Heeft u uw
favoriete zomerbloemen om de één of andere reden niet onder glas
kunnen opkweken, dan kunt u ze altijd nog op een zaaibed in de tuin
uitzaaien. Dat wil zeggen, als het tenminste niet gaat om planten
zoals Ageratum, Begonia, Celosia (hanenkam), Heliotropium
(heliotroop of zonnenwende) Pelargonium (tuingeranium), Ricinus
(wonderboom) en Salvia splendens (vuursalie). Die soorten hebben
namelijk tijdens de opkweek kaswarmte nodig !
Hoe gaat u te werk
Ongeveer veertien dagen voordat u gaat zaaien, begint u met de
voorbereiding. U spit de grond om en werkt er meteen wat goed
verteerde mest doorheen. In plaats daarvan kunt u ook na het spitten
wat kunstmest over de grond uitstrooien; zo'n twintig tot dertig
gram per vierkante meter. De hoeveelheid mest is sterk afhankelijk
van de soort en de voedingstoestand van de bodem en van de soort
plant die u wilt gaan kweken. Zo zal Salvia splendens (vuursalie)
veel meer voedsel verlangen dan scheefbloem (Iberis umbellata).
Na het spitten laat u de grond rusten. Een dag voor het zaaien
besproeit u de grond om het zaad vlot te laten kiemen. Op de dag
waarop u het zaad aan de grond toevertrouwt, harkt u de kluiten fijn
en maakt u de aarde goed vlak.
Zaaien
Bij breedwerpig zaaien wordt het zaad over de grond uitgestrooid,
zodat het op willekeurige plaatsen terechtkomt. Om een zo goed
mogelijke verdeling te krijgen, vermengt u het zaad met wat droog
zand. Het uitgestrooide mengsel wordt heel ondiep ingeharkt. Er
mogen geen hoopjes ontstaan ! De grond wordt vlak ingedrukt met de
hulp van een plankje of met de vlakke hand.
Om de grond daarna vochtig te houden, dekt u het zaaibed af met
plastic. Als de grond droog is geworden moet u voorzichtig gieten,
zonder dat er plassen ontstaan.
Als u de grond te nat maakt, spoelt het zaad weg en komt het op
hoopjes te liggen. Zodra het zaaisel opkomt wordt het plastic
verwijderd.
Als u op rijtjes zaait, kunt u de jonge kiemplantjes
later gemakkelijker onderscheiden van het onkruid, want dat groeit
natuur ook. Een nadeel is, dat u de plantjes na enige tijd moet
verplanten of uitdunnen. Strakke rijen plantjes vormen immers niet
bepaald een mooi beplantingspatroon in de siertuin.
Bij het op rijtjes zaaien spant u een strakke lijn in de
lengterichting van het zaaibed. Langs deze lijn wordt met de
wijsvinger of met een stokje een heel ondiep geultje getrokken. Het
zaad mag vooral niet te diep komen te liggen. De grootte van het
zaad bepaalt hoe diep het in de grond komt te liggen.
Zonnebloempitten legt u bijvoorbeeld dus dieper in de grond dan de
fijne zaadjes van de Gypsophila of gipskruid.
Het zaad wordt met duim- en wijsvinger in het geultje gestrooid, dat
daarna wordt dichtgemaakt. U markeert het zaairijtje door aan de
uiteinden een stokje te zetten of een etiket met de naam van de
plantjes.
Uitdunnen voorkomt dat de plantjes zo dicht bij elkaar
komen te staan, dat ze elkaar in de groei belemmeren. Daartoe wordt
een deel van het zaaisel uit de grond getrokken. De plantjes die het
grootst zijn en er het gezondst uitzien laat u natuurlijk staan. De
uitgedunde exemplaren kunt u eventueel elders uitplanten. Ze zullen
daar wel wat later in bloei komen dan de planten die u hebt laten
staan. Na het uitdunnen moet u het zaaibed begieten met een gieter
met een fijne broes. |