|

1. Fysische
geografie
Het
landschap bestaat grotendeels uit een aantal zacht golvende plateaus
(gemiddelde hoogte 1000-1200 m). De hoogte neemt naar het noorden en
oosten geleidelijk toe en komt langs de grens met Malawi tot boven de
1500 m. De dalen van de Midden-Zambezi in West-Zambia en van de Luangwa
in Oost-Zambia vormen de laagste delen van het land. West-Zambia is
overdekt met een dikke laag uit de Kalahariwoestijn afkomstig zand. Twee
van de grootste rivieren van Afrika ontspringen in Zambia, de Zambezi en
de Kongo. Ongeveer driekwart van het land behoort tot het stroomgebied
van de Zambezi en haar zijrivieren: Kabompo, Kafue en Luangwa. Het
overige deel, met uitzondering van een klein gebied in het uiterste
noordoosten, watert af op de Kongo en haar zijrivieren de Chambesi en
Luapula. De rivieren hebben sterk wisselende waterstanden en zijn door
stroomversnellingen en watervallen, o.a. de bekende
Victoriawatervallen - foto rechts in de Zambezi, slecht bevaarbaar.
In het noorden liggen het Mweru- en het Bangweulumeer in grote
depressies. In het uiterste noordoosten heeft Zambia deel aan het
Tanganyikameer. In het zuiden, waar de Zambezi grensrivier is, heeft
zich achter de Karibadam het Karibameer gevormd.
Door de relatief hoge ligging van het land zijn de gemiddelde
temperaturen lager dan die in veel andere landen van tropisch Afrika.
Alleen de dalen van de Midden-Zambezi en de Luapula zijn het gehele jaar
heet en vochtig. Drie seizoenen kunnen worden onderscheiden: een koel
droog seizoen (april-augustus), een heet droog seizoen (augustus-november)
en een warm nat seizoen (november-april). Juli is de koelste maand
(gemiddelde temperatuur te Lusaka 15,4 °C) en oktober de warmste maand
(idem 24 °C). De regentijd zet in het noorden eerder in (eind oktober)
en duurt langer (ca. 190 dagen) dan in het zuiden. De gemiddelde
jaarlijkse neerslag in het noorden bedraagt 1000-1500 mm en in het
zuiden 600-1000 mm.
De
plantengroei in het grootste deel van het land bestaat uit savanne: hoog
gras met verspreid staande bomen. In het noorden liggen bij de meren en
in de rivierdalen tropische regenwouden. Nabij het Mweru- en het
Bangweulumeer hebben zich uitgebreide moerassen gevormd, met sterk
wisselende waterstanden.
De dierenwereld is die van de savanne, gekenmerkt door de grote
planteneters (olifant, puntlipneushoorn, steppezebra, wrattenzwijn,
buffel, talrijke antilopen, enz.) en predatoren (roofvijanden: leeuw,
panter, gevlekte hyena, enz.); in grote trekken lijkt de fauna op die
van Oost-Afrika, hoewel ook talrijke Zuid-Afrikaanse elementen nog
voorkomen. Giraffen komen slechts in het uiterste westen en in het
oosten voor; een merkwaardige diergeografische scheidslijn blijkt midden
door Zambia te lopen. Het belangrijkste deel van het verspreidingsgebied
van de lechwe, een van de waterbokken onder de antilopen, valt binnen de
grenzen van Zambia. De tamelijk schaars vertegenwoordigde bossen behoren
tot verscheidene typen en herbergen een vaak zeer karakteristieke
dierenwereld. Enkele Centraal-Afrikaanse bosvormen met o.a. apen dringen
tot in het noordwesten door. Totaal zijn ongeveer 225 soorten zoogdieren
en 700 vogels van Zambia bekend. Lagere gewervelde dieren als bijv.
reptielen zijn eveneens zeer goed vertegenwoordigd. De insectenwereld
vertoont een grote rijkdom en omvat o.a. tseetseevliegen (wijd
verspreid) en broedplaatsen van verscheidene zwermende sprinkhanen.
Zambia kent een uitgebreid netwerk van nationale parken en
wildreservaten. De natuurbescherming is redelijk georganiseerd, maar
kampt met stroperij (vooral van olifanten en neushoorns) en financiële
problemen; bovendien komt het safaritoerisme maar moeizaam op gang. Het
bekendst zijn het Kafue National Park en de reservaten in het dal van de
Luangwarivier. De geringe bevolkingsdichtheid en een al vroeg ingrijpen
in de koloniale tijd hebben geresulteerd in een hier en daar nog
opvallende wildrijkdom; wel wordt de puntlipneushoorn ernstig bedreigd.
2. Bevolking
Ruim
98% van de Zambianen behoort tot een van de 73 Bantoetalige stammen, die
weer tot een van de zeven dialectgroepen behoren, t.w. Bemba, Tonga,
Nyanja, Lunda, Luvale, Lozi en Kaounde. De stamverbondenheid speelt nog
steeds een grote rol in het sociale en politieke leven. Het aantal
buitenlanders gaat gestaag achteruit. Eénderde van de bevolking woont in
het centrale hoogland, terwijl ook de grensgebieden met Mozambique en
Malawi vrij dicht bevolkt zijn. Ca. 45% van de bevolking woont in
stedelijke gebieden, waarmee Zambia de hoogste urbanisatiegraad van
zwart Afrika heeft.
De leeftijdsopbouw is ongelijk: ongeveer 47% van de bevolking is jonger
dan vijftien jaar. De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode
1985-1994 3, 3% per jaar. De hoofdstad Lusaka telt 982.362 inw.; andere
grote steden zijn: Kitwe (439.200 inw.), Ndola (376.311 inw.), Mufulira
(175.000 inw.), Kabwe (166.600 inw.).
De officiële taal is het Engels. In het dagelijks verkeer wordt veel
gebruik gemaakt van een taal bestaande uit Afrikaanse, Engelse en
Bantoewoorden en uitdrukkingen, genaamd Kitchen Kaffir. Verder hebben
vijf Bantoedialecten een officiële status. Tweederde van de Zambianen
spreekt Bemba, Tonga of Nyanja.
Ca. 70% van de bevolking hangt traditionele Afrikaanse religies aan.
Bijna 30% is christen; de Rooms-Katholieke Kerk (georganiseerd in twee
aartsbisdommen met zeven bisdommen) heeft de meeste aanhangers. De
protestanten zijn verdeeld over de Anglicaanse Kerk en de United Church
of Zambia. Een steeds grotere aanhang krijgen de inheemse Afrikaanse
christelijke kerken, waarvan de Lumpa Church de grootste is. Ook de
Jehova's Getuigen hebben een groeiende aanhang. Ca. 1% van de bevolking
is islamiet of hindoe.
3. Bestuur en
samenleving
Volgens de grondwet van 1991 (gewijzigd in 1996) is Zambia een republiek
met een voor vijf jaar gekozen president aan het hoofd. De nieuwe
grondwet voorziet in een meerpartijenstelsel en ontneemt de president
het recht om boven de wet te staan, de noodtoestand uit te roepen en een
kabinet samen te stellen uit leden van buiten het parlement. De
Nationale Vergadering, het parlement, bestaat uit 150 leden, die volgens
het districtenstelsel naar Brits model voor vijf jaar bij algemeen
kiesrecht gekozen worden. Er is verder een House of Chiefs, waarin de
traditionele stamhoofden zitting hebben. De grootste vakbond is het
Zambia Congress of Trade Unions. Bestuurlijk is het land ingedeeld in
negen provincies. Zambia is lid van de Verenigde Naties en een aantal
van zijn suborganisaties, van het Gemenebest van Naties, van de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de GATT en geassocieerd lid
van de EU.
4. Economie
De Zambiaanse economie steunde voorheen in hoge mate op de koperwinning,
maar door de daling van de koperprijs op de wereldmarkt vanaf de jaren
zeventig bleek de kwetsbaarheid van de Zambiaanse economie. Pogingen van
de regering om tot grotere diversificatie te komen hebben weinig succes
gehad. De landbouw is de tweede belangrijke sector, maar sterk
verwaarloosd. Tussen 1968 en 1991 werd een politiek van zambianisering
van de economie doorgevoerd, die ertoe leidde dat de staat in talrijke
sectoren door deelname aan het bedrijfskapitaal of door het stichten van
staatsbedrijven een leidende functie kreeg. Zambia kampt met enorme
betalingsbalanstekorten en een hoge buitenlandse schuld. Midden jaren
tachtig kwam Zambia tot een overeenkomst met het IMF en de Wereldbank.
Ingrijpende bezuinigingen waren het gevolg. In 1987 werd de overeenkomst
met het IMF verbroken, maar in 1990 kwam Zambia tot hernieuwde
onderhandelingen met het IMF en de Wereldbank.
Pas
in 1991, toen president Kaunda terugtrad, ging Zambia onder leiding van
de nieuwe president Chiluba over tot een grootscheepse privatisering van
de talloze staatsbedrijven.
70% van de bevolking is werkzaam in de landbouw, die voor 31% bijdraagt
aan het Bruto Nationaal Product (bnp). Maar 16% van het potentieel
bebouwbare land wordt voor de landbouw gebruikt (vnl. maïs). Naar de
structuur kunnen drie typen landbouwbedrijven worden onderscheiden: een
kleine groep, meest Europese, boeren die grote boerenbedrijven
exploiteren, welke veelal handelsgewassen zoals maïs, vlees, suiker,
tabak en zonnebloempitten produceren; een wat grotere groep
boerenbedrijven geleid door Zambianen die deels voor de handel werken en
deels voor eigen gebruik, en de (grootste) groep kleine boerenbedrijven
die uitsluitend voor eigen gebruik produceren en de traditionele
voedingsgewassen zoals maïs, cassave, gierst, vlees en aardnoten
verbouwen. De veehouderij is vnl. geconcentreerd in het zuiden en
westen, waar de Tonga en de Lozi traditionele veehouders zijn. De export
van vlees is van weinig betekenis. De productie van melk nam gedurende
de jaren tachtig toe. Hoewel bijna de helft van het land met bos is
bedekt, is de commerciële exploitatie daarvan nauwelijks van de grond
gekomen. De rivieren en meren zijn zeer visrijk, maar de visvangst staat
nog in de kinderschoenen.
De industrialiseringsgraad is laag. De belangrijkste activiteiten
betreffen de voedsel- en dranken-, textiel-, chemische en lichte
ijzerproductie. Er wordt voornamelijk voor de eigen markt geproduceerd.
Koper, het belangrijkste product van de mijnbouw, komt voor in de zgn. 'Copperbelt',
aan de grens met Zaïre. Zambia is de op vijf na grootste producent en de
op één na grootste exporteur van koper ter wereld. De crisis in de
mijnbouw van Zambia eind jaren tachtig werd niet alleen veroorzaakt door
de drastisch dalende wereldmarktprijs van koper, maar is tevens het
gevolg van verouderde exploitatie-installaties, onvoldoende geschoold
technisch personeel, chronische transportproblemen en de geleidelijke
uitputting van de kopervoorraden voor het jaar 2010. Andere belangrijke
mijnbouwproducten zijn zink, lood en kobalt, waarvan Zambia en Zaïre de
grootste wereldproducenten zijn.
De energie die gedistribueerd wordt door de Zambia Electricity Supply
Corp. is vrijwel geheel afkomstig van waterkracht. De drie belangrijkste
krachtcentrales zijn de Kafue Gorge-centrale, de
Victoriawatervalcentrale en de Kariba-Noord-centrale. Zambia exporteert
elektriciteit naar de buurlanden. Aardolie moet worden ingevoerd.
Centrale bank is de Bank of Zambia. Daarnaast bestaan nog de National
Commercial Bank en de National Savings and Credit Bank of Zambia, alle
in staatshanden. Enkele buitenlandse banken hebben filialen in Zambia.
Zambia ontvangt ontwikkelingshulp op bilateraal niveau van
Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Zweden, Canada en Nederland, en
op multilateraal niveau van het IMF en de Wereldbank.
De belangrijkste uitvoerproducten zijn: koper (65% van de totale uitvoer
in 1993), zink, kobalt (6%), lood en tabak. De voornaamste afnemers
zijn: Japan, Frankrijk, India, Thailand, België en Groot-Brittannië.
Ingevoerd worden machines, transportmiddelen, chemische producten,
brandstoffen en voedingsmiddelen. De belangrijkste leveranciers zijn:
Zuid-Afrika, Groot-Brittannië, Duitsland, Japan, Zimbabwe en de
Verenigde Staten.
Zambia heeft een in redelijk goede staat verkerend wegennet. Alle
provincies zijn door wegen die het gehele jaar door begaanbaar zijn, met
elkaar verbonden. De belangrijkste zijn de noord-zuidverbinding van de
Copperbelt via Lusaka naar Livingstone en de oost-westverbinding naar
Malawi en Tanzania. De TANZAM Highway, die doorloopt naar Dar es Salaam
in Tanzania, is van betekenis voor de economie, omdat hij een van de
belangrijkste verbindingen met de zee is. Zambia Railways exploiteert de
treinverbinding van Livingstone via de Copperbelt naar Banguela aan de
Angolese kust. De Tanzania Zambia Railway Authority exploiteert de met
behulp van Chinese vaklieden aangelegde TAZARA-spoorlijn, die van Zambia
naar Dar es Salaam in Tanzania loopt. Door de natuurlijke omstandigheden
is het gebruik van de rivieren en meren voor vervoer beperkt. Slechts
een deel van de Zambezi, van Livingstone tot Senanga, is bevaarbaar.
Nationale luchtvaartmaatschappij was de Zambia Airways Corp., die
binnenlandse en buitenlandse vluchten verzorgt. Lusaka is de
belangrijkste internationale luchthaven.
5. Geschiedenis
De
sporen van menselijk leven in Zambia zijn al heel oud. Bij de
Kalambowaterval in het noorden zijn bijlen gevonden die naar schatting
300.000 jaar geleden werden gebruikt. De 'Broken Hill-mens', een bij
Kabwe (een in de koloniale tijd Broken Hill geheten mijnstadje) gevonden
skelet, wordt op ca. 30!000 v.C. gedateerd. Van de huidige bewoners
waren de in moerasgebieden levende Twa (kleine mensen van het Pygmeeën-
en Bosjesmannentype) er waarschijnlijk het eerst. Zij werden verdreven
door de eerste Bantoestammen die zich in Zambia vestigden, de
Bantoe-Botatwe (o.m. de Tonga) van de Zuid-Provincie en de
Centrum-Provincie. Niet alleen de Lunda-stammen in de
Noordwest-Provincie en de Luapula-Provincie, maar ook de grote
Bemba-stam in de Noord-Provincie en de Nsenga en Chewa in het oosten
kwamen als emigranten van het Lunda-Luba-rijk (gelegen in de huidige
staten Zaïre en Angola). De Ngoni in de Oost-Provincie kwamen uit het
zuiden, uit Zoeloeland. In de 18de en 19de eeuw had Zambia veel te
lijden van de slavenhandel en de daarmee gepaard gaande stammenoorlogen.
Het gebied ten zuiden van het Tanganyikameer kreeg bezoek van de
beruchte slavenjager Tippo-Tip. In het zuiden gingen de Chikunda uit
Mozambique onder aanvoering van Portugese kleurlingen geregeld op roof
uit.
5.1 Koloniale tijd
Bij het gevecht om de verdeling van Afrika in de tweede helft van de
19de eeuw was het tussen de Zambezi en het Tanganyikameer gelegen gebied
aanvankelijk niet erg in trek. Maar toen Cecil Rhodes zich van Kaapstad
steeds verder naar het noorden begaf om mijnconcessies te bemachtigen,
kwam aan dit gebrek aan belangstelling een einde. Agenten van zijn
British South Afrika Company (BSA) brachten bezoeken aan de Litunga van
Barotseland en andere stamhoofden om in ruil voor de bescherming van de
Britse vorstin en een magere lijfrente fabuleuze concessies te
verkrijgen. Hoewel zij formeel wel in hun opzet slaagden en deze
concessies jarenlang de basis vormden voor het werk van de grote
buitenlandse kopermaatschappijen (Anglo American Corporation en Roan
Selection Trust), werd later de geldigheid van de door hen gesloten
overeenkomsten zelfs naar Engels recht in twijfel getrokken; sinds 1973
is de koperwinning geheel in Zambiaanse handen.
In 1895 kreeg het gehele door de BSA beheerste gebied de naam Rhodesië.
Tot 1911 waren Noordwest-Rhodesië en Noordoost-Rhodesië bestuurlijk van
elkaar gescheiden. In 1923 kreeg Zuid-Rhodesië (het huidige Zimbabwe)
een vorm van zelfbestuur binnen het Britse Rijk, maar Noord-Rhodesië
werd in 1924 rechtstreeks onder het ministerie van Koloniën in Londen
geplaatst. De koloniale ambtenaren bestuurden het land op basis van de
zgn. indirect rule, dwz. de stamhoofden oefenden namens hen het
feitelijk gezag uit en werden door hen gecontroleerd.
5.2 De periode Kaunda
Onderwijs en ontwikkeling kregen weinig aandacht. In 1948 waren er nog
maar 1700 Zambianen met een volledige lagere-schoolopleiding. Toch kwam
uit deze kleine groep een reeks Afrikaanse politici voort. Zij verzetten
zich vooral tegen de Federatie van Noord- en Zuid-Rhodesië en Nyasaland
die in 1953 tot stand was gekomen. Deze federatie had tot gevolg dat de
inkomsten uit de koperwinning in Zambia (Noord-Rhodesië) niet ten goede
kwamen aan de ontwikkeling van de inheemse bevolking aldaar, maar aan de
blanke kolonisten in Zuid-Rhodesië. De 'partnership' waarover de
laatsten spraken werd door de Zambianen dan ook gezien als die van
ruiter en paard. Het verzet tegen de federatie leidde in 1961 tot de
ontbinding ervan. Na moeizame onderhandelingen over het kiesrecht werd
Zambia ten slotte op 24 okt. 1964 een onafhankelijke republiek onder
president Kenneth David Kaunda. Deze bleek als leider van de United
National Independence Party (UNIP) onder de bevolking een veel grotere
aanhang te hebben dan de 'old man of politics', Harry Nkumbula van het
Afrikaans Nationaal Congres (ANC). In 1972 werd Zambia een
eenpartijstaat en werden Nkumbula en andere voormalige leiders van het
ANC lid van UNIP. De tweede helft van de jaren zeventig stond in het
teken van de snel verslechterende economische situatie, als gevolg van
de dalende wereldkoperprijs en de situatie in Rhodesië.
Onder leiding van Kaunda steunde Zambia het streven naar zwarte
meerderheidsregeringen in Zuidelijk Afrika: in de Portugese koloniën en
in Rhodesië. Ondertussen werd de oppositie tegen president Kaunda en de
UNIP sterker. De vakbeweging, maar ook andere sectoren van de
samenleving, kritiseerden de UNIP openlijk. Als gevolg van de strenge
bezuinigingsmaatregelen, die door het IMF aan Zambia waren opgelegd, en
de daarmee samenhangende prijsverhogingen, braken in de jaren tachtig
herhaaldelijk onlusten onder de bevolking uit. De steeds verslechterende
economie, gesymboliseerd door een enorme inflatie, noopte de regering
tot twee maal toe de Kwacha, de nationale munt, te devalueren.
In 1990 kwam binnen de UNIP de discussie over de invoering van een
meerpartijensysteem op gang en in december van dat jaar werden al de
eerste oppositiepartijen gelegaliseerd. Het democratiseringsproces kwam
daarna snel op gang. In aug. 1991 nam het parlement een nieuwe grondwet
aan en in okt. werden presidents- en parlementsverkiezingen gehouden,
die een overwinning voor de Movement for Multiparty Democracy (MMD) van
Frederick Chiluba te zien gaven.
5.3 De periode Chiluba (zie foto)
Chiluba
versloeg zelf verrassend president Kaunda. Kaunda trad later (jan. 1992)
af, ook als partijleider. De nieuwe regering, die de privatisering van
ruim honderd staatsbedrijven voorstond, kon op meer krediet van
buitenlandse financiële instellingen rekenen dan de voorgaande
kabinetten onder Kaunda. In juli 1992 besloot de Club van Parijs
Zambia's buitenlandse schuld voor de helft kwijt te schelden. In maart
1993 werd een couppoging verijdeld; de poging werd mede door Kaunda's
zoon Maj ondernomen.
De regeerperiode van president Chiluba werd gekenmerkt door schandalen.
Van eind 1991 tot 1996 kregen of namen 19 ministers ontslag wegens
corruptie, drugshandel en het witwassen van geld. Mede hierdoor kwam er
ruimte voor de UNIP van ex-president Kaunda, die in juli 1995 weer tot
leider van zijn partij werd gekozen. In dezelfde maand maakte de
vice-president van de regerende MMD, Levy Mwanawasa, bekend dat hij zich
als tegenkandidaat voor Chiluba zou presenteren bij de
presidentsverkiezingen van nov. 1996.
Het parlement keurde in mei 1996 een grondwetswijziging goed, die
inhield dat een president niet meer dan twee ambtstermijnen kon dienen.
Hierdoor werd ex-president Kaunda, die zes ambtstermijnen achter de rug
had, uitgesloten van de presidentsverkiezingen, die een ruime
overwinning opleverden voor de zittende president Chiluba.
Bij de gelijktijdig gehouden parlementsverkiezingen won Chiluba's MMD
130 van de 150 zetels. De verkiezingen werden overigens gekenmerkt door
een zeer lage opkomst, mede veroorzaakt door een boycot van alle
belangrijke oppositiepartijen. Na de verkiezingen riep de UNIP op tot
een geweldloze campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid.
Telefoongids Zambia
Postcodes
Zambia
|