Aan het begin van de zeventiende
eeuw accepteerden mensen de theorie van
Copernicus die zei dat planeten met een constante snelheid en in
perfecte cirkels om de zon bewogen. Toen liet de astronoom Johannes
Kepler zien dat dit niet waar was. Hij gebruikte de uitstekende
gegevens die zijn voormalige werkgever Tycho Brahe had verzameld om
te berekenen dat de banen van de planeten ellipsen waren, en geen
cirkels, en dat hun snelheid niet constant was. Het heelal bleek
ingewikkelder te zijn dan de mensen dachten.