| |
De wulp of numenius
arquata
Trekvogel,
van maart tot het begin van de winter - doortrekker, deels in
troepen overwinterend. Bruine vogel, zo groot als een
kraai, met een lange, gebogen snavel en lange poten. Lijkt op de
in het Europese binnenland zelden voorkomende regenwulp, maar
heeft een langere snavel, geen donkere koptekening en een ander
geluid. In de vlucht wordt de lichte onderzijde van de vleugels
zichtbaar. Bij het afbakenen van het territorium stijgt het
mannetje zwijgend recht omhoog en laat dan bij het neerkomen
lage fluittonen horen, die langzaam sneller en hoger worden, en
eindigen in een melodieuze triller. Verspreiding en woongebied :
broedvogel van oostelijk en noordelijk Europa tot
Noorwest-Frankrijk en Engeland. Tijdens de trek grote scharen in
het wad, deels ook in de winter. Overwintert sinds enige tijd in
grote of kleine groepen verspreid in het binnenland.
Broedbiotoop is open weide en moeras met weinig bomen.
Achteruitgang door het intensiever gebruik van landbouwgronden.
Voortplanting : in een kom in de grond worden in april, mei de
vier bruinige of donker-gevlekte eieren gelegd. Beide ouders
broeden ongeveer vier weken. Vanaf vijf weken kunnen de jongen
vliegen. Voedsel : verschillende bodemdieren, vooral wormen, in
het wad ook krabbetjes en schelpen, ook wel bessen en jonge
loten. |
|
|
|
|
|
|