| |
De
wilde eend of anas platyrhynchos
Stand-
en zwerfvogel, wintergast. De wilde eenden behoren met de
overige anas-soorten tot de grondeleenden, die zich van de
duikeenden onderscheiden doordat ze hoger in het water liggen.
De staart meestal boven en het water en voornamelijk door
grondelen, m.a.w. het lichaam verticaal en het voorstuk in het
water. Halen zelden door duiken hun voedsel uit het water. Een
belangrijk herkenningspunt is de vleugeltekening in de vlucht,
vooral de spiegel ( dit is het veld dat wordt begrensd door de
armpennen en de vleugel-dekveren ). De woerd van deze grote,
inheemse eendensoort is in prachtkleed duidelijk te herkennen.
In de vlucht valt bij beide geslachten de lange, met wit
afgezette, metaalblauwe vleugelspiegel op. Verspreiding en
woongebied : een in heel Europa voorkomende broedvogel. In het
binnenland de meest voorkomende en meest verbreide eendensoort,
vaak ook in steden en bergen. Veelal staande en niet te snel
stromende wateren; vaak kleine plassen of sloten vormen het
centrale deel van hun leefgebied. Voortplanting : het orderlijke,
met veren beklede nest wordt meestal op de grond, in dichte
struiken vlakbij het water gebouwd. Ook worden wel hoger gelegen
plaatsen gekozen : grote takkenbossen, muren, knotwilgen, zelfs
nestkasten wanneer het vlieggat groot genoeg is. Legtijd vanaf
maart, bij verstoring of verlies van het broedsel, tot juni. Eén
legsel. Zeven tot elf licht olijf- tot blauwgroenige, mat
glanzende eieren. Het vrouwtje broedt 25-30 dagen en voert de
jongen 50-60 dagen. De mannetje houden aanvankelijk de wacht in
de buurt van het broedende vrouwtje, maar verlaten na verloop
van tijd de broedplaats om samen met andere mannetjes te ruien.
Voedsel : hoofdzakelijk groene water- en landplanten, maar ook
zaden, insecten, kreeftjes en weekdieren, afval en brood. (foto
: mannetje) |
|
|
|
|
|
|