|
     
1. Fysische geografie
Evenwijdig aan de kust ligt een aantal bergtoppen die naar het
binnenland trapsgewijs oplopen en uitlopen in een plateau, dat in hoogte
varieert van 1000 tot ca. 3700 m. Dit plateau gaat over in de Roeb
al-Chali of Arabische Woestijn. De bergruggen en het plateau worden
doorsneden door een aantal wadi's (riviertjes, die de zee niet
bereiken), o.a. de Wadi Hadramaut, de Tibban en de Bana. Dicht bij de
Rode Zee daalt het plateau zeer steil af naar de kustvlakte, de
voortzetting van de Tihama in Saoedi-Arabië; het is een kale, zandige
strook - nergens breder dan 80 km - met vlak bij zee veelal moerassige
delen.
Door de abrupte overgang van kustvlakte naar plateau en door de vele
hoogteverschillen landinwaarts komt een grote verscheidenheid van
klimaattypen voor. Het kustgebied is zeer droog (neerslag meestal minder
dan 50 mm) en warm, terwijl het berggebied het vochtigste deel van het
gehele Arabische Schiereiland is. De zuidwestmoesson doet in juli,
augustus en september in de hogere delen veel neerslag vallen en ook in
de winter doen zich wel buien voor, op de hoogste berghellingen zelfs
sneeuw. De neerslag bereikt hier en daar dan ook een grootte van zelfs
1000 mm. In het bergland kan het 's winters vrij koud zijn en daar dalen
de temperaturen soms tot onder het vriespunt.
Het plateau heeft een vrij weelderige vegetatie. In de kustvlakte komen
echter, evenals in de lagere heuvelgebieden, slechts droogteweerstaande
plantensoorten (bijv. tamarisken) voor. In de wadi's treft men
boomsoorten met enorme luchtwortelstelsels aan. De hoogste delen van het
plateau zijn met Juniperus-bossen bedekt.
Het gebergte is rijk aan vogelsoorten, reptielen en apen.
2. Bevolking
De bevolking bestaat voor het grootste deel uit Jemenieten (Zuidarabieren).
Een à twee miljoen Jemenieten wonen en werken in het buitenland, vnl. in
Saoedi-Arabië. Als gevolg van Jemens pro-Iraakse houding in het conflict
tussen Irak en Koeweit in 1990-1991, waren ca. 700.000 van hen gedwongen
Saoedi-Arabië te verlaten en terug te keren naar hun vaderland. Nomaden
maken 5% van de bevolking uit. Daarnaast bestaan er kleine minderheden,
buitenlandse werknemers uit de Arabische landen, India, Zuidoost-Azië en
Europa. In Zuidelijk Jemen wonen kleine minderheden Somaliërs, Pakistani
en Indiërs.
De bevolking groeit snel: jaarlijks gemiddeld 3, 7%, ondanks een hoge
zuigelingen- en kindersterfte. Ruim 52% is jonger dan 15 jaar. De
gemiddelde levensverwachting bij geboorte is 51 jaar. Tussen 30 en 45%
van de bevolking woont in steden, waarvan de belangrijkste zijn: de
hoofdstad Sana'a (ca. 475.000 inw.), het economisch-commerciële centrum
Aden (410.000), Taiz (180!000) en de havenstad Hodeida (155.000).
Officiële taal is het Arabisch. In Sana'a wordt enig Engels gesproken.
De islam is staatsgodsdienst. De meerderheid (58%) van de
Noordjemenieten behoort tot de zaiditische sekte, een
sji'itisch-islamitische groepering, die evenwel zeer dicht bij de
soennitische (orthodoxe) islam staat. De Zaidieten zijn geconcentreerd
in de berggebieden. De bevolking van de kustvlakte bestaat grotendeels
uit soennieten, die de sjafi'itische rechtsschool volgen. Daarnaast is
er nog een sji'itische groep, nl. van isma'ilieten (ca. 2%). In
Zuid-Jemen hebben de orthodoxe soennieten de overhand. De heersende
richting daarin is de sjafi'itische. Er komen enkele hindoe- en
christengemeenschappen voor. Van de eertijds omvangrijke joodse
gemeenschap in Jemen is sinds de massale emigratie naar Israël per
luchtbrug in 1949-1950 weinig meer over.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1991 (herzien in 1994) is Jemen een Arabische,
islamitische en onafhankelijke republiek als deel van de Arabische en
islamitische wereld. De uitvoerende macht berust bij het staatshoofd, de
voor vijf jaar direct gekozen president, en de regering. De wetgevende
macht berust bij het parlement, dat uit 300 afgevaardigden bestaat.
Sedert in 1994 vanwege de burgeroorlog de noodtoestand werd uitgeroepen,
is de grondwet op veel punten niet meer dan een dode letter.
3.2 Administratieve indeling
Jemen is bestuurlijk verdeeld in 17 provincies: 11 provincies (mouhafazat)
in Noord-Jemen en 6 gouvernementen in Zuid-Jemen.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
Jemen is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van
de VN, de Organisatie van Rode-Zeelanden en van de Arabische Liga. Er
bestaat militaire dienstplicht. Voor de algemene rechtspraak is volgens
de nieuwe ontwerp-grondwet van 1990 de sharia, de islamitische wet, de
voornaamste, maar niet de enige bron; het hoogste gerechtshof is het
islamitische (sharia-)hof in Sana'a (opgericht in 1964). Burgerlijk
recht wordt gesproken door districtshoven. Onder de bedoeïenen is op
veel punten nog stamrecht in gebruik; lokaal is gewoonterecht nog in
gebruik. Er bestaat een apart gerechtshof voor gepleegde vergrijpen
tegen de staatsveiligheid. De gezondheidssituatie is zeer problematisch.
Er is een groot gebrek aan artsen, de hygiënische omstandigheden zijn
gebrekkig, vooral op het platteland en de zuigelingen- en kindersterfte
zijn buitengewoon hoog. Tuberculose, schistosomiase en malaria zijn nog
wijdverbreid.
3.4 Politieke partijen
Deze zijn sinds de eenwording officieel toegestaan. Ze waren in
Noord-Jemen voorheen verboden. In Zuid-Jemen was de
marxistisch-leninistische Jemenitische Socialistische Partij (JSP)
staatspartij. Inmiddels heeft de JSP zich van haar communistisch
karakter ontdaan. Na de burgeroorlog van 1994 werd de partijleiding
vervangen door een meer regeringsgezinde top. Grootste partij in het
parlement is het Algemene Volkscongres (AVC) van president Saleh. De
islamitische Vereniging voor Hervorming (al-Islah) van sjeik al-Ahmar is
naast de JSP een belangrijke oppositiepartij. Het verschijnsel vakbonden
is te verwaarlozen in Noord-Jemen, waar vrijwel geen industrie is. In
Zuid-Jemen staat de vakbond onder controle van de JSP.
3.5 Onderwijs
Het analfabetisme is nog steeds een groot probleem: in Noord-Jemen
bedroeg het percentage analfabeten in 1990 73% onder de mannen en 97%
onder de vrouwen, in Zuid-Jemen was hun aantal lager: gemiddeld 59%,
dankzij een grotere inspanning van de overheid op het gebied van het
onderwijs, m.n. onder meisjes en vrouwen, maar ook onder de
bedoeïenenbevolking. In Noord-Jemen probeert men, naast het bestrijden
van het analfabetisme, het aantal Jemenitische leerkrachten te verhogen.
In 1985 bedroeg het aandeel van buitenlanders in het totale
lerarenpotentieel 86%. Sinds 1970 is er een universiteit in Sana'a,
sinds 1975 een in Aden.
3.6 Pers
Tot de eenwording in 1990 stond de pers in Zuid-Jemen onder
staatscontrole. Er verschijnen twee dagbladen: Ar-Rabi 'Ashar Min
Uktubar (= 14 Oktober) en Ash-Sharara (= De vonk), verder een weekblad,
al-Thawra (= De revolutie), het partijorgaan van de JSP. In Noord-Jemen
bestond tot de unificatie een beperkte persvrijheid. Het ministerie van
Informatie geeft twee dagbladen uit: al-Jamhuriya (= De republiek) en
al-Thawra. Voorts is er een aantal week- en maandbladen van
uiteenlopende signatuur. Ook zijn de belangrijkste buitenlandse
Arabische kranten, zoals al-Ahram, Ash-Sharq en al-Ausat, verkrijgbaar,
alsmede een aantal Amerikaanse weekbladen. In Noord- en Zuid-Jemen
worden de radio en de televisie door de staat gecontroleerd.
4. Economie
Tot de revolutie van 1962 behield het noorden van het land zijn
traditionele tribale structuur, dwz. economische en sociale overheersing
door de imams en de grootgrondbezitters, de 'pasja's', die de
vruchtbaarste stukken land bezaten en de boeren uitbuitten. Ondanks
grote ontevredenheid onder de bevolking kwam het lange tijd niet tot
(gewapend) verzet, hetgeen vooral te wijten was aan de religieuze
verdeeldheid tussen Zaidieten en orthodoxe Sjafi'ieten die ook haar
economische en sociale vertakkingen had. Pas ná de burgeroorlog
(1962-1970) was er van enige doelgerichte economische planning sprake,
ook dankzij ruime financiële hulpverlening, vooral vanuit Saoedi-Arabië.
De arbeidsmigratie vormt een van Jemens grootste sociaal-economische
problemen. Meer dan een miljoen Jemenieten zijn werkzaam in het
buitenland, van wie het grootste deel in Saoedi-Arabië (tot de
Golfcrisis). Een positieve kant van deze migratie is dat veel deviezen
het land binnenvloeien. Maar dat betekent niet dat deze gelden ook aan
de productieve ontwikkeling van het land besteed worden: het meeste
wordt direct besteed aan de aankoop van consumptiegoederen en de bouw
van huizen. Door de toevloed van contant geld uit deze gastarbeid is de
inflatie aanzienlijk gestegen (tot de hereniging liefst 16,4%).
Ondanks een groei van het bruto nationaal product (bnp) met gemiddeld 7%
per jaar, is Jemen met $ 280 per hoofd in 1994 een van de armste
Arabische landen. Daar zijn twee redenen voor aan te wijzen. In de
eerste plaats het vrijwel totaal ontbreken van natuurlijke hulpbronnen
en in de tweede plaats het nauwelijks delen in de financiële
hulpverlening van de rijkere oliestaten - dit laatste vanwege
Zuid-Jemens radicale politieke oriëntatie vóór 1990. De sluiting van het
Suezkanaal in 1967 en de terugtrekking van de Britse troepen uit Aden in
hetzelfde jaar betekenden voor Zuid-Jemen economisch een gevoelige slag;
daar kwam spoedig nog het stopzetten van de Britse ontwikkelings- en
militaire hulp bij. Het land vond ten slotte financiële en technische
hulp in de communistische landen.
In 1969 werden alle buitenlandse bedrijven genationaliseerd (behalve BP);
hierna toonden de niet-communistische landen nog minder belangstelling
voor investeringen, waardoor het land meer dan ooit afhankelijk werd van
de Sovjet-Unie, China en de Duitse Democratische Republiek. Via een
aantal elkaar opvolgende nationalisatiemaatregelen werd het stadium
bereikt van volledige staatscontrole over alle sectoren van de economie.
Na 1975 werd enige financiële hulp ontvangen van Koeweit, Aboe Dhabi,
Libië en Saoedi-Arabië. De Wereldbank en het Wereldvoedselprogramma van
de Verenigde Naties behoren eveneens tot de geldschieters. Het aflossen
van de alsmaar stijgende schuldenlast vormt een groeiend probleem voor
de toch al wankele economie. De buitenlandse schuld bedroeg in 1993 $
5,9 miljard.
4.1 Landbouw, veeteelt en visserij
Ruim de helft van de beroepsbevolking is economisch afhankelijk van de
agrarische sector. Het akkerbouw-areaal (1% van het landoppervlak)
bedraagt ca. 1760 km2. De tot vruchtbare gronden verweerde lavabodems en
het klimaat (veel neerslag) zijn zeer geschikt voor uiteenlopende
teelten. De aanzienlijke hoogteverschillen geven aanleiding tot een
grote variatie in gewassen. In de kustvlakte is enige veeteelt en worden
dadels, tabak en katoen verbouwd; in de zone boven de 1000 m vijgen,
walnoten e.d. Op ca. 1500 m hoogte treft men de meest productieve streek
aan, waar granen (gierstsoorten, maïs, gerst, haver, tarwe), fruit en
groenten de voornaamste gewassen vormen, terwijl zich ook op deze hoogte
de beroemde Jemenitische koffietuinen bevinden. Koffie wordt er echter
nauwelijks meer geproduceerd. Rondom Wadi Bana wordt katoen verbouwd;
rond Aden ligt een belangrijk tuinbouwgebied.
Boven de 1500 m (tot ca. 3000 m) wordt het vooral in het zuidwesten zeer
verbreide qat (Catha edulis, fam. Celastraceae) verbouwd, een soort
struik waarvan de bladeren gekauwd worden, hetgeen een verdovende
werking heeft. Statistieken van de qatproductie zijn niet bekend, maar
aangenomen wordt dat de vraag sinds de tweede helft van de jaren
zeventig aanzienlijk gestegen is dankzij de geldstroom uit gastarbeid in
het buitenland. Veel grond, voorheen bestemd voor de productie van
koffie (naar schatting 47.000 ha), wordt nu gebruikt voor de verbouw van
qat, dat goedkoper geproduceerd én duurder verkocht kan worden.
Ondanks gunstige klimatologische omstandigheden is de productiviteit van
de landbouw altijd beneden zijn mogelijkheden gebleven, van oudsher vnl.
als gevolg van de traditionele verhoudingen, waardoor de boeren zich
niet aangemoedigd voelden meer te produceren. De burgeroorlog had een
diepe daling van de productie tot gevolg en maakte het land tot
importeur van granen. Het aandeel van de landbouw in het bruto nationaal
product (bnp) daalde van 53% in 19691-970 tot ruim 20% in 1992-1993.
De lage productiviteit van de landbouw wordt vooral veroorzaakt door
gebrek aan arbeidskrachten, water en technische kennis. De buitenlandse
hulp wordt weliswaar gebruikt om de landbouw verder te ontwikkelen, maar
de verstrekte middelen zijn onvoldoende om alle delen van het land ervan
te laten profiteren.
Veehouderij wordt veelal semi-nomadisch of geheel nomadisch bedreven. De
veestapel omvat geiten, runderen, schapen, ezels en kamelen. De veeteelt
is vooral gericht op de eigen behoeften. De visserij werkt voor
binnenlandse consumptie en voor export en neemt in betekenis toe. Zowel
traditionele vissers als coöperaties en staatsbedrijven zijn in deze
sector werkzaam. Met buitenlandse hulp wordt gewerkt aan modernisering
van de vloot en de visverwerkingsindustrie. Mede door concessies aan
buitenlandse visserijbedrijven is er sprake van overbevissing voor de
kust.
4.2 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw was van weinig betekenis. Bij Salif wordt enig zout
gewonnen, voorts gips, kalksteen en steenkool. Sinds 1955 vindt
aardolie-exploratie plaats onder leiding van Amerikaanse en Franse
ondernemingen. In juli 1984 werden voor het eerst grote olievondsten
gedaan bij Marib (Alif-veld). In 1986 werd hier een raffinaderij geopend
en in 1987 kwam een 440 km lange pijpleiding naar de kust bij Salif
gereed. In 1987 werden vier nieuwe olievelden in de omgeving van Marib
ontdekt en in 1989 in het grensgebied tussen noord en zuid een vijfde (assad
al Kamil), waar ook gas werd aangeboord.
4.3 Industrie en handel
De industriële basis van de economie is de laatste jaren gegroeid en
maakt nu 24% uit van het bnp. Een aardolieraffinaderij in Aden en een
door Chinezen gebouwde textielfabrieken in Mansoera en Hodeida vormen de
grootste werkgevers in de industriële sector. Geproduceerd worden
verder: cement, schoenen, sigaretten, lucifers en tomatenpuree.
Belangrijkste tekortkomingen bij de verdere ontwikkeling blijven het
gebrek aan geschoolde arbeidskrachten, investeringen en grondstoffen, de
afwezigheid van technische en organisatorische kennis en de kleine
binnenlandse markt.
Anders dan de meeste andere ontwikkelingslanden heeft Noord-Jemen geen
overschot aan arbeidskrachten en zijn de lonen hoog vanwege de
concurrentie met de nabije aardolie-exporterende landen. Lokale
materialen ter verwerking ontbreken, uitgezonderd katoen, huiden, tabak
en bouwmaterialen. De aanwezige verwerkende industrie vindt plaats op
het gebied van de importsubstitutie en de voedselverwerking; plaats van
handeling zijn doorgaans nog traditionele familiebedrijfjes. De
overgrote meerderheid van fabrieken en bedrijfjes bevindt zich in de
steden Taiz, Sana'a, Hodeida, Ibb en Dhamar. Dankzij de overdracht van
gelden van Jemenitische arbeiders in het buitenland maakt de
bouwindustrie een bloei door. In de jaren tachtig onderging de
industriële sector een uitbreiding. Met behulp van de Sovjet-Unie werden
aluminium-, plastic- en cementfabrieken gebouwd. In Amran kwam met
Japanse hulp een grote cementindustrie van de grond.
De export omvat vooral katoen en vis(producten); voorts koffie, tabak,
aardolieproducten, huiden en sinds eind jaren tachtig aardolie.
Geïmporteerd worden vooral consumptiegoederen en machines. De
voornaamste handelspartners zijn voor de export Japan, Italië,
Saoedi-Arabië, India, Singapore en voor de import Japan,
Groot-Brittannië, Italië en de Sovjet-Unie. Er is een belangrijke
transitohandel van voornamelijk agrarische producten en
consumptiegoederen. De waarde van de import overtreft die van de export
vele malen (in 1994 resp. $ 1855 miljoen tegenover $ 1810 miljoen).
Pas vanaf het begin van de jaren zeventig is een serieus begin gemaakt
met economische planning en ontwikkeling; tussen 1973 en 1976 vnl. op
het gebied van transport en communicatie, onderwijs, landbouw en
industrie. Het eerste vijfjarenplan (1976-1981) kostte ruim $ 3,5
miljard en beoogde een jaarlijkse groei van het bnp met 8,2 %. Het
tweede vijfjarenplan (1982-1987), dat een economische groei van 7%
beoogde, kon niet worden gehaald vanwege aanhoudende droogte
(1982-1985), de daling van de inkomsten uit gastarbeid en financiële
problemen. Devaluaties van de rial en importbeperkingen, alsmede het op
gang komen van de olieproductie, openden echter sinds 1987 betere
perspectieven.
De centrale bank is de Bank van Jemen. Er zijn een genootschapsbank, een
industrie- en een ontwikkelingsbank, drie handels- annex
investeringsbanken en enkele buitenlandse instellingen.
4.4 Verkeer
Het wegennet is ondanks zijn lengte van 513.709 km gebrekkig. Slechts
delen zijn geasfalteerd en de rest is met gravel bedekt. Goede wegen
lopen tussen Hodeida en Sana'a, Mokha en Taiz, Taiz en Sana'a tussen
Sana'a en Saada, en tussen Taiz en Aden. Er zijn geen spoorlijnen, wel
een nationale busmaatschappij. Door de sluiting van het Suezkanaal in
1967 verloor de haven van Aden belangrijk aan invloed. De heropening van
het kanaal in 1975 bracht niet meer de verwachte opleving; oorzaken
daarvan waren o.a. de ingevoerde nieuwe vaarroutes voor het transport
van aardolie rond Zuid-Afrika, concurrentie van andere bunkerhavens als
Djiboeti en Djeddah en de algehele afname in het personenvervoer over
zee. Als transitohaven bleef Aden echter wel zijn aantrekkelijkheid
behouden (30% van de goederen die in Aden aan wal komen, waren bestemd
voor het noorden). De tweede haven is Moechalla, speciaal voor de
visserij. Van belang zijn voorts Hodeida en Mokka. Internationale
luchthavens zijn gelegen bij Aden, Sana'a, Taiz en Hodeida. De nationale
luchtvaartmaatschappij is Yemen Airways. Het toerisme is van steeds meer
betekenis. De voorzieningen hiervoor zijn sinds 1985 sterk verbeterd.
Ontvoeringen door rebellen van Duitse toeristen in 1997 maakten het land
er niet populairder op.
5. Geschiedenis
In het tweede en eerste millennium v.C. werd Jemen beheerst door de
Sabaeërs. In de Romeinse tijd heersten er de Himjarieten (de Homerieten
van de Grieken); het land werd 'Arabia Felix' (gelukkig Arabië) genoemd
wegens zijn rijkdom aan wierook, mirre, kaneel en andere kostbare
producten. Ca. 530 werd het door de Ethiopiërs, ca. 570 door de Perzen
veroverd. In 631 ging de Perzische stadhouder tot de islam over. In het
begin van de 16de eeuw kwam het land in de macht van de Turken, maar in
1635 gelukte het de imam Moe'aijad I hen geheel te verdrijven; zijn
nakomelingen heersten als imam van Sana'a. Na een korte heerschappij van
Egypte (1835-1840) veroverden de Turken het land in 1871 na een
langdurige veldtocht, maar het bleef slechts een heerschappij in naam.
Met de val van het Osmaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog werd Jemen
onafhankelijk onder imam Jahja Hamid Saif al-Islam (1869-1948). De imams
in Jemen, behalve geestelijk leider van de Zaidieten ook wereldlijk
leider, ontleenden hun macht vooral aan hun gezag over de Zaiditische
bergstammen (de stedelijke bevolking aan de kust is overwegend
orthodox-islamitisch). Ontevredenheid over het despotische bewind van de
imam, vooral onder de stedelijke bevolking, ontlaadde zich in een
staatsgreep, waarbij de imam het leven verloor (17 febr. 1948). Zijn
zoon Achmed Saif al-Islam wist met behulp van de bergstammen een bloedig
einde te maken aan de staatsgreep en volgde op 14 mei 1948 zijn vader
op. Ook hij regeerde despotisch, maar had, meer dan zijn vader,
belangstelling voor een geleidelijke modernisering van het land.
In febr. 1958 trad Jemen als geassocieerd lid toe tot de Verenigde
Arabische Republiek (VAR; zie Egypte [geschiedenis]). In dec. 1961
verbrak Egypte deze associatie.
In maart 1961 werd de imam gewond bij een aanslag op zijn leven. Hij
overleed in sept. 1962. Een week later brak een republikeinse revolutie
uit. De nieuwe imam Mohammed al-Badr vluchtte naar de bergen en
organiseerde met Saoedische hulp het royalistische verzet. De
republikeinen kregen financiële en militaire hulp van Egypte
(expeditieleger).
5.1 Het noorden
De republiek Noord-Jemen werd eind 1962 door de Sovjet-Unie en de
Verenigde Staten erkend en kreeg begin 1963 de Jemenitische zetel in de
Verenigde Naties toegewezen. De burgeroorlog sleepte zich voort en
veroorzaakte tussen de VAR (in casu: Egypte) en Saoedi-Arabië grote
spanningen. Op de conferentie van Chartoem (aug. 1967) kwam een
Saoedisch-Egyptisch akkoord tot stand, krachtens hetwelk Egypte vóór
jan. 1968 al zijn troepen uit Noord-Jemen terugtrok. De royalisten
zetten daarop een grootscheeps offensief in, dat echter mislukte, daar
de republikeinen op grote schaal militaire hulp van de Sovjet-Unie en
van de nieuwe republiek Zuid-Jemen (het vroegere Britse Aden) kregen.
Intussen traden zowel bij royalisten als bij republikeinen interne
spanningen op die resulteerden in het optreden van een nieuwe president
en een nieuwe imam. Het was vooral aan het bemiddelend optreden van
koning Feisal van Saoedi-Arabië te danken, dat er ten slotte een akkoord
tussen republikeinen en royalisten kwam en de burgeroorlog werd
beëindigd. De imam werd verbannen; wel werden enkele royalisten in de
regering opgenomen (eind 1970).
Hoewel na het beëindigen van de burgeroorlog met Zuid-Jemen een
beginselakkoord was gesloten over geleidelijke staatkundige eenwording (nov.
1970), werden de betrekkingen tussen beide landen in de loop van 1971
zeer gespannen. De talrijke grensincidenten liepen in okt. 1972 uit op
een openlijke oorlog, waarin Noord-Jemen steun ontving van Saoedi-Arabië
en het inmiddels tot Volksrepubliek omgedoopte Zuid-Jemen van de
Sovjet-Unie. Na een onder auspiciën van de Arabische Liga bereikt
staakt-het-vuren werden de unificatiebesprekingen weer opgevat;
resultaten bleven echter uit.
Ook de binnenlandse situatie in Noord-Jemen was verre van rustig. In
juni 1974 werd in een onbloedige staatsgreep de macht overgenomen door
een uit militairen bestaande commandoraad. Begin 1977 was weer sprake
van toenadering tot Zuid-Jemen. De progressieve politiek van de
militaire leider Al Hamdi riep echter verzet op bij de conservatieve
volken uit het noorden. Op 11 okt. 1977 werd Al Hamdi onder
onopgehelderde omstandigheden bij Sana'a vermoord. Zijn opvolger,
president Al Ghasmi, zocht toenadering tot Saoedi-Arabië en zette de
toenadering tot Zuid-Jemen op een laag pitje. Op 24 juni 1978 kwam Al
Ghasmi om, toen een bom ontplofte in de koffer van een gezant uit
Zuid-Jemen. De nieuwe president, kolonel Ali Abdullah Saleh, slaagde er
eerst geleidelijk in zijn machtspositie te versterken. De geschillen met
Zuid-Jemen liepen in febr. 1979 weer uit op een grensoorlog, waarbij de
Verenigde Staten Noord-Jemen te hulp schoten. Op 30 maart 1979 sloten de
presidenten van de beide Jemens opnieuw een akkoord over een fusie, maar
ook deze plannen werden op de lange baan geschoven. Door het behendig
tegen elkaar uitspelen van de diverse volken kon president Saleh het
centrale gezag versterken. Na een voorzichtig democratiseringsproces
werden in 1988 parlementsverkiezingen gehouden. Mede door
aardolievondsten en de unie met Zuid-Jemen in 1990 verbeterden de
economische vooruitzichten.
5.2 Het zuiden
Op 27 nov. 1967 riep het Nationale Bevrijdingsfront (NLF) de
Volksrepubliek Zuid-Jemen uit, nadat Britse troepen grote delen van Aden
en omliggende gebieden aan de strijdkrachten van Zuid-Arabië hadden
overgedragen. De binnenlandse situatie van de nieuwe republiek, die
onmiddellijk werd toegelaten tot de Arabische Liga en de VN, bleef
bijzonder instabiel. De nieuwe regering deelde het land in in zes
gouvernoraten, in een poging om het voormalige stammensysteem van de
sultanaten te doorbreken. De voormalige sultans werden vervolgd en, voor
zover zij niet konden vluchten, gevangen gezet. Hun eigendommen werden
geconfisqueerd.
In juni 1969 werd de regering via een militaire staatsgreep afgezet. Er
werd een Presidentiële Raad van vijf leden ingesteld. In okt. 1969
werden de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten verbroken.
Hoewel de regering van Zuid-Jemen herhaaldelijk verklaarde te willen
streven naar een eenheid met Noord-Jemen, werden daartoe aanvankelijk
geen feitelijke stappen ondernomen. Grensincidenten tussen beide landen
liepen in 1972 uit op een oorlog, waaraan echter na enkele maanden door
bemiddeling van de Arabische Liga een einde werd gemaakt. Daaropvolgende
besprekingen tussen Noord- en Zuid-Jemen om tot een vereniging van beide
staten te komen, liepen echter op niets uit, hetgeen vooral te wijten
was aan de grote politieke verschillen. Met het buurland Oman brak een
geschil uit rond de opstandelingenbeweging in de Omaanse provincie
Dhofar, die door Zuid-Jemen werd gesteund.
In 1976 werd met Oman een wapenstilstand bereikt en Saoedi-Arabië
knoopte eindelijk diplomatieke betrekkingen aan. De binnenlandse
situatie bleef echter gespannen. In juni 1978 werden de voorzitter van
de Presidentiële Raad en enkele medestanders 'geëxecuteerd'; daarop
werd, in okt. 1978, het NLF omgevormd tot een nieuwe Jemenitische
Socialistische Partij (YSP). In nov. 1977 waren de eerste directe
verkiezingen gehouden voor een Volksraad. Inmiddels verslechterde de
verhouding tot Noord-Jemen verder; de goede relatie met (en de
afhankelijkheid van) de Sovjet-Unie kreeg in deze tijd nieuwe impulsen.
In febr. 1979 was er wederom sprake van een complete grensoorlog tussen
de twee Jemens. Na enkele weken werd door diplomatiek ingrijpen van
andere Arabische landen een wapenstilstand gesloten. In het voorjaar van
1980 werd de dogmatisch-marxistische vleugel van de eenheidspartij
weggezuiverd. De gematigde president Ali Nasser Mohammed verbeterde
vervolgens de betrekkingen met de gematigde Arabische staten.
De radicaal-linkse vleugel binnen de partij bleef zich echter tegen het
liberale bewind verzetten en versterkte onder leiding van Abdul Fattah
Ismail geleidelijk zijn positie. Een poging van president Mohammed om
deze linkse tegenstanders te elimineren mislukte en leidde op 13 jan.
1986 tot een korte maar hevige burgeroorlog in Aden. Fattah Ismail
sneuvelde en Ali Nasser Mohammed vluchtte naar Noord-Jemen. Onder
partijsecretaris Al Beed werd een ingrijpende zuivering van partij,
staat en leger doorgevoerd. Toch ontwikkelde het nieuwe bewind zich niet
in radicale richting. In 1989 voerde het regime onder invloed van de
omwentelingen in Oost-Europa politieke hervormingen door en werd het
eenpartijstelsel afgeschaft. De eenwordingsbesprekingen met Noord-Jemen
kregen mede hierdoor een nieuwe stimulans.
5.3 Noord en zuid samen
De grote veranderingen in de Sovjet-Unie en in Oost-Europa,
waarvan de broodnodige steun in snel tempo verdween, dwongen Zuid-Jemen
aan het eind van de jaren tachtig in te stemmen met een eenwording die
bijna als een overneming kan worden gezien. Op 22 mei 1990 werd in Aden
officieel de vereniging van de beide landen tot de Republiek Jemen
afgekondigd. De Noord-Jemenitische president Ali Abdullah Saleh, de
grote voorvechter van de eenwording, werd president. De
Zuid-Jemenitische president Haidar Abu Bakr al-Attas werd de nieuwe
premier.
Het Zuid-Jemenitische deel van de nieuwe staat paste zich snel aan het
Noord-Jemenitische kapitalisme aan: landbouwgronden werden
gedenationaliseerd en gebouwen en ondernemingen werden aan hun eigenaars
teruggegeven. In mei 1991 werd de haven van Aden tot vrije economische
zone verklaard.
In de nieuwe grondwet (mei 1991) werd een meerpartijenstelsel
vastgelegd. In april 1993 werden (uitgestelde) algemene verkiezingen
gehouden. Winnaar werd de General People's Congress, met 121 van de 301
zetels, van president Saleh. Daarop werd door Haider Abu Bakr al-Attas (Yemini
Socialist Party) een coalitieregering gevormd tussen de GPC, de Yemeni
Alliance for Reform en de YSP.
Door de pro-Iraakse opstelling van Jemen in de Golfcrisis en en de
daaropvolgende Tweede Golfoorlog (augustus 1990 - februari 1991), o.a.
in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, verslechterden de
betrekkingen met de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië. Bijna een miljoen
Jemenitische gastarbeiders moesten Saoedi-Arabië en andere Golfstaten
verlaten. Daarnaast kreeg Jemen nog een groot aantal Somalische
bootvluchtelingen, die in kampen werd ondergebracht.
Met de eenwording waren de verschillen tussen noord en zuid nog niet
opgeheven. Schermutselingen tussen noordelijke en zuidelijke
legeronderdelen liepen in mei 1994 uit op een burgeroorlog. Nog
diezelfde maand werd in het zuiden de democratische republiek Jemen
uitgeroepen. Regeringstroepen belegerden daarop de zuidelijke hoofdstad
Aden, die zij in juli innamen. VN-bemiddeling resulteerde erin dat de
zuidelijke troepen zich overgaven aan president Saleh, die vervolgens
een verzoeningspolitiek ten opzichte van het zuiden voerde. Ten koste
van naar schatting 50!000 mensenlevens en een materiële schade van
ongeveer 18 miljard gulden was de Jemenitische eenheid hersteld.
Onder druk van snel in aantal toenemende fundamentalistische moslims
werd begonnen met een politiek van islamisering van het openbare leven
en de wetgeving. De spanningen in het noordelijk en oostelijk
grensgebied met Saoedi-Arabië laaiden begin 1995 hoog op toen bij een
incident meer dan vijftig doden vielen. Na bemiddeling van Syrië en
Egypte werd eind febr. een voorlopig akkoord getekend, waarbij Jemen
voor een periode van twintig jaar afzag van territoriale aanspraken. De
Jemenitische inschikkelijkheid leek verband te houden met de
verslechterde economische situatie, waarin de werkloosheid was opgelopen
tot 50%. Jemen had dringend behoefte aan hervatting van de
olie-exploitatie in het grensgebied, Saoedische financiële steun en
hervatting van de gastarbeid in Saoedi-Arabië.
President Saleh streefde in 1996 naar stabiliteit en verzoening door de
oppositie bij het bestuur te betrekken, nieuwe verkiezingen in het
vooruitzicht te stellen en de strijd met de corruptie aan te binden.
Maar de economische stagnatie en de hoge werkloosheid bleven.
In dec. 1995 raakte Jemen in gewapend conflict met Eritrea over de
Kleine en de Grote Haniseilanden in de Rode Zee. Na Franse bemiddeling
werd in mei 1996 in Parijs een akkoord bereikt over arbitrage, maar in
aug. gingen Eritrese troepen wederom over tot bezetting van de Kleine
Haniseilanden. Onder druk van de VN-Veiligheidsraad trok Eritrea eind
aug. 1996 zijn troepen weer terug.
Telefoongids Yemen
Postcodes
Yemen
|