Waterkevers
zijn insecten die in het water leven. Het zijn roofdieren. Ze hebben
een afgeplat, langwerpig lichaam. In het uiteinde van hun achterlijf
bevindt zich een opening waarmee ze kunnen ademhalen. Ze steken het
achterlijf telkens boven het water zodat ze met de tracheeën lucht
kunnen opnemen. Bovendien slaan ze luchtvoorraden op onder hun
dekvleugels. Ook de larven moeten steeds weer aan de oppervlakte
komen om de adembuisjes met zuurstof te vullen. Wanneer het water
opdroogt kan de waterkever op zoek gaan naar een nieuwe
verblijfplaats omdat hij ook kan vliegen.
In Europa komt de geelgerande waterroofkever veel voor. Deze houdt
zich het liefst in dichtbegroeide oevers op. Daar jaagt hij op
kleine diertjes maar ook op vissen en watersalamanders. Hij is
ongeveer 3-4 cm lang, de larven zijn zelfs 6 cm lang. Hij is aan de
bovenkant donkergroen en hij heeft een gele rand langs het borststuk
en de dekschilden. De onderkant is roodachtig-geel. De mannetjes en
vrouwtjes kunnen goed onderscheiden worden aan de hand van de
vleugels. De mannetjes hebben gladde dekvleugels, de vrouwtjes
hebben gegolfde vleugels.
Met zijn platte, met borsteltjes bedekte achterpoten, die in het
water als roeispanen fungeren, nadert hij zijn prooi en scheurt hij
eenvoudig stukken vlees uit het lijf.
In de herfst vindt de paring plaats. Om zich tijdens de paring aan
de borstzijde van het vrouwtje te kunnen vasthouden, zijn de
voorpoten van het mannetje voorzien van zuignappen. Na de paring
worden in het voorjaar wel tot zo'n 1.000 eitjes gelegd door het
vrouwtje. Ze worden in zelf gemaakte nestjes van waterplanten
gelegd.
De larve van de geelgerande waterroofkever is nog vraatzuchtiger dan
de volwassen kever. De larve pakt de prooi met zijn krachtige
bovenkaaktangen en scheurt hem vervolgens in stukken. De prooi wordt
eerst buiten het lichaam voorverteerd: de larve scheidt een
verteringssap af dat het voedsel in de zachte brij verandert die hij
kan opzuigen.
Het verpoppen van de geelgerande waterroofkever verpopt zich in de
grond en niet in het water: de larven kruipen aan land en graven
zich daar voor een periode van ongeveer twee weken in. In deze
periode ontwikkelen ze zich tot een kever.
Vanaf het moment dat de eitjes worden gelegd en het moment waarop de
kever volledig ontwikkeld is verstrijken ongeveer 6 weken. Gedurende
deze tijd moet een larve honderden kikkervisjes eten en hij wordt
daarom in de visvijvers als een zeer schadelijk dier beschouwd.