header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Zweden

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

 

Zweden (officieel: Konungariket Sverige), koninkrijk in Noord-Europa, het grootste, oostelijk deel van het Scandinavisch schiereiland omvattend, 449.964 km2 (waarvan 39.035 km2 water), met 8.735.000 inw. (19 inw. per km2); hoofdstad: Stockholm (674.500 inw.). De eilanden Gotland (3140 km2) en Öland (1344 km2) in de Oostzee behoren tot Zweden. Munteenheid is de Zweedse kroon, onderverdeeld in 100 öre. Nationale feestdagen zijn 6 juni ( 'vlaggendag') en 30 april, de dag waarop koning Karel XVI Gustaaf jarig is.

Click to see big pictureClick to see big pictureClick to see big pictureClick to see big pictureClick to see big picture

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De hoogste delen van Zweden liggen in het noordwesten, met de Kebnekajse, 2123 m, Sarektjåkko, 2090 m, Pårtekajse, 2102 m, Akavare, 2013 m, en Sulitjelma, 1914 m. Deze toppen maken deel uit van een tijdens de Caledonische plooiingsperiode gevormde gebergteketen (zie ook Scandinavië). Glint heet de steilrand waarmee dit gebergte overgaat in het Baltisch schild. Tijdens de alpine plooiingsperiode in het Tertiair is het Baltisch schild aan de randen in Noorwegen en Finland opgeheven, terwijl het centrale deel wegzakte; hierdoor ontstonden de Botnische Golf en de Oostzee. Het huidige Zweedse gebied bleef met uitzondering van het uiterste zuiden een landformatie vanaf het Siluur; daardoor vond er slechts erosie en schiervlaktevorming plaats. Dit verklaart het ontbreken van vrijwel alle lagen tussen Siluur en Kwartair in het land. Steenkool komt niet voor, maar door oude intrusies is een groot aantal ertsen rijk vertegenwoordigd. Het Baltisch schild zelf daalt trapsgewijs af naar de Botnische Golf. Grote delen zijn zeer vlak en daardoor moerassig. Alleen in Zuid-Zweden en op de eilanden Gotland en Öland komen jongere lagen voor, vooral uit het Krijt. Gotland, 80 m hoog, en Öland, 50 m hoog, zijn kalkplateaus waarop karstverschijnselen voorkomen. Het zijn restanten van een schollenland waartoe ook Zuid-Zweden behoort. Hier vindt men afwisselend laagvlakten en plateaus die, zoals in Tomtebacken (378 m) en Taberg (343 m), een hoogte van ruim 300 m bereiken. Midden-Zweden is een lager gelegen schol, waarin enkele heuvels, zoals Kinnekulen (297 m), Billingen (300 m) en Halleberg (150 m) oprijzen.
Zweden wordt in drie grote landschappen verdeeld: Norrland in het noorden, Svealand in het midden en Götaland in het zuiden. Deze indeling is tektonisch bepaald, maar de uiteindelijke vormgeving van dat landschap kwam tot stand door de kwartaire ijstijden. De landijsbedekking had een dikte van 2000 tot 4000 m en afgezien van enkele nunatakker (boven het gletsjerijs uitstekende toppen) was het gehele land door ijs bedekt. De belangrijkste invloeden op het landschap van deze ijstijden werden uitgeoefend door: a. het landijs, b. de schommelingen van het zeeniveau, c. de isostatische bewegingen.
a. Door het schuivende ijs werd de bodem gepolijst, het land werd afgevlakt, enkele hardere knobbels werden afgeslepen tot zgn. bultrotsen. De preglaciale rivierdalen werden U-vormig verbreed en uitgediept. Daarnaast vond afzetting van morenemateriaal plaats. Onder het ijs werden ovaalvormige grondmoreneheuvels, drumlins, gevormd, maar ook kilometers lange en soms 100 m hoge, uit zand en grind bestaande heuvelruggen, de åsar of osar (enkelvoud ås, oos of esk). Deze laatste zijn vooral bekend in Småland. De afsmelting van het landijs binnen het Zweedse grondgebied verliep zodanig dat het ijsfront omstreeks 10500 v.C. in west-oost richting over Skane en Blekinge liep en zich omstreeks 8000 v.C. bevond bij Mariestad en Stockholm. Alleen in Noord-Zweden zijn nog ca. 100 grote gletsjers over. In het postglaciaal is het landschap slechts weinig veranderd door de geringe vormende krachten en de relatief korte tijdsduur.
b. Door de vorming van het ijs daalde het zeeniveau, door de afsmelting steeg dat niveau weer snel. Het lage deel van Midden-Zweden werd overstroomd en er ontstond een verbinding tussen het Skagerrak en de Botnische Golf. De overblijfselen van deze Svea-älvvallen bij Degerfors getuigen hiervan. Deze waterval moet in de tijd van de afsmelting een capaciteit hebben gehad van ruim tweemaal die van de Niagara; ondanks het feit dat dit gebied thans volledig droog staat en de hele streek sterk bebost is, is het nog een indrukwekkend natuurverschijnsel.
c. Na het wegvallen van de grote druk van het landijs volgde door isostasie een langzame opheffing van het land. Hierdoor werden oude kustlijnen sterk opgeheven. Bij Haparanda is een oude kustlijn thans te vinden op 225 m, bij Gävle op 200 m en in Skåne op 50 m. Ook nu nog vindt er opheffing plaats, welke in het noorden 100 cm per eeuw bedraagt en bij Stockholm 45 cm, terwijl aan de zuidkust geen opheffing meer meetbaar is. De Zweedse kust bestaat daardoor uit duizenden kleine eilandjes en rotspunten, die net boven water uitsteken. Deze zgn. scheren zijn aan de westkust vrijwel geheel kaal, maar langs de oostkust meestal bebost.
1.2 Rivieren en meren
De afwatering draagt nog steeds het stempel van de ijstijden en bestaat uit een groot aantal parallel lopende rivieren, die vanaf het gebergte rechtstreeks naar de Botnische Golf en de Oostzee stromen. De waterrijke rivieren in het noorden hebben ten gevolge van het smelten van de sneeuw de hoogste waterstanden in de voorzomer; ten zuiden van 59° N.Br. zijn de rivieren minder waterrijk en bereiken ze de hoogste waterstanden in het vroege voorjaar.
De belangrijkste rivieren zijn: Torne Älv, Kalix Älv, Lule Älv, Pite Älv, Skellefte Älv, Ume Älv, Ångerman Älv, Indals Älv, Ljusnan en de 520 km lange Dal Älv. De langste rivier ligt in het zuidwesten, de Klar Älv, 720 km, die uitmondt in het Vänermeer, dat via de 82 km lange Göta Älv afwatert. Veel rivieren zijn rijk aan watervallen. De grootste is de 34 m hoge en 60 m brede Tannforsen in Jämtland. De beroemde Trollhätta Val in de Göta Älv is geheel verdwenen in de hier gebouwde elektrische centrale. Door de uitschurende werking van het gletsjerijs zijn in vrijwel alle dalen langwerpige meren gevormd. Zweden telt in totaal 96!000 meren, die 8% van de oppervlakte innemen. Grote meren zijn Torneträsk, Store Lulevatten, Uddjaur, Storsjön en Siljan. De grootste meren: Vänermeer - met 5546 km2 na de Russische meren Ladoga en Onega het grootste van Europa -, Vättermeer (1912 km2), Mälarmeer (1140 km2) en Hjälmarmeer (480 km2), zijn echter primair tektonisch (door bodembeweging) ontstaan.
1.3 Klimaat
Zweden behoort tot het Noord-Atlantische klimaatgebied; in verschillende opzichten wijkt het klimaat echter af van dat van Noorwegen. De regenval is minder groot, daar het land in de regenschaduw van de Noorse bergen ligt. Ook zijn de winters er kouder en de zomers warmer dan in Noorwegen. Desondanks bereiken de door de Golfstroom verwarmde winden vrijwel het gehele land en vooral het zuiden, dat een uitgesproken zeeklimaat heeft. De gemiddelde jaartemperatuur varieert met de geografische breedte. In Lapland duurt de zomer slechts twee maanden, zij het dat de zon dan niet ondergaat. Het rijkst aan neerslag is het gebergte langs de Noorse grens (ca. 1000 mm per jaar). Het sneeuwdek blijft in Lapland ca. 200 dagen liggen, in Stockholm ca. 100 dagen.
1.4 Plantengroei
Het betrekkelijk lage en vlakke zuiden (Skåne, Blekinge en aangrenzende streken) behoort tot het gebied van de Europese loofbossen en is goeddeels in cultuur gebracht. De Oostzee-eilanden Öland en Gotland hebben, als gevolg van het droge klimaat en de harde kalkbodem, een steppevegetatie. De flora van Midden- en Noord-Zweden vertoont zeer grote overeenkomst met die van Noorwegen op gelijke breedten en bestaat voor een belangrijk deel uit naaldbossen; de boomgrens daalt van 900 à 1000 m boven zeeniveau in Dalarna tot ca. 500 m boven zeeniveau aan de grens tussen Zweeds en Noors Lapland.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is Scandinavisch van karakter, dwz. behoort tot die van het noordelijke deel (gematigd-subarctisch-arctisch) van de Palaearctische Regio. Talloze diersoorten van Midden-Europa bereiken in Zweden hun noordgrens: ree, edelhert, das, bunzing, blauwe reiger, patrijs, ijsvogel, kerkuil, drie soorten slangen (waaronder de adder), drie soorten hagedissen, enz. Andere soorten zijn bewoners van de subarctisch/arctische toendra en bereiken dus in Zweden hun zuidgrens: rendier, poolvos, berglemming, sneeuwuil e.a. Over het algemeen kan men stellen dat de fauna in noordelijke richting sterk verarmt; de dierenwereld van Zuid-Zweden sluit nog aan bij die van Midden-Europa, die van Noord-Zweden heeft al een polair karakter. Omdat Zweden een groot en dun bevolkt land is, heeft het milieu naar verhouding weinig schade geleden; bovendien is de jacht uitstekend gereguleerd, reden waarom bijv. de populaties van de eland zozeer zijn toegenomen, dat jaarlijks een enorm afschot nodig is om te grote schade aan de bossen te voorkomen. Grote roofdieren als bruine beer, wolf, lynx en veelvraat zijn echter zeer in het gedrang geraakt; van de meeste van deze soorten bestaan nog slechts restpopulaties. Zweden is zeer belangrijk als broedgebied van talrijke vogelsoorten van het noorden; hiervan is de Europese kraanvogel ongetwijfeld de meest opvallende - deze soort is nog een vrij algemene broedvogel. Een groot aantal nationale parken en reservaten is verspreid over het land; het bekendste is het in Lapland gelegen Abisko Nationale Park, waar o.a. wolf en veelvraat nog sporadisch voorkomen.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Antropologisch behoort het grootste deel van de Zweedse bevolking tot de meest karakteristieke vertegenwoordigers van het Noordse ras, met als kenmerken: lange slanke gestalte, smalle schedel, blond haar en blauwe ogen. Vermenging met andere subrassen is in Zweden verhoudingsgewijs zeer weinig opgetreden. De enige autochtone minderheid van betekenis wordt gevormd door de ca. 15!000 Lappen (Samen) in het noorden, die zowel naar lichaamskenmerken als naar taal en cultuur van de overige Zweden verschillen. Het aantal buitenlanders is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog sterk toegenomen en bedroeg in 1994 ruim 576.000. Bijna een derde hiervan bestaat uit Finnen. In totaal is een achtste van de achteneenhalf miljoen Zweden immigranten of kinderen van naoorlogse immigranten.
Zweden is een van de dunst bevolkte landen van Europa, maar er bestaan aanzienlijke regionale verschillen in bevolkingsdichtheid. De gemiddelde bevolkingsdichtheid per km2 is 19, maar in het uiterste noorden van het land is de dichtheid 3 inw. per km2 en in de agglomeratie Stockholm 251 inw. per km2. In de stedelijke gebieden van Stockholm, Göteborg en Malmö woont ruim een derde van de totale bevolking. Ca. 83% van de bevolking woont in een verstedelijkt gebied. Vanaf het midden van de 19de eeuw hebben zich een paar belangrijke verschuivingen in de bevolkingsspreiding voorgedaan. Tussen 1850 en 1900 nam de bevolking van Norrland (de vijf noordelijkste districten) met 116% toe door de grootscheeps opgezette exploitatie van de bossen en de ijzerwinning. Sedert de Tweede Wereldoorlog is een omgekeerde beweging op gang gekomen als gevolg van de teruglopende werkgelegenheid in dit gebied.
Zweden kent al lange tijd een laag geboortecijfer. In 1980 werd een naoorlogs dieptepunt van 10, 1‰ gehaald. In 1990 was het inmiddels weer gestegen tot 14,4‰. De bevolkingsgroei tussen 1985 en 1994 bedroeg gemiddeld 0,5% per jaar. De gemiddelde levensverwachting voor vrouwen is 80 jaar en voor mannen 74 jaar.
2.2 Taal
De officiële taal is het Zweeds (zie Zweedse taal). De Lappen hebben een eigen, aan het Fins verwante taal, maar de meesten van hen spreken ook Zweeds.
2.3 Religie
Rond het jaar 1000 werd het Zweedse volk gekerstend. De kerk vestigde een aartsbisdom in Uppsala en zes bisdommen elders (1164). De Rijksdag te Västerås verbrak in 1527 de contacten met Rome; het episcopaat ging over naar het lutheranisme, maar hield vast aan de apostolische successie; liturgie, ambtskleding en kerkorde bleven vrijwel ongewijzigd. De Rijksdag te Uppsala (1593) gaf aan de staatskerk in cultus en leer het karakter van een lutherse kerk. Tot 1781 was het katholicisme strikt verboden; van 1783 af benoemde de paus er apostolische vicarissen, totdat in 1953 het apostolisch vicariaat Zweden werd omgezet in het bisdom Stockholm. De lutherse predikanten zijn tevens ambtenaar van de burgerlijke stand; zij sluiten huwelijken, registreren geboorten en sterfgevallen. De Kerk van Zweden (Svenska Kyrka) heeft met de Kerk van Engeland beperkte intercommunie (1920). Sedert 1958 wordt in de Zweedse kerk de vrouw tot het ambt toegelaten. De kerk omvat het aartsbisdom Uppsala en twaalf bisdommen, met in totaal 2565 parochies. De bisschoppen worden door de regering benoemd.
De Zweden zijn (volgens de officiële gegevens) voor ca. 89% luthers (daarvan is ca. 30% niet-praktiserend), voor 2% rooms-katholiek, 1% is lid van een of andere Pinkstergroepering en 3% is vrijkerkelijk. Dubbel lidmaatschap, van de Kerk van Zweden en van een van de kleine kerkgenootschappen, komt niet zelden voor. Hoewel het wekelijkse kerkbezoek laag is, werd in 1980 ruim driekwart van alle kinderen nog gedoopt; 94% van alle begrafenissen was kerkelijk. In 1993 woonden in Zweden ca. 16.000 joden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Zweden is een constitutionele monarchie. De grondwet van 1809, laatstelijk gewijzigd in 1975, bepaalt dat het kabinet en het parlement (Riksdagen) de verantwoording dragen voor 's lands bestuur. De premier wordt door het parlement benoemd. De koning bezit geen enkele politieke bevoegdheid en heeft slechts een symbolische, representatieve functie. De wetgevende macht berust bij de Rijksdag. De ministeries zijn over het algemeen klein en bestaan uit niet meer dan 100 man elk; zij houden zich slechts bezig met het opstellen van de algemene beleidslijnen. Het eigenlijke uitvoerende en besturende werk wordt gedaan door de zgn. administratieve organen (ämbetsverk), met een voor zes jaar benoemde directeur-generaal aan het hoofd, die bijgestaan wordt door een raad van bestuur waarin vertegenwoordigers van allerlei maatschappelijke groeperingen zitting hebben. Deze organen, bijv. de Raad voor Gezondheid en Welzijn of de Nationale Sociale Verzekeringsraad, nemen een zelfstandige positie in ten opzichte van de ministeries en de leden van het kabinet en kunnen ook zelf (wets)voorstellen bij het kabinet indienen. De Rijksdag bestaat uit één kamer met 349 leden, die om de vier jaar worden gekozen. Er is algemeen kiesrecht voor Zweedse staatsburgers van 18 jaar en ouder. Er is een kiesdrempel van 4% voor aan de verkiezingen deelnemende partijen. Sinds 1976 hebben immigranten kiesrecht voor gemeenteraden en provinciale staten als ze drie jaar in het bevolkingsregister ingeschreven hebben gestaan.
De openbaarheid van alle officiële stukken alsmede de instelling van de verschillende ombudsmannen (er zijn vijf verschillende soorten ombudsmannen) beschermen de burger tegen willekeur van alle overheidsorganen. Sinds 1922 kent Zweden het consultatieve referendum voor belangrijke kwesties van algemene aard.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in 24 districten (län), met aan het hoofd een gouverneur (landshövding), die door het Kabinet wordt benoemd en die voorzitter is van het districtsbestuur. Het land is voorts ingedeeld in grotere en kleinere gemeenten, in totaal ca. 286.
3.3 Rechtswezen
Het Zweedse rechtswezen wordt gekarakteriseerd door de sterke invloed van het Oud-Germaanse recht, terwijl het Romeinse recht minder invloed heeft gehad dan in andere Europese landen. Tevens heeft in Zweden nooit een grootscheepse codificatie plaatsgevonden naar het voorbeeld van de Code Civil. Naar systematiek en inhoud is het rechtswezen te plaatsen tussen de continentale en Anglo-Amerikaanse systemen in. In de rechtspraak worden drie niveaus onderscheiden. Het laagste rechtscollege is het zgn. tingsrätt, met algehele rechtsbevoegdheid. Het aantal rechters is afhankelijk van de grootte van het rechtsgebied. In ernstige strafzaken worden de beroepsrechters bijgestaan door lekerechters, die voor een termijn van zes jaar door de gemeenteraad van het rechtsgebied worden gekozen. Alleen op eenstemmig voorstel van de lekerechters kan de uitspraak van de rechter worden verworpen. Slechts bij 5% van de gevallen die in het tingsrätt worden behandeld, wordt beroep aangetekend bij een van de zes gerechtshoven (hovrätter), die alleen juridisch geschoolde rechters kennen. In bepaalde gevallen en op bepaalde voorwaarden kan men bij de hoogste rechtsinstantie, Högsta Domstolen, in beroep gaan.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Zweden is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, van de Noordse Raad, de Raad van Europa, de Europese Vrijhandels Associatie (EVA), OESO en GATT. Daarnaast is Zweden lid van de EU.
3.5 Defensie
Men onderscheidt naast de militaire defensie ook een burgerlijke, een economische en een psychologische. Naast landmacht, luchtmacht en marine kent Zweden verschillende vrijwillige verdedigingsorganisaties, o.a. hemvärnet en het Lotta-corps voor vrouwen. De Zweedse mannen tussen 18 en 47 jaar zijn dienstplichtig. De basisopleiding heeft een duur van zeven tot vijftien maanden. Het leger telt (1995) 64!000 mannen en vrouwen.
3.6 Sociale voorzieningen en gezondheidszorg
Zweden kent een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen van overheidswege. Er is een sociaal verzekeringsstelsel dat vrijwel alle risico's dekt. Daarnaast heeft de overheid voorzieningen geschapen voor de kinderopvang, zorg voor ouden van dagen in de meest uitgebreide zin, lichamelijk en geestelijk gehandicapten, rechtskundige bijstand, vrijetijdsbesteding voor jongeren, enz. Het particulier initiatief speelt hierbij een kleinere rol dan in andere westerse landen. Sedert 1955 is er een nationale ziektekostenverzekering. Vanaf 66 jaar (in speciale gevallen eerder) geniet men volkspensioen, dat voor loon- en salaristrekkenden aangevuld kan worden met een algemeen aanvullend pensioen. De werkloosheidsverzekering is de enige sociale verzekering op vrijwillige basis. Ongeveer 70% van de werknemers heeft deze verzekering afgesloten. De recessie noodzaakte Zweden tot enkele ingrepen in dit kostbare systeem.
De gezondheidszorg staat op een hoog peil en is grotendeels in handen van de staat, die deze taak gedelegeerd heeft aan de provinciale en gemeentelijke autoriteiten. Hoewel vrijwel alle ziektekosten gedekt worden door de nationale ziektekostenverzekering, is er een eigen risico voor het bezoek aan de huisarts. De kosten van de gezondheidszorg bedragen 9% van het bnp.
3.7 Politieke partijen en vakbonden
De politieke partijen worden in twee groepen ingedeeld: zij die behoren tot het burgerlijke blok en zij die behoren tot het socialistische blok. Tot de eerste groepering behoren Moderata Samlingspartiet, de conservatieve partij, ontstaan in de 19de eeuw, die vnl. kiezers uit de hogere inkomensgroeperingen trekt en die tegenstander is van grote invloed van de overheid in het economische en sociale leven en het particulier ondernemerschap wil bevorderen. De tweede belangrijke burgerlijke partij is Centerpartiet, de Centrumpartij, ontstaan in het begin van de eeuw als belangenbehartiger en woordvoerder van de boeren, een beroepsgroep die voor het merendeel nog steeds deze partij steunt. Vanaf de jaren zestig ontwikkelde de partij zich meer en meer tot een milieubeschermingspartij. De derde burgerlijke partij is Folkpartiet, de liberale partij, die vooral in het begin van de eeuw lange tijd een leidende rol in het politieke leven speelde. Grootste partij ter linker zijde is de Socialdemokratiska Arbetarepartiet (SAP), de sociaal-democratische arbeiderspartij, opgericht in 1889, die een hervormingsgezind, democratisch socialisme voorstaat. De SAP was tussen 1932 en 1976 bijna onafgebroken aan de macht.
In 1898 sloot een aantal vakbonden zich aaneen in de Landsorganisatie (LO). Ruim 2, 2 miljoen werknemers zijn lid van deze vakcentrale. Ca. 1,3 miljoen employés uit de openbare en de particuliere sector zijn aangesloten bij de Centrale voor ambtenaren en administratief personeel (TCO). De hogere ambtenaren, de beoefenaars van vrije beroepen en academisch geschoolden hebben zich georganiseerd in SACO/SR. De belangen van werkgeverszijde worden behartigd door de Zweedse Werkgeversvereniging (SAF), opgericht in 1902. Ook de overheid beschikt over een centraal overlegorgaan (SFO), evenals de coöperatieve beweging.
3.8 Onderwijs
Sinds 1842 kent Zweden leerplicht, die thans geldt van 7 tot 16 jaar. Alle vormen van openbaar onderwijs, ook het hoger onderwijs, zijn kosteloos. In 1962 werd de negenjarige basisschool definitief ingevoerd. Zweden heeft zes universiteiten; daarnaast drie met beperkte opleidingsmogelijkheden. De oudste universiteit is die van Uppsala (1477). Zweden kent vele vormen van volwassenenonderwijs. De oudste is de volkshogeschool (sinds 1865). Daarnaast zijn er de op vrijwillige basis georganiseerde avond- en dagcursussen, de om- en bijscholingscursussen voor werklozen, het schriftelijke onderwijs en voor wat de universiteiten betreft het zgn. afstandsonderwijs in de dunbevolkte gebieden.
3.9 Pers en omroep
Persvrijheid bestaat sinds 1766. De landelijke dagbladen zijn over het algemeen politiek gekleurd. Aftonbladet is het eigendom van LO. Overige grote dagbladen: Svenska Dagbladet (conservatief), Dagens Nyheter (onafh.), Göteborgs Posten en Göteborgstidningen (beide liberaal) en Sydsvenska Dagbladet (liberaal). De grootste krant, Expressen, is eveneens liberaal. Noodlijdende kranten kunnen overheidssteun krijgen. Wekelijkse opiniebladen kent men in Zweden nauwelijks. Er is wel een groot aantal geïllustreerde week- en maandbladen op de markt. Radio en televisie worden gefinancierd uit omroepbijdragen. De radio zendt drie programma's uit, de televisie kent twee programma's. Daarnaast zijn er nog regionale programma's. Sveriges Radio, de maatschappij die de radio- en televisieuitzendingen verzorgt, is een semi-overheidsinstelling.

4. Economie
4.1 Algemeen
Zweden heeft een vrijemarkteconomie waarin het particuliere bedrijfsleven de grootste rol speelt. De staat neemt door middel van enkele staatsbedrijven en participatie in het kapitaal van een aantal particuliere ondernemingen aan het economisch leven deel. Met name na de Tweede Wereldoorlog, waaruit Zweden door zijn neutraliteit met een ongeschonden productieapparaat te voorschijn kwam, heeft de economie een snelle groei doorgemaakt, wat gepaard ging met een ingrijpende verandering van de sociale structuur. Zo moesten bijv. om aan de grote vraag naar arbeidskrachten te voldoen op grote schaal buitenlanders worden aangetrokken.
De economische crisis trof in de jaren tachtig ook Zweden. Het leidde tot een stijgende inflatie, een groeiend begrotingstekort, devaluaties van de Kroon (in totaal met 26%) en een groeiende arbeidsonrust ondanks een laag werkloosheidscijfer (gem. tussen de 1 en 3%), maar mede veroorzaakt door hoge loonsverhogingseisen. Een ander probleem was de voortdurende groei van de overheidsuitgaven, vooral voor sociale voorzieningen. In 1991 lanceerde een burgerlijke minderheidsregering onder leiding van Carl Bildt een rigoreus bezuinigingsbeleid dat o.a. voorzag in belastingverlagingen, inkrimping van overheidsuitgaven en privatisering van de door staatsbedrijven gedomineerde Zweedse economie. Om aan de EMU-eisen te voldoen, zal Zweden zijn begrotingstekort en overheidsschuld drastisch moeten inkrimpen.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De klimatologische omstandigheden voor de landbouw verschillen tussen het noorden en zuiden aanzienlijk. In het noorden duurt de winter zes maanden of meer. De westelijke en zuidelijke delen van het land profiteren van de nabijheid van de zee en de warme Golfstroom. In de 19de eeuw was driekwart van de beroepsbevolking nog in de landbouw werkzaam; in 1993 nog maar 3, 1% (visserij en bosbouw meegerekend). Tevens is het aantal agrarische bedrijven gedaald, waar weer tegenover stond dat de bedrijven over het algemeen veel groter geworden zijn. De Zweedse boerenbedrijven zijn voornamelijk familiebedrijven en het land is eigendom van degenen die het bewerken. Het coöperatiewezen, zowel voor inkoop, afzet, als kredietverschaffing, is sterk ontwikkeld. Driekwart van de agrarische productie wordt via coöperatieve organisaties verder verwerkt of afgezet. De federatie van Zweedse boeren (Lantbrukarnas Riksförbund, LRF) is de overkoepelende organisatie van alle coöperatieve instellingen en de onderhandelingspartner namens de boeren met de overheid. Slechts 7,5% van het land is economisch van nut, toch slaagt men erin om daarmee 80% van de binnenlandse behoefte te dekken.
In het zuiden wordt een grote verscheidenheid aan gewassen verbouwd, zoals allerlei soorten granen, waarvan een aanzienlijk deel bestemd is voor veevoer, suikerbieten en bonen. In Midden-Zweden wordt vnl. graan verbouwd en meer naar het noorden worden voedergewassen geteeld. De veehouderij richt zich vnl. op het houden van rundvee, voor de slacht en de zuivelproductie; daarnaast komt varkens-, pluimvee- en schapenhouderij voor.
Ca. 62% van het oppervlak is met bos bedekt; het hout vormt de basis voor de belangrijke hout-, celstof- en papierindustrie. De producten die hieruit voortkomen dragen voor 18% bij aan de Zweedse export. Bijna de helft van het voor exploitatie geschikte bestand bestaat uit sparren. In sommige gebieden, vooral in het noorden, is het de enige economische activiteit. De nationale raad voor de bosbouw bepaalt het overheidsbeleid, ziet toe op de naleving van de relevante wetgeving, bevordert onderzoek en verschaft informatie.
Het belang van de visserij voor de economie is sedert de jaren zestig voortdurend afgenomen. Het merendeel van de vissersbedrijven is klein en legt zich toe op de kustvisserij. Vanaf de westkust wordt ook de zgn. grote visserij op de Atlantische Oceaan bedreven. Op de binnenwateren is het vrijetijdsvissen van belang.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Zweden is rijk aan bodemschatten. Het belangrijkste mijnbouwproduct is ijzererts, dat in het noorden in Lapland gewonnen wordt. Zweden beschikt over ca. 1% van de wereldijzerertsvoorraad. Verder worden nog koper, lood, zink, goud en zilver gedolven. Er bevinden zich belangrijke uraniumvoorraden in Västergötland (Zuid-Zweden), waar zich naar schatting 80% van de totale Europese voorraden bevindt. Er is een kleine kolenvoorraad, die op bescheiden schaal wordt geëxploiteerd. De belangrijkste inheemse bron voor de energievoorziening is de waterkracht, die 44% van de energiebehoefte dekt. Daarnaast is kernenergie een belangrijke energiebron (30%). De rest (26%) van de energie wordt door olie- en kolengestookte centrales geleverd. Er is een uitgebreide discussie met politieke implicaties in de tweede helft van de jaren zeventig en opnieuw na de kernramp van Tsjernobyl in 1986 van de grond gekomen met betrekking tot de uitbreiding van het aantal kerncentrales. Dit heeft uiteindelijk ertoe geleid dat men besloten heeft vanaf het begin van de 21ste eeuw het aandeel van de kernenergie te verminderen en op termijn tot afschaffing daarvan binnen Zweden te komen.
4.4 Industrie
Sedert het begin van de 20ste eeuw is de industrie als economische sector steeds belangrijker geworden. Zij geeft bijna 25% van de arbeidende bevolking werk en draagt voor 35% bij aan het Bruto Nationaal Product (bnp). De metaalverwerkende en elektrotechnische industrie is de belangrijkste sector, daarbij inbegrepen de automobiel- en scheepsbouwindustrie en de vervaardiging van huishoudelijke apparaten (tezamen neemt deze sector ongeveer de helft van de industriële bijdrage aan het bnp voor zijn rekening). De tweede belangrijke industriële sector is de houtverwerkings- en papierindustrie (20% van de industriële bijdrage aan het bnp), gevolgd door de staal- en ijzerindustrie. De petrochemische industrie is van toenemende betekenis. De belangrijkste industriële centra liggen in Midden-Zweden en aan de zuidkust.
4.5 Handel
De Zweedse economie is voor een groot deel afhankelijk van de handel met het buitenland, zowel wat de uitvoer als de invoer betreft. De handelsbalans is sinds 1983 positief. Wat de uitvoer betreft heeft zich na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke verschuiving voorgedaan van de uitvoer van ruwe grondstoffen naar die van technisch hoogwaardige producten. De belangrijkste uitvoerproducten zijn: elektrotechnische apparatuur, transportmiddelen, telecommunicatiemiddelen, papierpulp, hout, papier, textiel, aardewerk en meubelen. De belangrijkste afnemers zijn: Duitsland, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Noorwegen, Finland en Denemarken. Ingevoerd worden: voedingsmiddelen, aardolie, ijzer en staal. De belangrijkste leveranciers zijn: Duitsland, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken en Finland. Belangrijk voor de Zweedse economie waren het lidmaatschap van de EG en het akkoord tussen de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA of [Eng.] EFTA) en de EG om een Europese Economische Ruimte (EER) tussen de aangesloten landen te scheppen (1992).
4.6 Bankwezen
Centrale bank is Sveriges Riksbank (1668). Daarnaast bestaat er een groot aantal handels-, spaar- en kredietbanken. Het grootste bankconcern is Skandinaviska Enskilda Banken. Ten slotte bestaan er nog coöperatieve banken met 391 filialen.
4.7 Verkeer
Zweden beschikt met name in het zuiden en midden over een goed onderhouden en uitgebreid wegennet (208!858 km). Het autotransport is het belangrijkste middel voor personen- en goederenvervoer. Ondanks sluiting van onrendabele lijnen heeft Zweden nog steeds een van de grootste spoorwegnetten van Europa (totale lengte 9930 km). De elektrificatie van het net, dat geëxploiteerd wordt door de staatsspoorwegmaatschappij Statens Järnvägar (SJ), wordt voortgezet, vooral om aansluiting te krijgen bij het Europese spoornet. In het binnenland rijdt al de eerste van de drie geplande flitstreinen. Voor de binnenscheepvaart is een uitgebreid net van kanalen aangelegd. In de zeescheepvaart is Zweden een belangrijk land. Göteborg, Hälsingborg, Malmö en Stockholm zijn de belangrijkste zeehavens. Zweden neemt met Denemarken en Noorwegen deel aan het Scandinavian Airlines System (SAS), dat ook het binnenlands luchtverkeer in Zweden, dat steeds meer in belang stijgt, voor zijn rekening neemt. Internationale luchthavens liggen bij Stockholm, Göteborg en Malmö.

5. Toeristische gegevens
Zwedens cultuurcentrum is Stockholm, met in de omgeving kasteel Drottningholm met 18de-eeuws theater. Bezienswaardige steden zijn o.m. Malmö, Linköping, Göteborg, Hälsingborg en Visby, met goed bewaard gebleven stadsmuur met dertien torens. Linköping bezit Zwedens grootste kathedraal, Uppsala een gotische dom met de koninklijke grafkamers, Lund een bekende romaanse kathedraal, Södertälje een kerk uit de 11de eeuw en Visby een 13de-eeuwse kerk en voorts niet minder dan zestien kerkruïnes. In Ludvika, Norra Ny en Kiruna zijn houten kerken, de laatste in de vorm van een Laplandse boerderij. Middeleeuwse kerken vindt men voorts in Eskilstuna, Skövde, Västeräs, Växjö, Ystad, Luleå en Örebro. In Kristianstad bevindt zich een kerk in Hollandse renaissancestijl. Kärlskrona en Kalmar hebben barokkerken. Västeräs en Nyköping hebben middeleeuwse kastelen; kasteel Glimmingehus bij Simrishamn dateert uit de 15de eeuw. Uit de Wasatijd (16de en begin 17de eeuw) dateren de veelal in (Hollandse) renaissancestijl opgetrokken kastelen van Norrköping, Halmstad, Kristianstad, Vadstena en Kalmar, voorts Gripsholm op een eiland in het Mälarmeer en kasteel Svenstorp tussen Kristianstad en Malmö. Mölndal bezit een houten slot, in de huidige vorm daterend uit 1796. Övedskloster in Skåne is een tot rococokasteel verbouwd premonstratenzerklooster. Skokloster bij Sigtuna werd door Tessin de Oude (17de eeuw) verbouwd tot wat thans het grootste particuliere slot in Zweden is, met een bekende wapenverzameling en gobelincollectie. Tot de weinige bewaard gebleven delen van middeleeuwse kloosters behoort de 12de-eeuwse kerk te Varnhem (oorspronkelijk cisterciënzerkerk). Oude houtbouw is voorts nog te vinden in Linköping (stadhuis, 17de eeuw), Skara en Eskilstuna. In de streek Dalarna om het Siljanmeer - Zwedens kunsthandwerkcentrum - zijn vele houten, roodgeschilderde boerderijen. Ook in Hälsingland wordt nog volkskunst beoefend, o.a. spinnen, weven, vlechtwerk, hout- en beensnijwerk. Bekend is de Hälsinge-Hambo, een grote volksdansgroep (maximaal 1000 paren), die in juli in vele plaatsen optreedt. Bij Tanum zijn de meeste prehistorische relicten, o.a. rotstekeningen en kamergraven, te vinden. Jokkmokk is het centrum van de Lappen (zie ook Lapland). Bij het wintersportcentrum Abisko begint de 393 km lange 'Kungsleden' (Koningspad), een wandelroute dwars door Lapland. Bekend is de Abiskojokk-canyon, in het gelijknamige nationale park. In verschillende plaatsen zijn aan de Lappen gewijde musea, o.a. in Jokkmokk, Luleå en Umeå. Stockholm-Skansen, Lund, Sundsvall en Södertälje hebben een openluchtmuseum. In Orrefors is een glasmuseum en in Jönköping een houtmuseum. Behalve in Stockholm zijn er musea betreffende geschiedenis, cultuur en/of natuur in o.a. Gävle, Göteborg, Hälsingborg, Kalmar, Kärlskrona, Kristianstad, Lund, Malmö, Östersund en Uppsala. Een bekend vogelreservaat is dat bij Kalmar, terwijl Borås een fraai aangelegde dierentuin heeft. Ystad (vakwerkhuizen) en Båstad zijn bekende badplaatsen. De Oostzee-eilanden Gotland (hoofdplaats Visby) en Öland (hoofdplaats Borgholm) zijn toeristisch populair wegens hun milde klimaat (subtropische plantengroei).

6. Geschiedenis
6.1 Prehistorie
Aan het begin van het Holoceen (ca. 9000 v.C.) verschenen er voor het eerst mensen in Zuid-Zweden, jagers-verzamelaars, behorende tot de Lyngby- en Maglemose-cultuurgroepen uit Denemarken. kenmerkende artefacten zijn resp. bijlen en ander gereedschap uit vnl. rendiergewei voor de Lyngby-cultuur en de gedetailleerd bewerkte harpoenen en spitsen van rendiergewei of been met aan één zijde weerhaken voor het Maglemose. Tegen het eind van het mesolithicum werd Noord-Zweden zowel vanuit het oosten (Finland) als vanuit het westen (de Noorse kust) gekoloniseerd. In Zuid-Zweden hadden omstreeks die tijd invloeden van de Deense Kongemosecultuur de Maglemose- en Lyngby-groepen verdrongen. Typisch voor de Kongemosetijd is de hoog ontwikkelde klingbewerkingstechniek. Uit dezelfde periode stammen tevens de oudste bewaard gebleven graven in Zweden, bijzettingen van mannen en vrouwen in zittende of hurkende houding, vergezeld van gereedschap dat in verband staat met jacht en visvangst.
Aardewerk werd in een overgangsperiode tussen laat-mesolithicum en vroeg-neolithicum in Zweden geïntroduceerd door mensen van de Ertebölle-cultuur. Omstreeks 4000 v.C. werd deze cultuur verdrongen door de opkomst van de vroegste boerencultuur, de Vrå-cultuur, een onderdeel van de West-Europese trechterbekercultuur. Onder invloed hiervan werden in Zuid- en Oost-Zweden megalithische grafkelders gebouwd. Er zijn ca. 70 van deze ganggraven bewaard gebleven.
Typerend voor het Zweedse midden-neolithicum zijn de zgn. Bootäxte, een late lokale representant van de strijdhamerculturen uit Noordwest- en Centraal-Europa. Bootäxte zijn artistiek vormgegeven en perfect afgewerkte bootvormige stenen bijlen tot 30 cm lang. Deze culturele groep kende het gebruik van koper in de vorm van kleine sieraden.
Tijdens het laat-neolithicum en de vroege bronstijd (ca. 1800 v.C.) werden in Centraal- en Zuid-Zweden op grote schaal reliëfs en schilderingen op rotswanden aangebracht. De afbeeldingen bestaan meestal uit mannen, dieren, schepen, landbouwgereedschap, bijlen en andere wapens. Uit de voorstellingen heeft men magische connotaties willen afleiden.
Het begin van de bronstijd wordt in Zweden gemarkeerd door de import van bronzen voorwerpen, vnl. wapens, uit Centraal-Europa. Al snel ontwikkelde zich een eigen bronsindustrie, gekenmerkt door spiraalvormige versieringsmotieven op wapens, sieraden en later vaatwerk. In de overgang van brons- naar ijzertijd kwam langs de Baltische kust het begraven onder monumentale bootvormige steenzettingen (6 tot 45 m lang) in zwang. Op het eiland Gotland alleen al zijn er ca. 350 aangetroffen. De meeste bevatten slechts een enkele urn met crematieresten.
Uit de vroege ijzertijd (ca. 400 v.C.) zijn in Scandinavië vrij weinig vondsten bekend. In Zuid-Zweden kwam geleidelijk bij de dodenbezorging de inhumatie naast de crematie weer in zwang. Na 300 n.C. verdwijnt de crematie. In de midden- of Romeinse ijzertijd werd luxe vaatwerk van brons en glas geïmporteerd vanuit het Romeinse imperium, vermoedelijk in ruil voor huiden, slaven en barnsteen.
6.2 De middeleeuwen
In de Vikingtijd (800-1050) trokken de bewoners van het zuidelijke deel van het huidige Zweden samen met de Denen en Noren westwaarts. De bewoners van Oost-Zweden trokken langs de grote rivieren in Rusland zuidwaarts tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee. Gotland en de stad Birka (thans Björkö in het Mälarmeer) waren belangrijke internationale handels- en cultuurcentra. In 900 veroverden de Zweedse vikingen het Deense handelscentrum in Sleeswijk, Hedeby. De kerstening van Zweden verliep langzaam. Ansgar bezocht Birka voor het eerst in 829. Pas in 1103 maakt Zweden officieel deel uit van de Rooms-Katholieke Kerk. Erik IX de Heilige stichtte ca. 1150 een nieuwe dynastie (de herhaalde troontwisten schijnen hun oorsprong te hebben in tegenstellingen tussen Gauten en Zweden). Onder zijn regering had de eerste kruistocht naar Finland plaats; de leden van de volgende dynastie, de Folkunger, zetten deze tochten voort. Hun macht belette geruime tijd verzet van adel en clerus. Een van deze Folkunger, Magnus, werd door de rijksgroten in 1364 van de troon vervallen verklaard en een verwant, de Mecklenburger Albert, werd tot koning verkozen. Toen ook hij veel invloed leek te krijgen, riepen zij de Deens-Noorse koningin Margaretha te hulp, die in 1389 bij Falköping de Mecklenburger versloeg en op straffe voorwaarden tot vorstin werd verheven. Bij de Unie van Kalmar (1397) werd haar opvolging geregeld en werden Noorwegen, Zweden en Denemarken ook wettelijk onder één koning gebracht.
Aan het einde van de middeleeuwen verzetten de lagere standen, vooral de boeren (de burgerstand was bij de toenmalige overmacht van de Hanze nog van weinig betekenis), zich tegen de unie en de koning, Erik van Pommeren. De hogere standen, grotendeels unionistisch, volgden soms aarzelend. Een Rijksdag te Arboga in 1435 riep de volksleider Engelbrecht Engelbrechtsson tot rijksbestuurder uit, die in het volgend jaar door de edelman Magnus Natt och Dag werd gedood. Een aantal standgenoten verhief nu Karel Knutsson Bonde tot rijksbestuurder, later tot koning Karel VIII, die gedurende drie korte perioden regeerde. Toen zijn macht te groot dreigde te worden, wendden de adel en de geestelijkheid zich tot Christiaan I van Denemarken. Drang tot verzet onder de massa bleef lang geremd door een verdeelde unionistische aristocratie. Na de dood van Karel VIII (1470) traden achtereenvolgens als rijksbestuurders op Sten Sture en zijn verwanten. De oudere Sten versloeg de Deense koning Christiaan I bij Brunkeberg in 1471, de jongere Sten Sture sneuvelde in 1520 tegen Christiaan II. Deze was nu in Zweden oppermachtig en met hem een meerderheid van adel en clerus. De executie, op 8 nov. 1520 te Stockholm, op bevel van Christiaan II, van een honderdtal geestelijken en edelen en hun dienaren (het zgn. bloedbad van Stockholm) was aanleiding tot een opstand. Deze werd geleid door Gustaaf Wasa, een jong edelman die werd gesteund door de boeren uit Dalecarlië. De Rijksdag te Strängnäs riep hem in 1523 tot koning uit.
6.3 Nieuwe geschiedenis
Met buitengewone geestkracht heeft Gustaaf ondanks veel tegenstand, zelfs onder de boerenbevolking, Zweden gemaakt tot een goed bestuurd en goed verdedigbaar land. Het scheppen van een bekwame bureaucratie en een parate weermacht kostte veel geld en de schuldeisers, de Hanze vooral, drongen aan op afbetaling. De nood werd voor een groot deel beëindigd door een besluit van de Rijksdag te Västerås in 1527, dat het bezit van de kerk seculariseerde en inkomsten en vermogen van de Kroon aanzienlijk vergrootte. Laurentius Petri, de broer van de reformator Olavus Petri, werd in 1531 de eerste lutherse aartsbisschop van Zweden.
Gustaaf Wasa regeerde tot 1560; de expansieneigingen van Zweden ten aanzien van de landen om de Oostzee dreigden toen al te leiden tot een coalitie van Denemarken en Polen. Door het Deense bezit in Schonen was Zweden vrijwel van de open zee afgesloten. Een betrekkelijke stagnatie trad in onder het bewind van Gustaafs zoons Erik XIV (1560-1568) (alleen leidde de bezetting van Reval tot moeilijkheden met Polen) en Johan III (1569-1592). Deze laatste trachtte het katholicisme weer te herstellen. Onder Karel IX (1604-1611) werden de eerste pogingen gedaan de Oostzeelanden te veroveren, maar deze mislukten. Onder het bestuur van diens zoon, Gustaaf II Adolf, nam de grote machtsuitbreiding van Zweden een aanvang (zie ook Noordse Oorlogen). Hij veroverde het land tussen Riga en de Finse Golf en viel met goed gevolg de Duitse landen binnen (zie ook Dertigjarige Oorlog). Bij de Vrede van Westfalen in 1648 verwierf Zweden de bisdommen Bremen en Verden en Voor-Pommeren, bij de vrede in 1658, met Denemarken, behalve de vier kustlandschappen ook Trondheim en Bornholm (welke laatste twee echter in 1660 weer moesten worden afgestaan). Toen stond Zweden voor korte tijd op het toppunt van zijn macht.
De belangrijkste binnenlandse gebeurtenissen gedurende de 'Grootheidstijd' (1611-1718) waren de totstandkoming van de 'regeringsvorm' van 1634 en de abdicatie van Gustaaf II Adolfs dochter en opvolgster Christina ten behoeve van Karel X Gustaaf uit het Huis Palts-Tweebruggen. Die regeringsvorm was reeds tijdens het leven van Gustaaf II beraamd, maar werd pas na diens dood door Oxenstierna ten uitvoer gelegd: de voornaamste departementen zouden worden beheerd door colleges, welker chefs in de door de koning benoemde Rijksraad zitting hadden. Ook is van grote betekenis geweest de door de Rijksdag op voorstel van Karel XI in 1680 aanvaarde 'reductie': inkomsten en vermogen van de Kroon, omvangrijk sinds de secularisaties, waren én door de oorlogskosten én door de spilzucht van koningin Christina verminderd en in het bezit gekomen vooral van de adel. Een commissie had tot taak gehad de edelen te dwingen, na desbetreffend onderzoek, de goederen te restitueren die de Kroon van rechtswege toekwamen, een maatregel die vooral in Polen en de overzeese gebiedsdelen verbittering wekte. De grote Noordse Oorlog (1700-1718), ten tijde van Karel XII, maakte een einde aan de positie van Zweden als grote mogendheid. Na zijn dood en de debacles van 1720 en 1721 beperkte de Rijksdag de macht van de koning, vergrootte hij de invloed van het parlement, dat in het vervolg de Rijksraad zou samenstellen. Karels opvolgers waren geen vorsten van formaat. Een poging van Adolf Frederik in samenwerking met zijn ambitieuze echtgenote Louisa Ulrika, Frederik de Grotes zuster, het koninklijk gezag te versterken, mislukte smadelijk. Twee partijen, naar hun meer of mindere revanchezucht de Hoeden en Mutsen genoemd, hadden afwisselend de leiding tijdens deze 'vrijheidsstrijd' (1719-1772).
Omstreeks 1770 scheen het gevaar te dreigen dat Rusland, evenals in Poolse, ook in Zweedse interne aangelegenheden zou kunnen ingrijpen en de zelfstandigheid van het land zou willen aantasten. De nieuwe koning Gustaaf III waagde in overleg met de Franse regering op 12 aug. 1772 een 'coup d'état', versterkte het vorstelijk gezag en tevens de goede betrekkingen met de traditionele bondgenoot. Gedurende zijn verdere bestuur had de koning te kampen met oppositie, vooral onder de adel, die tijdens een kort conflict met Rusland (1788-1790) verraad pleegde en in 1792, onder leiding van Anckarström, een samenzwering smeedde en op het gemaskerd bal in de Stockholmse opera op de vorst een dodelijke aanslag pleegde. Tijdens de coalitieoorlogen bleef Gustaaf IV Engelsgezind; na de Vrede van Tilsit maakten de Engelsen zich meester van de Deense vloot, maar zij stelden geen pogingen in het werk de Zweden bij het afslaan van een te verwachten aanval van Frankrijks geallieerden, Denemarken en Rusland, te steunen. Finland werd in 1808 bezet. Dit had tot gevolg dat, wederom, de adel een samenzwering smeedde tegen de onbekwame Gustaaf IV. Adlersparre rukte naar Stockholm op. Adlercreutz nam de koning gevangen. De Rijksdag verklaarde hem vervallen van de troon en riep zijn oom Karel XIII tot koning uit, stelde tevens een nieuwe 'regeringsvorm' op, die de vorstelijke macht aanzienlijk beperkte ten bate van die van het parlement. Toen de Augustenburgse hertog Christiaan August, als opvolger aangewezen van de kinderloze koning Karel XIII, in 1810 plotseling overleden was, vond men in Parijs een opvolger in de persoon van Jean-Baptiste Bernadotte, maréchal de France, voor wiens in de laatste oorlog gebleken kundigheden óók als administrator men in Zweden grote bewondering koesterde. De nieuwe troonopvolger, tevens regent voor zijn adoptiefvader, koos in 1812 partij voor Rusland en de anti-Franse coalitie. Hem werd toegezegd dat hij bij de komende vrede Noorwegen zou verkrijgen in ruil voor Finland. Dit werd geëffectueerd, toen het Noorse Storting in 1814 de Zweedse koning Karel XIII tot koning van Noorwegen verkoos. Bij het Congres van Wenen verloor Zweden Zweeds Pommeren aan Pruisen. Daarmee waren de in de 17de eeuw veroverde gebieden goeddeels verloren.
6.4 Een nieuw huis
In 1818 kwam het Huis Bernadotte op de Zweedse troon met Karel XIV Johan. Onder de vorsten uit dit Huis had de geschiedenis van Zweden een rustig verloop. Voor conflicten met Rusland was Zwedens macht niet meer toereikend. Tot Denemarken werd de verhouding in de 19de eeuw steeds vriendschappelijker: de oude gevoelens van haat en minachting weken voor begrip en waardering. Tijdens de Krimoorlog bleven Zweden en Noorwegen neutraal; bij verdrag garandeerden de westelijke machten de integriteit van de dubbele monarchie, die zich verbond geen gebied aan Rusland af te staan. En bij de Vrede van Parijs beloofden de Russen geen versterkingen aan te leggen op de Ålands Eilanden. In het binnenland vereisten in het algemeen dezelfde vraagstukken oplossingen als in andere landen, in het bijzonder op politiek terrein de kwestie of de toenmalige samenstelling van de Rijksdag in vier standen gewijzigd zou behoren te worden. De liberale minister De Geer bracht in 1865 een 'Reform' tot stand, krachtens welke het Zweedse parlement zoals elders in den vervolge zou bestaan uit twee Kamers, gekozen deels direct door de kiezers uit het gehele volk, deels indirect door de vertegenwoordigers van de afzonderlijke gewesten.
Onder de regering van Oscar II (1872-1907) radicaliseerden zich de politieke verhoudingen in Zweden. Sedert 1889 begon ook de sociaal-democratie naar voren te komen, die met de radicalen samenwerkte in de strijd voor het algemeen kiesrecht, terwijl de agrariërs zich bij de conservatieven aansloten. Het invoeren van een protectionistisch stelsel in 1887 deed de verhouding tot de Uniegenoot Noorwegen verslechteren. De steeds toenemende spanning leidde eindelijk tot de afscheiding in 1905, die onder invloed van pacifistische stromingen in Zweden een vreedzaam verloop had (zie Noorwegen). Onder Gustaaf V (1907-1950) bracht het conservatieve kabinet-Lindman in 1909 het algemeen kiesrecht voor de Tweede Kamer tot stand. In 1914 ontstond een conflict tussen de koning en het liberale kabinet-Staaff over de landsverdediging, waarbij het ministerie moest wijken als gevolg van een boerenopmars naar Stockholm. In de Eerste Wereldoorlog bleef Zweden neutraal; koning Gustaaf bracht een samenwerking met de andere, eveneens neutrale Scandinavische rijken tot stand. Na de oorlog maakte Zweden aanspraak op de Ålands Eilanden, die echter aan Finland werden toegewezen. Nadat reeds in 1917 socialisten tot de regering waren toegetreden, kreeg Zweden in 1920 zijn eerste, zeer kortstondige, socialistische kabinet onder K.H. Branting. De sociaal-democratische partij was van nu af aan de sterkste partij en sedert 1932 was zij bijna onafgebroken aan de regering.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Zweden weer neutraal. De Russische overval op Finland wekte in Zweden grote beroering en velen wilden laatstgenoemd land te hulp komen. Een kabinetscrisis was het gevolg en in dec. 1939 werd een nationaal kabinet gevormd, onder de sedert 1932 aan het bewind zijnde sociaal-democraat Per Albin Hansson, dat tot 1945 in functie bleef. Toen Noorwegen door de Duitsers was bezet, zag Zweden zich genoodzaakt de doortocht van Duitse verlofgangers over Zweeds gebied toe te staan. Aan deze met de neutraliteit strijdige toestand kwam eerst medio 1943 een eind. Na de oorlog nam Tage Erlander de leiding van Hansson over. Onder zijn bewind werd Zweden lid van de Verenigde Naties, van de Raad van Europa, van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (de latere OESO). Zweden sloot zich niet aan bij de Europese Gemeenschappen, wel bij de Europese Vrijhandels Associatie. In zijn neutraliteitspolitiek paste ook geen lidmaatschap van de NAVO. Koning Gustaaf V werd in 1950 opgevolgd door zijn zoon Gustaaf VI Adolf.
6.5 De laatste jaren
Op binnenlands gebied streefde de sociaal-democratische regering, sedert 1969 geleid door Olof Palme, steeds meer naar sociale gelijkheid en vooruitgang (algemeen volkspensioen, tewerkstelling, collectieve arbeidsovereenkomsten, ombudsman, enz.). In sept. 1973 overleed koning Gustaaf VI Adolf. Hij werd opgevolgd door zijn kleinzoon Karel XVI Gustaaf, die echter door een grondwetswijziging geen enkele macht meer heeft en een louter representatieve functie vervult. Hij huwde in 1976 met de West-Duitse Sylvia Sommerlath. In datzelfde jaar kwam er een einde aan 44 jaar sociaal-democratisch bewind. De leider van de Centrumpartij, Thorbjörn Fälldin, vormde samen met de liberale volkspartij en de Conservatieven een nieuwe regering. In okt. 1978 viel de regering-Fälldin op het vraagstuk van de kernenergie. Zij maakte plaats voor een minderheidsregering onder leiding van Ola Ullsten (Volkspartij), die een jaar later het veld moest ruimen voor de tweede regering-Fälldin. Na een brede maatschappelijke discussie werd op 23 maart 1980 een volksreferendum over het kernenergiebeleid gehouden. De tegenstanders van kernenergie (Fälldins Centrumpartij en de communisten) verloren het van de voorstanders. De Centrumpartij accepteerde de uitslag en Fälldin bleef aan. In 1981 verlieten de Conservatieven de regeringscoalitie van Fälldin wegens onenigheid over een belastinghervorming. Na de verkiezingen van sept. 1982 herwonnen de sociaal-democraten onder leiding van Olof Palme hun oude positie. Palme stelde zich internationaal op als advocaat van Derde-Wereldlanden en als een van de belangrijkste pleitbezorgers van een wereldwijde ontwapening. Na de moord op Palme (18 febr. 1986) werd de sociaal-democraat Ingvar Carlsson minister-president. Hij voerde een pragmatischer koers dan zijn voorganger. Toch trachtte ook hij de verworvenheden van het Zweedse sociale verzekeringsstelsel te behouden. Onder zijn leiding kwam er een verandering in Zwedens traditionele buitenlandse neutraliteitspolitiek. In juli 1991 vroeg Zweden namelijk het lidmaatschap van de EG aan, waarmee het land duidelijk maakte deel te willen hebben aan de opbouw van een politieke Europese Unie.
Parlementsverkiezingen in 1991 brachten een overwinning voor de Conservatieven. Carl Bildt werd minister-president van een burgerlijk-conservatief coalitiekabinet. Hij voerde een rigoreus bezuiningsbeleid om de in het slop geraakte Zweedse economie weer in het gareel te krijgen. Tevens werd de privatisering van staatsbedrijven aangekondigd. Op 1 jan. 1995 trad Zweden toe tot de EU.
Premier Bildt maakte zijn beleid van bezuinigingen en stimulering van het particulier initiatief tot inzet van de verkiezingen van sept. 1994. Zijn sociaal-democratische tegenstander Ingvar Carlsson kwam op voor het behoud van de sociale voorzieningen. Zoals verwacht, verloor de regeringscoalitie haar meerderheid bij de verkiezingen, maar de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij slaagde er niet in de absolute meerderheid in de Rijksdag te veroveren. Carlsson wees samenwerking met de Volkspartij en de uiterst linkse partijen af en presenteerde in okt. een sociaal-democratisch minderheidskabinet. Op 1 jan. 1995 trad Zweden toe tot de EU.
De enorme staatsschuld en het hoge begrotingstekort dwongen de socialistische minderheidsregering tot harde maatregelen, waarbij een zekere afbraak van de verzorgingsstaat onontkoombaar was. Het BNP groeide in 1995 dankzij een stijgende export met bijna 4%. De werkloosheid bleef hoog: officieel lag die rond de 7%, maar inclusief de deelnemers aan werkverschaffings- en omscholingsprojecten was meer dan 13% van de beroepsbevolking zonder werk.
Oud-premier Carl Bildt volgde de Brit Lord Owen op als VN-bemiddelaar in het conflict in het voormalig Joegoslavië.
Premier Carlsson, die in 1995 had laten weten zich in 1996 te willen terugtrekken, werd in maart 1996 opgevolgd door zijn partijgenoot Göran Persson. Persson, die Carlsson ook opvolgde als leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, had als minister van Financiën het begrotingstekort drastisch teruggebracht door o.a. te korten op de uitkeringen en de belastingen te verhogen.
In sept. verklaarde Eugene de Kock, een voormalig leider van een Zuid-Afrikaans doodseskader, tijdens een rechtszaak in Zuid-Afrika dat een onderdeel van de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst verantwoordelijk was voor de moord op de Zweedse oud-premier Olaf Palme in febr.1986.


Telefoongids Zweden
Postcodes Zweden

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009