Onder waterverontreiniging verstaan we elke verandering
in samenstelling of hoedanigheid van oppervlakte- of grondwater,
waardoor het voor enig doel ongeschikt of minder geschikt wordt.
Deze waterverontreiniging kent tal van aspecten.
Voor
oppervlaktewater kunnen de belangrijkste vormen van
verontreiniging als volgt worden geclassificeerd:
a. Een mechanische verontreiniging met drijvende stoffen als
olie en lichte bestanddelen uit ongereinigd huishoudelijk en
industrieel afvalwater, met troebelmakende stoffen als gesuspendeerd
slib en met kleurgevende stoffen als colloïdaal opgeloste humuszuren
of verfbaden uit de textielnijverheid. Hierdoor kan het water
ongeschikt worden voor recreatie en minder geschikt voor de
bereiding van drinkwater.
b. Een fysische verontreiniging met warmte door lozing van
koelwater (zie thermische verontreiniging), waarmee de oplosbaarheid
van zuurstof wordt verminderd en de biochemische oxidatie van
organisch materiaal wordt versneld met door beide factoren een
verdergaande daling van het zuurstofgehalte.
c. Een anorganisch chemische verontreiniging met opgeloste
gassen als kooldioxide en met opgeloste zouten als de
waterstofcarbonaten, sulfaten, fosfaten en chloriden van calcium,
magnesium, natrium en kalium. Het uiterlijk en de recreatieve
gebruiksmogelijkheden van het water veranderen hierdoor meestal
niet, terwijl voor drink- en industriewater zelfs een minimumgehalte
aan waterstofcarbonaten nodig is om corrosie te verhinderen. Van
verontreiniging kan daarom eerst worden gesproken wanneer het totale
zoutgehalte boven 200 à 300 g/m3 stijgt, waarna ook schade bij
gebruik in de landbouw moet worden gevreesd.
d. Een organisch chemische verontreiniging met oxideerbaar
materiaal dat, colloïdaal of moleculair in het water opgelost, door
micro-organismen wordt afgebroken. Hierbij wordt zuurstof verbruikt,
waardoor ondanks de toevoer van zuurstof uit de lucht het
zuurstofgehalte zal dalen, met in extreme gevallen vissterfte,
rotting, stank en een onaangenaam zwart uiterlijk van het water.
Gebruik als grondstof voor drinkwaterbereiding vereist een
verdergaande zuivering, terwijl de gevormde reuk- en smaakstoffen
moeilijk geheel kunnen worden weggenomen.
e. Een chemische verontreiniging met toxische stoffen,
variërend van zware metalen als arsenicum, cadmium, chroom, koper,
kwik, zink en lood tot complexe synthetische producten als
bestrijdingsmiddelen, PCB's, en met radioactiviteit. De lozing van
zware metalen is in de jaren tachtig verlaagd, m.n. voor kwik,
chroom en lood. De afvloei van bestrijdingsmiddelen bleek in de
tweede helft van de jaren tachtig aanzienlijk. In veel gebieden
drongen de bestrijdingsmiddelen door in het grondwater. Ten gevolge
van deze verontreinigingen worden soms in drinkwater te hoge
gehalten bestrijdingsmiddelen geconstateerd.
f. Een chemische verontreiniging met plantenvoedingsstoffen
(kunstmeststof) als nitraten en fosfaten, waardoor in stilstaand of
langzaam stromend water algengroei en secundaire
waterverontreiniging zullen optreden (eutrofiëring).
g. Een biologische verontreiniging met virussen, bacteriën (bijv.
Clostridium botulinum) en andere ziekteverwekkende organismen,
parasieten en wormeieren, waardoor het water ongeschikt wordt als
zwemwater.
Voor alle verontreinigingen geldt dat zij worden verminderd door
zelfreiniging, waarbij warmte aan de atmosfeer wordt afgegeven,
afbreekbaar organisch materiaal wordt geoxideerd, pathogene
organismen afsterven en zoutgehalten afvlakken. Zie ook afvalwater.
Deze zelfreiniging kan kunstmatig worden verbeterd door de aanleg
van stuwmeren, waarin het water langere tijd verblijft.
Door de
filtrerende werking van de ondergrond kan grondwater alleen met in
ware oplossing opgeloste stoffen worden verontreinigd. De
natuurlijke verontreiniging bestaat vnl. uit zouten, inclusief
radioactieve stoffen en zware metalen. Kunstmatig worden hier vooral
aan toegevoegd de in de landbouw gebruikte meststoffen en
bestrijdingsmiddelen, alsmede olie en andere chemicaliën (bijv.
fenol) uit lekkende tanks en leidingen. Zie voorts
grondwaterverontreiniging.
Waterverontreiniging vermindert niet alleen de gebruiksmogelijkheden
voor de mens, doch kan grote invloed hebben op natuurlijke
populaties van vooral waterorganismen.
Het gaat hier in grote lijnen om de volgende groepen:
a. algen, dwz. eencellige groene organismen, die met behulp
van licht koolstofdioxide en water kunnen omzetten in organisch
materiaal, nl. koolhydraten, vetten en eiwitten;
b. zoöplankton (o.a. watervlooien), kleine (0,1–1 mm) dieren,
die leven ten koste van de algen en zelf als voedsel dienen voor de
vissen;
c. vissen;
d. bodemorganismen, zoals larven van muggen, en gelede
wormen, zoals tubifex.
Geruime tijd voordat waterverontreiniging merkbaar wordt in verband
met het watergebruik, blijken ernstige verstoringen op te treden in
de hierboven vermelde levensgemeenschappen. Zo blijkt de chemische
verontreiniging met plantenvoedingsstoffen als vooral nitraten, maar
ook fosfaten, te leiden tot een overmatige algengroei (waterbloei).
Tijdens de bloei wordt de zelfreinigende werking van het water
overschreden. Er ontstaat zuurstoftekort en soms massale vissterfte.
Er kan massale bloei van blauwwieren optreden die giftige toxinen
produceren. Ook kan groei van Clostridium botulinum optreden onder
vorming van het uiterst giftige botuline-toxine. Voor de zware
metalen, een andere anorganische verontreiniging, blijken vele
soorten watervlooien erg gevoelig te zijn. Enkele soorten kunnen
concentraties van 10 mg koper per m3 niet overleven. Bij de
drinkwaterbereiding is het nog steeds mogelijk de zware metalen die
via de grote rivieren binnenkomen, op eenvoudige wijze te
verwijderen. Toch is het nodig de toevoer van zware metalen naar
rivier- en oppervlaktewater te beperken. Door het lozen van
organische stoffen in het water ontstaan zuurstoftekorten, daar de
organische stof door bacteriën wordt geoxideerd onder opname van
zuurstof. Het zuurstoftekort leidt uiteindelijk tot vissterfte.
Voor de juiste bescherming van de aquatische biocoenose zou een
oxidatieve rioolwaterzuivering moeten leiden tot een
minimumzuurstofgehalte van 90%. Daarnaast moeten uit het rioolwater
ten minste ook de fosfaten verwijderd worden. Voorts veroorzaken de
vele organische verbindingen die slechts langzaam afgebroken worden
veel schade.
In nog steeds toenemende mate wordt het oppervlaktewater ook
gebruikt voor het lozen van de afvalwarmte van fabrieken en
elektrische centrales. Indien de lozing van warmte op een zodanige
schaal plaatsvindt dat het natuurlijk evenwicht verstoord wordt, dan
spreekt men van thermische verontreiniging. |