header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Zwitserland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

Zwitserland (officieel: Duits: Schweizerische Eidgenossenschaft; Lat.: Confoederatio Helvetica [CH]; Fr.: Confédération suisse; Ital.: Confederazione svizzera; Raetoromaans: Confederaziun helvetica, of kortweg: Svizra), bondsstaat in Midden-Europa, 41.293 km2, met (1994) 7.019.019 inw. (170 inw. per km2); hoofdstad: Bern. Munteenheid is de Zwitserse frank (Sfr.), onderverdeeld in 100 Rappen. Nationale feestdag is 1 augustus, de dag waarop de eed van Rütli herdacht wordt (1291).

switz28.jpg

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De landschappelijke indeling van Zwitserland in Jura, Mittelland en Alpen, die resp. een zesde, een derde en de helft van het oppervlak van het land innemen, komt voort uit het geologische karakter.
De Jura vormt een wijde boog van Genève tot Schaffhausen. De binnenste boog, de Keten-Jura, is sterker geplooid dan de buitenste boog, de Tafel-Jura. Rivieren hebben veelal kloofachtige dwarsdalen, cluses, door deze ketens uitgeslepen. Bekend zijn de cluses van de Birs bij Moutier, die 450 m en 600 m diep zijn. De hoogste delen van de Jura liggen in het zuidwesten: Mont Tendre, 1683 m, La Dôle, 1680 m, en Chasseron, 1610 m.
Het Mittelland is een zich van het zuidwesten naar het noordoosten verbredend, sterk geaccidenteerd gebied tussen Jura en Alpen. In het Tertiair werden hier geweldige puinmassa's vanuit het jonge gebergte afgezet (molasse). Ze bestaat in het noordwesten uit fijne zanden, maar aan de voet van de Alpen uit puinwaaiers van de rivieren, nu verkit tot conglomeraten, de Nagelfluh. Doordat deze weerstandskrachtiger zijn en enigszins meegeplooid met de latere fasen van de alpine plooiing is hier een gebied van bergen ontstaan dat men de Vooralpen noemt. Hiertoe behoren o.a. Rochers de Naye (2045 m), Pilatus (2132 m) en Speer (1950 m). Met uitzondering van het Napf Gebergte is het gehele Mittelland door de Pleistocene gletsjers bedekt geweest. De grote gletsjers verenigden zich buiten de Alpen tijdens de glacialen tot een landijskap die zich uitstrekte tot de Jura. Morenenmateriaal en de vorming van talrijke grote en diepe meren getuigen hiervan.
De Alpen vormen een geologisch jong gebergte van zeer samengestelde structuur. Grote gebieden zijn vergletsjerd; totaal is 1950 km2 bedekt met het ijs van 140 gletsjers. De belangrijkste gletsjergebieden zijn: de Walliser Alpen met de Monte Rosa-groep (hier ligt ook het hoogste punt van Zwitserland, de Dufour Spitze, 4634 m), het Berner Oberland met Jungfrau, 4158 m en Finsteraarhorn, 4275 m en de Berninagroep met Piz Bernina, 4049 m. Gletsjers met een lengte van vijf tot tien kilometer komen op veel plaatsen voor, in Valais (Wallis) hebben de Gornergletsjer en de Fieschergletsjer een oppervlakte van resp. 70 en 40 km2. De grootste gletsjer is de Grosse Aletschgletsjer met een oppervlakte van 115 km2. Gletsjers komen vrijwel niet voor onder de 2000 m. Spectaculair is de terugtrekking van de Rhônegletsjer in de laatste eeuw, de eindmorenenwallen zijn tot bij Gletsch duidelijk herkenbaar en voor de toeristen van data voorzien.
In de richting van het gebergte lopen grote lengtedalen. De dalvorm is duidelijk glaciaal bepaald. Fraaie voorbeelden van zgn. trogdalen zijn het Boven-Rhônedal (Goms), het Lauterbrunnendal en het dal van de Voor-Rijn. Op vele plaatsen is de trogvorm versluierd door puinwaaiers en bergstortingen. De grote Flimser Sturz in het dal van de Voor-Rijn heeft de Rijn gedwongen zich door het puin over een afstand van 15 km een diepe kloof uit te schuren. In hun lengteprofiel gezien zijn de dalen trapvormig. Door selectieve erosie van het ijs en door extra druk bij samenvloeiing van gletsjers zijn afwisselend bekkens en drempels ontstaan. In deze drempels zijn soms al onder het ijs nauwe kloofdalen ontstaan. Beroemd is de Aareschlucht in de drempel bij Meiringen, 1500 m lang, 200 m diep en op vele plaatsen slechts 1 m breed. Fraaie voorbeelden van trapbouw zijn te herkennen in het Haslital (Boven-Aare), Val d'Entremont (Drance) en de Schöllenen (Boven-Reuss). De monding van zijdalen in het hoofddal ligt soms duidelijk hoger dan het hoofddal zelf, doordat de kleinere zijgletsjers minder diep uitsleten dan de hoofdgletsjer. Deze zgn. zwevende dalen zijn oorzaak van grote watervallen, zoals de 300 m hoge Staubbachfall in het Lauterbrunnendal of van Schlucht-vorming, zoals de zuidelijke zijdalen van de Rhône vertonen: Visp Tal, Val d'Anniviers en Val d'Hérens. Indrukwekkend zijn de Trümmelbachfälle, een stelsel van zeven watervallen die omlaagstorten in het Lauterbrunnendal.
De meren in de Alpen zijn van glaciale oorsprong, en wel ten gevolge van glaciale erosie. In de meren zijn plaatselijk delta's gevormd. De landstrook Bödeli, waarop Interlaken ligt, is de delta van de Lütschine, die een groot meer heeft verdeeld in het Thuner en het Brienzer Meer.
Het Gotthardmassief is het knooppunt van Europese waterscheidingen. Vanhier stroomt de Rijn naar de Noordzee, de Rhône naar de Middellandse Zee, de Ticino via de Po naar de Adriatische Zee en de Inn via de Donau naar de Zwarte Zee. De Rijn is de belangrijkste rivier van Zwitserland, ofschoon zijn economisch aantrekkelijke bevaarbaarheid pas bij de grens, bij Basel, begint. Bij Schaffhausen ligt de grootste waterval van Europa. De voornaamste zijrivier is de Aare die de Limmat, Reuss en Saane als zijrivieren heeft. De belangrijkste rivier in de Jura is de Doubs die bij Le Locle de fraaie waterval, de Saut du Doubs, vormt. De Rhône ontwatert het zuidwesten van Zwitserland. Bij Brig wordt de watermassa verdubbeld door de Massa, de afwatering van de Aletschgletsjer. De Visp, Navigende, Borgne en Dixence brengen het water van de Monte Rosa-groep naar de Rhône en bij Genève komt de Arve vanuit het Mont Blancmassief erin. Het oosten van Zwitserland watert af via de Inn, welke het grote Engadindal vormt, het Landwasser, de Albula en de Julia, welke laatste twee in de Rijn afwateren. In het zuiden stroomt de Ticino door het Lago Maggiore. Alle Alpenrivieren stromen door grote meren; hierdoor wordt de waterstand gereguleerd en de rivier van puin en slib gezuiverd.
De Zwitserse rivieren lenen zich uitstekend voor de aanleg van waterkrachtwerken. De grote werken in het Haslidal zijn hiervan een voorbeeld. De hoogste stuwdammen zijn de 284 m hoge Barrage de la Grande Dixence (Val d'Hérémence) en de 237 m hoge Barrage de Mauvoisin (Val de Bagnes).
1.2 Klimaat
Het klimaat van Zwitserland vormt een overgang van het oceanische naar het continentale type. De bijzondere bodemgesteldheid beïnvloedt echter zeer sterk het klimaattype van de verschillende landsdelen. Met name vormen de Alpen een scheidslijn tussen het ruwere Midden-Europese klimaat ten noorden ervan en het meer mediterrane type in het zuiden.
De hoogteligging is van beslissende invloed op de temperatuur van de verschillende plaatsen, terwijl ook de ligging op de noordelijke of de zuidelijke berghelling grote betekenis heeft voor de duur van de zonbestraling en daarmede voor de plantengroei. Hierdoor komt in Zwitserland een grote verscheidenheid van klimaten voor, van arctische klimaten af (hooggebergte boven de sneeuwgrens) tot vrijwel mediterrane klimaten toe (zuidelijke Alpendalen). In de winter doet zich bovendien het verschijnsel van de omkering van de temperatuur voor, wanneer zwaardere koude lucht in de dalen en op de hoogvlakte ligt en daar sterke nevelvorming veroorzaakt, terwijl in de hogere delen de zonnestraling hogere temperaturen tot gevolg heeft.
Vochtige westenwinden overwegen. De oostenwinden (aan het Meer van Genève bise) veroorzaken in Zwitserland stil en helder weer. Een hogedrukgebied in de Povlakte en met name een lagedrukgebied boven Frankrijk veroorzaken de Zuid-Föhn, die in de zuidelijke Alpendalen met sterke stijgingsregen gepaard gaat en in de noordelijke dalen als warme, droge valwind optreedt, de sneeuw doet smelten en het lawinegevaar verhoogt. In andere delen van het land treden lokale winden op als berg- en dalwinden; aan de binnenrand van de Jura komen valwinden voor.
Zwitserland is tamelijk rijk aan neerslag. Alpen en Jura noodzaken de vochtige westenwinden tot stijgen en tot afgifte van neerslag, die dan ook het rijkelijkst valt aan de loefzijde van de Jura en aan de west- en noordrand van de Alpen. Als gevolg hiervan bevinden zich op de hoogvlakte achter de Jura en in vele Alpendalen gebieden in de regenschaduw, met veel geringer neerslag. In Valais en in het Engadin is deze regenschaduw aan de lijzijde van de gebergten zo sterk, dat men daar voor de landbouw kunstmatige bevloeiing moet toepassen. In het hooggebergte valt een deel van de neerslag in de vorm van sneeuw, waarmee een belangrijke hoeveelheid water wordt gebonden, die in het voorjaar vrijkomt en zo veel bijdraagt tot de stabiliteit van de waterhuishouding.
1.3 Plantengroei
Door de grote hoogteverschillen en de gevarieerde geologische gesteldheid heeft Zwitserland een rijke, typisch Midden-Europese flora met verschillende hoogtezones (zie Alpen): gemengd loofbos in de lagere delen (tot ca. 600 m en tot 800 m in het zuiden), althans waar deze zone niet in cultuur is gebracht; hierboven naaldbossen (tot ca. 1600 m in de Jura en in de Alpen tot ca. 2300 m), en daarboven alpine vegetatie. Deze bestaat uit eerst een toendra-achtige vegetatie met dwergstruiken, en daarboven alpenweiden. Op nog grotere hoogte leven geen hogere planten meer. In zuidelijke dalen heeft de flora een mediterrane inslag.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld van Zwitserland is alpien van karakter; de samenstelling is goeddeels bepaald door het bergachtige karakter van het land en door het feit dat het land deel uitmaakt van de Palaearctische Regio. Typisch alpine soorten zijn gems en steenbok (beide na een lange diepteperiode weer sterk toenemend in aantal), alpenmarmot, sneeuwmuis en sneeuwhaas. Onder de vogels zijn vooral lammergier, sneeuwhoen, rotskruiper, alpenkraai en alpenkauw te noemen; voorts de zwarte landsalamander, alpenwatersalamander, zoetwatervissen van het geslacht Coregonus en andere zalmachtigen, apollovlinder, sneeuw- en gletsjervlooien. Een aantal van de bergdieren zijn in wezen soorten die aan een koud klimaat aangepast zijn; deze zijn dan ook elders in Noord-Europa te vinden (sneeuwhaas, sneeuwhoen e.a.) - andere zijn puur alpine elementen. De lagere gedeelten huisvesten een Midden-Europese fauna; grote roofdieren als bruine beer, wolf en lynx zijn reeds lang geleden uitgeroeid, de wilde kat komt nog in de Jura voor. Bepaalde dieren komen tot hoog in de bergen voor, o.a. de mol tot 2500 m en de adder tot 3000 m. In Italiaans Zwitserland heeft de fauna een Noord-Italiaans-Mediterraan karakter met o.a. blinde mol, Italiaanse egel, Italiaanse mus, esculaapslang, smaragdhagedis en kleine schorpioenen. Door de meestal niet zeer dichte bevolking en de strikt gereguleerde jacht wordt de fauna weinig bedreigd; men doet momenteel pogingen uitgeroeide soorten als lynx en lammergier opnieuw uit te zetten. Van de talrijke beschermde gebieden heeft het Zwitserse Nationale Park (gesticht 1914) in het Engadin, Graubünden, wereldfaam verworven; men kampt hier o.a. met problemen inzake overbeweiding door de herten omdat er geen grote roofdieren zijn. Dit nationale park is tevens centrum van wetenschappelijk onderzoek.

switz26.jpg

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat uit Zwitsers en een hoog percentage (ca. 17%) buitenlanders, vnl. werknemers (Italianen, Spanjaarden, Joegoslaven [vnl. Kroaten en Bosniërs], Duitsers en Turken). In 1995 bedroeg het aantal buitenlanders 1!363!590 miljoen; in 1995 woonden 541.302 Zwitsers in het buitenland. De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1985-1994 1%. Het geboortecijfer bedroeg in 1993 12‰, het sterftecijfer 9‰. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte was in 1994 75 jaar voor mannen en 81 jaar voor vrouwen. Ten gevolge van de landschappelijke gesteldheid is de spreiding van de bevolking ongelijk: grote bevolkingsdichtheid is er in het Mittelland, m.n. in de rivierdalen van de Aare en de Limat en aan het meer van Genève. Ruim 60% woont in steden van meer dan 10.000 inwoners. De grootste steden zijn Zürich (343.869 inw.; aggl. 835.000 inw.), Basel (175.560; aggl.: 361.000), Genève (172.740; aggl.: 380.000), Bern (128.420; aggl.: 300.000), Lausanne (116.790; aggl.: 260.000), Winterthur (87.654; aggl.: 107.000), Sankt Gallen (73.000; aggl.: 125.000) en Luzern (59!000; aggl.: 160.000).
2.2 Taal
Zwitserland heeft vier officiële talen: Duits, Frans, Italiaans en (sedert 1938 erkend) Raetoromaans. Volgens de laatste cijfers (1990) spreekt 63, 7% van de bevolking Duits, 19,2% Frans, 7,6% Italiaans en 0,6% Raetoromaans (ca. 56.000 personen). Het merendeel van de bevolking is tweetalig. Italiaans overweegt in het kanton Ticino, Frans in de kantons Vaud, Neuchâtel en Genève; gemengd Frans en Duits zijn de kantons Bern, Fribourg en Valais, en gemengd Duits, Italiaans en Raetoromaans het kanton Graubünden; in de overige kantons wordt overwegend Duits gesproken. De meeste Duits sprekende Zwitsers bedienen zich van het Schwyzerdütsch. Alle taalgroepen hebben dezelfde rechten. Het aantal dialecten is in alle talen, vooral in het Duits sprekende gedeelte, zeer groot.
2.3 Religie
Het christendom werd eind 2de eeuw vanuit Gallië en Noord-Italië in Zwitserland verbreid; later kwamen Ierse monniken, o.a. Gallus (ca. 550-ca. 630), maar de organisatie van de kerk vond pas in de Karolingische tijd plaats. In de 16de eeuw is de reformatie ingevoerd. Zwingli, Bullinger, Oecolampadius en Calvijn waren de voornaamste hervormers. De laatste wist in 1549 door de Consensus Tigurinus de gereformeerde kerken tot eenheid te brengen; Bullinger legde de grondslag voor de Confessio Helvetica II. Ook de doperse reformatie begon in Zwitserland (zie anabaptisten), maar door heftige vervolgingen werden de dopers verspreid en bleef slechts een kleine groep in Zwitserland achter. De katholieke en gereformeerde kantons hebben herhaaldelijk strijd geleverd (1531 en nog in 1847). Als oplossing gold lange tijd het principe cuius regio eius religio (in wiens gebied men woont diens godsdienst belijdt men).
Sinds de grondwet van 1848 hebben alle confessies gelijke rechten; aan jezuïeten was het echter tot 1973 verboden in Zwitserland te werken en nieuwe bisdommen en kloosters mogen slechts na goedkeuring van de landsregering worden opgericht. In 1990 was 46, 1% van de bevolking rooms-katholiek en 40% protestant; kleine minderheden vormen de leden van de Christlich Katholische Kirche en de oud-katholieken (samen ca. 0,5%), de orthodoxen en de joden (ieder ca. 0,3%). De Rooms-Katholieke Kerk in Zwitserland vormt geen eigen kerkprovincie, maar heeft zes, rechtstreeks van de H. Stoel afhankelijke bisdommen: Basel (zetel in Solothurn), Chur, Sankt Gallen, Ticino (zetel in Lugano), Lausanne-Genève-Fribourg (zetel in Fribourg) en Sion, alsmede twee abdijen nullius (Einsiedeln en Saint-Maurice).
De kantonnale gereformeerde kerken stichtten in 1920 de Zwitserse Evangelische Kerkenbond, die evenals de Christlich Katholische Kirche lid is van de Wereldraad van Kerken. Te Genève zijn zowel de Wereldraad van Kerken als de lutherse, hervormde en methodistische wereldbonden gevestigd.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet (1848, gewijzigd 1874) is Zwitserland een democratische bondsstaat, bestaande uit kantons (zie § 3.2). De wetgevende macht is in handen van de Bondsvergadering (Bundesversammlung; Assemblée fédérale; Assemblea federale), die twee kamers omvat: de Ständerat (Conseil des États; Consiglio degli Stati) met 46 leden (twee uit ieder kanton; de halfkantons zenden ieder één afgevaardigde), door de kantons gekozen met een zittingsduur die door de kantonnale regering wordt bepaald, en de Nationale Raad (Nationalrat, Conseil national, Consiglio nazionale) met 200 leden, voor vier jaar gekozen volgens algemeen direct kiesrecht. De uitvoerende macht berust bij de te Bern zetelende Bondsraad (Bundesrat, Conseil fédéral, Consiglio federale), die zeven leden telt, voor vier jaar gekozen door de Bondsvergadering. De Bondsraad heeft de functie van staatshoofd en is niet afhankelijk van het vertrouwen van het parlement. De zeven leden hebben elk een departement onder zich (Buitenlandse Zaken; Binnenlandse Zaken; Justitie en Politie; Defensie; Financiën; Landbouw en Industrie; Transport, Communicatie en Energie). Jaarlijks kiest de Bondsvergadering een van de leden van de Bondsraad tot bondspresident (geen staatshoofd, maar een voorzittersfunctie). Het volk kan direct controle uitoefenen: ten minste 50.000 burgers of zes kantonregeringen kunnen binnen 90 dagen eisen dat het volk over een besluit van de Bondsvergadering per referendum beslist. Ook kan door volksinitiatief (ten minste 100.000 stemgerechtigde burgers) een voorstel tot grondwetswijziging worden ingediend.
Bij de Grondwet is geregeld welke bevoegdheden de Bondsstaat bezit. Hieronder vallen o.m. Buitenlandse Zaken, tolunie, Defensie, geldwezen, PTT, telecommunicatie en de circulatiebank; ook een aantal sociale voorzieningen, zoals het pensioen, wordt federaal geregeld. Onder de federale belastingen vallen o.m. accijns op alcohol en tabak. Wegenaanleg en inkomstenbelasting, bijvoorbeeld, vallen onder de verantwoordelijkheid van de kantons; de Schweizerische Bundesbahnen behoren tot de Bondsstaat, zij het met omvangrijke autonomie op het gebied van financiën en beheer.
Algemeen stemrecht vanaf 18 jaar bestaat in Zwitserland pas sinds 3 maart 1991 en geldt tevens voor de Zwitsers die in het buitenland wonen. Het vrouwenkiesrecht (actief en passief) werd pas in 1971 op federaal niveau ingevoerd. Op kantonaal resp. gemeenteniveau is het slechts geleidelijk doorgevoerd; in 1990 werd het in het laatste kanton (Appenzell) ingevoerd. In 1981 werd de gelijkstelling van man en vrouw, met name in het gezin, het onderwijs en het werk, in de federale grondwet opgenomen, alsmede het recht op gelijke beloning voor gelijk werk.
Een totale herziening van de grondwet is in discussie. O.a. moeten de grondrechten met een aantal sociale rechten worden uitgebreid en de competenties tussen de bondsstaat en de kantons opnieuw verdeeld worden. Voorts dient de 'directe democratie' door middel van 'volksinitiatieven' effectiever opgezet te worden. De vertegenwoordiging in de Ständerat ten gunste van de dichtbevolkte kantons moet vergroot worden en ten slotte moet in zo'n nieuwe grondwet rekening gehouden worden met de nieuwe opvattingen over milieubescherming.
3.2 Administratieve indeling
Zwitserland omvat sinds 1978 26 (officieel 23) kantons, waarvan er drie onderverdeeld zijn in halfkantons. Zij genieten een grote mate van autonomie, echter binnen het raam van de federale grondwet; zij mogen onderling geen bijzondere banden van politieke aard aangaan. In alle kantons worden de functies van een parlement vervuld door een, door alle stemgerechtigde burgers gekozen, kantonsraad of Grote Raad; in alle kantonnale grondwetten echter (behalve die welke het instituut van de Landesgemeinde kennen) is vastgelegd dat over alle wetten, belangrijke financiële beslissingen en grondwetswijzigingen een referendum moet worden gehouden. In de (berg)kantons Appenzell, Glarus en Unterwalden oefenen de burgers directe macht uit in de Landesgemeinde, een jaarlijks (de laatste zondag van april of de eerste zondag van mei) in de open lucht gehouden vergadering van alle burgers, die door handopsteken beslissen over alle belangrijke vraagstukken. In alle kantons hebben de burgers initiatiefrecht, zowel in constitutionele als in wetszaken. De grote kantons zijn onderverdeeld in districten (Amtsbezirke), bestaande uit een aantal gemeenten; aan het hoofd van ieder district staat een prefect (Regierungsstatthalter), die de kantonnale regering vertegenwoordigt.
De gemeenten (bijna 3000) spelen een belangrijke rol in de Zwitserse democratie. Op tal van terreinen beslist de gemeente over de gestelde vragen; bij verschil van mening komt de kantonsregering in actie. Veel betekenend is ook dat een buitenlander die de Zwitserse nationaliteit wenst te verwerven, eerst als burger in een gemeente moet zijn geaccepteerd; is dat het geval, dan krijgt hij een pas als burger van een kanton.
3.3 Rechtswezen
Het gecodificeerde Zwitserse recht in de vorm van het Zivilgesetzbuch wordt buiten Zwitserland als een modelwetboek beschouwd en heeft grote invloed op de jurisprudentie gehad. De rechtspraak is verdeeld tussen federale en kantonnale gerechten. Hoogste rechtsprekende instantie is het Bundesgericht te Lausanne. Kantonnale rechters worden vaak gekozen.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Zwitserland is lid van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA), de Raad van Europa, het IMF, de Wereldbank, de OESO en de GATT. Zwitserland is geen lid van de Verenigde Naties (in 1986 stemde 76% tegen 24% van de bevolking nog tegen toetreding), maar wel van enkele suborganisaties van de Verenigde Naties, zoals de FAO, ILO, WHO en UNESCO. Voorts heeft het een vrijhandelsakkoord met de EU. Vele internationale instellingen hebben hun zetel in Zwitserland, m.n. in Genève [aardrijkskunde]2 en omgeving.
3.5 Defensie
Er bestaat algemene dienstplicht voor de leeftijd van 20 tot 42 jaar (officieren 52 jaar). Gedurende de gehele dienstplichtige periode wordt men regelmatig voor oefeningen opgeroepen. Het oppercommando wordt, ook in het geval van een oorlog, door de voltallige Bondsraad uitgeoefend.
3.6 Sociale en medische voorzieningen
Er is een uitgebreid stelsel van sociale verzekeringen; een aantal sociale verzekeringen is verplicht en wordt door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen verzorgd. De ziektekostenverzekering kan geschieden d.m.v. ziekenfondsen. De gezondheidszorg staat op een hoog peil.
3.7 Politieke partijen en vakbonden
De belangrijkste politieke partijen zijn: Freisinnig-Demokratische Partei (FDP), opgericht in 1847; liberale middenstandspartij; de Christlichdemokratische Volkspartei (CVP), opgericht in 1912, vnl. rooms-katholiek van ideologie en zich sterk verzettend tegen centralisatie; de Sozialdemokratische Partei (SP), opgericht in 1888, een gematigd sociaal-democratische partij; Schweizerische Volkspartei (SVP), een partij van boeren en handeldrijvende middenstand; Evangelische Volkspartei (EVP), opgericht in 1919 als een confessionele partij; Liberale Partei der Schweiz (LPS), opgericht in 1977; Schweizer Demokraten (SD), voortkomend uit de Nationale Aktion für Volk und Heimat (NA), opgericht in 1970; Grüne Partei der Schweiz (GPS), opgericht in 1983, gematigd, voor de bescherming van het milieu.
De twee belangrijkste vakbonden zijn: Schweizerische Gewerkschaftsbund en de Christlich Nationale Gewerkschaftsbund der Schweiz. De werkgevers zijn verenigd in het Zentralverband der Schweizerischen Arbeitgebervereinigungen.
3.8 Onderwijs
Onderwijs is primair een kantonnale aangelegenheid. In veel gevallen, m.n. voor zover het lager onderwijs betreft, worden onderwijszaken door de gemeenten geregeld en ook grotendeels door de gemeenten bekostigd. In alle kantons is lager onderwijs gratis. Sinds 1874 bestaat in alle kantons leerplicht, maar de leerplichtige leeftijd is niet in alle kantons gelijk. Voor het gehele land geldt een leerplichttijd van acht tot tien jaar. Er wordt les gegeven in de vier officiële talen; op de 'Volksschulen' is het leren van ten minste twee van de officiële talen verplicht. Er zijn zeven universiteiten: in Basel, Bern, Fribourg, Genève, Lausanne, Neuchâtel en Zürich; het hoger onderwijs omvat voorts o.m. twee technische hogescholen (onder beheer van de Eidgenossenschaft) in Zürich en in Lausanne, een hogeschool voor economische en sociale wetenschappen (Sankt Gallen) en een theologische faculteit (Luzern). Zwitserland kent een groot aantal bijzondere beroepsopleidingen, zoals hotelvakscholen, kunstacademies, conservatoria e.d., en veel privéscholen (internaten), die vaak door buitenlanders worden bezocht. Bijzondere vermelding verdienen het kinderdorp Pestalozzi in Trogen en het Pestalozzianum in Zürich, een stichting tot bevordering van het Zwitserse schoolwezen, van de geschiedenis van het onderwijs en van het Pestalozzi-onderzoek.
3.9 Pers en omroep
Zwitserland heeft een bijzonder rijk geschakeerde pers, met een groot aantal dagbladen, waarvan de meeste een kleine oplage hebben (103 dagbladen, waarvan 12 een oplage halen van boven de 50.000 ex.). Van nationale en internationale betekenis is de Neue Zürcher Zeitung. Verder zijn van belang: de Tages-Anzeiger, Der Bund, Basler Zeitung, Journal de Genève (ook veel in het buitenland gelezen), Gazette de Lausanne, Tagblatt der Stadt Zürich, Berner Zeitung, Corriere del Ticino en Il Dovere. Bekende weekbladen zijn: Die Weltwoche, Nouvelle Revue de Lausanne en Der schweizerische Beobachter. Radio- en televisieuitzendingen worden verzorgd door de Schweizerische Rundfunk- und Fernsehgesellschaft, Société Suisse de Radiofussion et Télévision (SRG), een onafhankelijke instelling die in de vier landstalen uitzendt.

4. Economie
4.1 Algemeen
Zwitserland heeft een vrije markteconomie waarin het particuliere initiatief een overheersende positie heeft. De ontwikkeling van de economie sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt gekenmerkt door een voortdurende stijging van werkgelegenheid, productie en uiteindelijke levensstandaard, zodat Zwitserland een van de rijkste landen ter wereld, met het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking (bnp: $ 37.180), is. In de periode 1980-1990 bedroeg de economische groei gemiddeld 1,5% per jaar, sindsdien nog maar 0,1%. Aan het begin van de jaren negentig ontstond een stagflatie, die o.a. resulteerde in een hoge inflatie (5 à 6%), een hogere werkloosheid (4,2% in 1995) en een afname van de economische groei. In dec. 1992 stemde een meerderheid van de Zwitserse bevolking tegen toetreding tot de Europese Economische Ruimte (EER), een interne markt van de EU- en de EVA-landen.
4.2 Landbouw, veehouderij en bosbouw
Slechts een klein deel van het oppervlak van het land is geschikt voor de landbouw, maar dankzij uiterst moderne landbouwtechnieken kan Zwitserland in ca. 68% van zijn behoefte aan voedsel zelf voorzien. 5,5% van de beroepsbevolking is nog in de landbouw werkzaam (tegen 30% rond de eeuwwisseling). De belangrijkste akkerbouwgebieden liggen in het Mittelland, in het noorden van het kanton Jura en in de rivierdalen; fruitteelt is vnl. geconcentreerd in Valais en aan de oevers van het Meer van Genève en van de Bodensee. De belangrijkste landbouwproducten zijn granen, aardappelen en suikerbieten. De belangrijkste tak van de agrarische sector is de veehouderij (vnl. runderen). De veehouderij legt zich vnl. toe op melkproductie voor zuivelproducten. Kaas is het belangrijkste exportartikel in deze sector. Wijnbouw vindt plaats in bijna heel Zwitserland. In Graubünden is omvangrijke verwerking van wijndruiven uit Italiaanse wijngaarden die Zwitsers eigendom zijn (Valtellina, dat vroeger tot Graubünden behoorde).
Ca. een kwart van het oppervlak is met bos bedekt; de exploitatie van de bossen levert voldoende op om de binnenlandse behoefte aan hout te kunnen dekken. Een bedreiging voor het bosbestand is de hoge concentratie van schadelijke stoffen in de lucht en, als gevolg daarvan, de zure regen. In 1990 had nog maar 39% van alle bomen geen meetbare schade ondervonden van de luchtvervuiling. Ook het skitoerisme vormt een bedreiging voor het woudbestand, m.n. erosie en lawines als gevolg van ontbossing ten behoeve van skipistes.
4.3 Industrie
Ondanks het ontbreken van grondstoffen heeft de Zwitserse industrie zich in snel tempo tot een belangrijke economische sector ontwikkeld. Sedert 1939 is het aantal in de industrie werkzame personen met ruim 50% gestegen. Kenmerkend voor de industrie is fabricage van hoogwaardige producten die vrijwel alle voor export zijn bestemd. De machine- en metaalindustrie (machines voor de uurwerk- en textielindustrie, dieselmotoren, locomotieven, landbouwwerktuigen, drukpersen, vliegtuigonderdelen) is binnen de sector de belangrijkste tak, verantwoordelijk voor 45% van het totale exportpakket. Tevens is deze tak de grootste werkverschaffer.
Van groot belang is nog steeds (ondanks zware concurrentie uit het buitenland in de laatste decennia) de horloge- en klokkenindustrie, vnl. geconcentreerd in de Jura (La Chaux-de-Fonds, Le Locle, Biel, Neuchâtel), en de daarmee samenhangende vervaardiging van meet- en regelapparatuur, die overigens in toenemende mate, onder auspiciën van Zwitserse maatschappijen, in derdewereldlanden plaatsvindt. Tweede belangrijke sector is de chemische en farmaceutische (geneesmiddelen) industrie. Ook de levens- en genotmiddelenindustrie (chocolade) is van belang, evenals de textielindustrie. De grafische industrie staat op een hoog peil. De belangrijkste industriecentra zijn Zürich, Winterthur, Basel, Aarau-Lenzburg, Baden, Sankt Gallen, Bern en Genève.
4.4 Energievoorziening
De elektrische energievoorziening geschiedt door middel van waterkrachtcentrales (59% in 1992) en kerncentrales (41, 3%). In 1990 sprak de Zwitserse bevolking zich per referendum uit voor een moratorium van tien jaar op de bouw van nieuwe kernenergiecentrales.
4.5 Handel
De handel met het buitenland is van vitaal belang voor de Zwitserse economie. De voornaamste exportproducten zijn: chemische producten, klokken, horloges, meet- en regelapparatuur, machines en technische apparatuur. De belangrijkste afnemers zijn de EU-landen en de Verenigde Staten. Ingevoerd worden: aardolie, ijzer- en staalproducten, voedingsmiddelen. Belangrijkste leveranciers zijn de EU-landen. Japan is eveneens een belangrijke handelspartner geworden.
4.6 Bankwezen
Het bankwezen en het verzekeringswezen met zijn talrijke buitenlandse vertakkingen spelen een zeer belangrijke rol in het economisch leven. Centrale bank is de Schweizerische Nationalbank (SNB; Banque Nationale Suisse, Banca Nazionale Svizzera), waarvan het hoofdkantoor gesplitst is in een afdeling in Bern en een in Zürich. Zij verzorgt o.m. de bankbiljettencirculatie en oefent toezicht uit op het overige bankwezen, welk toezicht overigens minder intensief is dan in de meeste andere landen. Er zijn vier grote banken die over een uitgebreid filialennet beschikken, 29 kantonnale banken, 204 regionale banken en spaarkassen, twee Raiffeisenkassenbonden en 197 andere banken. Het balanstotaal van alle Zwitserse banken en financiële instellingen bedroeg in mei 1990 Sfr. 1015 miljard.
Typerend voor het Zwitserse bankwezen zijn de kantonnale banken, overwegend eigendom van de kantons. Hun activiteiten zijn beperkt tot het grondgebied van hun kanton. De grote Zwitserse banken (w.o. Schweizerische Bankgesellschaft, Schweizerischer Bankverein en Schweizerische Kreditanstalt) behoren tot de belangrijkste financiële instellingen ter wereld. Zij zijn betrokken bij talrijke internationale projekten en hun knowhow is een belangrijk exportartikel. Volgens de bankwet is geen enkele bank verplicht een jaarverslag te publiceren; het bankgeheim maakt het land zeer aantrekkelijk voor buitenlands kapitaal. Op het bankgeheim is de laatste jaren steeds meer kritiek gekomen, omdat het criminelen in staat stelt hun op illegale wijze (drugshandel en diefstal van overheidsgeld) verdiende geld zeker te stellen. Ook zouden de banken joods kapitaal achterhouden en nazi-transacties hebben verricht.
4.7 Toerisme
Het toerisme is een van de belangrijkste bronnen van inkomsten en een aanzienlijke werkverschaffer. Zwitserland heeft een langdurige ervaring met het massatoerisme, wat zijn weerslag ook vindt in het feit dat talloze beroemde hotelvakscholen in het land zijn gevestigd. In 1995 boekte het land 18,4 miljoen gasten.
4.8 Verkeer
Door zijn ligging is Zwitserland een belangrijk doorgangsland. Het wegennet (71.000 km; 1300 km snelweg) is daaraan aangepast en bevindt zich in goede staat. In 1980 werd de Sint-Gotthard-autotunnel, toen de langste ter wereld, in bedrijf gesteld. Het spoorwegnet (ruim 5000 km; bijna een derde smalspoor), dat vrijwel geheel geëlektrificeerd is, wordt voor het merendeel geëxploiteerd door de Schweizerische Bundesbahnen (SBB/CFF/FFS). Er zijn veel kleine (particuliere) spoorweg- (en autobus)maatschappijen voor lokaal vervoer, die tezamen ca. 45% van het net exploiteren. De bezettingsgraad is de hoogste van Europa en (op Japan na) zelfs van de wereld. Door de topografische omstandigheden heeft het spoorwegnet een gecompliceerd karakter met veel tunnels en viaducten, wat hoge onderhoudskosten met zich brengt.
Het scheepvaartverkeer, met name op de talrijke meren, wordt deels door de SBB (Bodensee), deels door de Bern-Lötschberg-Simplon-lijn (Thuner- en Brienzersee) en deels door particuliere rederijen onderhouden en is van groot belang voor het toeristische verkeer. Zwitserland beschikt over een aanzienlijke vloot van schepen voor de Rijnvaart; daarnaast bestaat er een koopvaardijvloot, die zijn thuishaven in buitenlandse havens heeft.
Nationale luchtvaartmaatschappij is Swissair. Zürich, Genève, Basel en Bern hebben internationale luchthavens. Het regionale verkeer met kleine vliegtuigen wordt uitgevoerd door Crossair, Balair en CTA.

5. Geschiedenis
5.1 Eedgenootschap
Het gebied dat nu Zwitserland vormt, was reeds in voorhistorische tijden bewoond (holbewoners en bouwers van paalwoningen). De eerste historisch duidelijk te traceren bevolkingsgroep zijn de Helvetiërs, een Keltisch volk dat ca. 200 v.C. vanuit Zuidwest-Duitsland naar het westen van Zwitserland trok. In 58 v.C. werden de Helvetiërs door Caesar bij Bibracte (Gallië) teruggeslagen. Een Alpenveldtocht van Drusus en Tiberius (15 v.C.) bracht de definitieve onderwerping van de Helvetiërs, een lot dat ook de in het zuidoosten van Zwitserland gevestigde Raëtiërs (zie Raetia) trof. Tijdens de Romeinse tijd was in de 2de eeuw n.C. sprake van een bloeiperiode. Sedert ca. 259 deden de Alamannen verwoestende invallen in het gebied, dat na het vertrek van de Romeinen (ca. 400) in de loop van de 5de eeuw door de Alamannen en de Bourgondiërs werd bezet. In 534 werden de Bourgondiërs en in 536 de Alamannen ingelijfd bij het Frankische Rijk. De kerstening van het land, die in de 4de eeuw was begonnen, kwam ca. 600 door het optreden van de missionarissen Columbanus en Gallus definitief tot stand; naar deze laatste is het in 719 gestichte klooster van Sankt Gallen genoemd.
Na de verschillende delingen van het Frankische Rijk kwam Zwitserland in 1033 in zijn geheel aan het Duitse Rijk; het land raakte echter zeer versnipperd in een groot aantal territoriale gebieden en gebiedjes, die zeer ingewikkeld door elkaar heen lagen. Het rijksgezag was miniem en de adel oefende een dermate zware druk uit op de bevolking, dat al vrij spoedig volksbewegingen tegen de adel voorkwamen. Zo sloten in Midden-Zwitserland, in aansluiting op de marke- of Allmend-gemeenschap, de boeren zich aaneen tot dalgenootschappen, tegen de willekeur zowel van de adel als die van de 'rijksvoogden'. Van de adellijke bezittingen waren in het noordwesten die van het geslacht Zähringen belangrijk, na 1250 in het noordoosten die van het geslacht Habsburg. De straffe wijze van besturen, alsmede de machtspolitiek van laatstgenoemd geslacht leidde tot een opstand in het Duitse deel van Zwitserland. De gebieden ( 'Waldstätte') Uri, Schwyz (resp. sinds 1231 en 1240 'rijksvrij') en Unterwalden (het tegenwoordige Ob- en Nidwalden), de zgn. oerkantons (kern van het Eedgenootschap, zie hierna), sloten op 1 aug. 1291 een 'eeuwig verbond' (vgl. Rütli) tegen de Habsburgers, die sinds 1273 de troon in het rijk bezetten en de Gotthardpas wilden beheersen. Legendarische figuren uit deze periode zijn Wilhelm Tell en de Habsburgse landvoogd Gessler.
Een gelukkige omstandigheid voor de Zwitsers was dat de Habsburgers bij hun streven hun macht in het rijk zoveel mogelijk uit te breiden, bij andere Duitse vorsten tegenstand ondervonden, zodat meestal koningen uit andere Huizen tot keizer werden gekozen. Zo bevestigde de Luxemburgse keizer Hendrik VII de oerkantons in hun privileges en verschafte die ook aan Unterwalden (1309) en ondervonden de Zwitsers bij hun streven naar onafhankelijkheid veel steun van de kant van de Beierse Wittelbachs. Beslissend was de ernstige nederlaag die zij in 1315 bij Morgarten aan het ridderleger van de Habsburg Leopold toebrachten. In hetzelfde jaar hernieuwden de oerkantons hun bond te Brunnen; zij namen daarin nu ook andere Habsburgse of door de Habsburgers bedreigde steden en gebieden op: Luzern (1332), Zürich (1351), Glarus (1352), Zug (1352, 1368 en 1389), Bern (1353). Zo ontwikkelde zich de bond van de drie oerkantons - waarvan de naam van Schwyz ten slotte overging op het geheel - tot het Eedgenootschap, de zgn. Achtörtige Eidgenossenschaft. Uit de slagen bij Sempach (1386) en Näfels (1388) bleek dat het voetvolk van de acht kantons zich kon handhaven tegenover het Habsburgse ridderleger.
Tot 1516 volgde nu een tijd van gebiedsuitbreiding enerzijds en van een streven te komen tot consolidatie van de staat anderzijds, terwijl ook onderlinge conflicten optraden (strijd tegen Zürich, 1443-1446). Het Zwitserse gebied breidde zich uit, o.a. door de verovering van Aargau (1412) en Thurgau (1460) - beide werden behandeld als 'Untertanenländer' - en door de toetreding van Fribourg en Solothurn (1481), van Basel en Schaffhausen (1501) en van Appenzell (1513). Hoewel men voelde dat een soort centraal gezag nodig was, bleef de onderlinge band zeer los. Wel waren door bijv. de Pfaffenbrief (1370) en door de Sempacherbrief (1393) bepaalde kwesties gemeenschappelijk geregeld (handel en verkeer, discipline in de krijgsmacht, enz.). Toen de tegenstelling tussen stad en land tot burgeroorlog dreigde te leiden, wist men door het Stanser Verkommnis van 1481 de eenheid te bewaren. Dat de landelijke bevolking ontevreden bleef, bewees de boerenbeweging onder Waldmann, in 1480. Hij werd terechtgesteld, de stedelijk-aristocratische richting had gezegevierd over de democratisch-agrarische.
In de Bourgondische oorlogen bewezen de Zwitsers hun militaire kracht (slagen bij Grandson en Murten, in 1476, en bij Nancy in 1477). Hun expansiedrift vond echter een einde in de Slag bij Marignano, toen zij door Frans I van Frankrijk werden verslagen. Bij de 'eeuwige vrede' (1516) met Frankrijk behield het Eedgenootschap Ticino en Locarno als onderworpen gebied. Hoewel de kantons langzamerhand los van het rijk waren komen te staan en in 1499 ook geweigerd hadden aan de rijkshervorming van Maximiliaan mee te doen, bleef officieel de band met het rijk gehandhaafd (de officiële erkenning van de onafhankelijkheid volgde pas bij de Westfaalse Vrede, 1648).
5.2 Reformatie
In de 16de eeuw werd het land een brandpunt van de Reformatie. Vóór de Hervorming had Zwitserland reeds de religieuze problemen leren kennen. Waldenzen en Albigenzen hadden er hun invloed gehad, evenals individuele hervormers als Wiclif en Hus. De Concilies van Konstanz en Basel hadden het land geconfronteerd met de ellendige toestand waarin de Kerk en het pausschap verkeerden. Basel als humanistencentrum en het feit dat de Zwitserse staat aan het politiek individualisme tegemoet kwam, hebben zonder twijfel de Hervorming gestimuleerd. Zwingli predikte in Zürich; met het zwinglianisme zijn echter ook politieke tendensen verbonden, zoals de expansiepolitiek van Zürich. In de zgn. Kappeler oorlogen werden Zwingli en zijn aanhangers verslagen en werd aan de uitbreiding van Zürich een eind gemaakt (1531). In Genève vond de leer van Calvijn een gunstige bodem. De tijd van de godsdienstoorlogen, in de 16de en 17de eeuw in Europa, was echter tevens de oorzaak dat talrijke refugiés nieuwe industrieën naar Zwitserland brachten, o.a. de horloge-industrie.
Het tegen het einde van de middeleeuwen opgekomen stedelijk patriciaat in Zwitserland was er in de meeste steden (Basel, Bern, Genève, Solothurn, Fribourg en Luzern) in geslaagd een streng exclusieve groep te vormen, die langzamerhand in scherpe tegenstelling raakte tot de boeren. Boerenopstanden kwamen na 1648 herhaaldelijk voor en werden dan met grote strengheid onderdrukt. De zwakheden van de Zwitserse staat op religieus, sociaal en politiek gebied traden na 1648 steeds duidelijker aan den dag en leidden ten slotte tot een burgeroorlog, de Eerste Villmerger Oorlog (1656), waarbij de protestanten, geleid door Bern, werden verslagen. Het land raakte in de tweede helft van de 17de eeuw in een toestand van half-afhankelijkheid van Lodewijk XIV, het leverde troepen ( 'Soldbündnis' van 1663), maar van zijn kant liet Lodewijk niets na om de republiek te kwetsen en te vernederen. Moeilijkheden gaf o.a. de kwestie van Franche-Comté, waarvan de verdediging door Spanje aan de Zwitsers was toevertrouwd. In de Spaanse Successieoorlog bleef Zwitserland neutraal, doch binnen zijn grenzen woedde in 1712 de belangrijke Tweede Villmerger Oorlog, die door de katholieken verloren werd, zodat het zwaartepunt nu bij de protestanten in Zürich en Bern kwam te liggen.
In de 18de eeuw ontwikkelde het land zich tot een van de industrierijkste naties in Europa, hetgeen leidde tot een tegenstelling tussen de oude aristocratie en de nieuwe ondernemers, en tevens tot de vorming van een ontworteld industrieproletariaat, onttrokken aan de bergdorpen. De Verlichting had invloed in Zwitserland en extreme opvattingen deden zich gelden. De 18de eeuw was zo een tijd van politieke onrust; opstanden kwamen voor (Wilchingen, Werdenberg, Genève, Livinental, Fribourg), evenals samenzweringen. De opstand in febr. 1798 in het Waadtland (voorman van de revolutionaire agitatie was Nikolaas von Steiger), tegen Bern, werd aanleiding tot interventie door Franse troepen. Bern werd bezet en de Helvetische Republiek werd afgekondigd. Hoofdstad van het gouvernement werd Luzern; de Constitutie erkende 22 kantons, die gelijkberechtigd waren. Een centraliserende tendens werkte het ongenoegen van de kantons in de hand en in febr. 1803 werd door de zgn. Mediationsakte vanuit St.-Cloud door Napoleon de kantonnale autonomie grotendeels hersteld. De ontevredenheid ten aanzien van de Franse regering groeide echter en m.n. de rekruteringen (Zwitserland moest 16!000 man leveren) zetten veel kwaad bloed. Bij het oprukken van de verbondenen in 1813 verklaarde de Helvetische Republiek zich neutraal en bij de ineenstorting van het Napoleontische Frankrijk verdween ook de Helvetische Republiek en werd de oude gedecentraliseerde republiek hersteld.
5.3 Federatie
Na 1815 heerste in Zwitserland de reactie. De patriciërs herkregen hun macht, de Constitutie werd niet gemoderniseerd. Wel werd de neutraliteit van het land door de machten gegarandeerd. Na 1830 echter werd de liberale beweging sterker. In een aantal kantons werden in 1830/1831 liberale Constituties ingevoerd, terwijl zich tevens een antiklerikalisme begon te openbaren. In 1832 sloten enige kantons onder leiding van Zürich en Bern zich aaneen om de bondsakte te liberaliseren, waartegen andere kantons de Sarnerbund sloten. Uit deze laatste bond kwam in 1845 de katholieke Sonderbund voort (o.m. gericht tegen de wetgeving tegen de kloosters). Toen deze bond door de bondsregering werd ontbonden, volgde een burgeroorlog (Sonderbundkrieg 1847/1848); de liberale bondsregering won en de nieuwe Grondwet (12 sept. 1848) gaf uitgebreide bevoegdheden aan het bondsparlement. Dit laatste werd nog geaccentueerd door de grondwetsherziening van 1874. De nieuwe Grondwet was ontworpen naar het model van de Amerikaanse, waardoor Zwitserland een werkelijke federatie (bondsstaat) was geworden.
Na 1848 deden zich in Zwitserland geen opzienbarende gebeurtenissen meer voor. Het 'Reislaufen', dwz. het dienst nemen in buitenlandse legers, werd verboden in 1859. In 1918 werden de verkiezingen geregeld naar evenredige vertegenwoordiging (alleen voor mannen).
Zijn traditionele neutraliteit in de buitenlandse politiek handhaafde Zwitserland ook in de 20ste eeuw (zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog werd die neutraliteit gerespecteerd door de oorlogvoerende mogendheden). Mede daardoor werd bijv. een stad als Genève vestigingsplaats van internationale organisaties (Rode Kruis, Volkenbond, ILO). Het land sloot zich (op bepaalde voorwaarden) aan bij de Volkenbond, na de Tweede Wereldoorlog echter niet bij de Verenigde Naties (wel bij sommige van haar instellingen, zoals de UNESCO en de FAO). Zwitserland wenste ook geen lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen (via een referendum werd in 1972 een vrijhandelsverdrag met de EG goedgekeurd), maar wel van de EVA (1960) en de OESO (1961). Toetreding tot de Raad van Europa werd door het parlement pas in 1962 goedgekeurd. Het voorlopig lidmaatschap van het GATT ging in 1966 over in een volwaardig.
5.4 Na de oorlog
Op binnenlands politiek terrein hebben zich sedert de Tweede Wereldoorlog geen werkelijk grote verschuivingen voorgedaan. Sinds 1959 nemen alle vier de grootste partijen (SPS, CVP, FDP en SVP) deel aan coalitieregeringen (het zgn. 'concordantieprincipe'). De belangrijkste kwesties in het naoorlogse politieke leven waren: het vrouwenkiesrecht (in dec. 1971 bij referendum aanvaard voor landelijke vertegenwoordigende lichamen); gelijkstelling van man en vrouw (in 1981 in de federale wetgeving vastgelegd); het separatistische streven in de Jura, dat in 1978 leidde tot de vorming van het kanton Jura, een afsplitsing van het kanton Bern; de wetgeving met betrekking tot de buitenlandse werknemers; en de rellen van jongeren in Zürich (1980, 1981) en Bern (1987) gericht tegen de 'burgerlijke, materialistische levensstijl.' Politieke schandalen in de tweede helft van de jaren tachtig hebben het Zwitserse zelfvertrouwen enigszins ondermijnd. Bovendien vormt de ideologische omwenteling in Midden-Europa een wezenlijke bedreiging voor het lang gekoesterde principe van de Zwitserse neutraliteit. Een ander discussiethema waarin de neutraliteit op het spel stond, was het door de meeste politici gewenste lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. De voorstanders zien de Zwitserse, op export aangewezen economie niet tot overleven in staat zonder aansluiting bij de gemeenschappelijke Europese binnenmarkt. Tegenstanders vrezen echter daarmee het einde van de traditionele Zwitserse politieke onafhankelijkheid en neutraliteit te moeten accepteren. In ieder geval stemde in dec. 1992 een meerderheid van de Zwitserse bevolking nog tegen de door de regering voorgestelde toetreding tot de Europese Economische Ruimte (EER), een interne markt van EU- en EVA-landen.
In dec. 1993 werd de minister van Financiën, Otto Stich, tot president gekozen voor 1994, als opvolger van Adolf Ogli. Het presidentschap wordt ieder jaar bij toerbeurt door een ander kabinetslid vervuld. In een in sept. gehouden referendum sprak een meerderheid van de stemmers zich uit tegen uitbreiding van het aantal kerncentrales in de komende tien jaar.
Vice-president Kaspar Villiger werd door beide kamers van het parlement tot president gekozen voor 1995. De economie herstelde zich voorspoedig van de inzinking van 1993.
In okt. 1995 werden verkiezingen gehouden voor het parlement, de Nationalrat. Winst was er voor de sociaal-democratische SPS, die vooral in het Franstalige deel sterk was vertegenwoordigd en die zich had uitgesproken voor doorbreking van het traditionele neutralisme en voor toetreding tot de EU. De Schweizerische Volkspartei (SVP), met veel aanhang onder de Duitstalige agrarische bevolking en uitgesproken tegenstander van de EU, boekte eveneens winst. Hoewel de uitslag een verscherping van de politieke tegenstellingen en een verwijdering tussen de Duits- en Franssprekende Zwitsers inhield, bleef de regering, de Bondsraad, functioneren volgens het consensusmodel: van de zeven ministers leverden de SPS, de CVP (de Christen-Democratische Volkspartij) en de vrijzinnig-democratische FDP er elk twee en de SVP één.
In dec. 1996 stemde een meerderheid van de kiezers bij een referendum tegen strengere immigratiewetgeving. De conservatieve Volkspartij had voorgesteld illegale vluchtelingen uit te sluiten van asielprocedures. Het aantal vluchtelingen was in de loop van de jaren negentig echter al sterk gedaald en de regering achtte een nog verder aangescherpt beleid schadelijk voor het imago van Zwitserland.
Na jarenlange discussies gingen Zwitserse banken in 1996 akkoord met een onderzoek naar rekeningen van slachtoffers van de holocaust, die hun geld naar Zwitserland hadden gebracht en na de oorlog niet meer in staat waren de tegoeden te claimen. Een in sept. verschenen rapport van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken constateerde dat Zwitserland slechts een klein deel had teruggegeven van het door nazi-Duitsland in het land ondergebrachte goud, dat deels was gestolen van joden en deels van door Duitsland bezette staten. Zwitserland had in 1946 250 miljoen frank betaald aan de VS en Groot-Brittannië als compensatie voor slachtoffers en nabestaanden van de holocaust. Het goud, waarvan de totale waarde tien maal zo hoog zou zijn geweest, zou zich nog steeds in Zwitserse banken bevinden.
In juli 1997 publiceerden een aantal Zwitserse banken de namen van buitenlanders die in de Tweede Wereldoorlog een bankrekening bij een Zwitserse bank hadden en waarmee daarna geen contact meer was.


Telefoongids Zwitserland
Postcodes Zwitserland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009