|
    
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De hoogste delen van Zweden liggen in het noordwesten, met de Kebnekajse,
2123 m, Sarektjåkko, 2090 m, Pårtekajse, 2102 m, Akavare, 2013 m, en
Sulitjelma, 1914 m. Deze toppen maken deel uit van een tijdens de
Caledonische plooiingsperiode gevormde gebergteketen (zie ook
Scandinavië). Glint heet de steilrand waarmee dit gebergte overgaat in
het Baltisch schild. Tijdens de alpine plooiingsperiode in het Tertiair
is het Baltisch schild aan de randen in Noorwegen en Finland opgeheven,
terwijl het centrale deel wegzakte; hierdoor ontstonden de Botnische
Golf en de Oostzee. Het huidige Zweedse gebied bleef met uitzondering
van het uiterste zuiden een landformatie vanaf het Siluur; daardoor vond
er slechts erosie en schiervlaktevorming plaats. Dit verklaart het
ontbreken van vrijwel alle lagen tussen Siluur en Kwartair in het land.
Steenkool komt niet voor, maar door oude intrusies is een groot aantal
ertsen rijk vertegenwoordigd. Het Baltisch schild zelf daalt trapsgewijs
af naar de Botnische Golf. Grote delen zijn zeer vlak en daardoor
moerassig. Alleen in Zuid-Zweden en op de eilanden Gotland en Öland
komen jongere lagen voor, vooral uit het Krijt. Gotland, 80 m hoog, en
Öland, 50 m hoog, zijn kalkplateaus waarop karstverschijnselen
voorkomen. Het zijn restanten van een schollenland waartoe ook
Zuid-Zweden behoort. Hier vindt men afwisselend laagvlakten en plateaus
die, zoals in Tomtebacken (378 m) en Taberg (343 m), een hoogte van ruim
300 m bereiken. Midden-Zweden is een lager gelegen schol, waarin enkele
heuvels, zoals Kinnekulen (297 m), Billingen (300 m) en Halleberg (150 m)
oprijzen.
Zweden wordt in drie grote landschappen verdeeld: Norrland in het
noorden, Svealand in het midden en Götaland in het zuiden. Deze indeling
is tektonisch bepaald, maar de uiteindelijke vormgeving van dat
landschap kwam tot stand door de kwartaire ijstijden. De
landijsbedekking had een dikte van 2000 tot 4000 m en afgezien van
enkele nunatakker (boven het gletsjerijs uitstekende toppen) was het
gehele land door ijs bedekt. De belangrijkste invloeden op het landschap
van deze ijstijden werden uitgeoefend door: a. het landijs, b. de
schommelingen van het zeeniveau, c. de isostatische bewegingen.
a. Door het schuivende ijs werd de bodem gepolijst, het land werd
afgevlakt, enkele hardere knobbels werden afgeslepen tot zgn.
bultrotsen. De preglaciale rivierdalen werden U-vormig verbreed en
uitgediept. Daarnaast vond afzetting van morenemateriaal plaats. Onder
het ijs werden ovaalvormige grondmoreneheuvels, drumlins, gevormd, maar
ook kilometers lange en soms 100 m hoge, uit zand en grind bestaande
heuvelruggen, de åsar of osar (enkelvoud ås, oos of esk). Deze laatste
zijn vooral bekend in Småland. De afsmelting van het landijs binnen het
Zweedse grondgebied verliep zodanig dat het ijsfront omstreeks 10500
v.C. in west-oost richting over Skane en Blekinge liep en zich omstreeks
8000 v.C. bevond bij Mariestad en Stockholm. Alleen in Noord-Zweden zijn
nog ca. 100 grote gletsjers over. In het postglaciaal is het landschap
slechts weinig veranderd door de geringe vormende krachten en de
relatief korte tijdsduur.
b. Door de vorming van het ijs daalde het zeeniveau, door de afsmelting
steeg dat niveau weer snel. Het lage deel van Midden-Zweden werd
overstroomd en er ontstond een verbinding tussen het Skagerrak en de
Botnische Golf. De overblijfselen van deze Svea-älvvallen bij Degerfors
getuigen hiervan. Deze waterval moet in de tijd van de afsmelting een
capaciteit hebben gehad van ruim tweemaal die van de Niagara; ondanks
het feit dat dit gebied thans volledig droog staat en de hele streek
sterk bebost is, is het nog een indrukwekkend natuurverschijnsel.
c. Na het wegvallen van de grote druk van het landijs volgde door
isostasie een langzame opheffing van het land. Hierdoor werden oude
kustlijnen sterk opgeheven. Bij Haparanda is een oude kustlijn thans te
vinden op 225 m, bij Gävle op 200 m en in Skåne op 50 m. Ook nu nog
vindt er opheffing plaats, welke in het noorden 100 cm per eeuw bedraagt
en bij Stockholm 45 cm, terwijl aan de zuidkust geen opheffing meer
meetbaar is. De Zweedse kust bestaat daardoor uit duizenden kleine
eilandjes en rotspunten, die net boven water uitsteken. Deze zgn.
scheren zijn aan de westkust vrijwel geheel kaal, maar langs de oostkust
meestal bebost.
1.2 Rivieren en meren
De afwatering draagt nog steeds het stempel van de ijstijden en bestaat
uit een groot aantal parallel lopende rivieren, die vanaf het gebergte
rechtstreeks naar de Botnische Golf en de Oostzee stromen. De waterrijke
rivieren in het noorden hebben ten gevolge van het smelten van de sneeuw
de hoogste waterstanden in de voorzomer; ten zuiden van 59° N.Br. zijn
de rivieren minder waterrijk en bereiken ze de hoogste waterstanden in
het vroege voorjaar.
De belangrijkste rivieren zijn: Torne Älv, Kalix Älv, Lule Älv, Pite Älv,
Skellefte Älv, Ume Älv, Ångerman Älv, Indals Älv, Ljusnan en de 520 km
lange Dal Älv. De langste rivier ligt in het zuidwesten, de Klar Älv,
720 km, die uitmondt in het Vänermeer, dat via de 82 km lange Göta Älv
afwatert. Veel rivieren zijn rijk aan watervallen. De grootste is de 34
m hoge en 60 m brede Tannforsen in Jämtland. De beroemde Trollhätta Val
in de Göta Älv is geheel verdwenen in de hier gebouwde elektrische
centrale. Door de uitschurende werking van het gletsjerijs zijn in
vrijwel alle dalen langwerpige meren gevormd. Zweden telt in totaal
96!000 meren, die 8% van de oppervlakte innemen. Grote meren zijn
Torneträsk, Store Lulevatten, Uddjaur, Storsjön en Siljan. De grootste
meren: Vänermeer - met 5546 km2 na de Russische meren Ladoga en Onega
het grootste van Europa -, Vättermeer (1912 km2), Mälarmeer (1140 km2)
en Hjälmarmeer (480 km2), zijn echter primair tektonisch (door
bodembeweging) ontstaan.
1.3 Klimaat
Zweden behoort tot het Noord-Atlantische klimaatgebied; in verschillende
opzichten wijkt het klimaat echter af van dat van Noorwegen. De regenval
is minder groot, daar het land in de regenschaduw van de Noorse bergen
ligt. Ook zijn de winters er kouder en de zomers warmer dan in
Noorwegen. Desondanks bereiken de door de Golfstroom verwarmde winden
vrijwel het gehele land en vooral het zuiden, dat een uitgesproken
zeeklimaat heeft. De gemiddelde jaartemperatuur varieert met de
geografische breedte. In Lapland duurt de zomer slechts twee maanden,
zij het dat de zon dan niet ondergaat. Het rijkst aan neerslag is het
gebergte langs de Noorse grens (ca. 1000 mm per jaar). Het sneeuwdek
blijft in Lapland ca. 200 dagen liggen, in Stockholm ca. 100 dagen.
1.4 Plantengroei
Het betrekkelijk lage en vlakke zuiden (Skåne, Blekinge en aangrenzende
streken) behoort tot het gebied van de Europese loofbossen en is
goeddeels in cultuur gebracht. De Oostzee-eilanden Öland en Gotland
hebben, als gevolg van het droge klimaat en de harde kalkbodem, een
steppevegetatie. De flora van Midden- en Noord-Zweden vertoont zeer
grote overeenkomst met die van Noorwegen op gelijke breedten en bestaat
voor een belangrijk deel uit naaldbossen; de boomgrens daalt van 900 à
1000 m boven zeeniveau in Dalarna tot ca. 500 m boven zeeniveau aan de
grens tussen Zweeds en Noors Lapland.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is Scandinavisch van karakter, dwz. behoort tot die van
het noordelijke deel (gematigd-subarctisch-arctisch) van de
Palaearctische Regio. Talloze diersoorten van Midden-Europa bereiken in
Zweden hun noordgrens: ree, edelhert, das, bunzing, blauwe reiger,
patrijs, ijsvogel, kerkuil, drie soorten slangen (waaronder de adder),
drie soorten hagedissen, enz. Andere soorten zijn bewoners van de
subarctisch/arctische toendra en bereiken dus in Zweden hun zuidgrens:
rendier, poolvos, berglemming, sneeuwuil e.a. Over het algemeen kan men
stellen dat de fauna in noordelijke richting sterk verarmt; de
dierenwereld van Zuid-Zweden sluit nog aan bij die van Midden-Europa,
die van Noord-Zweden heeft al een polair karakter. Omdat Zweden een
groot en dun bevolkt land is, heeft het milieu naar verhouding weinig
schade geleden; bovendien is de jacht uitstekend gereguleerd, reden
waarom bijv. de populaties van de eland zozeer zijn toegenomen, dat
jaarlijks een enorm afschot nodig is om te grote schade aan de bossen te
voorkomen. Grote roofdieren als bruine beer, wolf, lynx en veelvraat
zijn echter zeer in het gedrang geraakt; van de meeste van deze soorten
bestaan nog slechts restpopulaties. Zweden is zeer belangrijk als
broedgebied van talrijke vogelsoorten van het noorden; hiervan is de
Europese kraanvogel ongetwijfeld de meest opvallende - deze soort is nog
een vrij algemene broedvogel. Een groot aantal nationale parken en
reservaten is verspreid over het land; het bekendste is het in Lapland
gelegen Abisko Nationale Park, waar o.a. wolf en veelvraat nog
sporadisch voorkomen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Antropologisch behoort het grootste deel van de Zweedse bevolking tot de
meest karakteristieke vertegenwoordigers van het Noordse ras, met als
kenmerken: lange slanke gestalte, smalle schedel, blond haar en blauwe
ogen. Vermenging met andere subrassen is in Zweden verhoudingsgewijs
zeer weinig opgetreden. De enige autochtone minderheid van betekenis
wordt gevormd door de ca. 15!000 Lappen (Samen) in het noorden, die
zowel naar lichaamskenmerken als naar taal en cultuur van de overige
Zweden verschillen. Het aantal buitenlanders is tijdens en na de Tweede
Wereldoorlog sterk toegenomen en bedroeg in 1994 ruim 576.000. Bijna een
derde hiervan bestaat uit Finnen. In totaal is een achtste van de
achteneenhalf miljoen Zweden immigranten of kinderen van naoorlogse
immigranten.
Zweden is een van de dunst bevolkte landen van Europa, maar er bestaan
aanzienlijke regionale verschillen in bevolkingsdichtheid. De gemiddelde
bevolkingsdichtheid per km2 is 19, maar in het uiterste noorden van het
land is de dichtheid 3 inw. per km2 en in de agglomeratie Stockholm 251
inw. per km2. In de stedelijke gebieden van Stockholm, Göteborg en Malmö
woont ruim een derde van de totale bevolking. Ca. 83% van de bevolking
woont in een verstedelijkt gebied. Vanaf het midden van de 19de eeuw
hebben zich een paar belangrijke verschuivingen in de
bevolkingsspreiding voorgedaan. Tussen 1850 en 1900 nam de bevolking van
Norrland (de vijf noordelijkste districten) met 116% toe door de
grootscheeps opgezette exploitatie van de bossen en de ijzerwinning.
Sedert de Tweede Wereldoorlog is een omgekeerde beweging op gang gekomen
als gevolg van de teruglopende werkgelegenheid in dit gebied.
Zweden kent al lange tijd een laag geboortecijfer. In 1980 werd een
naoorlogs dieptepunt van 10, 1‰ gehaald. In 1990 was het inmiddels weer
gestegen tot 14,4‰. De bevolkingsgroei tussen 1985 en 1994 bedroeg
gemiddeld 0,5% per jaar. De gemiddelde levensverwachting voor vrouwen is
80 jaar en voor mannen 74 jaar.
2.2 Taal
De officiële taal is het Zweeds (zie Zweedse taal). De Lappen hebben een
eigen, aan het Fins verwante taal, maar de meesten van hen spreken ook
Zweeds.
2.3 Religie
Rond het jaar 1000 werd het Zweedse volk gekerstend. De kerk vestigde
een aartsbisdom in Uppsala en zes bisdommen elders (1164). De Rijksdag
te Västerås verbrak in 1527 de contacten met Rome; het episcopaat ging
over naar het lutheranisme, maar hield vast aan de apostolische
successie; liturgie, ambtskleding en kerkorde bleven vrijwel
ongewijzigd. De Rijksdag te Uppsala (1593) gaf aan de staatskerk in
cultus en leer het karakter van een lutherse kerk. Tot 1781 was het
katholicisme strikt verboden; van 1783 af benoemde de paus er
apostolische vicarissen, totdat in 1953 het apostolisch vicariaat Zweden
werd omgezet in het bisdom Stockholm. De lutherse predikanten zijn
tevens ambtenaar van de burgerlijke stand; zij sluiten huwelijken,
registreren geboorten en sterfgevallen. De Kerk van Zweden (Svenska
Kyrka) heeft met de Kerk van Engeland beperkte intercommunie (1920).
Sedert 1958 wordt in de Zweedse kerk de vrouw tot het ambt toegelaten.
De kerk omvat het aartsbisdom Uppsala en twaalf bisdommen, met in totaal
2565 parochies. De bisschoppen worden door de regering benoemd.
De Zweden zijn (volgens de officiële gegevens) voor ca. 89% luthers
(daarvan is ca. 30% niet-praktiserend), voor 2% rooms-katholiek, 1% is
lid van een of andere Pinkstergroepering en 3% is vrijkerkelijk. Dubbel
lidmaatschap, van de Kerk van Zweden en van een van de kleine
kerkgenootschappen, komt niet zelden voor. Hoewel het wekelijkse
kerkbezoek laag is, werd in 1980 ruim driekwart van alle kinderen nog
gedoopt; 94% van alle begrafenissen was kerkelijk. In 1993 woonden in
Zweden ca. 16.000 joden.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Zweden is een constitutionele monarchie. De grondwet van 1809,
laatstelijk gewijzigd in 1975, bepaalt dat het kabinet en het parlement
(Riksdagen) de verantwoording dragen voor 's lands bestuur. De premier
wordt door het parlement benoemd. De koning bezit geen enkele politieke
bevoegdheid en heeft slechts een symbolische, representatieve functie.
De wetgevende macht berust bij de Rijksdag. De ministeries zijn over het
algemeen klein en bestaan uit niet meer dan 100 man elk; zij houden zich
slechts bezig met het opstellen van de algemene beleidslijnen. Het
eigenlijke uitvoerende en besturende werk wordt gedaan door de zgn.
administratieve organen (ämbetsverk), met een voor zes jaar benoemde
directeur-generaal aan het hoofd, die bijgestaan wordt door een raad van
bestuur waarin vertegenwoordigers van allerlei maatschappelijke
groeperingen zitting hebben. Deze organen, bijv. de Raad voor Gezondheid
en Welzijn of de Nationale Sociale Verzekeringsraad, nemen een
zelfstandige positie in ten opzichte van de ministeries en de leden van
het kabinet en kunnen ook zelf (wets)voorstellen bij het kabinet
indienen. De Rijksdag bestaat uit één kamer met 349 leden, die om de
vier jaar worden gekozen. Er is algemeen kiesrecht voor Zweedse
staatsburgers van 18 jaar en ouder. Er is een kiesdrempel van 4% voor
aan de verkiezingen deelnemende partijen. Sinds 1976 hebben immigranten
kiesrecht voor gemeenteraden en provinciale staten als ze drie jaar in
het bevolkingsregister ingeschreven hebben gestaan.
De openbaarheid van alle officiële stukken alsmede de instelling van de
verschillende ombudsmannen (er zijn vijf verschillende soorten
ombudsmannen) beschermen de burger tegen willekeur van alle
overheidsorganen. Sinds 1922 kent Zweden het consultatieve referendum
voor belangrijke kwesties van algemene aard.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in 24 districten (län), met aan het hoofd een
gouverneur (landshövding), die door het Kabinet wordt benoemd en die
voorzitter is van het districtsbestuur. Het land is voorts ingedeeld in
grotere en kleinere gemeenten, in totaal ca. 286.
3.3 Rechtswezen
Het Zweedse rechtswezen wordt gekarakteriseerd door de sterke invloed
van het Oud-Germaanse recht, terwijl het Romeinse recht minder invloed
heeft gehad dan in andere Europese landen. Tevens heeft in Zweden nooit
een grootscheepse codificatie plaatsgevonden naar het voorbeeld van de
Code Civil. Naar systematiek en inhoud is het rechtswezen te plaatsen
tussen de continentale en Anglo-Amerikaanse systemen in. In de
rechtspraak worden drie niveaus onderscheiden. Het laagste rechtscollege
is het zgn. tingsrätt, met algehele rechtsbevoegdheid. Het aantal
rechters is afhankelijk van de grootte van het rechtsgebied. In ernstige
strafzaken worden de beroepsrechters bijgestaan door lekerechters, die
voor een termijn van zes jaar door de gemeenteraad van het rechtsgebied
worden gekozen. Alleen op eenstemmig voorstel van de lekerechters kan de
uitspraak van de rechter worden verworpen. Slechts bij 5% van de
gevallen die in het tingsrätt worden behandeld, wordt beroep aangetekend
bij een van de zes gerechtshoven (hovrätter), die alleen juridisch
geschoolde rechters kennen. In bepaalde gevallen en op bepaalde
voorwaarden kan men bij de hoogste rechtsinstantie, Högsta Domstolen, in
beroep gaan.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Zweden is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, van de
Noordse Raad, de Raad van Europa, de Europese Vrijhandels Associatie
(EVA), OESO en GATT. Daarnaast is Zweden lid van de EU.
3.5 Defensie
Men onderscheidt naast de militaire defensie ook een burgerlijke, een
economische en een psychologische. Naast landmacht, luchtmacht en marine
kent Zweden verschillende vrijwillige verdedigingsorganisaties, o.a.
hemvärnet en het Lotta-corps voor vrouwen. De Zweedse mannen tussen 18
en 47 jaar zijn dienstplichtig. De basisopleiding heeft een duur van
zeven tot vijftien maanden. Het leger telt (1995) 64!000 mannen en
vrouwen.
3.6 Sociale voorzieningen en gezondheidszorg
Zweden kent een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen van
overheidswege. Er is een sociaal verzekeringsstelsel dat vrijwel alle
risico's dekt. Daarnaast heeft de overheid voorzieningen geschapen voor
de kinderopvang, zorg voor ouden van dagen in de meest uitgebreide zin,
lichamelijk en geestelijk gehandicapten, rechtskundige bijstand,
vrijetijdsbesteding voor jongeren, enz. Het particulier initiatief
speelt hierbij een kleinere rol dan in andere westerse landen. Sedert
1955 is er een nationale ziektekostenverzekering. Vanaf 66 jaar (in
speciale gevallen eerder) geniet men volkspensioen, dat voor loon- en
salaristrekkenden aangevuld kan worden met een algemeen aanvullend
pensioen. De werkloosheidsverzekering is de enige sociale verzekering op
vrijwillige basis. Ongeveer 70% van de werknemers heeft deze verzekering
afgesloten. De recessie noodzaakte Zweden tot enkele ingrepen in dit
kostbare systeem.
De gezondheidszorg staat op een hoog peil en is grotendeels in handen
van de staat, die deze taak gedelegeerd heeft aan de provinciale en
gemeentelijke autoriteiten. Hoewel vrijwel alle ziektekosten gedekt
worden door de nationale ziektekostenverzekering, is er een eigen risico
voor het bezoek aan de huisarts. De kosten van de gezondheidszorg
bedragen 9% van het bnp.
3.7 Politieke partijen en vakbonden
De politieke partijen worden in twee groepen ingedeeld: zij die behoren
tot het burgerlijke blok en zij die behoren tot het socialistische blok.
Tot de eerste groepering behoren Moderata Samlingspartiet, de
conservatieve partij, ontstaan in de 19de eeuw, die vnl. kiezers uit de
hogere inkomensgroeperingen trekt en die tegenstander is van grote
invloed van de overheid in het economische en sociale leven en het
particulier ondernemerschap wil bevorderen. De tweede belangrijke
burgerlijke partij is Centerpartiet, de Centrumpartij, ontstaan in het
begin van de eeuw als belangenbehartiger en woordvoerder van de boeren,
een beroepsgroep die voor het merendeel nog steeds deze partij steunt.
Vanaf de jaren zestig ontwikkelde de partij zich meer en meer tot een
milieubeschermingspartij. De derde burgerlijke partij is Folkpartiet, de
liberale partij, die vooral in het begin van de eeuw lange tijd een
leidende rol in het politieke leven speelde. Grootste partij ter linker
zijde is de Socialdemokratiska Arbetarepartiet (SAP), de
sociaal-democratische arbeiderspartij, opgericht in 1889, die een
hervormingsgezind, democratisch socialisme voorstaat. De SAP was tussen
1932 en 1976 bijna onafgebroken aan de macht.
In 1898 sloot een aantal vakbonden zich aaneen in de Landsorganisatie (LO).
Ruim 2, 2 miljoen werknemers zijn lid van deze vakcentrale. Ca. 1,3
miljoen employés uit de openbare en de particuliere sector zijn
aangesloten bij de Centrale voor ambtenaren en administratief personeel
(TCO). De hogere ambtenaren, de beoefenaars van vrije beroepen en
academisch geschoolden hebben zich georganiseerd in SACO/SR. De belangen
van werkgeverszijde worden behartigd door de Zweedse
Werkgeversvereniging (SAF), opgericht in 1902. Ook de overheid beschikt
over een centraal overlegorgaan (SFO), evenals de coöperatieve beweging.
3.8 Onderwijs
Sinds 1842 kent Zweden leerplicht, die thans geldt van 7 tot 16 jaar.
Alle vormen van openbaar onderwijs, ook het hoger onderwijs, zijn
kosteloos. In 1962 werd de negenjarige basisschool definitief ingevoerd.
Zweden heeft zes universiteiten; daarnaast drie met beperkte
opleidingsmogelijkheden. De oudste universiteit is die van Uppsala
(1477). Zweden kent vele vormen van volwassenenonderwijs. De oudste is
de volkshogeschool (sinds 1865). Daarnaast zijn er de op vrijwillige
basis georganiseerde avond- en dagcursussen, de om- en
bijscholingscursussen voor werklozen, het schriftelijke onderwijs en
voor wat de universiteiten betreft het zgn. afstandsonderwijs in de
dunbevolkte gebieden.
3.9 Pers en omroep
Persvrijheid bestaat sinds 1766. De landelijke dagbladen zijn over het
algemeen politiek gekleurd. Aftonbladet is het eigendom van LO. Overige
grote dagbladen: Svenska Dagbladet (conservatief), Dagens Nyheter (onafh.),
Göteborgs Posten en Göteborgstidningen (beide liberaal) en Sydsvenska
Dagbladet (liberaal). De grootste krant, Expressen, is eveneens
liberaal. Noodlijdende kranten kunnen overheidssteun krijgen. Wekelijkse
opiniebladen kent men in Zweden nauwelijks. Er is wel een groot aantal
geïllustreerde week- en maandbladen op de markt. Radio en televisie
worden gefinancierd uit omroepbijdragen. De radio zendt drie programma's
uit, de televisie kent twee programma's. Daarnaast zijn er nog regionale
programma's. Sveriges Radio, de maatschappij die de radio- en
televisieuitzendingen verzorgt, is een semi-overheidsinstelling.
4. Economie
4.1 Algemeen
Zweden heeft een vrijemarkteconomie waarin het particuliere
bedrijfsleven de grootste rol speelt. De staat neemt door middel van
enkele staatsbedrijven en participatie in het kapitaal van een aantal
particuliere ondernemingen aan het economisch leven deel. Met name na de
Tweede Wereldoorlog, waaruit Zweden door zijn neutraliteit met een
ongeschonden productieapparaat te voorschijn kwam, heeft de economie een
snelle groei doorgemaakt, wat gepaard ging met een ingrijpende
verandering van de sociale structuur. Zo moesten bijv. om aan de grote
vraag naar arbeidskrachten te voldoen op grote schaal buitenlanders
worden aangetrokken.
De economische crisis trof in de jaren tachtig ook Zweden. Het leidde
tot een stijgende inflatie, een groeiend begrotingstekort, devaluaties
van de Kroon (in totaal met 26%) en een groeiende arbeidsonrust ondanks
een laag werkloosheidscijfer (gem. tussen de 1 en 3%), maar mede
veroorzaakt door hoge loonsverhogingseisen. Een ander probleem was de
voortdurende groei van de overheidsuitgaven, vooral voor sociale
voorzieningen. In 1991 lanceerde een burgerlijke minderheidsregering
onder leiding van Carl Bildt een rigoreus bezuinigingsbeleid dat o.a.
voorzag in belastingverlagingen, inkrimping van overheidsuitgaven en
privatisering van de door staatsbedrijven gedomineerde Zweedse economie.
Om aan de EMU-eisen te voldoen, zal Zweden zijn begrotingstekort en
overheidsschuld drastisch moeten inkrimpen.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De klimatologische omstandigheden voor de landbouw verschillen tussen
het noorden en zuiden aanzienlijk. In het noorden duurt de winter zes
maanden of meer. De westelijke en zuidelijke delen van het land
profiteren van de nabijheid van de zee en de warme Golfstroom. In de
19de eeuw was driekwart van de beroepsbevolking nog in de landbouw
werkzaam; in 1993 nog maar 3, 1% (visserij en bosbouw meegerekend).
Tevens is het aantal agrarische bedrijven gedaald, waar weer tegenover
stond dat de bedrijven over het algemeen veel groter geworden zijn. De
Zweedse boerenbedrijven zijn voornamelijk familiebedrijven en het land
is eigendom van degenen die het bewerken. Het coöperatiewezen, zowel
voor inkoop, afzet, als kredietverschaffing, is sterk ontwikkeld.
Driekwart van de agrarische productie wordt via coöperatieve
organisaties verder verwerkt of afgezet. De federatie van Zweedse boeren
(Lantbrukarnas Riksförbund, LRF) is de overkoepelende organisatie van
alle coöperatieve instellingen en de onderhandelingspartner namens de
boeren met de overheid. Slechts 7,5% van het land is economisch van nut,
toch slaagt men erin om daarmee 80% van de binnenlandse behoefte te
dekken.
In het zuiden wordt een grote verscheidenheid aan gewassen verbouwd,
zoals allerlei soorten granen, waarvan een aanzienlijk deel bestemd is
voor veevoer, suikerbieten en bonen. In Midden-Zweden wordt vnl. graan
verbouwd en meer naar het noorden worden voedergewassen geteeld. De
veehouderij richt zich vnl. op het houden van rundvee, voor de slacht en
de zuivelproductie; daarnaast komt varkens-, pluimvee- en
schapenhouderij voor.
Ca. 62% van het oppervlak is met bos bedekt; het hout vormt de basis
voor de belangrijke hout-, celstof- en papierindustrie. De producten die
hieruit voortkomen dragen voor 18% bij aan de Zweedse export. Bijna de
helft van het voor exploitatie geschikte bestand bestaat uit sparren. In
sommige gebieden, vooral in het noorden, is het de enige economische
activiteit. De nationale raad voor de bosbouw bepaalt het
overheidsbeleid, ziet toe op de naleving van de relevante wetgeving,
bevordert onderzoek en verschaft informatie.
Het belang van de visserij voor de economie is sedert de jaren zestig
voortdurend afgenomen. Het merendeel van de vissersbedrijven is klein en
legt zich toe op de kustvisserij. Vanaf de westkust wordt ook de zgn.
grote visserij op de Atlantische Oceaan bedreven. Op de binnenwateren is
het vrijetijdsvissen van belang.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Zweden is rijk aan bodemschatten. Het belangrijkste mijnbouwproduct is
ijzererts, dat in het noorden in Lapland gewonnen wordt. Zweden beschikt
over ca. 1% van de wereldijzerertsvoorraad. Verder worden nog koper,
lood, zink, goud en zilver gedolven. Er bevinden zich belangrijke
uraniumvoorraden in Västergötland (Zuid-Zweden), waar zich naar
schatting 80% van de totale Europese voorraden bevindt. Er is een kleine
kolenvoorraad, die op bescheiden schaal wordt geëxploiteerd. De
belangrijkste inheemse bron voor de energievoorziening is de
waterkracht, die 44% van de energiebehoefte dekt. Daarnaast is
kernenergie een belangrijke energiebron (30%). De rest (26%) van de
energie wordt door olie- en kolengestookte centrales geleverd. Er is een
uitgebreide discussie met politieke implicaties in de tweede helft van
de jaren zeventig en opnieuw na de kernramp van Tsjernobyl in 1986 van
de grond gekomen met betrekking tot de uitbreiding van het aantal
kerncentrales. Dit heeft uiteindelijk ertoe geleid dat men besloten
heeft vanaf het begin van de 21ste eeuw het aandeel van de kernenergie
te verminderen en op termijn tot afschaffing daarvan binnen Zweden te
komen.
4.4 Industrie
Sedert het begin van de 20ste eeuw is de industrie als economische
sector steeds belangrijker geworden. Zij geeft bijna 25% van de
arbeidende bevolking werk en draagt voor 35% bij aan het Bruto Nationaal
Product (bnp). De metaalverwerkende en elektrotechnische industrie is de
belangrijkste sector, daarbij inbegrepen de automobiel- en
scheepsbouwindustrie en de vervaardiging van huishoudelijke apparaten
(tezamen neemt deze sector ongeveer de helft van de industriële bijdrage
aan het bnp voor zijn rekening). De tweede belangrijke industriële
sector is de houtverwerkings- en papierindustrie (20% van de industriële
bijdrage aan het bnp), gevolgd door de staal- en ijzerindustrie. De
petrochemische industrie is van toenemende betekenis. De belangrijkste
industriële centra liggen in Midden-Zweden en aan de zuidkust.
4.5 Handel
De Zweedse economie is voor een groot deel afhankelijk van de
handel met het buitenland, zowel wat de uitvoer als de invoer betreft.
De handelsbalans is sinds 1983 positief. Wat de uitvoer betreft heeft
zich na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke verschuiving voorgedaan
van de uitvoer van ruwe grondstoffen naar die van technisch hoogwaardige
producten. De belangrijkste uitvoerproducten zijn: elektrotechnische
apparatuur, transportmiddelen, telecommunicatiemiddelen, papierpulp,
hout, papier, textiel, aardewerk en meubelen. De belangrijkste afnemers
zijn: Duitsland, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Noorwegen,
Finland en Denemarken. Ingevoerd worden: voedingsmiddelen, aardolie,
ijzer en staal. De belangrijkste leveranciers zijn: Duitsland, de
Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken en Finland.
Belangrijk voor de Zweedse economie waren het lidmaatschap van de EG en
het akkoord tussen de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA of [Eng.]
EFTA) en de EG om een Europese Economische Ruimte (EER) tussen de
aangesloten landen te scheppen (1992).
4.6 Bankwezen
Centrale bank is Sveriges Riksbank (1668). Daarnaast bestaat er een
groot aantal handels-, spaar- en kredietbanken. Het grootste bankconcern
is Skandinaviska Enskilda Banken. Ten slotte bestaan er nog coöperatieve
banken met 391 filialen.
4.7 Verkeer
Zweden beschikt met name in het zuiden en midden over een goed
onderhouden en uitgebreid wegennet (208!858 km). Het autotransport is
het belangrijkste middel voor personen- en goederenvervoer. Ondanks
sluiting van onrendabele lijnen heeft Zweden nog steeds een van de
grootste spoorwegnetten van Europa (totale lengte 9930 km). De
elektrificatie van het net, dat geëxploiteerd wordt door de
staatsspoorwegmaatschappij Statens Järnvägar (SJ), wordt voortgezet,
vooral om aansluiting te krijgen bij het Europese spoornet. In het
binnenland rijdt al de eerste van de drie geplande flitstreinen. Voor de
binnenscheepvaart is een uitgebreid net van kanalen aangelegd. In de
zeescheepvaart is Zweden een belangrijk land. Göteborg, Hälsingborg,
Malmö en Stockholm zijn de belangrijkste zeehavens. Zweden neemt met
Denemarken en Noorwegen deel aan het Scandinavian Airlines System (SAS),
dat ook het binnenlands luchtverkeer in Zweden, dat steeds meer in
belang stijgt, voor zijn rekening neemt. Internationale luchthavens
liggen bij Stockholm, Göteborg en Malmö.
5. Toeristische
gegevens
Zwedens cultuurcentrum is Stockholm, met in de omgeving kasteel
Drottningholm met 18de-eeuws theater. Bezienswaardige steden zijn o.m.
Malmö, Linköping, Göteborg, Hälsingborg en Visby, met goed bewaard
gebleven stadsmuur met dertien torens. Linköping bezit Zwedens grootste
kathedraal, Uppsala een gotische dom met de koninklijke grafkamers, Lund
een bekende romaanse kathedraal, Södertälje een kerk uit de 11de eeuw en
Visby een 13de-eeuwse kerk en voorts niet minder dan zestien kerkruïnes.
In Ludvika, Norra Ny en Kiruna zijn houten kerken, de laatste in de vorm
van een Laplandse boerderij. Middeleeuwse kerken vindt men voorts in
Eskilstuna, Skövde, Västeräs, Växjö, Ystad, Luleå en Örebro. In
Kristianstad bevindt zich een kerk in Hollandse renaissancestijl.
Kärlskrona en Kalmar hebben barokkerken. Västeräs en Nyköping hebben
middeleeuwse kastelen; kasteel Glimmingehus bij Simrishamn dateert uit
de 15de eeuw. Uit de Wasatijd (16de en begin 17de eeuw) dateren de
veelal in (Hollandse) renaissancestijl opgetrokken kastelen van
Norrköping, Halmstad, Kristianstad, Vadstena en Kalmar, voorts Gripsholm
op een eiland in het Mälarmeer en kasteel Svenstorp tussen Kristianstad
en Malmö. Mölndal bezit een houten slot, in de huidige vorm daterend uit
1796. Övedskloster in Skåne is een tot rococokasteel verbouwd
premonstratenzerklooster. Skokloster bij Sigtuna werd door Tessin de
Oude (17de eeuw) verbouwd tot wat thans het grootste particuliere slot
in Zweden is, met een bekende wapenverzameling en gobelincollectie. Tot
de weinige bewaard gebleven delen van middeleeuwse kloosters behoort de
12de-eeuwse kerk te Varnhem (oorspronkelijk cisterciënzerkerk). Oude
houtbouw is voorts nog te vinden in Linköping (stadhuis, 17de eeuw),
Skara en Eskilstuna. In de streek Dalarna om het Siljanmeer - Zwedens
kunsthandwerkcentrum - zijn vele houten, roodgeschilderde boerderijen.
Ook in Hälsingland wordt nog volkskunst beoefend, o.a. spinnen, weven,
vlechtwerk, hout- en beensnijwerk. Bekend is de Hälsinge-Hambo, een
grote volksdansgroep (maximaal 1000 paren), die in juli in vele plaatsen
optreedt. Bij Tanum zijn de meeste prehistorische relicten, o.a.
rotstekeningen en kamergraven, te vinden. Jokkmokk is het centrum van de
Lappen (zie ook Lapland). Bij het wintersportcentrum Abisko begint de
393 km lange 'Kungsleden' (Koningspad), een wandelroute dwars door
Lapland. Bekend is de Abiskojokk-canyon, in het gelijknamige nationale
park. In verschillende plaatsen zijn aan de Lappen gewijde musea, o.a.
in Jokkmokk, Luleå en Umeå. Stockholm-Skansen, Lund, Sundsvall en
Södertälje hebben een openluchtmuseum. In Orrefors is een glasmuseum en
in Jönköping een houtmuseum. Behalve in Stockholm zijn er musea
betreffende geschiedenis, cultuur en/of natuur in o.a. Gävle, Göteborg,
Hälsingborg, Kalmar, Kärlskrona, Kristianstad, Lund, Malmö, Östersund en
Uppsala. Een bekend vogelreservaat is dat bij Kalmar, terwijl Borås een
fraai aangelegde dierentuin heeft. Ystad (vakwerkhuizen) en Båstad zijn
bekende badplaatsen. De Oostzee-eilanden Gotland (hoofdplaats Visby) en
Öland (hoofdplaats Borgholm) zijn toeristisch populair wegens hun milde
klimaat (subtropische plantengroei).
6. Geschiedenis
6.1 Prehistorie
Aan het begin van het Holoceen (ca. 9000 v.C.) verschenen er voor het
eerst mensen in Zuid-Zweden, jagers-verzamelaars, behorende tot de
Lyngby- en Maglemose-cultuurgroepen uit Denemarken. kenmerkende
artefacten zijn resp. bijlen en ander gereedschap uit vnl. rendiergewei
voor de Lyngby-cultuur en de gedetailleerd bewerkte harpoenen en spitsen
van rendiergewei of been met aan één zijde weerhaken voor het Maglemose.
Tegen het eind van het mesolithicum werd Noord-Zweden zowel vanuit het
oosten (Finland) als vanuit het westen (de Noorse kust) gekoloniseerd.
In Zuid-Zweden hadden omstreeks die tijd invloeden van de Deense
Kongemosecultuur de Maglemose- en Lyngby-groepen verdrongen. Typisch
voor de Kongemosetijd is de hoog ontwikkelde klingbewerkingstechniek.
Uit dezelfde periode stammen tevens de oudste bewaard gebleven graven in
Zweden, bijzettingen van mannen en vrouwen in zittende of hurkende
houding, vergezeld van gereedschap dat in verband staat met jacht en
visvangst.
Aardewerk werd in een overgangsperiode tussen laat-mesolithicum en
vroeg-neolithicum in Zweden geïntroduceerd door mensen van de
Ertebölle-cultuur. Omstreeks 4000 v.C. werd deze cultuur verdrongen door
de opkomst van de vroegste boerencultuur, de Vrå-cultuur, een onderdeel
van de West-Europese trechterbekercultuur. Onder invloed hiervan werden
in Zuid- en Oost-Zweden megalithische grafkelders gebouwd. Er zijn ca.
70 van deze ganggraven bewaard gebleven.
Typerend voor het Zweedse midden-neolithicum zijn de zgn. Bootäxte, een
late lokale representant van de strijdhamerculturen uit Noordwest- en
Centraal-Europa. Bootäxte zijn artistiek vormgegeven en perfect
afgewerkte bootvormige stenen bijlen tot 30 cm lang. Deze culturele
groep kende het gebruik van koper in de vorm van kleine sieraden.
Tijdens het laat-neolithicum en de vroege bronstijd (ca. 1800 v.C.)
werden in Centraal- en Zuid-Zweden op grote schaal reliëfs en
schilderingen op rotswanden aangebracht. De afbeeldingen bestaan meestal
uit mannen, dieren, schepen, landbouwgereedschap, bijlen en andere
wapens. Uit de voorstellingen heeft men magische connotaties willen
afleiden.
Het begin van de bronstijd wordt in Zweden gemarkeerd door de import van
bronzen voorwerpen, vnl. wapens, uit Centraal-Europa. Al snel
ontwikkelde zich een eigen bronsindustrie, gekenmerkt door
spiraalvormige versieringsmotieven op wapens, sieraden en later
vaatwerk. In de overgang van brons- naar ijzertijd kwam langs de
Baltische kust het begraven onder monumentale bootvormige steenzettingen
(6 tot 45 m lang) in zwang. Op het eiland Gotland alleen al zijn er ca.
350 aangetroffen. De meeste bevatten slechts een enkele urn met
crematieresten.
Uit de vroege ijzertijd (ca. 400 v.C.) zijn in Scandinavië vrij weinig
vondsten bekend. In Zuid-Zweden kwam geleidelijk bij de dodenbezorging
de inhumatie naast de crematie weer in zwang. Na 300 n.C. verdwijnt de
crematie. In de midden- of Romeinse ijzertijd werd luxe vaatwerk van
brons en glas geïmporteerd vanuit het Romeinse imperium, vermoedelijk in
ruil voor huiden, slaven en barnsteen.
6.2 De middeleeuwen
In de Vikingtijd (800-1050) trokken de bewoners van het zuidelijke deel
van het huidige Zweden samen met de Denen en Noren westwaarts. De
bewoners van Oost-Zweden trokken langs de grote rivieren in Rusland
zuidwaarts tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee. Gotland en de stad
Birka (thans Björkö in het Mälarmeer) waren belangrijke internationale
handels- en cultuurcentra. In 900 veroverden de Zweedse vikingen het
Deense handelscentrum in Sleeswijk, Hedeby. De kerstening van Zweden
verliep langzaam. Ansgar bezocht Birka voor het eerst in 829. Pas in
1103 maakt Zweden officieel deel uit van de Rooms-Katholieke Kerk. Erik
IX de Heilige stichtte ca. 1150 een nieuwe dynastie (de herhaalde
troontwisten schijnen hun oorsprong te hebben in tegenstellingen tussen
Gauten en Zweden). Onder zijn regering had de eerste kruistocht naar
Finland plaats; de leden van de volgende dynastie, de Folkunger, zetten
deze tochten voort. Hun macht belette geruime tijd verzet van adel en
clerus. Een van deze Folkunger, Magnus, werd door de rijksgroten in 1364
van de troon vervallen verklaard en een verwant, de Mecklenburger Albert,
werd tot koning verkozen. Toen ook hij veel invloed leek te krijgen,
riepen zij de Deens-Noorse koningin Margaretha te hulp, die in 1389 bij
Falköping de Mecklenburger versloeg en op straffe voorwaarden tot
vorstin werd verheven. Bij de Unie van Kalmar (1397) werd haar opvolging
geregeld en werden Noorwegen, Zweden en Denemarken ook wettelijk onder
één koning gebracht.
Aan het einde van de middeleeuwen verzetten de lagere standen, vooral de
boeren (de burgerstand was bij de toenmalige overmacht van de Hanze nog
van weinig betekenis), zich tegen de unie en de koning, Erik van
Pommeren. De hogere standen, grotendeels unionistisch, volgden soms
aarzelend. Een Rijksdag te Arboga in 1435 riep de volksleider
Engelbrecht Engelbrechtsson tot rijksbestuurder uit, die in het volgend
jaar door de edelman Magnus Natt och Dag werd gedood. Een aantal
standgenoten verhief nu Karel Knutsson Bonde tot rijksbestuurder, later
tot koning Karel VIII, die gedurende drie korte perioden regeerde. Toen
zijn macht te groot dreigde te worden, wendden de adel en de
geestelijkheid zich tot Christiaan I van Denemarken. Drang tot verzet
onder de massa bleef lang geremd door een verdeelde unionistische
aristocratie. Na de dood van Karel VIII (1470) traden achtereenvolgens
als rijksbestuurders op Sten Sture en zijn verwanten. De oudere Sten
versloeg de Deense koning Christiaan I bij Brunkeberg in 1471, de
jongere Sten Sture sneuvelde in 1520 tegen Christiaan II. Deze was nu in
Zweden oppermachtig en met hem een meerderheid van adel en clerus. De
executie, op 8 nov. 1520 te Stockholm, op bevel van Christiaan II, van
een honderdtal geestelijken en edelen en hun dienaren (het zgn. bloedbad
van Stockholm) was aanleiding tot een opstand. Deze werd geleid door
Gustaaf Wasa, een jong edelman die werd gesteund door de boeren uit
Dalecarlië. De Rijksdag te Strängnäs riep hem in 1523 tot koning uit.
6.3 Nieuwe geschiedenis
Met buitengewone geestkracht heeft Gustaaf ondanks veel tegenstand,
zelfs onder de boerenbevolking, Zweden gemaakt tot een goed bestuurd en
goed verdedigbaar land. Het scheppen van een bekwame bureaucratie en een
parate weermacht kostte veel geld en de schuldeisers, de Hanze vooral,
drongen aan op afbetaling. De nood werd voor een groot deel beëindigd
door een besluit van de Rijksdag te Västerås in 1527, dat het bezit van
de kerk seculariseerde en inkomsten en vermogen van de Kroon aanzienlijk
vergrootte. Laurentius Petri, de broer van de reformator Olavus Petri,
werd in 1531 de eerste lutherse aartsbisschop van Zweden.
Gustaaf Wasa regeerde tot 1560; de expansieneigingen van Zweden ten
aanzien van de landen om de Oostzee dreigden toen al te leiden tot een
coalitie van Denemarken en Polen. Door het Deense bezit in Schonen was
Zweden vrijwel van de open zee afgesloten. Een betrekkelijke stagnatie
trad in onder het bewind van Gustaafs zoons Erik XIV (1560-1568) (alleen
leidde de bezetting van Reval tot moeilijkheden met Polen) en Johan III
(1569-1592). Deze laatste trachtte het katholicisme weer te herstellen.
Onder Karel IX (1604-1611) werden de eerste pogingen gedaan de
Oostzeelanden te veroveren, maar deze mislukten. Onder het bestuur van
diens zoon, Gustaaf II Adolf, nam de grote machtsuitbreiding van Zweden
een aanvang (zie ook Noordse Oorlogen). Hij veroverde het land tussen
Riga en de Finse Golf en viel met goed gevolg de Duitse landen binnen
(zie ook Dertigjarige Oorlog). Bij de Vrede van Westfalen in 1648
verwierf Zweden de bisdommen Bremen en Verden en Voor-Pommeren, bij de
vrede in 1658, met Denemarken, behalve de vier kustlandschappen ook
Trondheim en Bornholm (welke laatste twee echter in 1660 weer moesten
worden afgestaan). Toen stond Zweden voor korte tijd op het toppunt van
zijn macht.
De belangrijkste binnenlandse gebeurtenissen gedurende de
'Grootheidstijd' (1611-1718) waren de totstandkoming van de
'regeringsvorm' van 1634 en de abdicatie van Gustaaf II Adolfs dochter
en opvolgster Christina ten behoeve van Karel X Gustaaf uit het Huis
Palts-Tweebruggen. Die regeringsvorm was reeds tijdens het leven van
Gustaaf II beraamd, maar werd pas na diens dood door Oxenstierna ten
uitvoer gelegd: de voornaamste departementen zouden worden beheerd door
colleges, welker chefs in de door de koning benoemde Rijksraad zitting
hadden. Ook is van grote betekenis geweest de door de Rijksdag op
voorstel van Karel XI in 1680 aanvaarde 'reductie': inkomsten en
vermogen van de Kroon, omvangrijk sinds de secularisaties, waren én door
de oorlogskosten én door de spilzucht van koningin Christina verminderd
en in het bezit gekomen vooral van de adel. Een commissie had tot taak
gehad de edelen te dwingen, na desbetreffend onderzoek, de goederen te
restitueren die de Kroon van rechtswege toekwamen, een maatregel die
vooral in Polen en de overzeese gebiedsdelen verbittering wekte. De
grote Noordse Oorlog (1700-1718), ten tijde van Karel XII, maakte een
einde aan de positie van Zweden als grote mogendheid. Na zijn dood en de
debacles van 1720 en 1721 beperkte de Rijksdag de macht van de koning,
vergrootte hij de invloed van het parlement, dat in het vervolg de
Rijksraad zou samenstellen. Karels opvolgers waren geen vorsten van
formaat. Een poging van Adolf Frederik in samenwerking met zijn
ambitieuze echtgenote Louisa Ulrika, Frederik de Grotes zuster, het
koninklijk gezag te versterken, mislukte smadelijk. Twee partijen, naar
hun meer of mindere revanchezucht de Hoeden en Mutsen genoemd, hadden
afwisselend de leiding tijdens deze 'vrijheidsstrijd' (1719-1772).
Omstreeks 1770 scheen het gevaar te dreigen dat Rusland, evenals in
Poolse, ook in Zweedse interne aangelegenheden zou kunnen ingrijpen en
de zelfstandigheid van het land zou willen aantasten. De nieuwe koning
Gustaaf III waagde in overleg met de Franse regering op 12 aug. 1772 een
'coup d'état', versterkte het vorstelijk gezag en tevens de goede
betrekkingen met de traditionele bondgenoot. Gedurende zijn verdere
bestuur had de koning te kampen met oppositie, vooral onder de adel, die
tijdens een kort conflict met Rusland (1788-1790) verraad pleegde en in
1792, onder leiding van Anckarström, een samenzwering smeedde en op het
gemaskerd bal in de Stockholmse opera op de vorst een dodelijke aanslag
pleegde. Tijdens de coalitieoorlogen bleef Gustaaf IV Engelsgezind; na
de Vrede van Tilsit maakten de Engelsen zich meester van de Deense
vloot, maar zij stelden geen pogingen in het werk de Zweden bij het
afslaan van een te verwachten aanval van Frankrijks geallieerden,
Denemarken en Rusland, te steunen. Finland werd in 1808 bezet. Dit had
tot gevolg dat, wederom, de adel een samenzwering smeedde tegen de
onbekwame Gustaaf IV. Adlersparre rukte naar Stockholm op. Adlercreutz
nam de koning gevangen. De Rijksdag verklaarde hem vervallen van de
troon en riep zijn oom Karel XIII tot koning uit, stelde tevens een
nieuwe 'regeringsvorm' op, die de vorstelijke macht aanzienlijk beperkte
ten bate van die van het parlement. Toen de Augustenburgse hertog
Christiaan August, als opvolger aangewezen van de kinderloze koning
Karel XIII, in 1810 plotseling overleden was, vond men in Parijs een
opvolger in de persoon van Jean-Baptiste Bernadotte, maréchal de France,
voor wiens in de laatste oorlog gebleken kundigheden óók als
administrator men in Zweden grote bewondering koesterde. De nieuwe
troonopvolger, tevens regent voor zijn adoptiefvader, koos in 1812
partij voor Rusland en de anti-Franse coalitie. Hem werd toegezegd dat
hij bij de komende vrede Noorwegen zou verkrijgen in ruil voor Finland.
Dit werd geëffectueerd, toen het Noorse Storting in 1814 de Zweedse
koning Karel XIII tot koning van Noorwegen verkoos. Bij het Congres van
Wenen verloor Zweden Zweeds Pommeren aan Pruisen. Daarmee waren de in de
17de eeuw veroverde gebieden goeddeels verloren.
6.4 Een nieuw huis
In 1818 kwam het Huis Bernadotte op de Zweedse troon met Karel XIV Johan.
Onder de vorsten uit dit Huis had de geschiedenis van Zweden een rustig
verloop. Voor conflicten met Rusland was Zwedens macht niet meer
toereikend. Tot Denemarken werd de verhouding in de 19de eeuw steeds
vriendschappelijker: de oude gevoelens van haat en minachting weken voor
begrip en waardering. Tijdens de Krimoorlog bleven Zweden en Noorwegen
neutraal; bij verdrag garandeerden de westelijke machten de integriteit
van de dubbele monarchie, die zich verbond geen gebied aan Rusland af te
staan. En bij de Vrede van Parijs beloofden de Russen geen versterkingen
aan te leggen op de Ålands Eilanden. In het binnenland vereisten in het
algemeen dezelfde vraagstukken oplossingen als in andere landen, in het
bijzonder op politiek terrein de kwestie of de toenmalige samenstelling
van de Rijksdag in vier standen gewijzigd zou behoren te worden. De
liberale minister De Geer bracht in 1865 een 'Reform' tot stand,
krachtens welke het Zweedse parlement zoals elders in den vervolge zou
bestaan uit twee Kamers, gekozen deels direct door de kiezers uit het
gehele volk, deels indirect door de vertegenwoordigers van de
afzonderlijke gewesten.
Onder de regering van Oscar II (1872-1907) radicaliseerden zich de
politieke verhoudingen in Zweden. Sedert 1889 begon ook de
sociaal-democratie naar voren te komen, die met de radicalen samenwerkte
in de strijd voor het algemeen kiesrecht, terwijl de agrariërs zich bij
de conservatieven aansloten. Het invoeren van een protectionistisch
stelsel in 1887 deed de verhouding tot de Uniegenoot Noorwegen
verslechteren. De steeds toenemende spanning leidde eindelijk tot de
afscheiding in 1905, die onder invloed van pacifistische stromingen in
Zweden een vreedzaam verloop had (zie Noorwegen). Onder Gustaaf V
(1907-1950) bracht het conservatieve kabinet-Lindman in 1909 het
algemeen kiesrecht voor de Tweede Kamer tot stand. In 1914 ontstond een
conflict tussen de koning en het liberale kabinet-Staaff over de
landsverdediging, waarbij het ministerie moest wijken als gevolg van een
boerenopmars naar Stockholm. In de Eerste Wereldoorlog bleef Zweden
neutraal; koning Gustaaf bracht een samenwerking met de andere, eveneens
neutrale Scandinavische rijken tot stand. Na de oorlog maakte Zweden
aanspraak op de Ålands Eilanden, die echter aan Finland werden
toegewezen. Nadat reeds in 1917 socialisten tot de regering waren
toegetreden, kreeg Zweden in 1920 zijn eerste, zeer kortstondige,
socialistische kabinet onder K.H. Branting. De sociaal-democratische
partij was van nu af aan de sterkste partij en sedert 1932 was zij bijna
onafgebroken aan de regering.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Zweden weer neutraal. De Russische
overval op Finland wekte in Zweden grote beroering en velen wilden
laatstgenoemd land te hulp komen. Een kabinetscrisis was het gevolg en
in dec. 1939 werd een nationaal kabinet gevormd, onder de sedert 1932
aan het bewind zijnde sociaal-democraat Per Albin Hansson, dat tot 1945
in functie bleef. Toen Noorwegen door de Duitsers was bezet, zag Zweden
zich genoodzaakt de doortocht van Duitse verlofgangers over Zweeds
gebied toe te staan. Aan deze met de neutraliteit strijdige toestand
kwam eerst medio 1943 een eind. Na de oorlog nam Tage Erlander de
leiding van Hansson over. Onder zijn bewind werd Zweden lid van de
Verenigde Naties, van de Raad van Europa, van de Organisatie voor
Europese Economische Samenwerking (de latere OESO). Zweden sloot zich
niet aan bij de Europese Gemeenschappen, wel bij de Europese Vrijhandels
Associatie. In zijn neutraliteitspolitiek paste ook geen lidmaatschap
van de NAVO. Koning Gustaaf V werd in 1950 opgevolgd door zijn zoon
Gustaaf VI Adolf.
6.5 De laatste jaren
Op binnenlands gebied streefde de sociaal-democratische regering, sedert
1969 geleid door Olof Palme, steeds meer naar sociale gelijkheid en
vooruitgang (algemeen volkspensioen, tewerkstelling, collectieve
arbeidsovereenkomsten, ombudsman, enz.). In sept. 1973 overleed koning
Gustaaf VI Adolf. Hij werd opgevolgd door zijn kleinzoon Karel XVI
Gustaaf, die echter door een grondwetswijziging geen enkele macht meer
heeft en een louter representatieve functie vervult. Hij huwde in 1976
met de West-Duitse Sylvia Sommerlath. In datzelfde jaar kwam er een
einde aan 44 jaar sociaal-democratisch bewind. De leider van de
Centrumpartij, Thorbjörn Fälldin, vormde samen met de liberale
volkspartij en de Conservatieven een nieuwe regering. In okt. 1978 viel
de regering-Fälldin op het vraagstuk van de kernenergie. Zij maakte
plaats voor een minderheidsregering onder leiding van Ola Ullsten
(Volkspartij), die een jaar later het veld moest ruimen voor de tweede
regering-Fälldin. Na een brede maatschappelijke discussie werd op 23
maart 1980 een volksreferendum over het kernenergiebeleid gehouden. De
tegenstanders van kernenergie (Fälldins Centrumpartij en de communisten)
verloren het van de voorstanders. De Centrumpartij accepteerde de
uitslag en Fälldin bleef aan. In 1981 verlieten de Conservatieven de
regeringscoalitie van Fälldin wegens onenigheid over een
belastinghervorming. Na de verkiezingen van sept. 1982 herwonnen de
sociaal-democraten onder leiding van Olof Palme hun oude positie. Palme
stelde zich internationaal op als advocaat van Derde-Wereldlanden en als
een van de belangrijkste pleitbezorgers van een wereldwijde ontwapening.
Na de moord op Palme (18 febr. 1986) werd de sociaal-democraat Ingvar
Carlsson minister-president. Hij voerde een pragmatischer koers dan zijn
voorganger. Toch trachtte ook hij de verworvenheden van het Zweedse
sociale verzekeringsstelsel te behouden. Onder zijn leiding kwam er een
verandering in Zwedens traditionele buitenlandse neutraliteitspolitiek.
In juli 1991 vroeg Zweden namelijk het lidmaatschap van de EG aan,
waarmee het land duidelijk maakte deel te willen hebben aan de opbouw
van een politieke Europese Unie.
Parlementsverkiezingen in 1991 brachten een overwinning voor de
Conservatieven. Carl Bildt werd minister-president van een
burgerlijk-conservatief coalitiekabinet. Hij voerde een rigoreus
bezuiningsbeleid om de in het slop geraakte Zweedse economie weer in het
gareel te krijgen. Tevens werd de privatisering van staatsbedrijven
aangekondigd. Op 1 jan. 1995 trad Zweden toe tot de EU.
Premier Bildt maakte zijn beleid van bezuinigingen en stimulering van
het particulier initiatief tot inzet van de verkiezingen van sept. 1994.
Zijn sociaal-democratische tegenstander Ingvar Carlsson kwam op voor het
behoud van de sociale voorzieningen. Zoals verwacht, verloor de
regeringscoalitie haar meerderheid bij de verkiezingen, maar de
Sociaal-Democratische Arbeiderspartij slaagde er niet in de absolute
meerderheid in de Rijksdag te veroveren. Carlsson wees samenwerking met
de Volkspartij en de uiterst linkse partijen af en presenteerde in okt.
een sociaal-democratisch minderheidskabinet. Op 1 jan. 1995 trad Zweden
toe tot de EU.
De enorme staatsschuld en het hoge begrotingstekort dwongen de
socialistische minderheidsregering tot harde maatregelen, waarbij een
zekere afbraak van de verzorgingsstaat onontkoombaar was. Het BNP
groeide in 1995 dankzij een stijgende export met bijna 4%. De
werkloosheid bleef hoog: officieel lag die rond de 7%, maar inclusief de
deelnemers aan werkverschaffings- en omscholingsprojecten was meer dan
13% van de beroepsbevolking zonder werk.
Oud-premier Carl Bildt volgde de Brit Lord Owen op als VN-bemiddelaar in
het conflict in het voormalig Joegoslavië.
Premier Carlsson, die in 1995 had laten weten zich in 1996 te willen
terugtrekken, werd in maart 1996 opgevolgd door zijn partijgenoot Göran
Persson. Persson, die Carlsson ook opvolgde als leider van de
Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, had als minister van Financiën
het begrotingstekort drastisch teruggebracht door o.a. te korten op de
uitkeringen en de belastingen te verhogen.
In sept. verklaarde Eugene de Kock, een voormalig leider van een
Zuid-Afrikaans doodseskader, tijdens een rechtszaak in Zuid-Afrika dat
een onderdeel van de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst verantwoordelijk
was voor de moord op de Zweedse oud-premier Olaf Palme in febr.1986.
Telefoongids Zweden
Postcodes
Zweden
|