| |
De
waterspreeuw of cinclus cinclus
Stand-
en zwerfvogel. Zo groot als een spreeuw (waar hij trouwens niet
mee verwant is), met een korte staart en gebonden aan water. De
waterspreeuw is de enige zangvogel die kan zwemmen en duiken.
Zeer opvallend is de witte bef. Jonge vogels zijn nogal grijs en
zonder duidelijke bef. Zwemt en duikt bij het zoeken naar
voedsel; kan ondanks de stroming op de grond bewegen. Verblijft
bij voorkeur op de stenen langs de oever. Vliegt snel en
rakelings boven het wateroppervlak. Het zachte lied van het
mannetje en het vrouwtje is een lange rij murmelende trillende
brommende geluiden. Verspreiding en woongebied : met
uitzondering van het oosten in heel Europa sporadisch verbreid -
ontbreekt bijvoorbeeld langs de kust. Heeft de voorkeur voor het
bergland, waar snel vloeiend, helder water voor de nodige
levensruimte zorgen. Voortplanting : het bolvormige nest met een
zij-ingang die naar beneden gericht is, bouwt de waterspreeuw
tussen de rotsen, maar ook ondergelopen oevers of riet bieden
een goede nestelplaats. Vaak ook onder bruggen. Geschikte
halfhoge nestkastjes komen ook in aanmerking. Eind maart, begin
april begint de broedperiode. Twee tot drie letsels tot augustus
De vijf tot zes witte eieren worden 15-17 dagen waarschijnlijk
alleen door het vrouwtje bebroed. De jongen worden door beide
ouders gevoederd, verlaten met 19-25 dagen het nest en kunnen al
zwemmen en duiken voordat ze hebben leren vliegen. Voedsel :
waterinsecten en hun larven, wormen en kleine krabbetjes, die
deel onder water van de bodem worden gepakt; een enkele keer ook
kleine vissen. |
|
|
|
|
|
|