| |
De
watersnip of gallinago gallinago
Trekvogel
van februari tot november; doortrekker, maar soms ook
overwinterend. Een waadvogel iets kleiner dan de lijster, met
een lange, rechte snavel. De kruin vertoont twee donkere
lengtestrepen en smalle, lichte middenstrepen; deze ontbreken
bij het beduidend kleinere bokje dat ook een kortere snavel
heeft. De flanken zijn dwarsgestreept. In de vlucht vier lichte
lengtestrepen op de rug en aan de bovenkant van de smalle, witte
vleugelrand. Aan de onderzijde twee minder markante, witte
vleugelbanden. bij het opvliegen gaan watersnippen zigzagsgewijs
stijl naar boven.
Verspreiding en woongebied : Midden- en Noord-Europa (ook
Noordwest-Spanje). Bij ons vroeger in het laagland veel
voorkomend, tegenwoordig op veel plaatsen verdwenen of zeldzaam
geworden. Broedt op vochtige velden met dichte, maar niet hoge
vegetatie, in moerassen en marsgrond. Tijdens de trek langs
modderige oevers en in ondiep water. Voortplanting : tussen de
planten op de grond verstopt nest. Eén legsel; de vier eieren
met donkere vlekken op een lichte ondergrond worden in april,
mei gelegd. Het vrouwtje broedt 18-20 dagen. Beide ouders voeren
de jongen een drietal weken; na vier weken kunnen ze vliegen.
Voedsel : kleine dieren, die peuterend uit de zachte grond
worden opgezogen, waarbij de gevoelige en buigzame snavelpunt de
buit vastpakt. |
|
|
|
|
|
|