cambodja en Laos stemden ermee in. Een uit
India, Polen en Canada bestaande Internationale Controle Commissie zou
toezien op de uitvoering van de overeenkomst. De Verenigde Staten
volstonden met 'kennis te nemen' van de overeenkomst en verklaarden dat
Washington iedere nieuwe agressie ernstig zou nemen. Washington zou zich
onthouden van maatregelen die de uitvoering van de overeenkomst in
gevaar zouden kunnen brengen. Verder verklaarde de conferentie dat in
1956 algemene verkiezingen in heel Vietnam zouden worden gehouden om te
beslissen door welke regering het land zou worden geregeerd.
5.2 Het ontstaan van twee staten
De Amerikanen hadden weinig vertrouwen in het vermogen van de regeringen
van Bao Dai en van Cambodja en Laos om een verder opdringen van de
communisten op eigen kracht te weerstaan. Om aan dat opdringen weerstand
te bieden, werd te Manila de SEATO (Zuidoost-Aziatische Verdrags
Organisatie) opgericht, waarbij de Verenigde Staten, Groot-Brittannië,
Frankrijk, de Filippijnen, Thailand, Australië, Nieuw-Zeeland en
Pakistan de onafhankelijkheid van Zuid-Vietnam, Cambodja en Laos
garandeerden. Intussen waren begin oktober 800!000 Tonkinezen (onder wie
110!000 Vietnamese militairen en hun gezinnen), merendeels katholieken,
uit Noord-Vietnam geëvacueerd en overgebracht naar Zuid-Vietnam. In
Zuid-Vietnam manifesteerden zich de eerste symptomen van verzet tegen
het bewind van Bao Dai en diens premier Ngo Dinh Diem. De religieuze
sekten - de Cao Dai, Hoa Hao - en de onderwereldorganisatie Binh Xuyen
eisten en verkregen participatie in de regering. De Verenigde Staten en
Frankrijk kwamen overeen dat Amerika's financiële hulp niet langer via
Frankrijk zou lopen, maar direct aan de lid-staten van de Franse Unie
zou worden afgedragen. Voor de overdracht van Hanoi en Haiphong aan de
regering van Ho Tsji Minh ontmantelden de Fransen de hele onder Frans
beheer staande industrie en verscheepten zij alle machinerieën en
onderdelen via Haiphong naar het buitenland. Terwijl de Amerikanen $ 100
miljoen steun toezegden aan Zuid-Vietnam, beloofde China de DRV
materiële steun. In Saigon werd onmiddellijk na de overdracht van het
militaire commando door de Fransen aan de regering van Ngo Dinh Diem (febr.
1955) de financiële steun aan de Cao Dai en de Hoa Hao voor het
onderhoud van hun troepen stopgezet, waarop de vertegenwoordigers van de
Cao Dai en de Hoa Hao uit de regering traden. De Zuid-Vietnamese
regeringstroepen vernietigden de Binh Xuyen-eenheden in Cholon, de
Chinese voorstad van Saigon. Nadat de hergroepering van de troepen in
heel Vietnam, geregeld in het Geneefse akkoord, was voltooid (18 mei
1955), begon de actie voor het houden van algemene verkiezingen. De
regering van de DRV verklaarde zich bereid tot het houden van
besprekingen over algemene verkiezingen. Maar hoewel ook premier Ngo
Dinh Diem het beginsel van vrije verkiezingen niet verwierp, stelde hij
de voorwaarde dat de Viet Minh het bewijs zou leveren dat Hanoi het
nationaal belang zou stellen boven de beginselen van het communisme.
China en de Sovjet-Unie zegden financiële steun toe aan Hanoi, alsmede
technische en educatieve hulp. Pham Van Dong, de minister van
Buitenlandse Zaken van de DRV, deed een beroep op Eden en Molotov, de
voorzitters van de Geneefse conferentie, om de stappen te nemen die
noodzakelijk waren voor de tenuitvoerlegging van de Geneefse akkoorden.
In de loop van okt. 1955 werd in Zuid-Vietnam een referendum gehouden
waarbij de kiezers zich uitspraken vóór het afzetten van Bao Dai als
hoofd van de staat en diens vervanging door Ngo Dinh Diem als president:
de Staat Vietnam werd vervangen door de Republiek Vietnam. In het
voorjaar van 1956 werden op verzoek van de regering in Saigon alle
Franse troepen uit Zuid-Vietnam teruggetrokken en werd het Franse Hoge
Commando opgeheven.
Terwijl in het zuiden politieke en sociale onrust hoogtij vierde, werd
in Noord-Vietnam tegen het midden van het jaar het programma voor de
landhervorming voltooid (in 1953 aangevangen). De regering in Hanoi
zette er alles op om te komen tot de in de Geneefse akkoorden voorziene
verkiezingen met de eenmaking van noord en zuid als inzet. De daartoe
gedane voorstellen werden telkens opnieuw afgewezen door Ngo Dinh Diem
met als motief dat vrije verkiezingen onder de in Noord-Vietnam
bestaande verhoudingen onmogelijk waren. De onrust in Zuid-Vietnam,
speciaal in het gebied van het grootgrondbezit, waar Ho Tsji Minh veel
aanhangers had, nam in de loop der jaren sterk toe. Ook in de steden nam
het verzet tegen Ngo Dinh Diem snel toe. Op 20 dec. 1960 richtten
guerrillero's het Vietnamese Nationale Bevrijdingsfront (NLF, Viet Cong),
dat door Hanoi werd gesteund, op. In Saigon nam de spanning in okt. 1961
zo sterk toe dat Ngo Dinh Diem bijzondere volmachten kreeg en voortaan
bij decreet kon regeren.
5.3 Amerikaanse militaire inmenging en de Amerikaans-Vietnamese of
Tweede Indo-Chinese Oorlog
In dec. 1961 volgde een briefwisseling tussen de Amerikaanse president
Kennedy en Ngo Dinh Diem over maatregelen die genomen konden worden om
Zuid-Vietnam beter in staat te stellen zich te verdedigen tegen de
communistische bedreiging: twee maanden later werd het Amerikaanse
Militaire Hulp Commando (MAC) ingesteld. Een in juni 1962 uitgebracht
verslag van de Internationale Controle Commissie (niet getekend door het
Poolse lid) maakte gewag van gewapend personeel uit het noorden en van
wapenzendingen die gebruikt werden in de strijd tegen de Zuid-Vietnamese
regeringstroepen. In hetzelfde rapport werd ook de vestiging van de MAC
en de aanwezigheid van een groot aantal Amerikaanse militairen in
Zuid-Vietnam in strijd verklaard met de Geneefse akkoorden. Medio 1963
brak een ernstig conflict uit tussen de regering in Saigon en de
boeddhistische organisaties (zelfverbrandingen). In nov. 1963 werd een
coup tegen Ngo Dinh Diem uitgevoerd door hoge legerofficieren, waarbij
Ngo Dinh Diem en zijn broer en adviseur Ngo Dinh Nhoe omkwamen. Een
tweede coup volgde eind jan. 1964. Het aantal militairen in Zuid-Vietnam
nam regelmatig toe en de Verenigde Staten vergrootten voortdurend hun
steun aan Saigon.
In hetzelfde jaar kondigde president Johnson het besluit aan de bases
van Noord-Vietnamese torpedoboten en opslagplaatsen van aardolie te
bombarderen. Aanleiding hiertoe waren rapporten over het feit dat de
torpedobootjager Maddox op 2 aug. 1964 in internationale wateren in de
Golf van Tonkin was aangevallen door Noord-Vietnamese torpedoboten. Het
Amerikaanse Congres keurde Johnsons besluit goed en schonk hem tevens
volmachten voor verdere militaire acties, indien die noodzakelijk zouden
zijn. Steunend op deze volmachten voerde president Johnson in ca. vier
jaar tijds de sterkte van de strijdkrachten van de Verenigde Staten in
Vietnam op tot meer dan 550.000 man. De Amerikanen gingen nu over tot
toepassing van de meest moderne strijdmiddelen, met als gevolg
verwoesting van een aanzienlijk deel van het land. Hun strijdkrachten
werden aangevuld met contingenten uit Zuid-Korea, de Filippijnen,
Thailand, Australië en Nieuw-Zeeland, tezamen ca. 71.000 man sterk. Toen
eenheden van de Viet Cong een verrassende aanval deden op
Zuid-Vietnamese vliegvelden, op de stad Hoey Toa en Amerikaanse kampen,
werden de luchtbombardementen verhevigd (febr. 1965). Ze werden ook
uitgevoerd op grote steden als Hanoi en Haiphong en lokten scherpe
protesten uit, niet alleen in het neutrale buitenland, maar ook in de
Verenigde Staten zelf, waar in vrijwel alle steden felle demonstraties
gehouden werden tegen de Vietnamoorlog. De buitenwereld was weinig
gelukkig met het Amerikaanse optreden en drong vrijwel eensgezind op
onderhandelingen aan zonder voorwaarden vooraf. De Verenigde Staten
weigerden in een tot Groot-Brittannië gerichte nota de Viet Cong te
erkennen als partij bij de te voeren onderhandelingen. Maanden van
besprekingen achter de schermen volgden, maar Ho Tsji Minh bleef bij
zijn eis van terugtrekking van de Amerikaanse troepen en erkenning van
de Viet Cong als vertegenwoordiger van het volk van Zuid-Vietnam. Op 14
juli 1967 kondigde Johnson aan dat de omvang van de Amerikaanse
strijdkrachten met nog eens 45!000 man zou worden opgevoerd. Pham Van
Dong, de Noord-Vietnamese premier, verklaarde dat stopzetting van de
bombardementen voorwaarde was voor het beginnen van onderhandelingen.
Nadat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties U Thant op 17 aug.
1967 bij de Verenigde Staten had aangedrongen op staking van de
bombardementen voor drie of vier weken, verklaarde president Johnson op
29 aug. 1967 dat de Verenigde Staten bereid waren de bombardementen te
staken, indien zulks tot besprekingen zou kunnen leiden. Niettemin werd
aan het einde van de Honolulu-conferentie op 21 dec. 1967 tussen Johnson
en Nguyen Van Thieu, de nieuwe president van Zuid-Vietnam, een
communiqué uitgegeven, waarin de vastbeslotenheid werd uitgesproken de
communistische agressie te verslaan. Begin jan. 1968 deelde president
Johnson mee dat de regering van Zuid-Vietnam bereid was tot informele
besprekingen met de Viet Cong. Tijdens het Tet-feest (Nieuwjaarsfeest)
van eind jan. 1968 voerden Viet Cong en Noord-Vietnamese troepen onder
leiding van generaal Vo Nguyen Giap hevige aanvallen uit op de
voornaamste steden en bases in Zuid-Vietnam. Hué werd tijdelijk bezet en
in Saigon zelf werden regeringsgebouwen en de Amerikaanse ambassade
aangevallen. De aan de zijde van de Viet Cong gekoesterde hoop dat de
bevolking in opstand zou komen, ging niet in vervulling. Het was in deze
periode dat de revolutionaire strijd zijn derde fase inging: (na terreur
en guerrilla) tactische eenheden. Bij de aanval op Lang Vei werden voor
het eerst tanks ingezet. De Amerikaanse verliescijfers liepen hoog op,
terwijl het lot van de Amerikaanse krijgsgevangenen in handen van Hanoi
steeds meer zorg ging baren. Op 31 maart 1968 deelde president Johnson
mee de bombardementen ten noorden van de 20ste breedtegraad te staken.
Op 3 april 1968 verklaarde Hanoi zich bereid vertegenwoordigers aan te
wijzen om met Amerikaanse gedelegeerden voorbesprekingen te houden over
onvoorwaardelijke stopzetting van de bombardementen en andere
oorlogshandelingen tegen de DRV. Op 13 mei 1968 begonnen in Parijs
onderhandelingen waaraan werd deelgenomen door de Verenigde Staten,
Zuid-Vietnam, Noord-Vietnam en de Viet Cong. De resultaten van de
bijeenkomsten waren uiterst gering. Noord-Vietnam en de Viet Cong bleven
bij hun eis dat alle Amerikaanse troepen zouden moeten worden
teruggetrokken voor er van eigenlijke vredesbesprekingen sprake zou
kunnen zijn.
In juni 1969 maakte
president Nixon, die herstel van de vrede in Vietnam tot zijn
voornaamste verkiezingsleuze had gemaakt, bekend dat spoedig een begin
gemaakt zou worden met de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit
Zuid-Vietnam. Sedert aug. 1969 werden door zijn persoonlijke adviseur H.
Kissinger te Parijs geheime besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers
van Noord-Vietnam. Het tempo van de door Nixon aangekondigde
troepenvermindering zou vooral worden bepaald door het snel toenemend
vermogen van Zuid-Vietnam om zelfstandig de verdediging van zijn
grondgebied tegen de Viet Cong ter hand te nemen. Deze 'vietnamisering'
van de oorlog eiste betere training en betere bewapening van de troepen
van Saigon. Eind aug. 1969 waren reeds de eerste 25.000 Amerikanen uit
Vietnam vertrokken en was de sterkte van de Amerikaanse troepenmacht
teruggebracht tot 511.000 man. In maart 1972 stonden nog slechts 60.000
man Amerikaanse grondtroepen op Vietnamese bodem, terwijl de Amerikanen
niet meer deelnamen aan gevechtshandelingen op de grond. De regering in
Saigon kreeg intussen van Washington de verzekering dat zij bij de
verdediging van het land zou kunnen blijven rekenen op de steun van de
Amerikaanse luchtmacht. De Verenigde Staten continueerden inmiddels het
- reeds in 1965 aangevangen - gebruik van chemische
ontbladeringsmiddelen ( 'Agent Orange') in Vietnam.
Op 30 maart 1972 begonnen de Noord-Vietnamezen en de Viet Cong een groot
offensief, dat tot grote Zuid-Vietnamese verliezen leidde en tot de
bezetting in het noorden van Quang Tri en Hué, in Midden-Vietnam van
Kontum en Dak To, terwijl de aanval op An Loc de Noord-Vietnamezen en de
troepen van de Viet Cong dicht bij Saigon bracht. De steun van de
Amerikaanse luchtmacht en van de Amerikaanse vloot voorkwam een
Zuid-Vietnamese debacle. Op 6 april 1972 besloot Washington de op 31
maart 1968 door president Johnson stopgezette, maar door Nixon in dec.
1971 hervatte luchtbombardementen op Noord-Vietnam te verhevigen, o.a.
met hernieuwde aanvallen op de dijken, en de maritieme strijdkrachten in
te zetten (bemijning van havens). In mei 1972 vonden in de Franse
hoofdstad gesprekken tussen Kissinger en de speciale Noord-Vietnamese
afgezant Le Duc Tho plaats. Begin okt. 1972 kwam een
ontwerp-overeenkomst tot stand. Het akkoord voorzag in een onmiddellijk
staken van het vuren en in de bereidheid tot het aanvangen van
onderhandelingen tussen de in 1969 gevormde Voorlopige Revolutionaire
Regering van Zuid-Vietnam (VRRZ) enerzijds en het Thieu-bewind
anderzijds. De VRRZ zou met Thieu c.s. onderhandelen over de toekomst
van Zuid-Vietnam. De overeenkomst hield in: 1. eerbiediging door de
Verenigde Staten van de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale
onschendbaarheid van Vietnam, erkend door de Geneefse Conferentie van
1954. 2. Staakt-het-vuren binnen 24 uur na ondertekening van de
overeenkomst. Beëindiging door de Verenigde Staten van alle militaire
activiteiten. Volledige terugtrekking binnen 60 dagen van alle
Amerikaanse troepen en personeel en die van de bondgenoten van de
Verenigde Staten en van Zuid-Vietnam. Een voor de beide Zuid-Vietnamese
partijen geldend verbod om militaire adviseurs, personeel, wapens,
munitie en oorlogsmaterieel in Zuid-Vietnam in te voeren (wel mochten
periodiek wapens, munitie en oorlogsmaterieel worden vervangen op basis
van gelijkheid). Voorts zouden de Verenigde Staten hun militaire
bemoeienissen niet voortzetten en zich niet mengen in binnenlandse
aangelegenheden. 3. Vrijlating van gevangenen en geïnterneerden van de
drie partijen gelijktijdig met de terugtrekking van de Amerikaanse
troepen. 4. Zelfbeschikkingsrecht van het Zuid-Vietnamese volk, tot
gelding komend in werkelijk vrije en democratische verkiezingen, te
organiseren door een Nationale Raad van Verzoening en Nationale
Eendracht. Beide Zuid-Vietnamese partijen moesten voorts op zo kort
mogelijke termijn een overeenkomst tekenen over de binnenlandse
problemen van Zuid-Vietnam, bij voorkeur binnen drie maanden na het
staakt-het-vuren. 5. Vereniging van Noord- en Zuid-Vietnam, stap voor
stap en met vreedzame middelen. 6. Toezicht door een gemengde
internationale commissie op de uitvoering van de overeenkomst. 7.
Erkenning door Noord-Vietnam, de VRRZ, de Verenigde Staten en
Zuid-Vietnam van de fundamentele nationale rechten van Cambodja en Laos.
In nov. 1972 werden door de regering van de Verenigde Staten eisen
gesteld aan Noord-Vietnam (erkenning van de 17de breedtegraad als
politieke scheidslijn, erkenning soevereiniteit van Zuid-Vietnam,
terugtrekking van Noord-Vietnamese troepen uit Zuid-Vietnam,
specifiëring van het karakter van de Nationale Raad). Op 14 dec. zond de
Amerikaanse regering Noord-Vietnam een ultimatum waarin zij dreigde de
luchtaanvallen benoorden de 20ste breedtegraad te zullen hervatten als
niet binnen drie dagen op haar eisen was ingegaan. Hiertoe was Hanoi
niet bereid. In opdracht van president Nixon begonnen nu op 18 dec.
massale bombardementen op de Noord-Vietnamese grote steden, waarbij voor
het eerst op grote schaal B52-bommenwerpers werden ingeschakeld. Twaalf
dagen lang werden o.a. Hanoi en Haiphong blootgesteld aan zware
luchtaanvallen, die enorme verwoestingen aanrichtten en in Hanoi alleen
al meer dan duizend doden eisten.
Het akkoord werd op 23 jan. 1973 door Kissinger en door Le Duc Tho
geparafeerd en op 27 jan. 1973 door de ministers van Buitenlandse Zaken
van de VS en de DRV getekend. Officieel maakte de overeenkomst een einde
aan de oorlog, die met korte tussenpozen van sept. 1945 (de Franse
herovering van Saigon) tot eind jan. 1973, dus meer dan 27 jaar, had
geduurd en die grote delen van het land had verwoest.
De invloed van deze oorlog op de binnenlandse politiek van de Verenigde
Staten en op de internationale politieke verhoudingen is zeer groot
geweest. Zowel binnen de Verenigde Staten als daarbuiten zijn tegen de
door dit land in de oorlog gebezigde methoden (o.m. de chemische wapens
en de elektronische oorlogvoering) felle protesten aangetekend, o.a.
door het Vietnam-tribunaal te Stockholm-Roskilde (zie Russell-tribunaal).
De mensonwaardige behandeling van politieke gevangenen in Saigon en op
Con Son (in tijgerkooien) wekte alom verontwaardiging.
5.4 De ontwikkelingen na het akkoord van Parijs
De vijandelijkheden in Zuid-Vietnam namen na sluiting van het akkoord
niet af. Washington bleef het Thieu-bewind steunen in de vorm van wapens
en geld. Thieu hield zich niet aan de bepalingen van het akkoord van
Parijs, omdat te voorzien was dat de VRRZ de macht van Thieu in
Zuid-Vietnam zou overnemen als de bepalingen van Parijs loyaal
uitgevoerd zouden worden. De VRRZ en de neutralisten (de zgn. derde
macht) ijverden voor de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam. Tegen het
einde van 1974 begon het Thieu-bewind te wankelen. De Verenigde Staten
stelden zich steeds gereserveerder op tegenover Thieu en ook uit eigen
land had Thieu veel kritiek te verduren.
Toen Zuid-Vietnam genoodzaakt werd het Centrale Hoogland prijs te geven,
werd de militaire situatie onhoudbaar: Thieu vluchtte naar Taiwan en
Saigon (spoedig omgedoopt in Ho Tsji Minh-stad) werd op 30 april 1975
door VRRZ-troepen ingenomen. Een hereniging was nu mogelijk. In het
kader hiervan werden op 25 april 1976 algemene verkiezingen gehouden
voor een Nationale Vergadering voor heel Vietnam. Deze vergadering
kondigde op 2 juli 1976 officieel de eenheid van Noord- en Zuid-Vietnam
af. Staatshoofd van de Socialistische Republiek Vietnam werd Ton Duc
Thang, Pham Van Dong werd tot premier benoemd.
5.5 Vietnam na de hereniging
Eind 1977 - begin 1978 begon de Derde Indo-Chinese Oorlog die de jaren
tachtig zou beheersen, na grensincidenten tussen Vietnam en Cambodja
rond de Papagaaienbek. De strijd werd heviger, Vietnam verdreef in jan.
1979 het Rode Khmer-bewind van Pol Pot en stelde de pro-Vietnamese
Cambodjaan Heng Samrin als leider van de Revolutionaire Raad aan (zie
voorts Cambodja § 5). De verhouding met China, dat Cambodja steunde,
verslechterde nog meer toen in 1978 200!000 Vietnamezen (vnl. van
Chinese afkomst) naar China vluchtten. In febr. 1979 viel China Vietnam
binnen (in april 1984 volgde nog een tweede invasie) en drong bij
Vietnam aan op terugtrekking uit Cambodja. Ook de relatie met Thailand
liep flinke schade op, omdat dat land toestond dat vanaf Thais
grondgebied guerrilla-activiteiten tegen Heng Samrins bewind werden
ondernomen.
In het land zelf was men inmiddels met de opbouw van de door de oorlog
ontwrichte economie begonnen. Dat gebeurde met behulp van
vijfjarenplannen en Amerikaanse financiële steun. De economie werd
omgebouwd tot een socialistische en op grote schaal begon men onder de
bevolking in het zuiden aan zgn. 'heropvoedingprogramma's'. De slechte
economische situatie, nog verergerd door grote droogte in 1977 en
overstromingen in 1978, brachten echter duizenden Vietnamezen,
aanvankelijk vooral van Chinese afkomst, ertoe het land illegaal in
kleine bootjes te verlaten. In 1982 werd het aantal vluchtelingen op
500!000 geschat. Veel van deze zgn. bootvluchtelingen kwamen in
vluchtelingenkampen in Thailand, Maleisië en Hong Kong terecht. Om deze
landen te ontlasten toonden westerse landen zich bereid in grotere
getallen dan voorheen vluchtelingen op te nemen. Pas in 1990 werd
internationaal overeenstemming bereikt over de gedwongen terugkeer van
deze boat people vanuit de vluchtelingenkampen naar Vietnam.
Vietnam koos in 1986 voor een gewijzigde koers: economische openheid (doi
moi) maar met behoud van de politieke geslotenheid. Onder partijleider
Nguyen Van Linh en de premiers Pham Hung (die in 1987 Pham Van Dong was
opgevolgd), Do Muoi (1988-1991) en Vo Van Kiet wist het land zich uit de
economische malaise te werken en een voorspoedige groei-economie op te
bouwen. Op 15 april 1992 werd een nieuwe grondwet aangenomen die de oude
van 1980 verving. De nieuwe constitutie voorzag in een radicale
verandering van de structuur van het bestuursapparaat en bekrachtigde
voorts de economische hervormingen die al vanaf 1986 waren doorgevoerd,
terwijl de leidende politieke rol van de CPV gehandhaafd bleef (zie ook
§ 3.1). In sept. 1992 werd generaal Le Duc Anh als opvolger van Vo Chi
Cong tot president gekozen. Vo Van Kiet werd als premier herkozen.
Op het terrein van de buitenlandse politiek bleven vanwege het
pro-Vietnamese bewind in Cambodja de relaties met Thailand en China in
de loop van de jaren tachtig op gespannen voet staan. In 1987 leidde dat
zelfs tot opnieuw een gewapend conflict met China. Een ander regionaal
conflict ontspon zich met China omtrent beider claims op de
Spratly-eilanden in de Zuid-Chinese Zee. De Verenigde Staten, en in
navolging daarvan de EG, Japan en de ASEAN-landen, stelden hun
economische hulp afhankelijk van Vietnams vertrek uit Cambodja. Onder
druk van bondgenoot de Sovjet-Unie en de slechte economie, die de
kostbare militaire aanwezigheid in Cambodja niet langer kon dragen, trok
Vietnam in 1989 zijn troepen uit Cambodja terug. In nov. 1991 werden de
betrekkingen met China genormaliseerd. Ook die met de Verenigde Staten
verbeterden, mede omdat Vietnam bereid was het probleem van vermiste
Amerikaanse krijgsgevangenen uit de Vietnamoorlog op te lossen. Deze
toenadering bracht ook de opheffing van het Amerikaanse handelsembargo
(reeds vanaf 1975 in werking) dichterbij.
5.6 Nieuwe koers
In april 1992 werd een nieuwe grondwet aanvaard, die een duidelijke
breuk met het verleden en een grotere scheiding tussen regering en
partij inhield. De regerende Communistische Partij bleef echter
leidinggevend. Voorts benadrukte het document de sinds het midden van de
jaren tachtig ingezette markt-georiënteerde hervormingskoers en werd
voor de eerste keer gewag gemaakt van de gegarandeerde respectering van
de mensenrechten.
In juli werden verkiezingen gehouden voor de Nationale Vergadering, zij
het dat onafhankelijke kandidaten nauwelijks een kans kregen mee te
doen. De benoeming in sept. van Vo Van Kiet tot premier en zijn
rechterhand Pham Van Kai tot een van de drie vice-premiers werd algemeen
gezien als een bevestiging van de hervormingskoers. Generaal Le Duc Anh,
een vertegenwoordiger van het conservatieve militaire establishment en
tweede man van het Politburo van de Partij, kreeg de nieuwe post van
president van de republiek. De politieke oppositie tegen de regering
bleef actief, hetgeen leidde tot arrestaties, veroordelingen en
verscherping van de perscensuur. Ook op religieus gebied werden de
vrijheden opnieuw aan banden gelegd. Positief was echter de vrijlating
van vrijwel alle in heropvoedingskampen verblijvende voormalige
Zuid-Vietnamese leger- en overheidsfunctionarissen.
De slechte infrastructuur en toenemende werkloosheid, mede veroorzaakt
door een verdere instorting van de staatssector, zorgden ook in 1992
voor een vertraging van de economische ontwikkeling. In april en mei
kondigde de Amerikaanse regering het herstel aan van alle
telecommunicatieverbindingen met Vietnam en de ongehinderde import van
handelsgoederen voor humanitaire doeleinden. Ook beëindigde zij het
verbod op ontwikkelingshulp van Amerikaanse particuliere instellingen en
werd een uitbreiding van humanitaire hulp toegezegd. In juli 1993 keurde
de Nationale Vergadering een wet op het grondeigendom goed, waarmee een
einde kwam aan de onzekere economische situatie van ongeveer 57 miljoen
boeren. De nieuwe wet regelt het vruchtgebruik van grond voor 20 jaar,
voor grond met meerjarige gewassen zelfs 50 jaar. Particulier eigendom
bleef echter uitgesloten.
Evenals in voorgaande jaren ging de stormachtige groei van de economie
(ongeveer 8%) in 1993 door. Prijsstijgingen zorgden voor een afnemende
koopkracht, vooral op het platteland. Door de voortdurende begunstiging
van de staatssector werd ook in 1993 de verdere privatisering van de
economie afgeremd. Ook bleek de regering niet bij machte de snel om zich
heen grijpende corruptie en smokkel een halt toe te roepen.
De opheffing in febr. 1994 van het 19-jarige Amerikaanse handelsembargo
had eerder symbolische waarde dan dat het het economische
hervormingsproces ingrijpend beïnvloedde. In dec. sloten Washington en
Hanoi overeenkomsten over de regeling van eigendomsrechten daterend uit
de periode van de Vietnamoorlog en werden zij het eens over de opening
van handelskantoren in beide hoofdsteden. Op economisch gebied deden
zich geen opvallende veranderingen voor: de groei bleef rond de 8%
gehandhaafd en de inflatie lag op ruim 9%.
In de tweede helft van het jaar kostten de overstromingen in de
Mekongdelta het leven aan meer dan 300 mensen en raakten meer dan een
half miljoen mensen dakloos. Bij verkiezingen voor districts- en
gemeenteraden werden voor het eerst onafhankelijke en
niet-partijgebonden kandidaten toegelaten. De betrekkingen met de
Chinese Volksrepubliek verbeterden in het midden van de jaren negentig
aanzienlijk, vooral op economisch en militair gebied.
De snel groeiende economie vormde ook een bron van politieke zorgen.
Binnen de machtsdriehoek van partijleider Du Muoi, premier Vo Van Kiet
en staatshoofd Le Duc Anh werd in 1995 overeengekomen dat de
'socialistische markteconomie' niet ten koste mocht gaan van de
politieke hiërarchie. De fiscale en financiële hervormingen bleven
achter bij eerder gewekte verwachtingen en de privatiseringen, waarmee
doorgaans joint-ventures met buitenlandse bedrijven waren gemoeid,
verliepen traag. Ook in 1996 bleef die situatie ongewijzigd bij een
groei van ruim 9%. Slechts eenderde van de in totaal 6000
staatsbedrijven bleek winstgevend, maar de overheid weigerde deze sector
te saneren.
De oppositie binnen de Partij, maar ook dissidenten daarbuiten, zoals de
boeddhistische monniken, kregen het in 1995 en 1996 zwaar te verduren.
De gedwongen repatriëring van Vietnamese vluchtelingen in
Zuidoost-Aziatische kampen, die in 1995 was begonnen, werd in 1996
versneld voortgezet. Het achtste Partijcongres van juli 1996
consolideerde de macht van de drie topleiders en versterkte door een
uitbreiding van het Politbureau de invloed van meer behoudende krachten,
zonder dat dit evenwel het delicate machtsevenwicht tussen
conservatieven en hervormers aantastte. Met Thailand werden uitgebreide
culturele en handelsverdragen gesloten. De kloof tussen arm en rijk nam
toe, vooral op het gebied van de gezondheidszorg.
Telefoongids Vietnam
Postcodes
Vietnam
|