|

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het landschap van de Republiek van Zuid-Afrika wordt gekenmerkt door een
hoog gelegen plateau, het vrijwel ontbreken van laagvlakten en een
gesloten kustvorm. Het continentale plat ontbreekt vrijwel, alleen ten
zuiden van Afrika tussen Kaapstad en Port Elizabeth strekt zich over 160
km de Agulhasbank uit, de belangrijkste visgrond van het land. Tussen
enkele wijduiteengelegen vooruitspringende kapen ontstonden wijde
baaien. De enige meer gesloten baai is de Saldanhabaai aan de westkust.
Tussen Tafelbaai en Valsbaai ligt het bergachtige schiereiland Cape
Peninsula (Kaapschiereiland) met de opvallende Tafelberg. Dit
schiereiland eindigt in de rotsachtige Kaap de Goede Hoop. Langs de
zuid- en zuidoostkust (toeristisch bekende 'Garden Route') rijzen de
bergen trapsgewijs op uit zee. Het plateau van Zuid-Afrika is overwegend
vlak en het heeft een gemiddelde hoogte van 1000 tot 1800 m. Het is
opgeheven sinds het Krijt en bestaat uit een ondergrond van voornamelijk
precambrische kwartsieten, schisten, leien en gneisen. In het noordelijk
deel van de Kaapprovincie en in Oranje Vrystaat is deze ondergrond
bedekt door horizontale lagen van terrestrische oorsprong, de
Karroo-formatie met enige lagen steenkool van behoorlijke kwaliteit.
Waar hardere lagen door denudatie van het zachtere omliggende gesteente
zijn uitgeprepareerd tot typische vlakke eilandbergen, ontstonden de
karakteristieke 'koppies'. De hoogste punten van het plateau zijn Giants
Castle (3820 m), Cathkin Peak (3650 m) en Mont aux Sources (3299 m) in
de Drakensberge. De Drakensberge is een hoge rand welke niet door
plooiing, doch uitsluitend door opheffing is ontstaan. De sedimenten van
de Stormbergserie (Boven-Karroo) worden hier tegen denudatie beschermd
door een dek van een basaltintrusie. Naar het oosten helt het land via
de Griqualand-bergen snel af naar zee. Naar het noordwesten strekt zich
het Hoge Veld uit. Dit gehele plateau wordt omzoomd door steile
erosieranden ( 'the Great Escarpment'). In de Witwatersrand bij
Johannesburg wordt op ruim 1000 m diepte uit kwartsietconglomeraten van
de Witwatersrand-supergroep goud gewonnen. Tegenwoordig verkrijgt men
ook andere metalen (o.a. uraan) uit deze goudriffen. In het Hoge Veld
zijn talrijke intrusiepijpen met een doorsnede van 200 tot 300 m
ontstaan, opgevuld met een donkerblauw vulkanisch gesteente, kimberliet.
Hierin wordt tot op grote diepte diamant gevonden. Verder naar het
noordoosten daalt het land naar de Limpopolaagte; enkele granietrotsen
van oude kernen geven hier het landschap meer reliëf, o.a. de
Zoutpansberg (1829 m). Naar het westen daalt het Hoge Veld af naar de
halfwoestijn van de Kalahari. Deze laagte van 800 m, opgevuld met jonge
zanden, zet zich voort in Botswana. De zuidelijke steilrand van het Hoge
Veld heeft verschillende plaatselijke namen, Roggeveld-, Koms-, Nieuwe-,
Koudevelds-, Sneeuw- en Stormberge. Naar het zuiden liggen in een laagte
van 400 km lang en 100 km breed jonge sedimenten van de Grote Karroo.
Ten zuiden hiervan ligt het enige plooiingsgebergte van de Republiek. De
mariene afzettingen van dit Kaap-systeem zijn tijdens het Paleozoïcum
geplooid langs de rand van het toenmalige Gondwana, sterk geërodeerd en
in het Krijt opgeheven. De zachte schalies van de Bokkeveld-serie zijn
diep weggeërodeerd tot de laagte van de Kleine Karroo tussen de harde
zandstenen van de Tafelberg-serie, die als scherpe kammen
uitgeprepareerd zijn en nu de Zwarte Berge (2325 m) en Lange Berge (2080
m) vormen.
     
1.2 Hydrografie
Vanaf de regenrijke oostrand van de Drakensberge lopen korte rivieren
met veel stroomversnellingen naar zee: Tugela, Grote Kei-, Grote Vis- en
Zondagrivier met Zondagdam. In Zuid-Afrika wordt met de naam Dam niet de
stuwdam zelf maar het stuwmeer aangeduid. In het zuiden komen Dwyka en
Garuka, brontakken van de Gouritsrivier, vanuit de Grote Karroo. Zij
hebben nauwe doorbraaksdalen in de Zwarte Berge gevormd, die echter,
gezien de huidige geringe waterhoeveelheid, waarschijnlijk reeds uit een
vroegere, vochtiger periode moeten stammen. De Gourits doorbreekt de
Lange Berge in een nauwe poort. Vanaf de Drakensberge stroomt de
Oranjerivier met een aantal zijrivieren, o.a. Vaal en Modderrivier, naar
het westen. Vaaldam, Kalkfonteindam en Oranjedam en andere hebben vooral
betekenis voor irrigatie. In het droge westen heeft de Oranjerivier geen
zijrivieren meer, de waterstand is hier zeer wisselvallig. Over harde
gesteenteranden komen veel watervallen voor, zoals de ruim 100 m hoge
Augrabiesvallen, van hieraf stroomt de Oranjerivier door een nauwe
kloof. In het noordoosten is de Witwatersrand waterscheiding tussen de
Vaal en de grensrivier Limpopo.
1.3 Klimaat
Hoewel de Republiek van Zuid-Afrika zich over een aantal breedtegraden
uitstrekt dat ongeveer overeenkomt met de afstand Rome-Kopenhagen, is
het klimaat toch betrekkelijk uniform. Dit geldt m.n. voor de
temperatuur in het binnenland, een gevolg van het feit dat op lagere
breedte de hoogte in het algemeen groter is dan verder naar het zuiden.
Langs de westkust wordt de temperatuur gelijkmatig laag gehouden door de
langs deze kust stromende koude Benguelastroom, terwijl langs de
oostkust de temperaturen gelijkmatig hoog zijn onder invloed van de
warme Agulhasstroom. In het binnenland is januari de warmste maand, aan
de kust februari. In het noorden van het land komt de hoogste
temperatuur in oktober of november voor, een gevolg van de zomerregens.
Voorts is de jaarlijkse gang van de temperatuur aan de kust veel kleiner
dan in het binnenland. In het binnenland komen, door de hoge ligging,
regelmatig temperaturen beneden het vriespunt voor, in het zuidoostelijk
bergland zelfs gedurende ca. 100 nachten per jaar. De verdeling van de
neerslag is veel onregelmatiger dan die van de temperatuur. In het
algemeen valt de meeste neerslag in het zomerhalfjaar, wanneer de
vochtige lucht van de zuidelijke Indische Oceaan het krachtigst
landinwaarts stroomt. Daarbij blijft, van oost naar west gaande, de
neerslaghoeveelheid aanvankelijk nagenoeg constant, maar ten westen van
de meest oostelijke bergruggen verminderen de hoeveelheden geleidelijk.
Een afwijkend gedrag met betrekking tot de verdeling van de neerslag
over het jaar vertoont het zuidelijk deel van het land, waar onder
invloed van de storingen van gematigde breedte de meeste neerslag in het
winterhalfjaar valt. In dit gebied treft men een gematigd regenklimaat
aan. Langs en nabij de oostkust heersen klimaten met een droge winter.
Verder westwaarts wordt het klimaat steeds droger. In het centrale
gedeelte vindt men een steppeklimaat.
1.4 Plantengroei
De
plantengroei vertoont een sterke afwisseling door de grote verschillen
in de neerslag, die van oost naar west afneemt, en door de verdeling van
de neerslag over het jaar. Ook variatie in hoogte en bodemgesteldheid
speelt hierbij een rol. De Fijnbosstreek in het zuidwesten, ten zuiden
van de lijn Olifantsrivier-Port Elizabeth, heeft een uitzonderlijk rijke
flora, met duizenden endemen (= alleen daar voorkomende soorten); dit
gebied is door de oceanen, woestijnen en bergen geïsoleerd van de rest
van het continent. Dit kleine gebied staat plantengeografisch zo apart
dat het een van de zes florarijken van de aarde omvat: Capensis. De
overige delen van de Republiek zijn vnl. begroeid met graslanden,
savannen, steppen en woestijnen. Slechts minder dan 0,5% van de totale
oppervlakte bestaat uit bos. Het grootste bosgebied ligt rondom Knysna
in het zuiden. Hier vindt men altijdgroen loofbos met o.m.
Podocarpus-soorten tot 50 m hoog, Olea laurifolia en de Kaapse beuk
(Myrsine melanophloeos). Subtropisch bos komt in het oostelijk deel
voor, met o.m. Albizzia-soorten en ook palmen, zoals een dadelpalm
(Phoenix reclinata). Op de oosthellingen van de Drakensberge in gebieden
met hoge neerslag en hoge luchtvochtigheid treedt montaan bos op.
Graslanden en savannen komen voor in gebieden met regenval in de zomer,
behalve de grazige savannen in het zuidoosten waar voor- en
najaarsregens optreden. De savannen tonen alle denkbare overgangen
tussen bosachtige graslanden via parklandschappen naar boomsteppen met
verspreide bomen. Karakteristiek zijn de vele Acacia-soorten, in
Zuidwest-Transvaal en Oranje Vrystaat o.a. A. giraffae en A. karroo. In
de drogere gebieden treden Aloë- en Euphorbia-soorten op. Algemene
grassen zijn o.a. Themeda, Chloris, Panicum, Setaria, Pennisetum en
Rhynchelytrum. Waar de neerslag lager is dan 400 mm per jaar, vooral in
de westelijke delen, komen steppeachtige woestijnen (Kalahari) voor. In
de droogste streken van de Karroo groeien tot 2 m hoge dwergstruikjes
met schubachtige blaadjes, en vele soorten van het vetplantengeslacht
Mesembryanthemum. Waar de neerslag wat hoger is, zijn Pentzia-soorten
kenmerkend. In de regenperioden kunnen hier eenjarige grassen tijdelijk
de struiken overwoekeren. Een eigenaardige soort in de westelijke
woestijngebieden is Welwitschia mirabilis..
1.5 Dierenwereld
Dankzij
de grootte van het land en de zeer gevarieerde milieus is de
dierenwereld van Zuid-Afrika zeer rijk. Het grootste deel van de fauna
is afgeleid van die van Oost- en in mindere mate ook van
Centraal-Afrika, maar heeft ook verbindingen met de Australische en
Zuid-Amerikaanse, dankzij het vroegere zuidelijke supercontinent
Gondwana. De zoogdierfauna omvat alle klassieke elementen van Afrika:
apen, baviaan, leeuw, panter, hyena's, zebra's, neushoorns, antilopen
(38 soorten), buffel, giraffe, wrattenzwijn, nijlpaard, olifant,
klipdassen, enz. Totaal zijn ca. 390 soorten zoogdieren bekend van
Zuid-Afrika. Springbok, blesbok (met de ondersoort bontebok),
witstaartgnoe, reebokantilope, bergzebra, stokstaartje, zwartvoetkat
e.a. komen uitsluitend in Zuidelijk Afrika voor; andere soorten hebben
een duidelijk herkenbare in Zuidelijk Afrika geïsoleerde vorm, als
spiesbok (oryx) en dikdik. Quagga en blaauwbok, al vroeg uitgeroeid,
waren beperkt tot een deel van de Kaapprovincie. Onder de kleinere
zoogdieren zijn talrijke endemische (= alleen daar voorkomende) vormen
bekend; de goudmollen hebben hun hoofdkwartier in Zuid-Afrika en komen
nauwelijks buiten dit gebied voor.
De vogelwereld is zo mogelijk nog rijker dan die van de zoogdieren en
omvat ca. 870 soorten. Uiteraard bestaat een belangrijk deel hiervan uit
trekvogels die hier overwinteren (o.a. ooievaar en boerenzwaluw). De
opvallendste vogelgroepen zijn de Kaapse of zwartvoetpinguïn
(endemisch), struisvogel, hoenderachtigen (parelhoenders en
frankolijnen), paradijskraanvogel (endemisch), trapganzen,
neushoornvogels, toerako's en wevervogels. De soms massaal optredende
flamingo's broeden gewoonlijk niet in Zuid-Afrika.
De reptielen zijn eveneens zeer rijk vertegenwoordigd: ca. 600 vormen.
De opvallendste zijn de nijlkrokodil (sterk teruggedrongen), een python
en talrijke gifslangen (mamba's, boomslang, adders en cobra's), een
groot aantal hagedissen (waaronder varanen en kameleons) en ca. 25
soorten schildpadden. Vooral onder de hagedissen en schildpadden komen
talrijke endemische vormen voor. De amfibieën vormen een kleinere groep,
uitsluitend vertegenwoordigd door de kikvorsachtigen (ca. 180 vormen,
waaronder zeer grote). Zoetwatervissen
zijn
gering in aantal vanwege de afwezigheid van natuurlijk open water in een
droog land. De lagere dieren zijn vaak in niet te schatten aantallen
aanwezig; veel van deze groepen vertonen verwantschap met groepen in
Australië en Zuid-Amerika. Zuid-Afrika heeft altijd veel te lijden gehad
van zwermende sprinkhanen; zwermende wevervogels zijn pas na de Tweede
Wereldoorlog als landbouwparasieten gaan optreden.
De lange kustlijn herbergt een overvloedige mariene (= zee)fauna, die
ruwweg in drie gebieden te verdelen is, nl. de aan koel water aangepaste
dierenwereld ten westen van Kaapstad, de echte Kaapse fauna van Kaapstad
tot ongeveer Oost-Londen en de subtropisch/tropische fauna van de
westelijke Indische Oceaan van Oost-Londen oost- en noordwaarts. De
kustfauna omvat o.a. een pinguïn, een zeebeer en enorme schaalhorens
(Patella). Ongebreidelde jacht en landhonger ten behoeve van een soms
extensieve landbouw hebben al vroeg hun stempel gedrukt op de
dierenwereld: Kaapse leeuw, quagga, blaauwbok, Kaaps wrattenzwijn e.a.
werden uitgeroeid, terwijl andere soorten als bontebok, witstaartgnoe,
breedlipneushoorn en bergzebra van de rand van de afgrond gered konden
worden. De vroegst intensief bewoonde delen (Kaapprovincie) hebben het
meest te lijden gehad; in vrijwel het gehele land is buiten de
reservaten nog maar weinig wild aan te treffen. De natuurbescherming
kwam echter al vroeg op gang (Umfolosi/Hluhluwewildreservaten 1897;
voorloper van het Kruger Nationaal Park 1898); momenteel bestaat een
netwerk van nationale parken, provinciale natuurreservaten en andere
beschermde gebieden, die grotendeels voor het publiek toegankelijk zijn
en een zeer belangrijke trekpleister voor binnen- en buitenlands
toerisme vormen. Sommige reservaten hebben te kampen met meer bezoek dan
verwerkt kan worden. De belangrijkste beschermde gebieden zijn het
Kruger Nationaal Park, Addo-Olifant, Bergzebra en Bontebok Nationaal
Park (drie specifiek voor deze bedreigde dieren), Kalahari Gemsbok
Nationaal Park (laatste vier in de Kaapprovincie), Umfolozi en
Hluhluwewildreservaten (vooral voor neushoorns, Natal/Zoeloeland) en de
Drakensbergreservaten (Natal). Aan de kust worden de legplaatsen van
zeeschildpadden beschermd (Noord-Zoeloeland), terwijl het Tsitsikamakust
Nationaal Park een kuststrook in de oostelijke Kaapprovincie omvat.
Telefoongids Zuid-Afrika
Postcodes
Zuid-Afrika
|