header insecten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Vlooien

 
   








Vlooien, de orde Siphonaptera van de Insecten. Het is een betrekkelijk kleine orde (800 soorten) van zeer gespecialiseerde, ongevleugelde insecten, die zich in volwassen toestand voeden met bloed van vogels en zoogdieren en hierop als tijdelijke parasieten leven. Bij het bloedzuigen kunnen zij ziekten overbrengen.

Het zijn kleine (slechts enkele mm grote) insecten met een sterk zijdelings samengedrukte lichaamsvorm, die ze, mede door de rijen naar achteren gerichte haren en de veelal uit veel dikkere tanden bestaande kammen (ctenidiën) aan kop en borststuk, in staat stelt zich snel tussen de haren van de gastheer door te bewegen. De kop is zeer eigenaardig van bouw, bovendien min of meer met het borststuk vergroeid. De ogen zijn klein en enkelvoudig, de antennen (zie antenne [dierkunde]) zeer kort en breed en in de rust opgeborgen in een paar groeven. De monddelen zijn stekend-zuigend, in overeenstemming met de levenswijze. Vleugels ontbreken, maar de poten zijn zeer krachtig en stellen vele soorten (niet alle) in staat tot het maken van naar verhouding reusachtige sprongen. Het voedsel bestaat uit bloed, dat het darmkanaal zeer snel passeert en in halfverteerde toestand als korreltjes wordt uitgeworpen. De zoogdierenvlooien vertoeven vaak lang achtereen op hun gastheer, maar ook treft men een groot aantal individuen aan in de nesten van vooral kleine knaagdieren en mollen; de vogelvlooien zijn helemaal nestparasieten.
De mensenvlo (Pulex irritans), de voor de mens specifieke vlooiensoort, waarvan de mannetjes 2–2,5 mm, de wijfjes 3–4 mm lang zijn, is van de incidenteel eveneens bij de mens voorkomende hondenvlooien en kattenvlooien (resp. Ctenocephalides canis en C. felis) te onderscheiden door het ontbreken van ‘kammen’ aan kop en borststuk.

1. Levenscyclus
De wijfjes laten de nauwelijks een halve millimeter grote, witte, langwerpige eitjes eenvoudig vallen; deze komen terecht in het nest, in de katten- of hondenmand, of bij de mensenvlo op de vloer, waar de lange, behaarde larfjes zich voeden met allerlei dierlijk afval, maar vooral met bovengenoemde uitwerpselen van de vlooien zelf. Hieruit volgt dat in goed onderhouden huizen geen sterke vermeerdering van de mensenvlo mogelijk is. De vlooienplagen betreffen dan ook meestal de honden- of kattenvlo, die gunstiger vermenigvuldigingsvoorwaarden hebben. De volgroeide larve spint een kleine cocon, waarin zij zich verpopt. Na enige tijd komt hieruit de volwassen vlo, die evenwel nog lang in een soort rusttoestand in de cocon kan blijven zitten. Deze toestand wordt beëindigd o.a. door trillingen, bijv. die welke veroorzaakt worden door lopen over een vloer. Vandaar dat men bij het betreden van een huis dat lang heeft leeggestaan, soms besprongen kan worden door honderden vlooien. In onze streken kan na een succesvolle rattenbestrijding een plaag optreden van rattenvlooien (Nosopsyllus fasciatus).
1.1 Vlooien en ziekte(n)
De meeste vlooiensoorten leven bij een beperkt aantal onderling verwante gastheren en kunnen zich daarnaast tijdelijk met nog andere behelpen, maar zij keren op den duur toch naar hun eigen gastheersoort terug. Zo kunnen de hondenvlo en de kattenvlo het de mens soms zeer lastig maken (door de kattenvlo kunnen bij de mens, behalve rode vlekjes, ook sterk jeukende bultjes en blaasjes ontstaan, en daardoor ook secundaire bacteriële infecties). Ook de hond is vaak gevoeliger voor de beet van een kattenvlo dan van ‘soorteigen’ vlooien. Op dit overgaan van de ene gastheersoort op de andere berust juist het vermogen van de vlooien om ziekten op de mens of andere gastheren over te brengen. De bekendste hiervan is de pest, overgebracht door tropische rattenvlooien, vooral Xenopsylla cheopis; deze brengt ook de endemische vlektyfus over. Gedurende een pestepidemie kan echter ook de mensenvlo de pest van de ene mens op de andere overbrengen. De honden- en kattenvlooien zijn tussengastheer van de lintworm Dipylidium caninum, waarvan honden en katten de bekende langwerpige proglottiden of ‘rijstkorrels’ uitscheiden. De konijnenvlo (Spilopsyllus cuniculi) leeft op konijnen en verbreidt myxomatose.
Een zeer hinderlijke vlooiensoort is de in de tropen voorkomende zandvlo (Tunga penetrans), ook (Eng.) jigger, sand flea en in Suriname sika genoemd: de wijfjes boren zich in de huid en leggen eieren, met de huidziekte tungiasis tot gevolg.

2. Bestrijding van vlooien bij hond en kat
Naast insecticiden bevattende wasmiddelen, sprays en poeders worden tegenwoordig vooral ‘vlooienbanden’ veel gebruikt. Dit zijn halsbandjes waarin bestrijdingsmiddelen zijn verwerkt. Een goed onderscheid moet gemaakt worden tussen middelen voor de hond en middelen voor de kat, omdat zowel de gebruikte stof als een te hoge concentratie voor de kat dodelijk kan zijn. Wanneer door bijten of krabben de huid al geïrriteerd of ontstoken is, kunnen, vooral bij gelijktijdig gebruik van verschillende middelen, vergiftigingen bij het behandelde dier optreden. Door vaak stofzuigen, schoonhouden en met vlooienpoeder bestrooien van de ligplaats kan een plaag voorkomen worden.
 
   

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009