|
1.
Bevolking
De bevolking bestaat vrijwel geheel uit Koreanen, die de Koreaanse taal
spreken. Met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 450 inw. per km2 is
Zuid-Korea na Bangladesh het dichtstbevolkte land ter wereld. Het
geboortecijfer is, mede onder invloed van een
geboortebeperkingsprogramma van de regering, gedaald van 27 per 1000 in
1975 tot 16 per 1000 in 1992. Het sterftecijfer daalde in deze periode
van 9 per 1000 tot 6 per 1000. De groei van de totale bevolking nam af:
2,9% per jaar in 1961, 0,9% per jaar in 1992. In het begin van de jaren
zestig begon een grote trek van het platteland naar de stad. In 1960
woonde 67% van de bevolking op het platteland, in 1992 nog slechts 25%.
De twee grootste steden zijn Seoel (10,6 miljoen inw.) en Poesan (3,8
miljoen).
40% van de bevolking hangt het boeddhisme aan. Grote godsdienstige
minderheden zijn de christenen (30%) en de confucianisten (25%).
Kleinere religieuze bewegingen zijn de syncretistische Kondogio-sekte,
met sterk nationalistische tendensen, en de uit Japan afkomstige Soka
Gakkai-beweging.
2. Bestuur en
samenleving
Aan het
hoofd van de republiek staat een president. De grondwet van 1987 heeft
de wetgevende macht van het parlement versterkt en de macht van het
staatshoofd beperkt. De president wordt direct gekozen en heeft een
ambtstermijn van 5 jaar zonder de mogelijkheid tot herverkiezing. De
voorwaarden voor afkondiging van de noodtoestand zijn verankerd in de
grondwet. Verder moet de benoeming van rechters door de president
door
het parlement bekrachtigd worden. De constitutie vermeldt nadrukkelijk
de vrijheid van vergadering, het habeas corpus recht, het stakingsrecht
en het recht van organisatie van vrije vakbonden. Het parlement telt 299
leden (1997), van wie er 224 direct worden gekozen door de bevolking en
75 volgens evenredige verkiezing door de president worden aangewezen. De
regerende Democratische Liberale Partij (DLP; in 1990 gevormd uit de
Democratische Gerechtigheidspartij, de Democratische Partij voor
Hereniging en de Nieuwe Democratische Republikeinse Partij) en de
oppositionele Democratische Partij (DP; in 1991 ontstaan uit een fusie
van de Nieuwe Democratische Partij en de Democratische Partij) zijn de
grootste politieke partijen. Het land is verdeeld in 15 bestuurlijke
eenheden: negen provincies en zes steden.
Aansluiting bij internationale organisaties: Zuid-Korea is (sinds 1991)
lid van de Verenigde Naties en van de meeste suborganisaties van de VN,
de APEC (Asia Pacific Economic Cooperation) en de Organisatie van
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
De krijgsmacht omvat 629.000 militairen in actieve dienst. Daarnaast is
er een reserveleger van 4, 5 miljoen man. De dienstplicht varieert van
30 tot 36 maanden. Het budget dat voor defensie wordt uitgetrokken
bedroeg 30,4% van de totale overheidsbegroting. De Verenigde Staten
hebben in Zuid-Korea 40.300 militairen gelegerd.
Het sociale-verzekeringsstelsel betreft slechts bepaalde categorieën en
is beperkt. De sociale situatie is voor de vrouw relatief ongunstig.
Ongeveer de helft van de volwassen Koreaanse vrouwen neemt deel aan het
arbeidsproces; de lonen voor vrouwen liggen echter beduidend lager (tot
50%) dan voor de mannen.
De gezondheidszorg laat nog te wensen over. In 1988 was er één arts voor
elke 1090 inw.
Er bestaat grondwettelijke leerplicht. 21% van de nationale begroting
wordt uitgetrokken voor het onderwijs. In 1988 profiteerden hiervan meer
dan 10 miljoen leerlingen en studenten.
3. Economie
Na
de staatsgreep van Park Chung Hee in 1961 werden door de regering
economische meerjarenplannen opgesteld. De economie van het land
ontwikkelde zich in Westerse, kapitalistische zin.
De landbouw is een belangrijke bron van werkgelegenheid; in 1994 werkte
14% van de beroepsbevolking in de landbouw, visserij en bosbouw. Toch
vond er een aanzienlijke vermindering van de landbouwgrond plaats in de
periode 1970-1985 ten behoeve van de ontwikkeling van de industrie en
woningbouw. Rijst vormt 70% van de totale landbouwopbrengst, daarnaast
worden o.a. koolsoorten, gerst, fruit, sojabonen en zoete aardappels
verbouwd. Korea heeft, met zijn sterk gemechaniseerde landbouw en goede
bevloeiingssysteem, de grootste rijstproductie ter wereld.
De veeteelt omvat ongeveer 20% van de landbouwproductie. Het
melkveebestand verdubbelde nagenoeg in de periode 1981-1985 door import
van melkkoeien uit Australië en Nieuw-Zeeland.
De visserij is van groot belang voor de exportindustrie en de eigen
voedselvoorziening. Eind jaren tachtig heeft Korea zich tot een van de
voornaamste visserijlanden ontwikkeld dankzij de opbouw van een zeer
moderne visserijvloot. Ondanks deze gunstige ontwikkelingen in de
landbouw en visserij kan het land niet in zijn eigen behoeften voorzien.
In de jaren tachtig bleef de graanimport stijgen. Het
zelfvoorzieningspercentage daalde in deze periode met 3, 3%, vooral door
veranderende eetgewoontes. In 1995 maakte voedsel 4,4% uit van de totale
import.
Na
1970 kwam de nadruk te liggen op de zware industrie. De zeer sterke
Zuid-Koreaanse economie wordt gekenmerkt door een uitermate flexibel
productieapparaat. De voordelen hiervan bleken tijdens de eerste
oliecrisis (1973) toen de export, ondanks Westers protectionisme, werd
vergroot en gevarieerd. De afzetmarkten verbreedden zich, m.n. in het
Midden-Oosten, Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië. Binnenlands is er
sprake van schaarste op de arbeidsmarkt, wat leidt tot sterke
loonstijgingen. De hieruit voortvloeiende inflatie zorgt voor een
verslechtering van de concurrentiepositie en voor een toenemende
afhankelijkheid van buitenlands kapitaal. Hiernaast was er in 1979 een
mondiale recessie (tweede oliecrisis) die weerslag had op de
Zuid-Koreaanse economie. In de jaren tachtig werd de crisis bezworen
door een verschuiving van een economie met overheidsinterventie naar een
systeem met meer vrije-marktmechanismen en een aanzienlijke groei van de
hightech- en automobielindustrie. Vanaf 1986 is er weer sprake van een
snelle groei. Zo steeg in 1996 het bnp met 7%.
Van de bodemschatten zijn alleen kolen, wolfraamerts, zinkerts en
looderts van enige betekenis. Aardolie, ijzer- en kopererts zijn van te
geringe omvang om te exploiteren. Aan kolen wordt jaarlijks ca. 15
miljoen ton gedolven.
De belangrijkste industrieproducten zijn staal, elektronica, speelgoed,
schoeisel en petrochemische producten. De Zuid-Koreaanse scheepsbouw is
zeer sterk ontwikkeld en is tweede (na Japan) op de wereldranglijst van
scheepsbouwende landen. Door de algemene daling van de scheepsbouw op de
wereldmarkt in de tweede helft van de jaren tachtig daalden de inkomsten
uit de export van schepen sterk. Ten slotte is de bouwsector sterk in
opkomst.
Een groot deel van de benodigde energie moet worden geïmporteerd. In
1991 maakte geïmporteerde aardolie 57% uit van het totale
energieverbruik. Het energieverbruik in zijn geheel daalde in de jaren
tachtig door energiebesparende maatregelen.
De persvrijheid is van 1972 tot 1987 beperkt geweest. In de nieuwe
grondwet is persvrijheid echter nadrukkelijk vastgelegd. Er verschijnen
drieëntwintig landelijke dagbladen, waarvan Hanguk ilbo, Chosôn ilbo en
Tong-a ilbo de grootste zijn. Er zijn ruim twintig radiostations. Van de
drie televisiestations is er één in handen van de staat, de andere zijn
in particuliere handen.
Het bankwezen wordt gedomineerd door de Bank of Korea en telt naast 12
grote interregionale banken en 11 gespecialiseerde banken liefst 44
buitenlandse bankfilialen.
De buitenlandse handel is tussen 1979 en 1997 sterk toegenomen. De
enorme stijging van de export van $ 15, 5 miljard in 1979 tot $ 125
miljard in 1995 heeft echter niet voor een positieve handelsbalans
kunnen zorgen. De belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten
en Japan, zowel voor im- als export.
De spoorwegen (lengte van het net ca. 6460 km) worden door de staat
geëxploiteerd. Het wegennet is bijna 52.264 km lang; vierbaans autowegen
verbinden Seoel met Poesan en met Inchon. Met 16.000 km kust telt
Zuid-Korea 1870 havens; Poesan, Inchon, Ulsan, Mokpo en Pohang zijn de
belangrijkste havensteden. De privé-onderneming Korean Air Lines
onderhoudt luchtverbindingen met verschillende landen in Azië (incl.
Midden-Oosten), de Verenigde Staten en Europa. Het toerisme (vnl. uit de
Verenigde Staten en Japan) neemt gestadig toe (in 1993 bezochten 3,33
miljoen mensen Zuid-Korea).
4. Geschiedenis
Het regime van Syngman Rhee kwam voor het eerst tot stand in 1948 door
middel van vrije verkiezingen. Toch kon mede door de harde wijze waarop
het tegen de oppositie optrad niet gesproken worden van een democratisch
bewind. Toen Rhee, vertegenwoordiger van de Liberale Partij, in maart
1960 voor de vierde maal de presidentsverkiezingen had gewonnen, braken,
uit ontevredenheid over de duidelijke knoeierijen met de
stembusresultaten, de maand daarop overal in het land onlusten uit, die
ten slotte tot gevolg hadden dat Rhee aftrad. Op 29 juli 1960 vonden de
eerste werkelijk vrije verkiezingen plaats, waarbij de (toenmalige)
Democratische Partij als winnaar te voorschijn trad. Op 12 aug. 1960
werd Jun Posun tot president gekozen, vijf dagen later werd Mien Chang (John
M. Chang) premier.
Gezien de inefficiëntie van het Chang-regime, de voortdurende onrust in
het land en de ten hemel schreiende economische toestanden, werd in
april 1961 een nieuwe revolutie verwacht. In plaats daarvan werd op 16
mei 1961 een militaire staatsgreep uitgevoerd. De man achter deze
staatsgreep was generaal-majoor Park Chung Hee (Pak Chôngùi), die op 3
juli 1961 premier werd. In 1963 en 1967 werd Park tot president gekozen.
Gedurende de zomer en in de vroege herfst van 1969 werden felle
betogingen, vooral van de zijde van de studenten, gehouden tegen zijn
voornemen een grondwetswijziging aan te brengen die het hem mogelijk zou
maken in 1971 voor de derde maal president te worden.
Op 17 okt. 1969 sprak het volk zich bij een referendum met tweederde
meerderheid vóór deze wijziging uit. In 1971 werd Park na grootscheepse
fraude met 51% van de stemmen herkozen als president. Zijn tegenstander
Kim Dae Jung kreeg 45%. In 1972 werd de Yushin-grondwet bij referendum
aanvaard. De president kreeg nu nog grotere macht ten koste van het
parlement. Toch bleef het verzet tegen het bewind van Park sterk, zowel
in Zuid-Korea als onder de Zuid-Koreaanse ballingen in Japan. In 1973
werd Kim Dae Jung door de Zuid-Koreaanse geheime dienst uit Tokio, waar
hij als balling verbleef, ontvoerd. Hierdoor verslechterden de
diplomatieke betrekkingen tussen Zuid-Korea en Japan.
Ondanks de onderdrukkende maatregelen kwam de oppositionele Nieuwe
Democratische Partij in de tweede helft van 1975 weer tot leven. In 1978
werd Park voor een termijn van zes jaar herkozen tot president. In de
loop van 1979 werd de Nieuwe Democratische Partij, die bij verkiezingen
eind 1978 de partij van president Park had verslagen, steeds actiever.
Het verzet tegen de Yushin-grondwet nam toe. Temidden van de feller
wordende confrontaties tussen oppositie en regering werd op 26 okt. 1979
president Park door leden van de Koreaanse geheime dienst vermoord. Kort
nadat waarnemend president Ch'oi Kyuha op 6 dec. 1979 door de Nationale
Conferentie voor Hereniging tot president was gekozen, zette een aantal
jonge officieren de oudere legertop aan de kant om de politiek van de
overleden president Park voort te zetten.
Na de vele demonstraties tegen de grondwet en de onderdrukking, die
uitmondden in een volksopstand in de stad Kwangju, wist de legertop
onder leiding van Chun Doo Hwan (Chôn Tuhwan), hoofd van de militaire
veiligheidsdienst, in mei 1980 de macht te grijpen. In de zomer van 1980
werden meer dan 18!000 mensen gevangen genomen en ruim 9000 mensen uit
overheidsfuncties ontslagen. In aug. 1980 werd Chun Doo Hwan door het
parlement tot president gekozen. In okt. 1980 werd per referendum een
nieuwe grondwet aangenomen.
Oppositieleider Kim Dae Jung werd in okt. 1980 ter dood veroordeeld,
maar kreeg in 1981, na veel internationale protesten, eerst levenslang,
later huisarrest en werd ten slotte in 1985 vrijgelaten. In 1981 werd de
organisatie van de Olympische Spelen 1988 toegewezen aan de
Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoel, een gebeurtenis die verstrekkende
gevolgen had voor de economie en de internationale betrekkingen (vooral
met het toenmalige Oostblok) sterk verbeterde.
De verkiezingen van 1985 vormden het begin van een nieuwe roerige tijd
in Zuid-Korea. Anti-regeringsdemonstraties van studenten volgden elkaar
steeds sneller op. In 1986 begon de oppositie aan te dringen op een
herziening van de grondwet en op directe presidentsverkiezingen. Op 31
aug. 1987 bereikten Roh Tae Woo en de oppositie overeenstemming over de
nieuwe grondwet die uiteindelijk op 12 okt. door de Nationale
Vergadering (het parlement) werd goedgekeurd. Directe
presidentsverkiezingen vonden plaats in december.
Roh
Tae Woo won de verkiezingen. Bij zijn inauguratie in februari 1988
beloofde hij een verdere democratisering van Zuid-Korea. Om de
Olympische Spelen tot een succes te maken werkte de oppositie samen met
de regering. Het sportevenement werd streng beveiligd om eventuele
Noord-Koreaanse terreurdaden te voorkomen en verliep vlekkeloos. Eind
1988 kwam de vroegere president Chun Doo Hwan in opspraak wegens fraude.
De oppositie eiste een diepgaand onderzoek, maar Roh weigerde. Wel
verving hij de voltallige partijtop en ontdeed hij zich van ministers
die onder Chun hadden gediend.
De studentenonlusten bleven echter ook de volgende jaren aanhouden; ook
nam de arbeidsonrust niet af, vnl. door de niet-aflatende stroom
berichten van corruptieschandalen binnen de regering en de
regeringspartijen. Op 18 dec. 1992 werd Kim Young Sam tot president
gekozen. Hij is de eerste gekozen president van Zuid-Korea sinds
decennia zonder militaire achtergrond. Kim Dae Jung - zie foto is
sinds december 1997 de nieuwe en huidige president.
Telefoongids Zuid-Korea
Postcodes
Zuid-Korea
|