|
In
de eerste plaats hebben vlinders warmte nodig om te vliegen. De
meeste soorten geven de voorkeur aan een lichaamstemperatuur van 30
tot 35 graden. Vlinders zijn koudbloedig. Dat houdt in dat hun
lichaam dezelfde temperatuur heeft als de omgeving. Vlinders zijn
dus in hoge mate afhankelijk van de warmte van de zon. Om een beetje
actief te worden is een minimumtemperatuur van zo'n vijftien graden
nodig. Vlinders kruipen dan tevoorschijn om zich in het zonnetje op
te warmen.
Ze gebruiken daarbij hun vleugels als een soort zonnecollectoren en
voeren de warmte af naar de vliegspieren. Als het te warm wordt,
trekken ze zich terug op schaduwrijke plekjes. Als ze geen schaduw
kunnen vinden, klappen ze hun vleugels dicht boven hun lichaam en
richten zich naar de zon (zie foto). Op die manier wordt een zo
klein mogelijk lichaamsoppervlak door zonnestralen verwarmd.
Ook nachtactieve vlinders kunnen alleen vliegen met warme spieren.
Zij bewegen tijdens de avond of tijdens de nacht hun vleugels snel
op en neer zonder daarbij op te stijgen. Al die spierarbeid levert
de nodige energie op om de vliegspieren op te warmen, zodat ze even
later wel het luchtruim kunnen kiezen. Nachtvlinders zijn verder
nogal harig. Die beharing vormt een prima isolatie en beperkt het
warmteverlies in de koele nacht. |
|
|
|
|
|