| |
De
vogelsoort Fringilla coelebs uit de familie Vinken. Tevens is
vink onderdeel van de naam van verschillende soorten uit o.a. de
geslachtengroep darwinvinken van de familie Gorzen en uit de
familie Wevervogels.
De vink is een 15 cm lange vogel, herkenbaar aan de opvallende,
witte vleugelband. Het mannetje is van onderen wijnrood met
opvallende leiblauwe kruin en nek. Het vrouwtje is meer
bruinachtig van boven en lichter van onderen. Buiten de
broedtijd leven vinken vaak in troepen met andere soorten uit
deze familie, vooral kepen.
De vink is een algemene broedvogel van meestal bosachtig terrein
en grotendeels standvogel in Nederland. De Scandinavische
broedvogels overwinteren grotendeels in Nederland, Engeland en
Ierland.
De vinken behoren tot de familie van de musachtigen. Behalve in
Australië komen ze overal op aarde voor. Vinken voelen zich
thuis in alle soorten gebieden. Ze komen voor in bosrijke
streken, kustgebieden, steppen, woestijnen en steden.
In noordelijke streken zijn het trekvogels, in warmere gebieden
standvogels. Ze leven samen in groepen behalve wanneer ze op
zoek zijn naar een nestplaats. Wanneer ze een broedplaats
gevonden hebben, verdedigen ze deze tot het bittere einde.
De meeste vinkensoorten broeden tweemaal per jaar, in goede
zomers ook driemaal. Alle vinkensoorten bouwen een kunstig nest.
Het ziet er uit als een bol en het heeft aan de bovenkant een
opening. Het nest is stabiel gebouwd en van binnen goed bekleed.
Alle vinken kunnen goed vliegen. Op de grond kunnen ze ook goed
uit de voeten en het zijn ook goede klimmers. Enkele soorten,
zoals bijvoorbeeld de kanarie, zijn goede zangers en ze worden
dan ook vaak als huisdier gehouden
Een typische vertegenwoordiger van de familie van de vinken is
de boek- of schildvink. Deze vink is ongeveer 15 cm lang. Het
mannetje heeft een mooi verenkleed. De kop is blauwgrijs, de rug
is bruin, de vleugels zijn grijswit gevlekt.
De staartveren zijn ook grijs, aan de linker- en rechterzijde
hebben ze een witte veer als omlijsting. De vrouwtjes zijn
gewoon bruingrijs, maar ook zij hebben aan de vleugels een witte
band.
Boekvinken eten zaadjes. Om hun jongen te voeren vangen ze
insecten, in de zomer voeden ze zich ook zelf hiermee. Ze eten
ook onkruidzaad en daarom worden boekvinken over het algemeen
als nuttige dieren beschouwd.
Boekvinken hebben veel vijanden zoals katten en roofvogels. De
hierdoor veroorzaakte daling in aantal wordt weer opgeheven door
het grote aantal nakomelingen.
Bij ons komt de groenling of groenvink voor. Hij is gemakkelijk
te herkennen aan zijn olijfgeel-groene verenkleed. Hij is
ongeveer 15 cm lang en woont in gebieden met een wisselende
vegetatie. In dergelijke gebieden komen niet alleen bomen en
struiken voor maar ook grasvlakten.
De putter, ook distelvink genoemd, is met zijn 12 cm iets
kleiner. Het is een rusteloze vogel die niet lang op één plaats
blijft zitten. Zijn voedsel bestaat uit zaden van verschillende
bomen, en verder vindt hij distels en klissen ook lekker.
Andere vinken zijn de keep, het sijsje, de goudvink (bloedvink),
de gors en de appelvink. |
|
|
|
|
|
|