Wieren
zijn een verzamelnaam voor een aantal zeer sterk van elkaar
verschillende groepen organismen. Zij hebben als gemeenschappelijke
kenmerken een leefwijze in het water of in een vochtige omgeving en
het bezit van chlorofyl. Soorten die in zoet water leven worden vaak
algen genoemd.
Men
onderscheidt een zevental groepen. Er is één groep
prokaryote organismen (organismen zonder echte kern), die nog vaak
blauwwieren wordt genoemd, hoewel biologen liever van cyanobacteriën
spreken. Onder de eukaryote organismen (organismen met een echte
kern) worden de volgende groepen wieren genoemd. Eencellig zijn de
Euglenophyta, de Pyrrophyta, de Goudwieren en (ten dele) de
Groenwieren (zie foto rechts). Meercellig zijn de Groenwieren (ten
dele), de Bruinwieren en de Roodwieren. Het woord zeewier wordt
bijna uitsluitend gebruikt voor de Bruinwieren en de Roodwieren.
Sommige (zee)wieren worden als voedsel gebruikt; in Japan dient een
roodwier (Porphyra; Jap.: nori) als een soort kruiderij, die
speciaal wordt in zeewater wordt geteeld. In de cosmetica vinden
extracten van algen afkomstig van de Bretonse kust (Ascophyllum-,
Fucus- en Lammaria-soorten) toepassing, m.n. in
huidverzorgingscrèmes.
Bruinwieren,
de hoofdafdeling Phaeophyta (v. Gr.: phaios = donker; phuton =
plant) van het plantenrijk. Bruinwieren zijn gekenmerkt door de
kleurstoffen in de cellen, t.w. chlorofyl a en c, carotenen, alsmede
enkele xanthofylsoorten, waarvan fucoxanthine meestal in overmaat
aanwezig is en de wieren samen met de andere pigmenten de typische
bruine kleur geeft. In de celwand bevindt zich algine. De
voortplantingscellen zijn dikwijls beweeglijk door middel van twee
ongelijke flagellen. Het thallus is altijd meercellig, met soms
complexe, op weefsels lijkende structuren. De groep telt ca. 1500
soorten, verdeeld over 240 geslachten. Met uitzondering van een paar
soorten komen de Bruinwieren in zee voor, met de grootste
soortenrijkdom in de koudere zeeën. De meeste leven vastgehecht in
of nabij de getijdenzone. Enkele vormen, zoals Sargassum, worden
drijvend in zee aangetroffen.
De Bruinwieren zijn economisch belangrijk. In Japan en China worden
sommige soorten gegeten (kombu), meestal na opkoken van gedroogde en
in blokken geperste wieren. Het uit bruinwieren gewonnen alginezuur
vindt zeer uitgebreide toepassing. De wieren worden geoogst in boten
met maai-installaties, met name aan de westkust van de Verenigde
Staten, doch ook bij Engeland en Australië.

Roodwieren, de
stam Rhodophyta (v. Gr. rhodon = roos, phuton = plant) van het
Plantenrijk. De Roodwieren zijn gekenmerkt door de kleurstoffen in
de cellen, t.w. chlorofyl a (soms ook chlorofyl d), carotenoïden,
xantofylsoorten, alsmede een speciale groep, de fycobilinen, nl.
r-fycoërythrine (rood) en r-fycocyanine (blauw). Het fycoërythrine
overheerst meestal en geeft de wieren een rode of roodpaarse kleur.
Als reservevoedsel wordt florideeënzetmeel (amylopectine) en
floridoside (verbinding van galactose en glycerol) geproduceerd,
stoffen die specifiek zijn voor de Roodwieren.
Bij de Roodwieren komen geen actief beweeglijke cellen voor. Het
vrouwelijk geslachtsorgaan is een cel met een lang uitgetrokken punt
(trichogyn) en heet carpogonium. Op enkele soorten na zijn de thalli
meercellig, soms met een vrij complexe structuur. De celwand kan
veel kalk bevatten; deze kalkroodwieren maken vaak een groot deel
uit van koraalriffen. Bij veel soorten kan uit de
celwandbestanddelen agar-agar of carrageen worden gewonnen. Vooral
door de eerstgenoemde stof zijn de Roodwieren economisch belangrijk.
Er
zijn ca. 400 geslachten met totaal 4000 soorten bekend. De meeste
soorten leven in zee (met de grootste soortenrijkdom in de warmere
zeeën), een gering aantal in zoetwater, enkele soorten komen op het
land voor. Ze komen voor van de getijdenzone tot op grote diepte
(120 m) en zijn vrijwel altijd vastgehecht. Enkele soorten worden
hier en daar gegeten (o.a. Porphyra-soorten).
De levenscyclus varieert van vrij eenvoudig (haplonten) tot zeer
ingewikkeld met een afwisseling van drie generaties, t.w. een
haplonte en twee diplonte.
Mede hierop en
op de celbouw, differentiatie en groei van het thallus is de
indeling in twee klassen gebaseerd:
I. Bangiophyceae. Haplonten, cellen met één chloroplast en
zonder verbindingen onderling. Alle cellen zijn in staat tot het
produceren van geslachtscellen. Bekendste geslacht: Porphyra.
II. Florideophyceae. Meestal generatiewisseling, dikwijls met
drie generaties. Cellen met meer dan één chloroplast, met onderlinge
plasmaverbindingen. De geslachtscellen zijn op speciale thallusdelen
gevormd. Bekende geslachten zijn: Batrachospermum, Ceramium,
Chondrus, Gelidium, Lithothamnion, Polysiphonia. |