Wandelende
takken en Wandelende bladeren vormen samen een orde van insecten die
Phasmida wordt genoemd. Ze hebben de camouflage? tot op grote hoogte
gedreven en lijken sterk op al dan niet dorre takken of bladeren.
De Phasmida kennen geen gedaanteverwisseling en de kleine takjes die
uit de eitjes komen lijken in alles precies op hun moeder, behalve
in grootte. De 'gewone' wandelende tak Carausius morosus, die vaak
als huisdier wordt gehouden leeft als volwassen dier enige maanden
en legt in die tijd enige honderden eieren (2-3 per dag), die na 2-3
maanden uitkomen, afhankelijk van de temperatuur. Na 6 vervellingen
zijn ze volwassen. Ze kunnen gehouden worden op diverse altijdgroene
soorten planten, waarvan klimop (hedera helix) en braam de
belangrijkste zijn. Door hun makkelijke kweek worden ze in
laboratoria en dierentuinen vrij veel gehouden. De gewone wandelende
tak komt oorspronkelijk uit India en Indonesie. In Nederland en
Belgie komen in het wild geen phasmida voor; rond het
Middellandse-Zeegebied enkele soorten.
Bijzonder is dat bij deze soort geen mannetjes aan de voortplanting
te pas hoeven te komen: vrouwtjes leggen onbevruchte eieren waar
weer alleen vrouwtjes uit komen (maagdelijke voortplanting of
parthenogenese). Mannetjes komen naar het schijnt wel eens voor maar
zijn uiterst zeldzaam. Bij andere soorten wandelende takken komen
mannetjes weer wel voor. Sommige soorten kunnen, in tegenstelling
tot C. Morosus ook vliegen.
Hun levenswijze is voornamelijk nachtelijk; overdag houden ze zich
stil, vertrouwend op hun uiterlijk als een tak of blaadje. Bij
bedreiging houden ze zich meestal dood, ook als ze op de grond
vallen.
In het larvestadium verloren gegane poten en voelsprieten kunnen bij
volgende vervellingen tot op zekere hoogte worden geregenereerd, het
succes hiervan is afhankelijk van het aantal vervellingen dat nog
volgt.